201806290631986682018/C 249/502952018TC24920180716NL01NLINFO_JUDICIAL20180607404121

Zaak T-295/18: Beroep ingesteld op 7 juni 2018 — Griekenland/Commissie


C2492018NL4010120180607NL0050401412

Beroep ingesteld op 7 juni 2018 — Griekenland/Commissie

(Zaak T-295/18)

2018/C 249/50Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: G. Kanellopoulos, I. Pachi, AE Vassilopoulou en Eugene Chroni)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren voor zover daarbij bepaalde kosten voor een totaal (brutto) bedrag van 17869131,75 EUR (gevolgen voor de begroting: 14857076,98 EUR) die de Helleense Republiek heeft gemaakt en gedeclareerd in het kader van het ELFPO met betrekking tot maatregelen 125A, 321 en 322 (bruttobedrag van 15631043,52 EUR en gevolgen voor de begroting: 12618988,75 EUR) en maatregel 123A (bedrag van 2238088,23 EUR), alsmede een bedrag van 588103,59 EUR [voor kosten] die zijn gemaakt in het kader van het ELGF naar aanleiding van de maatregel tot controle van de verrichtingen in de begrotingsjaren 2011 — 2014, van financiering van de Unie zijn uitgesloten, en

verweerster verwijzen in de kosten van de Helleense Republiek.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster acht middelen aan. De eerste zes middelen betreffen de correctie die is toegepast in het kader van het ELFPO voor de maatregelen 125Α, 321, 322 en 123Α, terwijl de laatste twee middelen betrekking hebben op de correctie die is toegepast wegens tekortkomingen in de controle van de verrichtingen overeenkomstig titel V, hoofdstuk III, van verordening (EU) nr. 1306/2013 ( 1 ).

1

Met het eerste middel wordt aangevoerd dat hypothese c) van artikel 52, lid 4, van verordening (EU) nr. 1306/2013 onjuist is uitgelegd en toegepast, de Commissie haar bevoegdheid ratione temporis heeft overschreden met betrekking tot de toepassing van de bestreden financiële correcties en de Commissie een feitelijke vergissing heeft begaan bij de vaststelling van de berekeningsbasis van de bestreden correctie.

2

Met het tweede middel wordt, subsidiair, aangevoerd dat het beginsel ne bis in idem, het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van behoorlijk bestuur, het gewettigd vertrouwen van de lidstaat en het evenredigheidsbeginsel zijn geschonden.

3

Het derde middel is ontleend aan schending van de bepalingen van artikel 71, lid 2, en artikel 75, lid 1, van verordening (EG) nr. 1698/2005 ( 2 ), artikel 43 van verordening (EG) nr. 1974/2006 ( 3 ), de bepalingen van het nationale plattelandsontwikkelingsprogramma, dat door de Commissie is aangenomen (POP 2007 — 2013), en van artikel 24, lid 2, onder b), van verordening (EU) nr. 65/2011 ( 4 ), aan het ontbreken van een rechtsgrondslag en een motivering, en aan een feitelijke vergissing wat betreft de forfaiaire correctie van 10 % die is toegepast, aangezien de beheersautoriteit haar bevoegdheden legitiem en volledig heeft uitgeoefend.

4

Het vierde middel, dat ondergeschikt is aan het derde middel, is ontleend aan schending van het beginsel van evenredigheid, het gewettigd vertrouwen van de lidstaat alsook van de in de documenten VI/5330/1997 en C(2015) 3675 van 8 juni 2015 vervatte richtsnoeren. Voorts wordt aangevoerd dat het besluit ontoereikend is gemotiveerd wat betreft het percentage van de forfaitaire correctie van 10 % dat is toegepast.

5

Het vijfde middel is ontleend aan schending van de bepalingen van artikel 24, lid 2, van verordening (EU) nr. 65/2011, aan een feitelijke vergissing, en een ontoereikende motivering wat betreft de tekortkomingen waaraan de beheersautoriteit zich schuldig zou hebben gemaakt bij de beoordeling van de steunaanvragen en het gebrek aan beheerscontrole van de beoordeling, alsmede aan schending van het evenredigheidsbeginsel.

6

Met het zesde middel wordt aangevoerd dat de bepalingen van artikel 24, leden 1 en 2, van verordening (EU) nr. 65/2011 en het evenredigheidsbeginsel zijn geschonden, een feitelijke vergissing is begaan en in het besluit ontoereikend is gemotiveerd waarom niet is beoordeeld of de kosten redelijk waren.

7.

Met het zevende middel wordt aangevoerd dat de financiële correctie die is toegepast voor de begrotingsjaren 2011 tot en met 2013 nietig moet worden verklaard, aangezien daarvoor geen rechtsgrondslag bestaat er geen motivering is opgegeven. Wat in het bijzonder het jaar 2013 betreft, is de correctie in strijd met het beginsel van behoorlijk bestuur.

8.

Met het achtste middel, dat uit vijf onderdelen bestaat, wordt aangevoerd dat de bestreden correctie is toegepast op basis van een feitelijke vergissing van de Commissie, zonder enige motivering en in strijd met de rechten van verdediging van de Helleense Republiek.


( 1 ) Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 549).

( 2 ) Verordening (ΕG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PB 2005, L 277, blz. 1).

( 3 ) Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PB 2006, L 368, blz. 15).

( 4 ) Verordening (ΕU) nr. 65/2011 van de Commissie van 27 januari 2011 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling (PB 2011, L 25, blz. 8).