201806150301954912018/C 231/081682018CJC23120180702NL01NLINFO_JUDICIAL201803057822

Zaak C-168/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Bundesarbeitsgericht (Duitsland) op 5 maart 2018 — Pensions-Sicherungs-Verein VVaG / Günther Bauer


C2312018NL720120180305NL00087282

Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Bundesarbeitsgericht (Duitsland) op 5 maart 2018 — Pensions-Sicherungs-Verein VVaG / Günther Bauer

(Zaak C-168/18)

2018/C 231/08Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesarbeitsgericht

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Pensions-Sicherungs-Verein VVaG

Verwerende partij: Günther Bauer

Prejudiciële vragen

1)

Is artikel 8 van richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever ( 1 ) van toepassing wanneer uitkeringen uit hoofde van een bedrijfspensioenregeling worden verstrekt via een voor één of meer bedrijfstakken geldende pensioeninstelling die is onderworpen aan het toezicht van de toezichthoudende autoriteit voor de financiële markt, deze instelling om financiële redenen de uitkeringen met de vereiste toestemming van de toezichthoudende autoriteit verlaagt en de werkgever naar nationaal recht weliswaar jegens vroegere werknemers dient in te staan voor deze verlaging, maar zijn insolventie ertoe leidt dat hij zijn verplichting tot vergoeding van deze verlaging niet kan nakomen?

2)

Ingeval de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:

Onder welke omstandigheden kunnen de door de vroegere werknemer wegens de insolventie van de werkgever bij de uitkering van de bedrijfspensioenvoorziening geleden verliezen als kennelijk onevenredig worden beschouwd en daardoor lidstaten worden verplicht om een minimumbescherming te waarborgen, hoewel de voormalige werknemer minstens de helft van de uitkeringen die uit zijn opgebouwde pensioenrechten voortvloeien ontvangt?

3)

Ingeval de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:

Heeft artikel 8 van de richtlijn 2008/94/EG rechtstreekse werking en verleent het, wanneer een lidstaat deze richtlijn niet of op onjuiste wijze in nationaal recht heeft omgezet, de particulier rechten waarop deze zich voor de nationale rechter tegenover de lidstaat kan beroepen?

4)

Ingeval de derde prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:

Is een privaatrechtelijke instelling een openbaar lichaam van de lidstaat indien deze instelling door de lidstaat — voor de werkgevers verplicht — is aangewezen als waarborgorgaan bij insolventie voor de bedrijfspensioenvoorziening, is onderworpen aan het toezicht van de toezichthoudende autoriteit voor de financiële markten, de voor de waarborg bij insolventie vereiste premies krachtens publiekrecht invordert bij de werkgevers en als een overheidsorgaan de voorwaarden van gedwongen tenuitvoerlegging kan creëren door het verrichten van een bestuurshandeling?


( 1 ) PB 2008, L 283, blz. 36.