27.8.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 301/19


Hogere voorziening ingesteld op 26 juni 2018 door Mykola Yanovych Azarov tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 26 april 2018 in zaak T-190/16, Mykola Yanovych Azarov / Raad van de Europese Unie

(Zaak C-416/18 P)

(2018/C 301/27)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirant: Mykola Yanovych Azarov (vertegenwoordigers: A. Egger en G. Lansky, Rechtsanwälte)

Andere partij in de procedure: Raad van de Europese Unie

Conclusies

het arrest van het Gerecht van 26 april 2018 in zaak T-190/16 vernietigen;

de zaak zelf afdoen en het besluit (GBVB) 2016/318 van de Raad van 4 maart 2018 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (1), alsmede de uitvoeringsverordening (EU) 2016/311 van de Raad van 4 maart 2016 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (2), nietig verklaren voor zover deze betrekking hebben op verzoeker, en de Raad verwijzen in de kosten van de procedures voor het Gerecht en het Hof;

subsidiair bij het tweede streepje supra, de zaak ter afdoening terugverwijzen naar het Gerecht waarbij het Gerecht gebonden zal zijn aan de juridische beoordeling in het arrest van het Hof, en de beslissing over de kosten aanhouden.

Middelen en voornaamste argumenten

Rekwirant voert de volgende middelen aan:

1.

Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat de Raad de grondrechten niet heeft geschonden. Het Gerecht heeft bij de beoordeling van de schending van het eigendomsrecht en de vrijheid van ondernemerschap blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Met name heeft het rechtens onjuist geoordeeld dat de maatregelen gepast en evenredig waren. Bovendien heeft het Gerecht procedurele onregelmatigheden begaan en procedurele rechten geschonden.

2.

Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat de Raad geen misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid. Ten eerste heeft het Gerecht geen op de verzoeker toegesneden concrete toetsing verricht. Ten tweede is het Gerecht er rechtens onjuist van uitgegaan dat het ontbreken van concrete bewijzen niet relevant is.

3.

Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat de Raad het recht op behoorlijk bestuur niet heeft geschonden. Ten eerste geven de overwegingen van het Gerecht over de onpartijdigheidsplicht van de Raad blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ten tweede miskent het Gerecht de omvang van de motiveringsplicht.

4.

Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat de Raad geen „kennelijke beoordelingsfout” heeft gemaakt.

5.

Het Gerecht heeft door een zuiver politieke motivering te geven, het recht op een eerlijk proces geschonden.


(1)  PB 2016, L 60, blz. 76.

(2)  PB 2016, L 60, blz. 1.