24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/63


Beroep ingesteld op 30 mei 2017 — Deutsche Lufthansa e.a./Commissie

(Zaak T-342/17)

(2017/C 239/75)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Deutsche Lufthansa AG (Keulen, Duitsland), Lufthansa Cargo AG (Frankfurt am Main, Duitsland), Swiss International Air Lines AG (Bazel, Zwitserland) (vertegenwoordiger: S. Völcker, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 — Luchtvracht) nietig verklaren;

de Commissie verwijzen in de kosten, waaronder de kosten van verzoekster.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vijf middelen aan.

1.

Het eerste middel is eraan ontleend het bestreden besluit lijdt aan een ontoereikende motivering, aangezien de geografische omvang van de inbreuk noch in het dispositief noch in de motivering eenduidig is vastgesteld.

2.

Het tweede middel is eraan ontleend dat het bestreden besluit artikel 11 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer heeft geschonden omdat het steunt op contacten tussen concurrenten die hebben plaatsgevonden in Zwitserland en die voornamelijk invloed hadden op luchtvrachttransport tussen Zwitserland en derde landen.

3.

Het derde middel is eraan ontleend dat met het bestreden besluit het verbod van terugwerkende kracht is geschonden door te steunen op contacten die plaatsvonden voordat verordening 1/2003 (1) in werking trad en die alleen invloed hadden op routes buiten de EER.

4.

Het vierde middel is eraan ontleend dat het bestreden besluit artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer heeft geschonden door zonder behoorlijk onderzoek contacten die buiten de EER hebben plaatsgevonden, alsmede contacten met betrekking tot de WOW-alliantie (een alliantie van Japan Airlines Cargo, Lufthansa Cargo, SAS Cargo en Singapore Airlines Cargo), alsmede contacten met betrekking tot de betaling van commissie over toeslagen, aan te merken als onderdelen van dezelfde enkele en voortdurende inbreuk die ook contacten tussen concurrenten op directieniveau omvat.

5.

Het vijfde middel is eraan ontleend dat het bestreden besluit artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst heeft geschonden voor zover het uitgaat van de opvatting dat contacten tussen concurrenten die plaatsvonden buiten de EER schendingen van artikel 101 VWEU of artikel 53 van de EER-Overeenkomst vormen. Volgens verzoeksters beperken overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot naar de EER inkomend vrachtvervoer de mededinging binnen de EER niet, en hebben zij evenmin invloed op de handel tussen de lidstaten. Bovendien wordt volgens verzoekster in het bestreden besluit het verkeerde rechtskader toegepast om te bepalen of overheidsinmenging in de rechtsordes van een aantal hier relevante landen toepassing van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst uitsluit.


(1)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).