24.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 341/17


Beroep ingesteld op 6 juli 2018 — CdT / EUIPO

(Zaak T-417/18)

(2018/C 341/29)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J. Rikkert en M. Garnier, gemachtigden)

Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van het Bureau van 26 april 2018 om de met het Vertaalbureau getroffen voorziening eenzijdig te beëindigen;

nietigverklaring van het besluit van het Bureau van 26 april 2018 om zich het recht toe te eigenen alle noodzakelijke voorbereidingen te treffen om de continuïteit van zijn vertaaldiensten te verzekeren, met name door de bekendmaking van oproepen tot inschrijvingen;

nietigverklaring van het besluit van het Bureau om een oproep tot inschrijvingen voor vertaaldiensten onder referentie 2018/S 114-258472 bekend te maken in het Publicatieblad, en een verbod voor het Bureau om op basis van die oproep contracten te sluiten;

een verklaring voor recht dat de bekendmaking van een oproep tot inschrijvingen voor vertaaldiensten door een agentschap of een ander orgaan of een andere instantie van de Unie waarvan de oprichtingsverordening erin voorziet dat de vertaaldiensten door het Vertaalbureau worden verstrekt, onrechtmatig is;

verwijzing van het Bureau in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij drie middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan niet-inachtneming van de procedure. De verzoekende partij meent dat het bepaalde in artikel 11 van de oprichtingsverordening van het Vertaalbureau van toepassing is wanneer zich moeilijkheden tussen het Vertaalbureau en haar klanten voordoen en dat het besluit van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (hierna: „Bureau”) van 26 april 2018 om zich het recht toe te eigenen alle noodzakelijke voorbereidingen te treffen om de continuïteit van zijn vertaaldiensten te verzekeren in strijd is met artikel 11 van de oprichtingsverordening van het Vertaalbureau, doordat de bemiddelingsprocedure in geval van moeilijkheden tussen de twee agentschappen waarin dat artikel voorziet, niet in acht is genomen.

2.

Tweede middel, ontleend aan onbedachtzaamheid van het Bureau. De verzoekende partij meent in dat verband:

ten eerste dat de situatie waarin het Bureau zichzelf heeft gebracht, in strijd is met artikel 148 van de oprichtingsverordening van het Bureau en artikel 2 van de oprichtingsverordening van het Vertaalbureau, omdat die ertoe kan leiden dat er vanaf 1 januari 2019 geen geldige voorziening meer zal zijn;

ten tweede dat uit lezing van artikel 2 van de oprichtingsverordening van het Vertaalbureau in zijn geheel blijkt dat daarin de verschillende soorten klanten van het Vertaalbureau zijn weergegeven en dat in lid 1 daarvan uitdrukkelijk zeven agentschappen, organen en bureaus zijn aangewezen, waaronder het Bureau, ten behoeve waarvan het Vertaalbureau de nodige vertaaldiensten verricht. Daarnaast zijn in lid 3 ook instellingen en organen met een eigen vertaaldienst vermeld, die eventueel op vrijwillige basis een beroep op de diensten van het Vertaalbureau kunnen doen;

ten derde dat de gecombineerde lezing van die twee leden tot de conclusie leidt dat de in lid 1 opgesomde agentschappen niet de vrijheid hebben om op vrijwillige basis te beslissen om al dan niet een beroep op het Vertaalbureau te doen, en bijgevolg alleen mogen beslissen om de met het Vertaalbureau getroffen voorziening eenzijdig te beëindigen wanneer daarna een andere voorziening van kracht zou worden.

3.

Derde middel, ontleend aan onbevoegdheid van het Bureau om een oproep tot inschrijvingen voor vertaaldiensten bekend te maken. Zonder vooruit te lopen op het resultaat van de beoordeling van de door het Bureau bekendgemaakte oproep tot inschrijvingen geeft de verzoekende partij te kennen dat het Bureau zichzelf in een positie brengt waarin het de artikelen 148 en 2 van de oprichtingsverordeningen van het Bureau respectievelijk het Vertaalbureau niet kan naleven. Tot slot voert de verzoekende partij aan dat het duidelijk in strijd met voornoemd artikel 148 zou zijn indien in casu contracten werden ondertekend en vertaaldiensten werden ingekocht. Concreet gezien zijn er voor het Bureau geen wettelijke mogelijkheden om die procedure voor te zetten tot aan het einde dat zij normaliter zou hebben, namelijk de ondertekening van de contracten.