201806080431931302018/C 221/071892018CJC22120180625NL01NLINFO_JUDICIAL201803136721

Zaak C-189/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (Hongarije) op 13 maart 2018 — Glencore Agriculture Hungary Kft. / Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága


C2212018NL610120180313NL00076172

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (Hongarije) op 13 maart 2018 — Glencore Agriculture Hungary Kft. / Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága

(Zaak C-189/18)

2018/C 221/07Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Glencore Agriculture Hungary Kft.

Verwerende partij: Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága

Prejudiciële vragen

1)

Dienen de bepalingen van de btw-richtlijn ( 1 ) en, in samenhang daarmee, het fundamentele beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling en de daarop gebaseerde nationale praktijk volgens welke de belastingdienst bij de controle van belastingplichtigen die partij zijn bij een rechtsbetrekking (een overeenkomst of een andere transactie) waarop de belastingverplichting betrekking heeft, de bevindingen die hij in het kader van de controle van één van die partijen (in casu de opsteller van de factuur) heeft gedaan en die impliceren dat de rechtsbetrekking moet worden geherkwalificeerd, ambtshalve in aanmerking moet nemen bij de controle van een andere partij bij de rechtsbetrekking (in casu de ontvanger van de factuur), terwijl die andere partij in de eerste controleprocedure in het geheel niet beschikte over rechten, met name de rechten die verbonden zijn aan de hoedanigheid van partij bij die procedure?

2)

Indien het Hof de vorige vraag ontkennend beantwoordt: verzetten de bepalingen van de btw-richtlijn en, in samenhang daarmee, het fundamentele beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en artikel 47 van het Handvest zich tegen een nationale praktijk die de in de eerste vraag omschreven procedure mogelijk maakt, terwijl een van de partijen bij de rechtsbetrekking (in casu de ontvanger van de factuur) in de oorspronkelijke controleprocedure niet beschikte over de rechten die verbonden zijn aan de hoedanigheid van partij in die procedure en in die procedure dus ook geen rechtsmiddelen kon aanwenden tegen de bevindingen waarmee de belastingdienst ambtshalve rekening houdt in het kader van de controle die hij bij haar, als ontvanger van de factuur, verricht, en welke haar aangerekend kunnen worden, ook al beschikte zij niet over de relevante documenten, in het bijzonder de stukken waarop de bevindingen zijn gebaseerd, de processen-verbaal en de administratieve besluiten, die haar slechts gedeeltelijk en bovendien op indirecte wijze, namelijk in de vorm van een samenvatting, zijn verstrekt, waarbij zij niet kon controleren welke selectiecriteria de belastingdienst bij het samenstellen van dat uittreksel had gehanteerd?

3)

Dienen de bepalingen van de btw-richtlijn en, in samenhang daarmee, het fundamentele beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en artikel 47 van het Handvest aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale praktijk volgens welke de belastingdienst bij de controle van belastingplichtigen die partij zijn bij een rechtsbetrekking waarop de belastingverplichting betrekking heeft, de bevindingen waartoe hij naar aanleiding van de controle bij de opsteller van de factuur is gekomen, waaronder de constatering dat deze laatste belastingplichtige actief aan btw-fraude heeft deelgenomen, ambtshalve in aanmerking moet nemen bij de controle van de ontvanger van de factuur, terwijl deze ontvanger in de controleprocedure betreffende de opsteller van de factuur geen rechten had als partij en derhalve ook geen rechtsmiddelen kon aanwenden tegen de in die procedure gedane bevindingen waarmee de belastingdienst ter gelegenheid van de controle bij hem, als ontvanger van de factuur, ambtshalve rekening houdt, en welke hem worden aangerekend, ook al beschikte hij niet over de relevante documenten, in het bijzonder de stukken waarop de bevindingen naar aanleiding van de controle bij de opsteller van de factuur zijn gebaseerd, de processen-verbaal en de administratieve besluiten, die hem slechts gedeeltelijk en bovendien op indirecte wijze, namelijk in de vorm van een samenvatting, zijn verstrekt, waarbij hij niet kon controleren welke selectiecriteria de belastingdienst bij het samenstellen van dat uittreksel had gehanteerd?


( 1 ) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).