12.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 408/41


Hogere voorziening ingesteld op 17 augustus 2018 door HX tegen het arrest van het Gerecht van 19 juni 2018 in zaak T-408/16, НХ/Raad van de Europese Unie

(Zaak C-540/18 P)

(2018/C 408/54)

Procestaal: Bulgaars

Partijen

Rekwirant: HX (vertegenwoordiger: S. Koev, advokat)

Andere partij in de procedure: Raad van de Europese Unie

Conclusies

de onderhavige hogere voorziening in haar geheel ontvankelijk en gegrond verklaren en alle daarin aangevoerde middelen steekhoudend verklaren en toewijzen;

vaststellen dat de bestreden beslissing van het Gerecht in haar geheel vernietigd kan worden;

het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Vijfde kamer) van 19 juni 2018 in zaak T-408/16, HX/Raad van de Europese Unie vernietigen;

besluit (GBVB) 2016/850 houdende wijziging van besluit 2013/255, uitvoeringsverordening (EU) 2016/840 tot uitvoering van verordening nr. 36/2012 (PB 2016, L 141, blz. 30), besluit (GBVB) 2017/917 houdende wijziging van besluit 2013/255 (PB 2017, L 139, blz. 62), en uitvoeringsverordening (EU) 2017/907 tot uitvoering van verordening nr. 36/2012 (PB 2017, L 139, blz. 15) nietig verklaren, voor zover deze handelingen betrekking hebben op rekwirant;

de Raad van de Europese Unie verwijzen in alle kosten van rekwirant alsmede in alle uitgaven, honoraria enz. die verband houden met diens vertegenwoordiging in rechte.

Middelen en voornaamste argumenten

1.

Onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht in de vorm van schending van het Unierecht door te oordelen dat de Raad zich terecht heeft gebaseerd op het vermoeden dat rekwirant een in Syrië actieve bekende zakenman is, hoewel voor dit vermoeden geen rechtsgrondslag bestaat en dit vermoeden onevenredig is ten aanzien van het door de wet nagestreefde doel.

2.

Onjuiste rechtsopvatting in de vorm van schending van bewijsregels, aangezien er geen bewijs was om voornoemd vermoeden te staven en de toepassing van artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, uit te sluiten.

3.

Onjuiste rechtsopvatting in de vorm van een procedurele fout waardoor rekwirant in zijn belangen is geschaad, aangezien nieuwe bewijzen die overeenkomstig artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht zijn aangevoerd, niet zijn toegelaten.