4.6.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 190/15


Hogere voorziening ingesteld op 4 april 2018 door Larko Geniki Metalleftiki kai Metallourgiki AE tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 1 februari 2018 in zaak T-423/14, Larko/Commissie

(Zaak C-244/18 P)

(2018/C 190/21)

Procestaal: Grieks

Partijen

Rekwirante: Larko Geniki Metalleftiki kai Metallourgiki AE (vertegenwoordigers: I. Dryllerakis, I. Soufleros, E. Triantafyllou, G. Psaroudakis, E. Rantos en N. Korogiannakis, advocaten)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

toewijzing van de hogere voorziening;

terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht voor een nieuwe behandeling en aanhouding van de proceskosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van haar hogere voorziening voert de verzoekende partij vier middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van artikel 107, lid 1, VWEU vanwege de conclusie dat maatregel 3 verzoekster een voordeel heeft verschaft, met onjuiste toepassing van het beginsel van de particuliere investeerder.

2.

Tweede middel: schending van artikel 107, lid 1, VWEU en artikel 296, lid 2, VWEU vanwege de conclusie dat maatregelen 2 en 4 verzoekster een voordeel hebben verschaft. Met betrekking tot maatregel 2 (garantie van 2008): onjuiste uitlegging van het temporele criterium in het begrip onderneming in moeilijkheden. Onjuiste uitlegging van het criterium van de vergoeding van de garantie. Met betrekking tot maatregel 4 (garantie van 2010): a) ontoereikende motivering wat betreft de verlening van de garantie als gangbare praktijk; b) ontoereikende motivering wat betreft de onherstelbare schade die verzoekster zou hebben geleden; c) ontoereikende motivering en schending van artikel 107, lid 1, VWEU en van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen wat betreft de voorwaarden van de garantie en de omvang van de commissie; d) ontoereikende motivering wat betreft de bijzondere positie van National Bank of Greece SA (ETE) als particuliere aandeelhouder.

3.

Derde middel: schending van artikel 107, lid 3, onder b), en artikel 296, lid 2, VWEU vanwege de conclusie dat maatregel 6 onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt, a) wat betreft de indeling onder het aanvraagjaar 2011; b) wat betreft de toepassing van de richtsnoeren voor redding en herstructurering.

4.

Vierde middel: schending van artikel 108, lid 2, VWEU, artikel 14, lid 1, van verordening nr. 659/1999 (1) , en artikel 296, lid 2, VWEU, wat betreft de kwantificering van de hoogte van de terug te vorderen steun voor de maatregelen 2, 4 en 6. Wat betreft de punten in het bestreden arrest over de specifieke kenmerken van de staatssteun in de vorm van garanties.


(1)  Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB 1999, L 83, blz. 1).