4.6.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 190/12


Beroep ingesteld op 23 maart 2018 — Europese Commissie / Republiek Oostenrijk

(Zaak C-209/18)

(2018/C 190/16)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Braun en H. Tserepa-Lacombe, gemachtigden)

Verwerende partij: Republiek Oostenrijk

Conclusies

Verzoekster verzoekt het Hof:

1.

vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 14, lid 1, artikel 15, lid 1, artikel 15, lid 2, onder b) en c), artikel 15, lid 3 en artikel 25 van de dienstenrichtlijn (1), alsook de artikelen 49 en 56 VWEU, door de vereisten te handhaven met betrekking tot de statutaire zetel van vennootschappen van octrooigemachtigden overeenkomstig § 29a, punt 7, gelezen in samenhang met § 2, lid 1, onder c), van de Patentanwaltsgesetz (wet betreffende het beroep van octrooigemachtigde; hierna: „PatAnwG”) en vennootschappen van architecten en civiel ingenieurs overeenkomstig § 25, lid 1, van de Ziviltechnikergesetz (wet betreffende het beroep van architect en civiel ingenieur; hierna: „ZTG”) en met betrekking tot de rechtsvorm en het aandeelhouderschap van vennootschappen van architecten en civiel ingenieurs overeenkomstig § 26, lid 1, en § 28, lid 1, ZTG en vennootschappen van octrooigemachtigden overeenkomstig § 29a, punten 1, 2 en 11, PatAnwG en vennootschappen van dierenartsen overeenkomstig § 15a, lid 1, van de Tierärztegesetz (wet betreffende het beroep van dierenarts), alsook door de beperking van multidisciplinaire activiteiten te handhaven voor vennootschappen van architecten en civiel ingenieurs overeenkomstig § 21, lid 1, ZTG en vennootschappen van octrooigemachtigden overeenkomstig § 29a, punt 6, PatAnwG, en

2.

de Republiek Oostenrijk te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster het volgende aan:

Het Oostenrijkse recht bevat nog steeds vereisten met betrekking tot de zetel van vennootschappen van architecten en civiel ingenieurs en octrooigemachtigden die in strijd zijn met artikel 14, lid 1, onder b), van de dienstenrichtlijn. Deze bepalingen discrimineren direct op grond van de statutaire zetel van de vennootschap en indirect op grond van de nationaliteit van haar aandeelhouders.

De vereisten met betrekking tot de rechtsvorm en het aandeelhouderschap van vennootschappen van architecten en civiel ingenieurs, octrooigemachtigden en dierenartsen vormen een belemmering voor zowel Oostenrijkse dienstverleners als voor de vestiging van nieuwe dienstverleners uit andere lidstaten, aangezien zij de mogelijkheden van laatstgenoemden beperken om een tweede vestiging in Oostenrijk op te richten indien zij hun organisatiestructuren niet aan deze bepalingen aanpassen.

De Oostenrijkse bepalingen die de betrokken vennootschappen verplichten zich te beperken tot de uitoefening van het beroep van octrooigemachtigde of het beroep van architect of civiel ingenieur, zijn in strijd met artikel 25 van de dienstenrichtlijn, aangezien zij een beperking vormen voor de tweede vestiging in Oostenrijk van multidisciplinaire vennootschappen uit andere lidstaten alsook voor de eerste vestiging van Oostenrijkse vennootschappen. Dit belemmert de ontwikkeling van nieuwe, innovatieve bedrijfsmodellen die ondernemingen in staat stellen een breder scala aan diensten aan te bieden.


(1)  Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006, L 376, blz. 36).