17.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 231/52


Beroep ingesteld op 16 mei 2017 — Ceobus e.a./Commissie

(Zaak T-330/17)

(2017/C 231/67)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Ceobus (Génicourt, Frankrijk), Compagnie des transports voyageurs du Mantois interurbains — CTVMI (Mantes-la-Jolie, Frankrijk), SA des Transports de St Quentin en Yvelines (Trappes, Frankrijk), Les cars Perrier (Trappes), Tim Bus (Magny-en-Vexin, Frankrijk), Transports Voyageurs du Mantois (TVM) (Mantes-la-Jolie) (vertegenwoordiger: D. de Combles de Nayves, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

primair, nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 2 februari 2017 — SA.26763 — betreffende de steun die de regio Île-de-France aan de ondernemingen voor openbaar vervoer zou hebben toegekend, voor zover daarin is geoordeeld dat de steunregeling die van 1984 tot 2008 in de regio Île-de-France heeft gegolden, een „onrechtmatig tot uitvoering gebrachte” nieuwe steunregeling is;

subsidiair, nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 2 februari 2017 — SA.26763 — betreffende de steun die de regio Île-de-France aan de ondernemingen voor openbaar vervoer zou hebben toegekend, voor zover daarin is geoordeeld dat de individuele steun die tussen mei 1994 en 25 november 2008 op grond van de steunregeling van regio Île-de-France is verleend, „onrechtmatig tot uitvoering gebrachte” nieuwe steun is.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voert de verzoekende partijen drie middelen aan.

1.

Eerste middel, aangevoerd in het kader van de eerste vordering: schending van artikel 108, lid 1, VWEU, schending van artikel 1, onder b), van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: „verordening 2015/1589”) (PB 2015, L 248, blz. 9) en schending van het gezag van gewijsde van de door het Hof van Justitie van de Europese Unie op een prejudiciële verwijzing gewezen arresten.

2.

Tweede middel, aangevoerd in het kader van de tweede vordering: schending van artikel 17 van verordening 2015/1589 doordat de Commissie als maatregel houdende stuiting van de verjaringstermijn heeft aangemerkt een maatregel die niet voldeed aan de criteria die daarvoor in dat artikel waren gesteld.

3.

Derde middel, aangevoerd in het kader van de tweede vordering: schending van de procedurele rechten van de belanghebbende derden doordat de Commissie in haar openingsbesluit heeft geoordeeld dat de verjaring niet door instelling van een beroep bij bestuursrechter, maar door het eerste verzoek om inlichtingen van de Commissie van 25 november 2008 was gestuit.