23.4.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 142/23


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (Hongarije) op 8 januari 2018 — Sole-Mizo Zrt. / Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága

(Zaak C-13/18)

(2018/C 142/31)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Szegedi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Sole-Mizo Zrt.

Verwerende partij: Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága

Prejudiciële vragen

1)

Verzetten de regels van het gemeenschapsrecht, de bepalingen van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1) (hierna: „btw-richtlijn”) (rekening houdend met met name artikel 183 ervan) en de beginselen van doeltreffendheid, rechtstreekse werking en gelijkwaardigheid zich tegen een praktijk van een lidstaat volgens welke, bij de toepassing van de relevante regels inzake vertragingsrente, wordt uitgegaan van de premisse dat de nationale belastingdienst zich niet schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk (nalaten), namelijk dat hij het niet-terugvorderbare deel van de btw over de niet-betaalde verwervingen van de belastingplichtigen niet te laat heeft betaald, omdat ten tijde van het besluit van de nationale belastingdienst de met het gemeenschapsrecht strijdige nationaalrechtelijke voorwaarde van kracht was en het Hof pas later heeft vastgesteld dat die voorwaarde onverenigbaar was met het gemeenschapsrecht?

2)

Verzetten het gemeenschapsrecht, in het bijzonder de bepalingen van de btw-richtlijn (rekening houdend met met name artikel 183 ervan), en de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en evenredigheid zich tegen een praktijk van een lidstaat waarbij, bij de toepassing van de relevante regels inzake vertragingsrente, onderscheid wordt gemaakt naargelang de belastingdienst de belasting niet heeft teruggeven overeenkomstig dan wel in strijd met de geldende nationale rechtsregels die strijdig blijken te zijn met het gemeenschapsrecht, en waarbij, met betrekking tot de rente over de btw waarvan de teruggaaf niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden vanwege een door het Hof met het Unierecht strijdig verklaarde nationaalrechtelijke voorwaarde, onderscheid wordt gemaakt tussen twee tijdvakken die worden gekenmerkt door het feit dat,

wat het eerste tijdvak betreft, de belastingplichtigen slechts vertragingsrente tegen de basisrente van de centrale bank kunnen vorderen, aangezien de met het gemeenschapsrecht strijdige Hongaarse regeling toen nog van kracht was en de Hongaarse belastingdienst derhalve geen inbreuk heeft gemaakt door de teruggaaf van de op de facturen vermelde btw binnen een redelijke termijn niet toe te staan, terwijl

wat het tweede tijdvak betreft, rente moet worden betaald tegen het dubbele van de basisrente van de centrale bank — die naar Hongaars recht als referentie wordt gebruikt bij betalingsachterstand — maar alleen wegens te late betaling van de voor het eerste tijdvak berekende vertragingsrente?

3)

Moet artikel 183 van de btw-richtlijn aldus worden uitgelegd dat het gelijkwaardigheidsbeginsel zich verzet tegen een praktijk van een lidstaat waarbij de niet-teruggaaf van de btw aanleiding geeft tot betaling van rente door de belastingdienst tegen de basisrente van de centrale bank in geval van schending van het Unierecht, maar tegen het dubbele van deze basisrente in geval van schending van het nationale recht?


(1)  PB 2006, L 347, blz. 1.