201806150421954802018/C 231/162282018CJC23120180702NL01NLINFO_JUDICIAL20180403131421

Zaak C-228/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Kúria (Hongarije) op 3 april 2018 — Gazdasági Versenyhivatal / Budapest Bank Nyrt. e.a.


C2312018NL1310120180403NL0016131142

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Kúria (Hongarije) op 3 april 2018 — Gazdasági Versenyhivatal / Budapest Bank Nyrt. e.a.

(Zaak C-228/18)

2018/C 231/16Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Kúria

Partijen in het hoofdgeding

Verweerster en verzoekster in cassatie: Gazdasági Versenyhivatal

Verzoeksters en verweersters in cassatie: Budapest Bank Nyrt., ING Bank NV, Magyarországi Fióktelepe, OTP Bank Nyrt., Kereskedelmi és Hitelbank Zrt., Magyar Külkereskedelmi Bank Zrt., ERSTE Bank Hungary Nyrt., Visa Europe Ltd, MasterCard Europe SA

Prejudiciële vragen

1)

Kan artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag [artikel 101, lid 1, VWEU] aldus worden uitgelegd dat sprake kan zijn van schending van deze bepaling door één enkele gedraging, zowel wegens het mededingingsbeperkende doel als wegens het mededingingsbeperkende effect ervan, die beide als afzonderlijke rechtsgrondslagen worden beschouwd?

2)

Kan artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag [artikel 101, lid 1, VWEU] aldus worden uitgelegd dat de in de onderhavige zaak tussen de betrokken Hongaarse banken gesloten overeenkomst, waarin de afwikkelingsvergoeding die de uitgevende banken ontvangen over transacties met MasterCard- én Visa-kaarten voor beide kredietkaartmaatschappijen op een uniform percentage is vastgesteld, naar haar strekking mededingingsbeperkend is?

3)

Kan artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag [artikel 101, lid 1, VWEU] aldus worden uitgelegd dat kredietkaartmaatschappijen die niet rechtstreeks hebben deelgenomen aan de vaststelling van de inhoud van de overeenkomst, maar de sluiting van de overeenkomst mogelijk hebben gemaakt en de overeenkomst hebben aanvaard en toegepast, ook als partij bij die overeenkomst moeten worden aangemerkt, of moeten deze maatschappijen worden geacht hun gedrag louter te hebben afgestemd op het gedrag van de banken die de overeenkomst hebben gesloten?

4)

Kan artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag [thans artikel 101, lid 1, VWEU] aldus worden uitgelegd dat, gelet op het voorwerp van het geding, voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een inbreuk op de mededingingsregels niet hoeft te worden uitgemaakt of het gaat om een deelname aan de overeenkomst dan wel om een afstemming van gedragingen op de door de aan de overeenkomst deelnemende banken gemaakte afspraken?