13.11.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 382/59


Beroep ingesteld op 26 september 2017 — Port autonome du Centre et de l’Ouest e.a./Commissie

(Zaak T-673/17)

(2017/C 382/73)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Port autonome du Centre et de l’Ouest SCRL (La Louvière, België), Port autonome de Namur (Namen, België), Port autonome de Charleroi (Charleroi, België), Port autonome de Liège (Luik, België) en Région wallonne (Jambes, België) (vertegenwoordiger: J. Vanden Eynde, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het verzoek ten aanzien van elk van de verzoekende partijen ontvankelijk verklaren en dientengevolge het besluit van de Commissie met als referentie SA.38393 (2016CP, ex 2015/E) — Fiscaliteit van de havens in België [C(2017)5174 final] nietig verklaren;

het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;

bijgevolg het besluit van de Europese Commissie waarbij het feit dat de economische activiteiten van de Belgische havens, met name van de Waalse havens, niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, wordt aangemerkt als met de interne markt onverenigbare staatssteun, nietig verklaren;

verweerster verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen in wezen één middel aan. Zij zijn van mening dat de Commissie artikel 93 VWEU, dat bijzondere regels voor de transportsector, en dus voor de havensector, instelt, vanaf het begin buiten toepassing heeft gelaten en derhalve geen rekening heeft gehouden met de wil van de Uniewetgever.

De beoordeling van de Commissie is noch feitelijk noch rechtens gerechtvaardigd en is in strijd met de tekst van artikel 1 van het Belgische Wetboek op de Inkomstenbelasting (WIB) en met de bevoegdheid van de overheid om de niet-economische activiteiten van algemeen belang te omschrijven.

Het standpunt van de Commissie is ook niet coherent met het voorstel voor een richtlijn van 16 maart 2011 (COM/2011/0121 final) betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), dat zelfs voor handelsvennootschappen voorziet in een belastingvrijstelling voor subsidies die rechtstreeks samenhangen met de verkrijging, voortbrenging of verbetering van vaste activa.

Door België aan te manen om zijn belastingwetgeving te wijzigen, tracht de Commissie bovendien inbreuk te maken op de belastingbevoegdheden van de lidstaten, door een fiscale harmonisatie op te leggen die niet tot haar bevoegdheid in de zin van artikel 113 VWEU behoort. Zo houdt zij geen rekening met de bevoegdheden van de lidstaten op het gebied van de omschrijving van de activiteiten van openbare diensten en van de werkingssfeer van de directe belastingen, van de verplichting om de goede werking van de diensten van algemeen belang („DAB’s”) te waarborgen die nodig zijn voor de sociale en economische cohesie, alsook van de discretionaire inrichting van de organisatie van DAB’s. De Uniewetgever heeft de bevoegdheid voor de vrijstelling van belasting van de activiteiten die de lidstaten soeverein omschrijven als van algemeen belang, immers aan de lidstaten toevertrouwd.

Volgens de verzoekende partijen zijn de wezenlijke activiteiten van de Waalse binnenhavens DAB’s, die overeenkomstig het Uniewetgeving niet onder de mededingingsregels vallen.

Ten slotte is in de onderhavige zaak niet voldaan aan de Europese criteria voor de vaststelling van staatssteun, met name is niet voldaan aan het selectiviteitscriterium.