10.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 445/2


Hogere voorziening ingesteld op 5 juli 2018 door de Europese Centrale Bank tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 26 april 2018 in zaak T-251/15: Espírito Santo Financial (Portugal) / Europese Centrale Bank

(Zaak C-442/18 P)

(2018/C 445/02)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Europese Centrale Bank (ECB) (vertegenwoordigers: F. Malfrère, M. Ioannidis, gemachtigden, H.-G. Kamman, Rechtsanwalt)

Andere partij in de procedure: Espírito Santo Financial (Portugal), SGPS, SA

Conclusies

het eerste punt van het dictum van het arrest van het Gerecht van 26 april 2018, Espírito Santo Financial (Portugal) SGPS, SA / ECB T-251/15, EU:T:2018:234, vernietigen;

het beroep ook verwerpen wat de weigering van de ECB betreft om toegang te verlenen het bedrag van het krediet dat is vermeld in de uittreksels van de notulen waarin het besluit van de Raad van bestuur van de ECB van 28 juli 2014 is vastgelegd;

subsidiair ten opzichte van de tweede conclusie, de zaak terugverwijzen naar het Gerecht van de Europese Unie om uitspraak te doen, en

verzoekster in eerste aanleg en verweerster verwijzen in twee derde (2/3) van de kosten en de ECB verwijzen in een derde (1/3) van de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Eerste en enige middel van de hogere voorziening: schending van artikel 10.4 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna „Statuten”) en van artikel 4, lid 1, onder a), eerste streepje, van besluit 2004/258 (1).

De ECB stelt dat het Gerecht artikel 10.4 van de Statuten en artikel 4, lid 1, onder a), eerste streepje, van besluit 2004/258 onjuist heeft uitgelegd en toegepast, door in het bestreden arrest te vast te stellen, met name in de punten 55, 75-81, 124 en 161, dat de beoordelingsvrijheid van de Raad van bestuur betreffende de openbaarmaking van zijn notulen „moet worden uitgeoefend met inachtneming van de voorwaarden en beperkingen die zijn vastgelegd in besluit 2004/258” (punt 80), hetgeen in de onderhavige zaak betekent dat de ECB dient te motiveren hoe de openbaarmaking van informatie uit de notulen van vergaderingen van de Raad van bestuur waarin de besluiten van de Raad van bestuur worden vastgelegd, concreet en daadwerkelijk het openbaar belang zou ondermijnen wat betreft de vertrouwelijkheid van vergaderingen van de besluitvormende organen van de ECB.

Artikel 10.4 van het Statuut legt het vermoeden vast dat informatie die deel uitmaakt van de besprekingen van de Raad van bestuur vertrouwelijk moet blijven om de onafhankelijkheid en effectiviteit van de ECB te waarborgen. Deze regel van primair recht, waarvan niet kan worden afgeweken door afgeleid recht, is ook van toepassing op delen van de notulen waarin besluiten van de Raad van bestuur worden vastgelegd. In artikel 4, lid 1, onder a), eerste streepje, van besluit 2004/258 wordt deze regel herhaald. Uit het algemene beginsel van vertrouwelijkheid van de besprekingen, besluiten daaronder begrepen, van de Raad van bestuur, zoals vastgelegd in artikel 10.4 van de Statuten, volgt dat de ECB haar besluit om het resultaat van haar beraadslagingen openbaar te maken niet hoeft te onderwerpen aan de materiele en procedurele normen van besluit 2004/258. In het bijzonder hoeft zij niet uit te leggen waarom openbaarmaking van deze notulen van de Raad van bestuur concreet en daadwerkelijk het openbaar belang zou ondermijnen wat betreft de vertrouwelijkheid van de beraadslagingen van de Raad van bestuur.


(1)  Besluit 2004/258/EG van de Europese Centrale Bank van 4 maart 2004 inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Europese Centrale Bank (PB 2004, L 80, blz. 42).