5.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 42/35


Beroep ingesteld op 4 december 2017 — BTC / Commissie

(Zaak T-786/17)

(2018/C 042/49)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: BTC GmbH (Bolzano, Italië) (vertegenwoordigers: L. von Lutterotti en A. Frei, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietig verklaren de maatregel van de Europese Commissie tot terugvordering van toegekende financiële middelen, met referentie Ares (2017) 4799558, van 27 september 2017, alsmede de overeenkomstige debetnota (Nota di Addebito) nr. 3241712708 van 2 oktober 2017, samen met mededeling Ares (2017) 4790311 van 2 oktober 2017, die alle bij e-mail van 4 oktober 2017 zijn betekend aan info@btc-srl.com, alsmede alle verdere (ook onbekende) rechtshandelingen die aan de twee genoemde vooraf zijn gegaan, daarmee verband houden dan wel dienen ter uitvoering daarvan;

subsidiair, vaststellen, middels een arbitrageverzoek op basis van artikel 272 VWEU en artikel 5, lid 2, van subsidieovereenkomst nr. C046311 van 29 juni 2007, dat het bedrag dat de Europese Commissie in debetnota (Nota di Addebito) nr. 3241712708 van 2 oktober 2017 van verzoekster heeft gevorderd, niet door verzoekster verschuldigd is, zodat verzoekster gerechtigd is dit bedrag te behouden;

meer subsidiair, vaststellen, eveneens middels een arbitrageverzoek op basis van artikel 272 VWEU en artikel 5, lid 2, van subsidieovereenkomst nr. C046311 van 29 juni 2007, en enkel voor het geval dat verzoekster de Europese Gemeenschap op basis van subsidieovereenkomst nr. C046311 van 29 juni 2007 enig bedrag schuldig zou zijn, dat het bedrag dat verzoekster eventueel is verschuldigd lager is dan het bedrag dat is aangegeven in debetnota (Nota di Addebito) nr. 3241712708 van 2 oktober 2017 van de Europese Commissie;

verweerster in elk geval overeenkomstig artikel 134 van het Reglement voor de procesvoering te veroordelen tot betaling van de proceskosten, waarbij deze op basis van de Italiaanse parameters voor de betaling van advocatenhonoraria overeenkomstig ministerieel besluit nr. 55/2014 van het Italiaanse Ministerie van Justitie, voor zover verschuldigd, worden geraamd op 30 000 EUR, vermeerderd met 15 % voor de forfaitaire kostenvergoeding overeenkomstig artikel 15 van datzelfde ministerieel besluit, met 4 % voor de wettelijke bijdrage aan het advocatenfonds, alsook met 22 % btw, en waarbij een meer nauwkeurige, kostenafhankelijke becijfering in de loop van de procedure voorbehouden blijft.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij zeven middelen aan.

1.

Eerste middel: nietigheid van de bestreden maatregelen wegens verjaring overeenkomstig artikel 3, lid 1, vierde streepje, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 (1)

2.

Tweede middel: nietigheid van de bestreden maatregelen wegens schending van artikel 296 VWEU en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, vanwege de onevenredig lange behandeltijd voor het vaststellen van de maatregel en de bovengenoemde debetnota (schending van het beginsel van rechtszekerheid en van een redelijke termijn)

3.

Derde middel, nietigheid van de bestreden maatregelen wegens schending van artikel 296 VWEU en de artikel 41 en 42 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, vanwege onjuist feitenonderzoek, ontbrekende, ontoereikende, respectievelijk tegenstrijdige motivering van de maatregel, en schending van het recht van toegang tot documenten

4.

Vierde middel: nietigheid van de bestreden maatregelen wegens schending van de artikel 2 en 4 van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 en schending van artikel 296 VWEU en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, vanwege de onevenredigheid van het teruggevorderde bedrag, ontbrekende, respectievelijk onjuiste vaststelling van feiten en ontoereikende respectievelijk tegenstrijdige motivering van de maatregel

5.

Vijfde middel: het bedrag dat de Commissie in debetnota (Nota di Addebito) nr. 3241712708 van 2 oktober 2017 van verzoekster heeft gevorderd, is niet verschuldigd, aangezien de Commissie het contractuele beginsel van goede trouw heeft geschonden, de feiten te laat en ontoereikend heeft onderzocht, en de beschikbare bewijzen niet, respectievelijk onjuist heeft beoordeeld

6.

Zesde middel: het bedrag dat de Commissie in debetnota (Nota di Addebito) nr. 3241712708 van 2 oktober 2017 van verzoekster heeft gevorderd, is niet verschuldigd, aangezien de conclusies van de Commissie op basis van het OLAF-rapport niet overeenstemmen met de feiten

7.

Zevende middel: het bedrag dat de Commissie in debetnota (Nota di Addebito) nr. 3241712708 van 2 oktober 2017 van verzoekster heeft gevorderd, is in elk geval te hoog, aangezien overeenkomstig artikel 19 van bijlage II bij de subsidieovereenkomst enkel daadwerkelijk ten onrechte ontvangen bedragen terugbetaald moeten worden, doch niet de bedragen die op grond van een waarheidsgetrouwe en verdragsconforme afrekening zijn uitbetaald (schending van het beginsel van goede trouw en het evenredigheidsbeginsel)


(1)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB 1995, L 312, blz. 1).