24.7.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 239/55


Beroep ingesteld op 29 mei 2017 — Air Canada/Commissie

(Zaak T-326/17)

(2017/C 239/68)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Air Canada (Saint-Laurent, Quebec, Canada) (vertegenwoordigers: T. Soames, G. Bakker en I.-Z. Prodromou-Stamoudi, advocaten, en J. Joshua, barrister)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 — Luchtvracht) geheel of gedeeltelijk nietig verklaren voor zover het betrekking heeft op verzoekster;

het boetebedrag nietig verklaren of subsidiair, aanzienlijk verlagen;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending van de verdedigingsrechten, schending van het recht om te worden gehoord en schending van wezenlijke vormvoorschriften.

Volgens verzoekster heeft de Europese Commissie nagelaten in de mededeling van punten van bezwaar kennis te geven van haar bredere veronderstellingen aangaande de zaak in haar geheel, waardoor verzoekster zich niet kon verdedigen tegen de beschuldigingen, wat een voldoende grond is om het bestreden besluit nietig te verklaren.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van de verdedigingsrechten, ontoereikende motivering en schending van wezenlijke vormvoorschriften.

Volgens verzoekster heeft de Europese Commissie verzoeksters verdedigingsrechten geschonden door i) in het geheel geen of een ontoereikende motivering te geven voor de op alle vliegroutes geconstateerde enkele en voortdurende inbreuk; ii) na te laten de aard en omvang van de vermeende inbreuk(en) met de door de wet vereiste precisie weer te geven; iii) de intrinsieke tegenstrijdigheid tussen één enkele voortdurende inbreuk en vier aparte inbreuken die heeft geleid tot de nietigverklaring van besluit C(2010) 7694 definitief van de Commissie van 9 november 2010 niet op te heffen, wat voldoende gronden zijn om het besluit in zijn geheel niet te verklaren.

3.

Derde middel, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout en kennelijke schending van het recht met betrekking tot het feit dat luchtvaartmaatschappijen van buiten de EU/EER niet op inter-Europese routes kunnen vliegen.

Verzoekster voert aan dat de Europese Commissie i) in artikel 1, leden 1 en 4, van het bestreden besluit onterecht heeft vastgesteld dat verzoekster heeft deelgenomen aan een inbreuk of inbreuken op routes binnen de EER en tussen vliegvelden binnen de EU en vliegvelden in Zwitserland zonder dat zij het recht had op die routes luchtvrachtdiensten te verlenen; ii) de internationale en EU-regelgeving omtrent luchtvaartrechten over het hoofd heeft gezien of verkeerd heeft uitgelegd; iii) de relevante rechtspraak onjuist heeft toegepast door vast te stellen dat er voor verzoekster geen sprake was van „onoverkomelijke hindernissen” om op inter-Europese routes diensten aan te bieden en verzoekster dus onterecht heeft aangemerkt als een potentiële concurrent op deze routes. Volgens verzoekster vormen deze punten elk apart en tezamen kennelijke beoordelingsfouten en een kennelijke schending van het recht en bieden zij elk apart of tezamen voldoende grondslag voor de nietigverklaring van het gehele besluit, of, subsidiair, van artikel 1, leden 1 en 4, van dit besluit.

4.

Vierde middel, ontleend aan kennelijke schending van de feiten en het recht met betrekking tot de bevoegdheid.

Verzoekster voert aan dat in het bestreden besluit de feiten en het recht kennelijk zijn geschonden, aangezien daarin i) onterecht geheel wettige activiteiten op routes in derde landen als argument zijn aangevoerd om een inbreuk op inter-Europese routes te bewijzen of vast te stellen, terwijl het onmogelijk is een dergelijke inbreuk te begaan (grond voor nietigverklaring van het bestreden besluit in zijn geheel); ii) wordt uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent de bevoegdheid met betrekking tot vermeende collusie aangaande „inkomend” verkeer op routes vanuit derde landen (grond voor nietigverklaring van het bestreden besluit in zijn geheel of, subsidiair, van artikel 1, lid 2, en artikel 1, lid 3).

5.

Vijfde middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling van het tegen verzoekster aangevoerde bewijs.

Volgens verzoekster i) heeft de Europese Commissie wat het bewijs betreft het recht inzake één enkele voortdurende inbreuk niet naar behoren toegepast; ii) is de Commissie er niet in geslaagd betrouwbaar bewijs te leveren en de tegen verzoekster aangevoerde feiten rechtens genoegzaam te bewijzen; en iii) heeft de Commissie onterecht niet geaccepteerd dat verzoekster haar onjuist opgestelde clementieverzoek terugtrok en heeft zij nagelaten rekening te houden met de gevolgen van die terugtrekking voor het tegen verzoekster aangevoerde bewijs, wat voldoende gronden zijn voor de nietigverklaring van het bestreden besluit in zijn geheel.

6.

Met het zesde middel verzoekt verzoekster het Gerecht overeenkomstig het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde middel, de in artikel 3 opgelegde boete te nietig te verklaren of, subsidiair, aanzienlijk te verlagen op grond van zijn volledige rechtsmacht krachtens artikel 261 VWEU, artikel 31 van verordening 1/2003 en vaste rechtspraak.