16.10.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 347/32


Beroep ingesteld op 25 juli 2017 — TO/EEA

(Zaak T-462/17)

(2017/C 347/41)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: TO (vertegenwoordiger: N. Lhoëst, advocaat)

Verwerende partij: Europees Milieuagentschap

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van het Europees Milieuagentschap (EEA) van 22 september 2016 om de aanstelling van de verzoekende partij als arbeidscontractant te beëindigen;

nietigverklaring van het besluit van het EEA van 20 april 2017 tot afwijzing van de door de verzoekende partij op 21 december 2016 ingediende klacht;

veroordeling van het EEA tot betaling aan de verzoekende partij van een vergoeding berekend op basis van het verlies van vier jaarsalarissen, onder aftrek van de werkloosheidsuitkeringen die zij gedurende die periode zal ontvangen;

veroordeling van het EEA tot betaling aan de verzoekende partij van een bedrag van 3 500 EUR ter vergoeding van de kosten in verband met de voortijdige beëindiging van haar huurcontract te Kopenhagen, onder voorbehoud van vermeerdering indien van toepassing;

nietigverklaring van de salarisafrekening van de verzoekende partij over september 2016, met name voor zover deze niet het salaris voor 22 september 2016 bevat;

veroordeling van het EAA tot betaling aan de verzoekende partij van een bedrag van 50 000 EUR ter vergoeding van de immateriële schade die zij heeft geleden door het ontslagbesluit van 22 september 2016;

veroordeling van het EAA tot betaling aan de verzoekende partij van een bedrag van 5 000 EUR ter vergoeding van de immateriële schade die is ontstaan door de schending door het EAA van artikel 26 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie;

veroordeling van het EAA tot betaling aan de verzoekende partij van een bedrag van 10 000 EUR ter vergoeding van de immateriële schade als gevolg van de psychologische druk die het EAA tijdens haar arbeidsongeschiktheid op haar heeft uitgeoefend;

subsidiair, veroordeling van het EAA tot betaling aan de verzoekende partij van een maand opzegtermijn en van een vergoeding gelijk aan één derde van haar basissalaris per voltooide maand proeftijd overeenkomstig het bepaalde in artikel 84 RAP;

verwijzing van het EAA in alle kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij acht middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan de niet-toepasselijkheid van artikel 48, onder b), RAP.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van de artikelen 48, onder b), en 16, lid 2, RAP.

3.

Derde middel, ontleend aan een exceptie van onwettigheid wegens discriminatie voor wat betreft artikel 48 onder b), RAP.

4.

Vierde middel, ontleend aan schending van artikel 26 van het Statuut en van de rechten van de verdediging.

5.

Vijfde middel, ontleend aan schending van verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 2001, L 8, blz. 1), en van artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

6.

Zesde middel, ontleend aan schending van artikel 84 RAP, artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van de zorgplicht.

7.

Zevende middel, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout.

8.

Achtste middel, ontleend aan misbruik van bevoegdheid.