7.8.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 256/32


Beroep ingesteld op 30 mei 2017 — Air France-KLM/Commissie

(Zaak T-337/17)

(2017/C 256/38)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Air France-KLM (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: A. Wachsmann en S. Thibault-Liger, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

primair, op grond van artikel 263 VWEU besluit C(2017) 1742 final van de Europese Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, zaak COMP/39.258 — Luchtvracht, volledig nietig verklaren voor zover het betrekking heeft op Air France-KLM, en de aan het dispositief ervan ten grondslag liggende motivering nietig verklaren op grond van verzoeksters eerste middel;

subsidiair, indien het Gerecht besluit (2017) 1742 final niet volledig nietig verklaart op grond van het eerste middel:

nietigverklaring van artikel 1, eerste alinea, punt 1, onder b), punt 2, onder b), punt 3, onder b), en punt 4, onder b), van besluit C(2017) 1742 final, voor zover de vaststelling van de aan Air France-KLM toegerekende enkele voortdurende inbreuk is gebaseerd op bewijzen die Lufthansa heeft verstrekt in het kader van haar immuniteitsverzoek op grond van de mededeling van de Commissie van 2002 betreffende immuniteit tegen geldboetes en vermindering van geldboetes in kartelzaken, en van de eraan ten grondslag liggende motivering, en nietigverklaring van artikel 3, onder b) en d), van het besluit, voor zover daarbij twee geldboetes voor een totaalbedrag van 307 360 000 EUR aan Air France-KLM worden opgelegd, en van artikel 4 van het besluit, en derhalve krachtens artikel 261 VWEU die geldboetes overeenkomstig verzoeksters tweede middel verlagen;

nietigverklaring van artikel 1, eerste alinea, punt 1, onder b), punt 2, onder b), punt 3, onder b), en punt 4, onder b), van besluit C(2017) 1742 final, voor zover daarbij wordt bepaald dat luchtvaartmaatschappijen die in de motivering van het besluit zijn vermeld wegens hun betrokkenheid bij de praktijken in verband met de aan Air France-KLM toegerekende enkele voortdurende inbreuk, niet binnen het bereik van die inbreuk vallen, en van de eraan ten grondslag liggende motivering, en nietigverklaring van artikel 3, onder b) en d), van het besluit voor zover daarbij twee geldboetes voor een totaalbedrag van 307 360 000 EUR aan Air France-KLM worden opgelegd, en van artikel 4 van het besluit, en derhalve krachtens artikel 261 VWEU die geldboetes overeenkomstig verzoeksters derde middel verlagen;

nietigverklaring van artikel 1, eerste alinea, punt 2, onder b), en punt 3, onder b), van het besluit C(2017) 1742 final, voor zover daarbij wordt vastgesteld dat de aan Air France-KLM toegerekende enkele voortdurende inbreuk de inkomende vrachtdiensten in de EER (inbound verkeer EER) omvat, en van de eraan ten grondslag liggende motivering, en nietigverklaring van artikel 3, onder b) en d), van het besluit, voor zover daarbij twee geldboetes voor een totaalbedrag van 307 360 000 EUR aan Air France-KLM worden opgelegd, en van artikel 4 van het besluit, en derhalve krachtens artikel 261 VWEU die geldboetes overeenkomstig verzoeksters vierde middel verlagen;

meer subsidiair, indien het Gerecht besluit C(2017) 1742 final niet nietig verklaart op grond van het tweede, het derde of het vierde middel:

nietigverklaring van artikel 1, eerste alinea, punt 1, onder b), punt 2, onder b), punt 3, onder b), en punt 4, onder b), van besluit C(2017) 1742 final, voor zover daarbij wordt vastgesteld dat de weigering om een commissie aan de expediteurs te betalen een afzonderlijk onderdeel van de aan Air France-KLM toegerekende enkele voortdurende inbreuk vormt, en van de eraan ten grondslag liggende motivering, en nietigverklaring van artikel 3, onder b) en d), van het besluit, voor zover daarbij twee geldboetes voor een totaalbedrag van 307 360 000 EUR aan Air France-KLM worden opgelegd, en van artikel 4 van het besluit, en derhalve krachtens artikel 261 VWEU die geldboetes overeenkomstig verzoeksters vijfde middel verlagen;

nog meer subsidiair, indien het Gerecht besluit C(2017) 1742 final niet nietig verklaart op grond van het vijfde middel:

nietigverklaring van artikel 3, onder b) en d), van besluit C(2017) 1742 final voor zover daarbij twee geldboetes voor een totaalbedrag van 307 360 000 EUR aan Air France-KLM worden opgelegd, op grond dat bij de berekening van die geldboetes de tarieven en 50 % van de inkomende inkomsten in de EER (inbound inkomsten EER) van Société Air France-KLM in aanmerking worden genomen (overeenkomstig verzoeksters zesde middel), de ernst van de aan Air France-KLM toegerekende inbreuk wordt overschat (overeenkomstig verzoeksters zevende middel), jegens Société Air France-KLM een onjuiste duur van de inbreuk wordt aangenomen (overeenkomstig verzoeksters achtste middel), en een ontoereikende boeteverlaging uit hoofde van de reguleringsstelsels wordt toegepast (overeenkomstig haar negende middel), en nietigverklaring van de eraan ten grondslag liggende motivering, en derhalve krachtens artikel 261 VWEU die geldboetes verlagen tot een passend bedrag;

hoe dan ook, de Europese Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij negen middelen aan.

1.

Eerste middel: Air France-KLM wordt ten onrechte verantwoordelijk gehouden voor de praktijken van Air France en KLM. Dit middel valt uiteen in twee onderdelen:

Eerste onderdeel: Air France-KLM wordt ten onrechte verantwoordelijk gehouden voor de praktijken van Air France vanaf 15 september 2004 en voor die van KLM vanaf 5 mei 2004;

Tweede onderdeel: Air France-KLM wordt ten onrechte verantwoordelijk gehouden voor de praktijken van Air France tussen 7 december 1999 en 15 september 2004;

2.

Tweede middel: schending van de clementiemededeling van 2002 en van de beginselen van gewettigd vertrouwen, gelijke behandeling en non-discriminatie tussen Air France-KLM en Lufthansa, waardoor de ontvankelijkheid van de in het kader van het immuniteitsverzoek van Lufthansa overgelegde stukken wordt aangetast;

3.

Derde middel: schending van de motiveringsplicht en van de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie en bescherming tegen willekeurige inmenging door de Commissie, op grond dat luchtvaartmaatschappijen die aan de praktijken hebben deelgenomen, niet zijn opgenomen in het dispositief van het besluit. Dit middel valt uiteen in twee onderdelen:

Eerste onderdeel: de beslissing om maatschappijen die aan de praktijken hebben deelgenomen, niet te vermelden in het dispositief van het besluit, is ontoereikend gemotiveerd;

Tweede onderdeel: de beslissing om maatschappijen die aan de praktijken hebben deelgenomen, niet te vermelden in het dispositief van het besluit, is onrechtmatig wegens schending van de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie en bescherming tegen willekeurige inmenging door de Commissie;

4.

Vierde middel: de beslissing dat de enkele voortdurende inbreuk het inbound verkeer EER omvat, schendt de regels die de territoriale bevoegdheid van de Commissie afbakenen. Dit middel valt uiteen in twee onderdelen:

Eerste onderdeel: de praktijken in verband met het inbound verkeer EER zijn niet toegepast binnen de EER;

Tweede onderdeel: de Commissie heeft niet aangetoond dat de praktijken in verband met het inbound verkeer EER gekwalificeerde gevolgen binnen de EER hebben;

5.

Vijfde middel: de tegenstrijdige motivering en een kennelijke beoordelingsfout maken de vaststelling dat de weigering om een commissie aan de expediteurs te betalen een afzonderlijk onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk vormt, onrechtmatig. Dit middel valt uiteen in twee onderdelen:

Eerste onderdeel: die vaststelling is tegenstrijdig gemotiveerd;

Tweede onderdeel: die vaststelling geeft blijk van een kennelijke beoordelingsfout;

6.

Zesde middel: de waarden van de verkopen, die in aanmerking zijn genomen voor de berekening van de aan Air France-KLM opgelegde boete, zijn onjuist. Dit middel valt uiteen in twee onderdelen:

Eerste onderdeel: de opneming van de tarieven in de waarde van de verkopen is gebaseerd op een tegenstrijdige motivering, verschillende onjuiste rechtsopvattingen en een kennelijke beoordelingsfout;

Tweede onderdeel: schending van de richtsnoeren van 2006 voor de berekening van geldboetes en van het beginsel „ne bis in idem” doordat 50 % van de inbound inkomsten EER is opgenomen in de waarde van de verkopen;

7.

Zevende middel: onjuiste beoordeling van de ernst van de inbreuk. Dit middel valt uiteen in twee onderdelen:

Eerste onderdeel: de overschatting van de zwaarte van de praktijken is gebaseerd op verschillende kennelijke beoordelingsfouten en schending van het beginsel van de evenredigheid van de straffen en het gelijkheidsbeginsel;

Tweede onderdeel: de Commissie overschat de zwaarte van de praktijken doordat zij in strijd met de regels inzake haar territoriale bevoegdheid heeft beslist dat contacten betreffende buiten de EER toegepaste praktijken binnen het bereik van de inbreuk vallen;

8.

Achtste middel: de duur van de jegens Air France aangenomen inbreuk, die in aanmerking is genomen voor de berekening van de aan Air France-KLM opgelegde geldboete, is onjuist berekend;

9.

Negende middel: de door de Commissie uit hoofde van de reguleringsstelsels toegekende verlaging met 15 % is gebrekkig gemotiveerd en is ontoereikend.