52005PC0391

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven {SEC(2005) 1057} /* COM/2005/0391 def. - COD 2005/0167 */


Brussel, 1.9.2005

COM(2005) 391 definitief

2005/0167 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven

(door de Commissie ingediend){SEC(2005) 1057}

TOELICHTING

1) ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

In haar mededeling betreffende een gemeenschappelijk beleid inzake illegale immigratie van 15 november 2001 heeft de Commissie erop gewezen dat het terugkeerbeleid een integrerend en essentieel onderdeel van de bestrijding van illegale immigratie is. Het terugkeerbeleid dient gebaseerd te zijn op drie elementen: gemeenschappelijke beginselen, gemeenschappelijke normen en gemeenschappelijke maatregelen. In het groenboek over een communautair terugkeerbeleid van 10 april 2002 is de idee van terugkeer als integrerend deel van een algemeen communautair immigratie- en asielbeleid nader uitgewerkt. Onderlinge afstemming en betere samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van terugkeer werden in het groenboek noodzakelijk genoemd en er werden ook een aantal mogelijke elementen van een toekomstig wetgevingsvoorstel over gemeenschappelijke normen naar voren gebracht om een brede discussie tussen de belanghebbenden op gang te brengen.

In de daarop volgende mededeling van de Commissie van 14 oktober 2002 over een communautair terugkeerbeleid ten aanzien van personen die illegaal in de Europese Unie verblijven, waren de resultaten van deze openbare raadpleging verwerkt en werd een concreet programma voor verdere maatregelen geschetst, met de nadruk op een holistische aanpak. In de mededeling werd gesteld: " Voor een optimaal resultaat moet er een nauwe aansluiting zijn met een zorgvuldig beheer van migratiekwesties, waarvoor kristalheldere consolidatie vereist is van legale immigratiekanalen en van de situatie van legale immigranten, een doeltreffend en grootmoedig asielsysteem op basis van snelle procedures die toegang bieden tot echte bescherming voor hen die dit nodig hebben, en een ruimere dialoog met derde landen, die meer en meer gevraagd zullen worden om op het vlak van migratie samen te werken ". Op basis van deze mededeling heeft de Raad op 28 november 2002 een actieprogramma inzake terugkeer vastgesteld, waarin wordt aangedrongen op betere operationele samenwerking tussen de lidstaten, intensievere samenwerking met derde landen en de vaststelling van gemeenschappelijke normen om terugkeer in de praktijk te vergemakkelijken.

Tenslotte werd op 4/5 november 2004 door de Europese Raad van Brussel het Haags Programma vastgesteld, waarin dit onderwerp opnieuw aan de orde komt en uitdrukkelijk wordt gevraagd om gemeenschappelijke normen op basis waarvan mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun mensenrechten en waardigheid teruggezonden kunnen worden. In het Haags Programma wordt de Commissie verzocht begin 2005 met een voorstel te komen.

Dit voorstel vormt het antwoord op dat verzoek en moet duidelijke, transparante en eerlijke gemeenschappelijke regels vaststellen voor terugkeer, uitzetting, het gebruik van dwangmaatregelen, vreemdelingenbewaring en het opleggen van een inreisverbod, met volledige inachtneming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkenen.

De samenwerking tussen de lidstaten heeft meer kans op succes indien er eensgezindheid bestaat over de voornaamste punten. Daarom moeten gemeenschappelijke normen worden vastgesteld om het werk van de betrokken instanties te vergemakkelijken en meer samenwerking tussen de lidstaten mogelijk te maken. Op lange termijn leiden dergelijke normen tot een passende en gelijke behandeling van illegaal in de EU verblijvende onderdanen van derde landen, ongeacht in welke lidstaat de terugkeerprocedure wordt toegepast.

- Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied

Het actieprogramma inzake terugkeer van november 2002 heeft in concreto geleid tot een groot aantal wetgevende en andere maatregelen[1]. Richtlijn 2003/110/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de ondersteuning bij doorgeleiding in het kader van maatregelen tot verwijdering door de lucht, en Beschikking 2004/573/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake het organiseren van gezamenlijke vluchten voor verwijdering zijn de eerste belangrijke mijlpalen op dit gebied.

Richtlijn 2001/40/EG betreffende de onderlinge erkenning van besluiten inzake de verwijdering van onderdanen van derde landen en Beschikking 2004/191/EG van de Raad tot vaststelling van de criteria en uitvoeringsvoorschriften voor de compensatie van de verstoringen van het financiële evenwicht vormen het juridisch kader voor de wederzijdse erkenning van uitzettingsbesluiten.

Wat het financiële aspect van het terugkeerbeleid betreft, heeft de Commissie voorgesteld een Europees Terugkeerfonds op te richten voor de periode 2008-2013, als onderdeel van het algemeen programma "Solidariteit en beheer van de migratiestromen" (COM(2005)123 van 6.4.2005). Dit financiële instrument wordt geleidelijk ingevoerd met behulp van voorbereidende maatregelen in de periode 2005-2007.

2) RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING

Het Groenboek over een communautair terugkeerbeleid van 2002 (COM(2002)175) heeft een brede discussie losgemaakt, onder andere op een openbare hoorzitting met ruim 200 deelnemers, waar ongeveer 30 deskundigen het woord voerden. Op deze openbare hoorzitting konden alle belanghebbenden hun standpunten formuleren over de onderwerpen die in dit voorstel worden behandeld. Op basis van de ideeën in het groenboek werden de huidige werkwijzen op het gebied van terugkeer en de mogelijkheden voor een toekomstig gemeenschappelijk EU-beleid ten aanzien van de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal in de Unie verblijven, besproken. De Europese instellingen, de lidstaten, de kandidaat-lidstaten, landen van herkomst en doorreis, andere landen van bestemming, internationale organisaties, regionale en gemeentelijke overheden, niet-gouvernementele organisaties en academische instellingen konden er openlijk van gedachten wisselen. De schriftelijke bijdragen in het kader van deze raadpleging waren te lezen op internet.

Daarnaast werden de nationale deskundigen op het gebied van terugkeer in de tweede helft van 2004 geraadpleegd over een voorontwerp van een richtlijn over terugkeerprocedures.

3) JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL

- Samenvatting van de voorgestelde maatregelen

Een doeltreffend terugkeerbeleid is een noodzakelijk onderdeel van een gedegen en geloofwaardig migratiebeleid. Dit moet het uitgangspunt vormen voor duidelijke, transparante en eerlijke regels waarin de mensenrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkenen worden geëerbiedigd. In dit voorstel wordt dit verwezenlijkt door:

1. de regel in te voeren dat aan illegaal verblijf een einde moet worden gemaakt door middel van een eerlijke en transparante procedure;

2. het beginsel van zelfstandige terugkeer te bevorderen door middel van de algemene regel dat normaliter een "vertrektermijn" moet worden toegekend;

3. als algemeen beginsel een geharmoniseerde procedure in twee fasen in te voeren: eerst een terugkeerbesluit en vervolgens – indien nodig – een uitzettingsbevel, waardoor de huidige uiteenlopende procedures in de lidstaten enigszins worden geharmoniseerd;

4. een regeling te treffen voor personen die illegaal in de Unie verblijven maar (nog) niet kunnen worden uitgezet;

5. minimumprocedurewaarborgen vast te stellen;

6. het gebruik van dwangmaatregelen te beperken en te koppelen aan het evenredigheidsbeginsel, waarbij minimumwaarborgen worden vastgesteld voor de manier waarop gedwongen terugkeer wordt uitgevoerd;

7. het effect van nationale terugkeermaatregelen een Europese dimensie te geven door middel van een inreisverbod dat voor de gehele EU geldt;

8. medewerking te belonen (bijvoorbeeld door het inreisverbod in te trekken) en een gebrek aan medewerking te bestraffen (bijvoorbeeld door het inreisverbod te verlengen);

9. de belangen van de lidstaat in geval van een ernstige bedreiging van de nationale of de openbare veiligheid te beschermen (bijvoorbeeld door het inreisverbod te verlengen);

10. het gebruik van vreemdelingenbewaring te beperken en te koppelen aan het evenredigheidsbeginsel;

11. minimumwaarborgen voor vreemdelingenbewaring vast te stellen;

12. een regeling te treffen voor gevallen waarin onderdanen van derde landen tegen wie door een van de lidstaten een uitzettingsbevel of een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, worden aangehouden op het grondgebied van een andere lidstaat.

De vraag was of uitzetting in verband met de nationale of de openbare veiligheid in het kader van dit voorstel moest worden geregeld, in het bijzonder als het gaat om de uitzetting van vermoedelijke terroristen. Om drie redenen zijn in het voorstel geen specifieke bepalingen hierover opgenomen:

- alle EG-richtlijnen op het gebied van asiel en immigratie bevatten al een "openbare orde"-bepaling op grond waarvan de lidstaten een verblijfstitel kunnen intrekken en onderdanen van derde landen die een bedreiging vormen voor de openbare orde of de openbare veiligheid, het land kunnen uitzetten. In haar "post-11 september" werkdocument COM(2001) 743 van 5 december 2001 concludeert de Commissie: " Een strikte toepassing van deze bepalingen is waarschijnlijk een betere manier om de veiligheid te bevorderen dan het aanbrengen van ingrijpende wijzigingen in de diverse bestaande voorstellen ";

- het is niet altijd in het belang van de lidstaat om een vermoedelijke terrorist het land uit te zetten. Soms verdient het de voorkeur om een strafrechtelijke procedure tegen de betrokken persoon te beginnen, of hem in een lidstaat onder toezicht te houden in plaats van hem het land uit te zetten naar een derde land;

- zelfs als zou worden overwogen de uitzetting in verband met de openbare orde/veiligheid verder te harmoniseren, zou dit niet moeten worden voorgesteld in het kader van een richtlijn die betrekking heeft op de beëindiging van illegaal verblijf en op terugkeer, maar eerder in het kader van de richtlijnen over de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf en het beëindigen van legaal verblijf.

Vanaf het moment dat het legaal verblijf van een onderdaan van een derde land in verband met de openbare orde wordt beëindigd, wordt de betrokkene echter een onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van de lidstaat verblijft in de zin van deze richtlijn en zijn de bepalingen van deze richtlijn op hem van toepassing.

- Rechtsgrondslag

Artikel 63, punt 3, onder b), van het Verdrag

- Grondrechten

Dit voorstel is uitvoerig getoetst om ervoor te zorgen dat de bepalingen volledig stroken met de grondrechten die de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht en het internationaal recht vormen, zoals de bescherming van vluchtelingen en de mensenrechtenverplichtingen die voortvloeien uit het Europees verdrag voor de mensenrechten. Als gevolg hiervan is veel aandacht besteed aan de bepalingen over de procedurele waarborgen, de eenheid van het gezin, vreemdelingenbewaring en dwangmaatregelen.

- Subsidiariteitsbeginsel

Het subsidiariteitsbeginsel is van toepassing aangezien het voorstel niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt. De doelstellingen van het voorstel kunnen om de volgende redenen niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt:

dit voorstel is bedoeld om gemeenschappelijke regels voor terugkeer, uitzetting, het gebruik van dwangmaatregelen, vreemdelingenbewaring en het opleggen van een inreisverbod vast te stellen. Deze gemeenschappelijke regels, die moeten zorgen voor een passende en gelijke behandeling van illegale onderdanen van derde landen in de gehele EU, ongeacht in welke lidstaat deze worden aangehouden, kunnen alleen op communautair niveau worden vastgesteld;

er zijn met name gemeenschappelijke regels nodig voor gevallen waarin onderdanen van derde landen tegen wie door een van de lidstaten al een terugkeerbesluit, een uitzettingsbevel en/of een inreisverbod is uitgevaardigd, in een andere lidstaat worden aangehouden of een andere lidstaat proberen binnen te komen;

in het Haags Programma wordt er nadrukkelijk bij de Commissie op aangedrongen om dit voorstel in te dienen. Daaruit blijkt dat de lidstaten erkennen dat zij zelf de doelstelling van een doeltreffend Europees terugkeerbeleid niet in voldoende mate kunnen verwezenlijken en dat de EU dat beter kan doen.

- Evenredigheidsbeginsel

Het voorstel is om de volgende redenen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel:

in de voorgestelde richtlijn worden algemene beginselen vastgelegd, maar de lidstaten kiezen zelf de meest geschikte vorm en methode om deze beginselen te vertalen in hun eigen nationale rechtstelsel en algemene situatie;

het voorstel is bedoeld om doeltreffende nationale uitzettingsmaatregelen te ondersteunen en dubbel werk van de lidstaten te voorkomen. De richtlijn moet dus – na goedkeuring – leiden tot een vermindering van de administratieve belasting van de instanties die belast zijn met de tenuitvoerlegging ervan.

- Keuze van het instrument

Voorgesteld instrument: richtlijn.

Er moest een bindend rechtsinstrument worden gekozen dat gemakkelijk in de uiteenlopende nationale rechtsstelsels kan worden opgenomen. Een verordening biedt te weinig flexibiliteit, terwijl zachte wetgeving (bijvoorbeeld in de vorm van een aanbeveling) onvoldoende bindende rechtskracht heeft.

- Deelname aan het rechtsinstrument

De rechtsgrondslag voor dit voorstel ligt in titel IV van het EG-Verdrag. Voor zover het voorstel betrekking heeft op onderdanen van derde landen die niet of niet langer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst volgens de Schengenuitvoeringsovereenkomst, vormt het een ontwikkeling van het Schengenacquis die moet worden voorgesteld en goedgekeurd overeenkomstig het aan het Verdrag van Amsterdam gehechte Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, het Protocol betreffende de positie van Denemarken en het Protocol tot opneming van het Schengenacquis in het kader van de Europese Unie. Overeenkomstig de overeenkomst met IJsland en Noorwegen en die met Zwitserland vormt het voorstel – voor zover het betrekking heeft op het hierboven genoemde onderwerp – een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis.

4) AANVULLENDE INFORMATIE

- Het voorstel nader bekeken

Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste punten van het voorstel. Nadere toelichting is te vinden in de bijlage.

Hoofdstuk I

Uitgangspunt voor de toepasselijkheid van de voorgestelde richtlijn is "illegaal verblijf". Als maatregel tegen illegale immigratie op basis van artikel 63, punt 3, onder b) van het Verdrag is het voorstel bedoeld om horizontale regels vast te stellen die van toepassing zijn op iedere onderdaan van een derde land die, om welke reden dan ook, illegaal in de Unie verblijft (verlopen visum, verlopen verblijfstitel, herroeping of intrekking van de verblijfstitel, negatieve beslissing over een asielverzoek, intrekking van de vluchtelingenstatus, illegale binnenkomst). Het voorstel voor een richtlijn heeft geen betrekking op de redenen of de procedures voor het beëindigen van een legaal verblijf.

Hoofdstuk II

Het voorstel voert een procedure in twee fasen in, die leidt tot beëindiging van illegaal verblijf. Tegen elke onderdaan van een derde land die illegaal in de Unie verblijft, moet een terugkeerbesluit worden uitgevaardigd. Zelfstandige terugkeer moet prioriteit hebben. Indien de betrokkene niet zelfstandig terugkeert, dienen de lidstaten uitvoering te geven aan de verplichting om terug te keren door middel van een uitzettingsbevel. Bij de [voorafgaande] raadpleging toonden vele lidstaten zich bezorgd dat de procedure in twee fasen ertoe zou kunnen leiden dat de procedures langer gaan duren. Om dit bezwaar te ondervangen, wordt in het voorstel uitdrukkelijk bepaald dat het de lidstaten vrij staat om het terugkeerbesluit en het uitzettingsbevel in een enkele beslissing te bundelen. De materiële bepalingen van dit hoofdstuk, met name die over de bescherming tegen uitzetting en de mogelijkheid tot zelfstandige terugkeer, moeten door de lidstaten worden nageleefd, ongeacht of zij het terugkeerbesluit en het uitzettingsbevel afzonderlijk uitvaardigen of in een enkele beslissing bundelen.

Het voorstel voert de verplichting in om een uitzettingsbevel te koppelen aan een inreisverbod, zodat de betrokkene geen van de lidstaten opnieuw kan binnenkomen. Deze "Europeanisering" van het effect van nationale terugkeermaatregelen moet preventief werken en zorgen voor een geloofwaardiger, echt Europees terugkeerbeleid. De duur van het inreisverbod wordt per geval, op basis van de omstandigheden, bepaald. Normaliter mag het verbod niet langer dan 5 jaar gelden. Alleen in geval van een ernstige bedreiging van de openbare orde of de openbare veiligheid mag het inreisverbod voor een langere periode worden opgelegd.

Hoofdstuk III

In het voorstel wordt het recht op een doeltreffend rechtsmiddel tegen terugkeerbesluiten en uitzettingsbevelen gewaarborgd. Het rechtsmiddel moet opschortende werking hebben of de betrokkene het recht geven een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit of het uitzettingsbevel in te dienen; in dat geval wordt de tenuitvoerlegging uitgesteld tot het terugkeerbesluit of het uitzettingsbevel is bevestigd of niet langer door middel van een rechtsmiddel met opschortende werking wordt aangevochten.

Hoofdstuk IV

In dit hoofdstuk wordt het gebruik van vreemdelingenbewaring beperkt en gekoppeld aan het evenredigheidsbeginsel. Vreemdelingenbewaring mag alleen worden toegepast indien dit nodig is om te voorkomen dat de betrokkene onderduikt en minder dwingende maatregelen niet afdoende zijn. De redenen om iemand in vreemdelingenbewaring te houden moeten regelmatig door een rechterlijke instantie worden getoetst. Een maximumtermijn voorkomt overmatige verlenging van de vreemdelingenbewaring. Met deze harmonisatie van de nationale regels voor vreemdelingenbewaring moet ook worden voorkomen dat tussen de lidstaten secundaire migratiestromen ontstaan van illegaal in de Unie verblijvende personen tegen wie in het kader van deze richtlijn maatregelen zijn genomen.

Hoofdstuk V

Dit hoofdstuk bevat een aantal flexibele regels die van toepassing zijn als een onderdaan van een derde land tegen wie in de ene lidstaat ("de eerste lidstaat") een uitzettingsbevel of een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, in een andere lidstaat ("de tweede lidstaat") wordt aangehouden. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen de lidstaten dan uit verschillende mogelijkheden kiezen.

De tweede lidstaat kan het terugkeerbesluit of het uitzettingsbevel van de eerste lidstaat erkennen; dan is de financiële compensatieregeling van Beschikking 2004/191/EG van toepassing.

De tweede lidstaat kan ook de eerste lidstaat verzoeken de betrokken onderdaan van een derde land terug te nemen, of zelf een nieuwe/onafhankelijke terugkeerprocedure naar nationaal recht beginnen.

Verband met het Schengeninformatiesysteem

Informatie-uitwisseling met andere lidstaten is van doorslaggevend belang voor een doeltreffende en snelle toepassing van de bepalingen van dit voorstel. De lidstaten moeten snel toegang hebben tot informatie over terugkeerbesluiten, uitzettingsbevelen en inreisverboden die door de lidstaten zijn uitgevaardigd. Deze informatie-uitwisseling gebeurt volgens de regels betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II).

2005/0167 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 63, punt 3, onder b),

Gezien het voorstel van de Commissie[2],

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De Europese Raad van Brussel van 4 en 5 november 2004 heeft erop aangedrongen op basis van gemeenschappelijke normen een doeltreffend uitzettings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun mensenrechten en waardigheid teruggezonden kunnen worden.

(2) Er moeten duidelijke, transparante en eerlijke regels worden vastgesteld, zodat in het kader van een gedegen migratiebeleid een doeltreffend terugkeerbeleid kan worden gevoerd.

(3) Deze richtlijn dient om horizontale regels vast te stellen die van toepassing zijn op alle onderdanen van derde landen die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor verblijf in een lidstaat.

(4) De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat door middel van een eerlijke en transparante procedure een einde wordt gemaakt aan illegaal verblijf.

(5) Als algemeen beginsel dient een geharmoniseerde procedure in twee fasen te worden toegepast, waarbij eerst een terugkeerbesluit wordt genomen en vervolgens, indien nodig, een uitzettingsbevel wordt uitgevaardigd. Om te voorkomen dat procedures te veel tijd in beslag nemen, moeten de lidstaten echter de mogelijkheid hebben om het terugkeerbesluit en het uitzettingsbevel in een enkele beslissing te bundelen.

(6) Zolang er geen reden is om aan te nemen dat het de terugkeerprocedure ondermijnt, verdient zelfstandige terugkeer de voorkeur boven gedwongen terugkeer en dient een termijn voor zelfstandige terugkeer te worden toegekend.

(7) Er dienen gemeenschappelijke wettelijke minimumwaarborgen te worden vastgesteld voor terugkeerbesluiten en uitzettingsbevelen, teneinde de belangen van de betrokkenen te beschermen.

(8) Er dient een regeling te worden getroffen voor personen die illegaal in de Unie verblijven maar (nog) niet kunnen worden uitgezet. Er dienen minimumnormen voor de verblijfsomstandigheden van deze personen te worden vastgesteld, op basis van de bepalingen van Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten[3].

(9) Het gebruik van dwangmaatregelen dient uitdrukkelijk te worden gekoppeld aan het evenredigheidsbeginsel en er dienen minimumwaarborgen voor de toepassing van gedwongen terugkeer te worden vastgesteld, op basis van Beschikking 2004/573/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake het organiseren van gezamenlijke vluchten voor de verwijdering van onderdanen van derde landen tegen wie individuele verwijderingsmaatregelen zijn genomen van het grondgebied van twee of meer lidstaten[4]

(10) Het effect van nationale terugkeermaatregelen moet een Europese dimensie krijgen door middel van een inreisverbod dat de betrokkene de toegang tot het grondgebied van alle lidstaten ontzegt.

De duur van het inreisverbod dient per geval te worden bepaald aan de hand van de omstandigheden en mag normaliter niet langer zijn dan 5 jaar. In geval van een ernstige bedreiging van de openbare orde of de openbare veiligheid moeten de lidstaten een inreisverbod voor een langere periode kunnen opleggen.

(11) Het gebruik van vreemdelingenbewaring moet worden beperkt en in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel. Vreemdelingenbewaring mag alleen worden toegepast indien dit nodig is om te voorkomen dat de betrokkene onderduikt en minder dwingende maatregelen niet afdoende zouden zijn.

(12) Er dient een regeling te worden getroffen voor gevallen waarin een onderdaan van een derde land tegen wie door een van de lidstaten een uitzettingsbevel of een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt aangehouden op het grondgebied van een andere lidstaat.

(13) Deze richtlijn bevat bepalingen over de erkenning van terugkeerbesluiten of uitzettingsbevelen die in de plaats komen van Richtlijn 2001/40/EG betreffende de onderlinge erkenning van besluiten inzake de verwijdering van onderdanen van derde landen[5]. Die richtlijn moet derhalve worden ingetrokken.

(14) In Beschikking 2004/191/EG[6] van de Raad zijn criteria en uitvoeringsvoorschriften vastgesteld voor de compensatie van de verstoringen van het financiële evenwicht die voortvloeien uit de onderlinge erkenning van verwijderingsbesluiten, die mutatis mutandis moeten worden toegepast bij de erkenning van terugkeerbesluiten of uitzettingsbevelen overeenkomstig deze richtlijn.

(15) De lidstaten dienen snel toegang te hebben tot informatie over terugkeerbesluiten, uitzettingsbevelen en inreisverboden die door de lidstaten zijn uitgevaardigd. Deze informatie-uitwisseling dient te gebeuren overeenkomstig [Besluit/Verordening … betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II)][7].

(16) Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het vaststellen van gemeenschappelijke regels voor terugkeer, uitzetting, het gebruik van dwangmaatregelen, vreemdelingenbewaring en het opleggen van een inreisverbod niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en daarom vanwege de omvang en gevolgen ervan beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(17) De lidstaten dienen deze richtlijn toe te passen zonder onderscheid te maken naar met name geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.

(18) Overeenkomstig het Verdrag inzake de rechten van het kind van de Verenigde Naties van 1989 dienen bij de toepassing van deze richtlijn door de lidstaten de belangen van het kind voorop te staan. Overeenkomstig het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dient bij de toepassing van deze richtlijn door de lidstaten de eerbiediging van het gezinsleven voorop te staan.

(19) De toepassing van deze richtlijn laat de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, als gewijzigd bij het protocol van New York van 31 januari 1967, onverlet.

(20) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

(21) Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol betreffende de positie van Denemarken, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze beschikking; deze beschikking is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing in Denemarken. Aangezien deze richtlijn – voor zover zij betrekking heeft op onderdanen van derde landen die niet of niet langer voldoen aan de toegangsvoorwaarden volgens de Schengenuitvoeringsovereenkomst[8] – een uitwerking vormt van het Schengenacquis uit hoofde van Titel IV van het derde deel van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dient Denemarken, overeenkomstig artikel 5 van het hierboven genoemde protocol, binnen zes maanden nadat deze richtlijn is vastgesteld, te besluiten of het deze in zijn nationale wetgeving zal omzetten.

(22) Deze richtlijn vormt – voor zover zij betrekking heeft op onderdanen van derde landen die niet of niet langer voldoen aan de toegangsvoorwaarden volgens de Schengenuitvoeringsovereenkomst – een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, die vallen onder artikel 1, punt C, van Besluit 1999/437/EG van de Raad[9] inzake bepaalde toepassingsbepalingen van deze overeenkomst.

(23) Deze richtlijn vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst die is ondertekend door de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat betreffende de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 4, lid 1, van Besluit 2004/860/EG[10] van de Raad betreffende de voorlopige toepassing van een aantal bepalingen van deze overeenkomst.

(24) Deze richtlijn vormt – voor zover zij betrekking heeft op onderdanen van derde landen die niet of niet langer voldoen aan de toegangsvoorwaarden volgens de Schengenuitvoeringsovereenkomst – een rechtsbesluit dat voortbouwt op het Schengenacquis of daaraan op een andere wijze is gerelateerd in de zin van artikel 3, lid 2, van de Toetredingsakte,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Hoofdstuk I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Onderwerp

In deze richtlijn worden gemeenschappelijke normen en procedures vastgesteld die door de lidstaten moeten worden toegepast bij de terugkeer van illegaal op hun grondgebied verblijvende onderdanen van derde landen, overeenkomstig de grondrechten die de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht en het internationaal recht vormen, zoals de verplichting om vluchtelingen te beschermen en de mensenrechten te eerbiedigen.

Artikel 2 Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is van toepassing op onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven, d.w.z. die

1. niet of niet langer voldoen aan de toegangsvoorwaarden die zijn geformuleerd in artikel 5 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, of

2. die anderszins illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven.

2. De lidstaten kunnen besluiten deze richtlijn niet toe te passen op onderdanen van derde landen aan wie de toegang is geweigerd in een transitzone van een lidstaat. Zij zorgen er echter voor dat deze onderdanen van derde landen geen minder gunstige behandeling of geringere bescherming wordt geboden dan wordt voorgeschreven in de artikelen 8, 10, 13 en 15.

3. Deze richtlijn is niet van toepassing op onderdanen van derde landen die

3. gezinsleden zijn van burgers van de Unie die hun recht op vrij verkeer van personen in de Gemeenschap hebben uitgeoefend, of

4. in het kader van een overeenkomst tussen de Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en hun land van herkomst anderzijds hetzelfde recht van vrij verkeer genieten als burgers van de Unie.

Artikel 3 Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

(a) "onderdaan van een derde land": eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 17, lid 1, van het Verdrag;

(b) "illegaal verblijf": de aanwezigheid op het grondgebied van een lidstaat van een onderdaan van een derde land die niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot en verblijf in die lidstaat;

(c) "terugkeer": de zelfstandige of gedwongen terugkeer naar het land van herkomst, het land van doorreis of een ander derde land;

(d) "terugkeerbesluit": een administratieve of rechterlijke beslissing waarbij het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal wordt verklaard en de betrokkene wordt verplicht terug te keren;

(e) "uitzetting": de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting, d.w.z. de fysieke verwijdering uit het land;

(f) "uitzettingsbevel": een administratieve of rechterlijke beslissing waarbij de uitzetting wordt gelast;

(g) "inreisverbod": een administratieve of rechterlijke beslissing waarbij de betrokkene de toegang tot het grondgebied van de lidstaten voor een bepaalde periode wordt ontzegd.

Artikel 4 Gunstiger bepalingen

1. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan gunstiger bepalingen van:

5. bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de Gemeenschap of de Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en een of meer derde landen anderzijds;

6. bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen een of meer lidstaten en een of meer derde landen.

2. Deze richtlijn laat bepalingen van de wetgeving van de Gemeenschap op het gebied van immigratie en asiel die gunstiger zijn voor onderdanen van derde landen onverlet, met name bepalingen van:

7. Richtlijn 2003/86/EG van de Raad inzake het recht op gezinshereniging,[11]

8. Richtlijn 2003/109/EG van de Raad betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen[12];

9. Richtlijn 2004/81/EG van de Raad betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie[13];

10. Richtlijn 2004/83/EG van de Raad inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming[14];

11. Richtlijn 2004/114/EG van de Raad betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk[15];

12. Richtlijn 2005/XX/EG van de Raad betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek[16].

3. Deze richtlijn laat onverlet dat de lidstaten bepalingen kunnen invoeren of handhaven die gunstiger zijn voor de personen op wie de richtlijn van toepassing is, mits deze bepalingen verenigbaar zijn met de richtlijn.

Artikel 5 Familiebanden en belang van het kind

Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met de aard en de hechtheid van de familiebanden van de betrokken onderdanen van derde landen, de duur van het verblijf in de lidstaat en het bestaan van familiebanden en sociale en culturele banden met het land van herkomst. Overeenkomstig het Verdrag inzake de rechten van het kind van de Verenigde Naties van 1989 houden zij tevens rekening met de belangen van het kind.

Hoofdstuk II BEËINDIGING VAN ILLEGAAL VERBLIJF

Artikel 6 Terugkeerbesluit

1. De lidstaten vaardigen een terugkeerbesluit uit tegen iedere onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.

2. In het terugkeerbesluit wordt een passende periode voor zelfstandig vertrek vastgesteld van maximaal vier weken, tenzij er reden is om aan te nemen dat de betrokkene tijdens deze periode zal onderduiken. Voor de duur van de vertrekperiode kunnen bepaalde verplichtingen worden opgelegd om het risico op onderduiken te beperken, zoals de verplichting om zich regelmatig te melden bij de autoriteiten, een financiële zekerheid te stellen, documenten te verstrekken of op een bepaalde plaats te verblijven.

3. Het terugkeerbesluit wordt afzonderlijk of in combinatie met een uitzettingsbevel uitgevaardigd.

4. In het geval dat op een lidstaat verplichtingen rusten die voortvloeien uit de grondrechten zoals die zijn vastgelegd in met name het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zoals het recht op non-refoulement, het recht op onderwijs en het recht op eenheid van het gezin, wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien in een dergelijk geval al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt dit ingetrokken.

5. De lidstaten kunnen te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfstitel of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dergelijke gevallen wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd of wordt een eventueel al uitgevaardigd terugkeerbesluit ingetrokken.

6. Wanneer een onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft in het bezit is van een geldige verblijfstitel van een andere lidstaat, vaardigt de lidstaat waar de betrokkene illegaal verblijft geen terugkeerbesluit uit wanneer de betrokkene vrijwillig terugkeert naar het grondgebied van de lidstaat die de verblijfstitel heeft afgegeven.

7. Indien ten aanzien van een illegaal op zijn grondgebied verblijvende onderdaan van een derde land een procedure loopt voor verlenging van de verblijfstitel of een andere vorm van toestemming tot verblijf, vaardigt de betrokken lidstaat geen terugkeerbesluit uit zolang de procedure loopt.

8. Indien ten aanzien van een illegaal op zijn grondgebied verblijvende onderdaan van een derde land een procedure loopt voor toekenning van een verblijfstitel of een andere vorm van toestemming tot verblijf, vaardigt de betrokken lidstaat geen terugkeerbesluit uit zolang de procedure loopt.

Artikel 7 Uitzettingsbevel

1. De lidstaten vaardigen een uitzettingsbevel uit tegen onderdanen van derde landen tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd indien het risico bestaat dat de betrokkene onderduikt of indien de betrokkene niet binnen de overeenkomstig artikel 6, lid 2, toegekende termijn voor zelfstandig vertrek heeft voldaan aan zijn terugkeerverplichting.

2. In het uitzettingsbevel worden de termijn waarbinnen de uitzetting zal plaatsvinden en het land van terugkeer vermeld.

3. Het uitzettingsbevel wordt afzonderlijk of in combinatie met een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

Artikel 8 Uitstel

1. De lidstaten kunnen per geval besluiten de tenuitvoerlegging van een terugkeerbesluit voor een passende termijn uit te stellen op grond van specifieke omstandigheden.

2. De lidstaten stellen de tenuitvoerlegging van een uitzettingsbevel in de volgende omstandigheden uit, zolang deze omstandigheden zich voordoen:

13. de onderdaan van een derde land kan vanwege zijn of haar fysieke of mentale gesteldheid niet naar het land van terugkeer reizen of worden vervoerd;

14. technische redenen, zoals een gebrek aan vervoermiddelen of andere problemen, maken het onmogelijk de onderdaan van een derde land op een humane manier en met eerbiediging van zijn grondrechten en waardigheid, uit te zetten;

15. na beoordeling van de omstandigheden waarin een alleenstaande minderjarige zal terechtkomen, bestaat geen zekerheid dat hij of zij bij vertrek of aankomst kan worden overgedragen aan een familielid, een vergelijkbare vertegenwoordiger, een voogd van de minderjarige of een bevoegde ambtenaar van het land van terugkeer.

3. Indien de tenuitvoerlegging van een terugkeerbesluit of een uitzettingsbevel wordt uitgesteld overeenkomstig de leden 1 en 2, kunnen de onderdaan van een derde land bepaalde verplichtingen worden opgelegd om het risico op onderduiken te beperken, zoals de verplichting om zich regelmatig te melden bij de autoriteiten, een financiële zekerheid te stellen, documenten te verstrekken of op een bepaalde plaats te verblijven.

Artikel 9 Inreisverbod

1. Een uitzettingsbevel gaat vergezeld van een inreisverbod van maximaal vijf jaar.

Terugkeerbesluiten kunnen ook vergezeld gaan van een inreisverbod.

2. De duur van het inreisverbod wordt per geval bepaald aan de hand van de omstandigheden, waarbij met name wordt meegewogen of:

(a) het de eerste keer is dat tegen de betrokken onderdaan van een derde land een uitzettingsbevel wordt uitgevaardigd;

(b) tegen de betrokken onderdaan van een derde land al vaker een uitzettingsbevel is uitgevaardigd;

(c) de betrokken onderdaan van een derde land de lidstaat is binnengekomen terwijl er een inreisverbod van kracht was;

(d) de betrokken onderdaan van een derde land een bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid.

Het inreisverbod kan voor een langere periode dan vijf jaar worden opgelegd indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid.

3. Het inreisverbod kan worden ingetrokken, in het bijzonder wanneer:

(a) het de eerste keer is dat tegen de betrokkene een terugkeerbesluit of een uitzettingsbevel wordt uitgevaardigd;

(b) de betrokkene zich heeft gemeld bij een consulaire post van een lidstaat;

(c) de betrokkene alle kosten van de vorige terugkeerprocedure heeft vergoed.

4. In uitzonderlijke gevallen kan het inreisverbod tijdelijk worden opgeschort.

5. De leden 1 tot 4 laten het recht om in een van de lidstaten asiel aan te vragen, onverlet.

Artikel 10 Uitzetting

1. Indien de lidstaten bij de uitzetting van een onderdaan van een derde land die zich tegen de uitzetting verzet, gebruikmaken van dwangmaatregelen, gebruiken zij geen buitenproportionele maatregelen en geen onredelijk geweld. Uitzetting gebeurt met inachtneming van de grondrechten en met eerbiediging van de waardigheid van de betrokken onderdaan van een derde land.

2. Bij uitzetting houden de lidstaten rekening met de gemeenschappelijke richtsnoeren voor veiligheidsvoorzieningen voor gezamenlijke verwijdering door de lucht die zijn gehecht aan Beschikking 2004/573/EG.

Hoofdstuk III PROCEDURELE WAARBORGEN

Artikel 11 Vorm

1. Terugkeerbesluiten en uitzettingsbevelen worden schriftelijk uitgevaardigd.

De lidstaten zorgen ervoor dat de feitelijke en juridische gronden in het besluit en/of het bevel worden vermeld en dat de betrokken onderdaan van een derde land schriftelijk wordt gewezen op de rechtsmiddelen die hem ter beschikking staan.

2. Op verzoek verstrekken de lidstaten een schriftelijke of mondelinge vertaling van de belangrijkste onderdelen van het terugkeerbesluit en/of het uitzettingsbevel in een taal die de onderdaan van een derde land redelijkerwijze geacht kan worden te begrijpen.

Artikel 12 Rechtsmiddelen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat onderdanen van derde landen het recht hebben om bij een rechterlijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen tegen een terugkeerbesluit en/of een uitzettingsbevel.

2. Het rechtsmiddel moet opschortende werking hebben of de betrokkene het recht geven een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit of het uitzettingsbevel in te dienen; in dat geval wordt de tenuitvoerlegging uitgesteld tot het terugkeerbesluit of het uitzettingsbevel is bevestigd of niet langer door middel van een rechtsmiddel met opschortende werking wordt aangevochten.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat de betrokken onderdaan van een derde land toegang heeft tot juridisch advies, vertegenwoordiging in rechte en, indien nodig, taalkundige bijstand. Aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, wordt rechtsbijstand verleend voorzover deze bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

Artikel 13 Waarborgen in afwachting van terugkeer

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de verblijfsomstandigheden van onderdanen van derde landen voor wie de tenuitvoerlegging van een terugkeerbesluit is uitgesteld of die niet kunnen worden uitgezet om de in artikel 8 van deze richtlijn genoemde redenen, niet ongunstiger zijn dan die welke zijn beschreven in de artikelen 7 tot 10, artikel 15 en de artikelen 17 tot 20 van Richtlijn 2003/9/EG.

2. De lidstaten bevestigen schriftelijk aan de in lid 1 bedoelde personen dat de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit voor een bepaalde periode is uitgesteld of dat het uitzettingsbevel voorlopig niet zal worden uitgevoerd.

Hoofdstuk IV VREEMDELINGENBEWARING MET HET OOG OP UITZETTING

Artikel 14 Vreemdelingenbewaring

1. Indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat het risico bestaat dat een onderdaan van een derde land tegen wie een uitzettingsbevel of een terugkeerbesluit is of zal worden uitgevaardigd, onderduikt en minder dwingende maatregelen zoals de verplichting om zich regelmatig te melden bij de autoriteiten, een financiële zekerheid te stellen, documenten te verstrekken of op een bepaalde plaats te verblijven, of andere maatregelen niet voldoende zouden zijn om dit te voorkomen, stellen de lidstaten de betrokkene in vreemdelingenbewaring.

2. Het in vreemdelingenbewaring stellen gebeurt op last van een rechterlijke instantie. In dringende gevallen kan dit worden gedaan door een bestuurlijke instantie; in dat geval moet de vreemdelingenbewaring binnen 72 uur na aanvang ervan worden bevestigd door een rechterlijke instantie.

3. Het bevel tot vreemdelingenbewaring wordt minstens eenmaal per maand door een rechterlijke instantie getoetst.

4. De vreemdelingenbewaring kan door een rechterlijke instantie worden verlengd tot maximaal zes maanden.

Artikel 15 Omstandigheden bij vreemdelingenbewaring

1. De lidstaten zorgen ervoor dat onderdanen van derde landen in vreemdelingenbewaring op humane en waardige wijze worden behandeld, met eerbiediging van hun grondrechten en het internationale en nationale recht. Op verzoek wordt hun onverwijld toegestaan contact op te nemen met wettelijke vertegenwoordigers, familieleden en bevoegde consulaire autoriteiten, alsmede met relevante internationale en niet-gouvernementele organisaties.

2. Voor vreemdelingenbewaring wordt gebruikgemaakt van speciaal daarvoor bestemde accommodaties. Indien een lidstaat onderdanen van derde landen die in vreemdelingenbewaring zijn gesteld niet kan onderbrengen in een gespecialiseerde accommodatie en gebruikmaakt van een gevangenis, zorgt hij ervoor dat de betrokken onderdanen van derde landen permanent fysiek gescheiden blijven van de gevangenen.

3. Er wordt bijzondere aandacht besteed aan de situatie van kwetsbare personen. De lidstaten zorgen ervoor dat minderjarigen niet in een gewone gevangenis in vreemdelingenbewaring worden gesteld. Alleenstaande minderjarigen worden gescheiden van volwassenen, tenzij dit niet in het belang van het kind is.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat internationale en niet-gouvernementele organisaties de accommodaties voor vreemdelingenbewaring kunnen bezoeken om na te gaan of deze voldoen. Dergelijke verzoeken kunnen afhankelijk worden gesteld van toestemming.

Hoofdstuk V AANHOUDING IN EEN ANDERE LIDSTAAT

Artikel 16 Aanhouding in een andere lidstaat

Indien een onderdaan van een derde land die niet of niet langer voldoet aan de toegangsvoorwaarden van artikel 5 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en tegen wie in een van de lidstaten ("de eerste lidstaat") een terugkeerbesluit of een uitzettingsbevel is uitgevaardigd, wordt aangehouden op het grondgebied van een andere lidstaat ("de tweede lidstaat"), kan de tweede lidstaat een van de volgende maatregelen nemen:

(a) het door de eerste lidstaat uitgevaardigde terugkeerbesluit of uitzettingsbevel erkennen en de betrokkene uitzetten, in welk geval de lidstaten mutatis mutandis Beschikking 2004/191/EG van de Raad toepassen en eventuele verstoringen van het financiële evenwicht compenseren;

(b) de eerste lidstaat verzoeken de betrokken onderdaan van een derde land onverwijld terug te nemen; in dit geval is de eerste lidstaat verplicht dit verzoek in te willigen, tenzij kan worden aangetoond dat de betrokkene het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten nadat de eerste lidstaat een terugkeerbesluit of een uitzettingsbevel tegen betrokkene had uitgevaardigd;

(c) volgens zijn eigen nationale wetgeving een terugkeerprocedure beginnen;

(d) een verblijfstitel of een andere vorm van toestemming tot verblijf handhaven of verstrekken om de betrokkene bescherming te bieden, in schrijnende gevallen, of om humanitaire of andere redenen, na raadpleging van de eerste lidstaat, overeenkomstig artikel 25 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst.

Hoofdstuk VI SLOTBEPALINGEN

Artikel 17 Rapportage

De Commissie brengt over de toepassing van deze richtlijn in de lidstaten regelmatig verslag uit aan het Europees Parlement de Raad en stelt daarbij zo nodig wijzigingen voor.

De Commissie brengt uiterlijk vier jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum haar eerste verslag uit.

Artikel 18 Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk [24 maanden na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel waarin het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn is weergegeven.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 19 Verband met de Schengenuitvoeringsovereenkomst

Deze richtlijn komt in de plaats van de artikelen 23 en 24 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst.

Artikel 20 Intrekking

Richtlijn 2001/40/EG wordt ingetrokken.

Artikel 21 Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Artikel 22 Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

[1] Een volledige lijst van deze maatregelen is te vinden in het jaarverslag over de ontwikkeling van een gemeenschappelijk beleid op het gebied van illegale immigratie, mensensmokkel en mensenhandel, buitengrenzen en terugkeer van personen die illegaal in de Unie verblijven (werkdocument van de Commissie SEC(2004)1349 “Annual report on the development of a common policy on illegal immigration, smuggling and trafficking of human beings, external borders, and the return of illegal residents” van 25.10.2004).

[2] PB C […] , blz. […].

[3] PB L 31 van 6.2.2003, blz. 18.

[4] PB L 261 van 6.8.2004, blz. 28.

[5] PB L 149 van 2.6.2001, blz. 34.

[6] PB L 60 van 27.2.2004, blz. 55.

[7]

[8] PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19.

[9] PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31.

[10] PB L 370 van 17.12.2004, blz. 78.

[11] PB L 251 van 3.10.2003, blz. 12.

[12] PB L 16 van 23.1.2004, blz. 44.

[13] PB L 261 van 6.8.2004, blz. 19.

[14] PB L 304 van 30.9.2004, blz. 12.

[15] PB L 375 van 23.12.2004, blz. 12.

[16] PB L XX