20.9.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 382/10


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Mercantil no 17 de Madri (Spanje) op 27 mei 2021 — European Superleague Company, S.L. / Unión de Federaciones Europeas de Fútbol (UEFA) en Fédération internationale de football association (FIFA)

(Zaak C-333/21)

(2021/C 382/14)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de lo Mercantil no 17 de Madrid

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: European Superleague Company, S.L.

Verwerende partijen: Unión de Federaciones Europeas de Fútbol (UEFA) en Fédération internationale de football association (FIFA)

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 102 VWEU aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen het misbruik van een machtspositie dat erin bestaat dat de FIFA en de UEFA in hun statuten (in het bijzonder artikel 22 en de artikelen 71 tot en met 73 van de statuten van de FIFA, de artikelen 49 en 51 van de statuten van de UEFA, alsmede alle soortgelijke artikelen in de statuten van de aangesloten bonden en de nationale competities) bepalen dat voorafgaande toestemming van deze organisaties, die zichzelf de exclusieve bevoegdheid hebben gegeven om internationale clubcompetities in Europa te organiseren of toe te staan, vereist is voor een derde organisatie om een nieuwe pan-Europese clubcompetitie zoals de Super League op te zetten, met name wanneer er geen voorgeschreven procedure op basis van objectieve, transparante en non-discriminatoire criteria bestaat en er bij de FIFA en de UEFA mogelijkerwijs sprake is van een belangenconflict?

2)

Moet artikel 101 VWEU aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de FIFA en de UEFA in hun statuten (in het bijzonder artikel 22 en de artikelen 71 tot en met 73 van de statuten van de FIFA, de artikelen 49 en 51 van de statuten van de UEFA, alsmede alle soortgelijke artikelen in de statuten van de aangesloten bonden en de nationale competities) bepalen dat voorafgaande toestemming van deze organisaties, die zichzelf de exclusieve bevoegdheid hebben gegeven om internationale clubcompetities in Europa te organiseren of toe te staan, vereist is voor een derde organisatie om een pan-Europese clubcompetitie zoals de Super League op te zetten, met name wanneer er geen voorgeschreven procedure op basis van objectieve en non-discriminatoire criteria bestaat en er bij de FIFA en de UEFA mogelijkerwijs sprake is van een belangenconflict?

3)

Moeten de artikelen 101 en/of 102 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de FIFA, de UEFA, de aangesloten bonden en/of de nationale competities dreigen met sancties tegen clubs die aan de Super League deelnemen en/of hun spelers, vanwege het afschrikkende effect dat daarvan kan uitgaan? Levert de uitsluiting van competities of het verbod van deelname aan voetbalinterlands een inbreuk op de artikelen 101 en/of 102 VWEU op wanneer deze sancties niet op objectieve, transparante en non-discriminatoire criteria zijn gebaseerd?

4)

Moeten de artikelen 101 en/of 102 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen het bepaalde in de artikelen 67 en 68 van de statuten van de FIFA, voor zover de UEFA en de bij de UEFA aangesloten nationale bonden daarin worden aangewezen als oorspronkelijke houders van alle rechten die voortvloeien uit de competities die onder hun respectieve bevoegdheid vallen, waardoor de deelnemende clubs en de organisator van een alternatieve competitie de oorspronkelijke eigendom van die rechten wordt ontnomen en de UEFA en de nationale bonden zichzelf als enige bevoegd achten voor de commercialisering van die rechten?

5)

Indien de FIFA en de UEFA — als organisaties die zichzelf de exclusieve bevoegdheid hebben gegeven om internationale competities voor voetbalclubs in Europa te organiseren en toe te staan — op grond van de genoemde bepalingen van hun statuten verbieden of zich ertegen verzetten dat de Super League wordt georganiseerd, moet artikel 101 VWEU dan aldus worden uitgelegd dat die beperkingen van de mededinging onder de in deze bepaling neergelegde uitzondering kunnen vallen wanneer de productie aanzienlijk wordt beperkt, het op de markt komen van alternatieve producten voor de door de FIFA/UEFA aangeboden producten wordt verhinderd en innovatie wordt beperkt doordat er geen andere competitieformats en -vormen mogelijk zijn, hetgeen tot gevolg heeft dat potentiële mededinging op de markt wordt uitgeschakeld en de keuze van de consument wordt beperkt? Bestaat er voor een dergelijke beperking een objectieve rechtvaardiging op grond waarvan kan worden aangenomen dat er geen sprake is van misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU?

6)

Moeten de artikelen 45, 49, 56 en/of 63 VWEU aldus worden uitgelegd dat bepalingen als die in de statuten van de FIFA en de UEFA (in het bijzonder artikel 22 en de artikelen 71 tot en met 73 van de statuten van de FIFA, de artikelen 49 en 51 van de statuten van de UEFA, alsmede alle soortgelijke artikelen in de statuten van de aangesloten bonden en de nationale competities) op grond waarvan voorafgaande toestemming van deze organisaties vereist is voor een marktdeelnemer uit een lidstaat om een pan-Europese clubcompetitie als de Super League op te zetten, een beperking vormen die in strijd is met een van de in die artikelen van het VWEU erkende fundamentele vrijheden?