201807270372024552018/C 285/373322018CJC28520180813NL01NLINFO_JUDICIAL20180521222321

Zaak C-332/18 P: Hogere voorziening ingesteld op 21 mei 2018 door Mytilinaios Anonymi Etairia/Omilos Epicheiriseon tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 13 maart 2018 in zaak T-542/11 RENV, Alouminion tis Ellados VEAE/Europese Commissie


C2852018NL2210120180521NL0037221232

Hogere voorziening ingesteld op 21 mei 2018 door Mytilinaios Anonymi Etairia/Omilos Epicheiriseon tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 13 maart 2018 in zaak T-542/11 RENV, Alouminion tis Ellados VEAE/Europese Commissie

(Zaak C-332/18 P)

2018/C 285/37Procestaal: Grieks

Partijen

Rekwirante: Mytilinaios Anonymi Etairia/Omilos Epicheiriseon (vertegenwoordigers: N. Korogiannakis, N. Keramidas, E. Chrysafis, D. Diakopoulos en K. Struckmann, advocaten)

Αndere partijen in de procedure: Europese Commissie, Dimosia Epicheirisi Ilektrismou AE (DEI)

Conclusies

het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 13 maart 2018 in zaak T-542/11 RENV (ECLI:EU:T:2018:132) vernietigen;

met volledige rechtsmacht beslissen;

het besluit van de Commissie van 13 juli 2011 nietig verklaren; en

de Commissie verwijzen in de kosten die rekwirante in de gehele procedure heeft gemaakt,

Middelen en voornaamste argumenten

Rekwirante voert in hogere voorziening drie middelen aan:

1)

onjuiste rechtsopvatting en verkeerde voorstelling van feiten in verband met de beoordeling door het Gerecht of de litigieuze maatregel staatssteun vormde, en meer in het bijzonder met betrekking tot de vraag of die maatregel een „voordeel” vormde, tot de beoordeling van dat voordeel, tot de weigering de vraag naar de economische rechtvaardiging te onderzoeken, en tot de onjuiste toepassing van de bewijslast, aangezien de Helleense Republiek tijdens de administratieve procedure geen daarmee verband houdende argumenten heeft aangevoerd; en onjuiste rechtsopvatting bij de behandeling van de argumenten van rekwirante met betrekking tot het „criterium van de particuliere investeerder”;

2)

onjuiste rechtsopvatting in verband met de beoordeling van de „selectieve” aard van het voordeel; en

3)

onjuiste rechtsopvatting en verkeerde voorstelling van bewijselementen met betrekking tot de gevolgen van de litigieuze maatregel voor handel en mededinging.