25.9.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 318/25


Beroep ingesteld op 7 augustus 2017 — Hubei Xinyegang Special Tube/Commissie

(Zaak T-500/17)

(2017/C 318/32)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Hubei Xinyegang Special Tube Co. Ltd (Huangshi, China) (vertegenwoordigers: E. Vermulst en J. Cornelis, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2017/804 van de Commissie van 11 mei 2017 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer (andere dan gietijzer) of van staal (ander dan roestvrij staal), met een rond profiel, met een buitendiameter van meer dan 406,4 mm, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2017, L 121, blz. 3), minstens voor wat verzoekster betreft;

verwijzing van de Europese Commissie in de kosten van verzoekster.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.

1.

Eerste middel: de Commissie heeft artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening (1) alsook de artikelen 3.1 en 3.2 van de antidumpingovereenkomst van de WTO geschonden waar zij prijsonderbiedingen heeft vastgesteld. Volgens verzoekster heeft de Commissie louter een wiskundige vergelijking van de prijzen voor het jaar 2015 als zodanig gemaakt zonder dat zij de ontwikkeling en de bewegingen van de prijzen in de verhouding tussen de invoerprijzen en de binnenlandse prijzen dynamisch heeft beoordeeld. Verzoekster betoogt verder dat de Commissie evenmin de prijsonderbieding voor het product in zijn geheel heeft aangetoond.

2.

Tweede middel: de Commissie heeft artikel 3, lid 6, van de basisverordening (en artikel 3.5 van de antidumpingovereenkomst van de WTO) geschonden doordat zij het onderzoek van het oorzakelijk verband heeft gebaseerd op een onrechtmatige vaststelling van de gestelde onderbieding.

3.

Derde middel: bij haar vaststelling dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade heeft de Commissie een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door tot de slotsom te komen (1) dat er sprake was van een onderlinge samenhang tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, en (2) dat andere factoren (een afname van de exportprestaties en van de vraag en een toename van de invoer uit andere landen), noch afzonderlijk, noch in hun geheel bezien, dit oorzakelijk verband hebben doorbroken.

4.

Vierde middel: de Commissie is haar zorgvuldigheidsplicht en haar verplichting van behoorlijk bestuur niet nagekomen doordat zij heeft geweigerd om de schade en het oorzakelijk verband per segment te beoordelen, waardoor zij niet heeft gewaarborgd dat haar vaststellingen met betrekking tot schade en oorzaak geen vertekend beeld opleverden.


(1)  Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21).