201808030132050022018/C 294/213412018CJC29420180820NL01NLINFO_JUDICIAL20180524161611

Zaak C-341/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 24 mei 2018 — Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen J. e.a.


C2942018NL1610120180524NL0021161161

Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 24 mei 2018 — Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen J. e.a.

(Zaak C-341/18)

2018/C 294/21Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Verweerders: J. e.a.

Andere partijen: C. en H. e.a.

Prejudiciële vragen

Moet artikel 11, eerste lid, van verordening 2016/399 ( 1 ) van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) zo worden uitgelegd dat een onderdaan van een derde land die het Schengengebied eerder is ingereisd, bijvoorbeeld via een internationale luchthaven, uitreist in de zin van de Schengengrenscode zodra hij als zeevarende aanmonstert op een zeeschip dat al is gelegen in een zeehaven zijnde een buitengrens, ongeacht of, en zo ja wanneer hij met dit schip die zeehaven zal verlaten? Of moet, om te kunnen spreken van een uitreis, eerst vaststaan dat de zeevarende de zeehaven met het desbetreffende zeeschip zal verlaten, en zo ja, geldt er dan een uiterste termijn waarbinnen de afvaart moet plaatsvinden en op welk moment moet de uitreisstempel dan worden aangebracht? Of heeft een ander moment, al dan niet onder andere voorwaarden, als „uitreis” te gelden?


( 1 ) Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB 2016, L 77, blz. 1).