201807130112003462018/C 268/217222017CJC26820180730NL01NLINFO_JUDICIAL20171127151623

Zaak C-722/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bezirksgericht Villach (Oostenrijk) op 27 november 2017 — Norbert Reitbauer e.a. / Enrico Casamassima


C2682018NL1530120171127NL0021153162

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bezirksgericht Villach (Oostenrijk) op 27 november 2017 — Norbert Reitbauer e.a. / Enrico Casamassima

(Zaak C-722/17)

2018/C 268/21Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bezirksgericht Villach

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Norbert Reitbauer, Dolinschek GmbH, B.T.S. Trendfloor Raumausstattungs-GmbH, Elektrounternehmen K. Maschke GmbH, Klaus Egger, Architekt DI Klaus Egger Ziviltechniker GmbH

Verwerende partij: Enrico Casamassima

Prejudiciële vragen

1)

Vraag 1:

Moet artikel 24, punt 5, van verordening (EU) nr. 1215/2012 ( 1 ) van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus worden uitgelegd dat de „Widerspruchsklage” (vordering tegen de executie) neergelegd in § 232 van de Oostenrijkse Exekutionsordnung (Oostenrijkse wet op de executieprocedure), die kan worden ingesteld in geval van onenigheid over de verdeling van de opbrengst van de gerechtelijke veiling, binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt

en in het bijzonder ook in de situatie dat de vordering van de ene zekerheidsgerechtigde schuldeiser tegen de andere

a)

berust op het argument dat diens door een zekerheidsrecht afgedekte vordering uit geldlening is tenietgegaan uit hoofde van een tegenvordering tot schadevergoeding van de schuldenaar, en

b)

bovendien — evenals bij de actio pauliana — berust op het argument dat de grond voor het zekerheidsrecht voor deze lening zonder rechtsgevolg is wegens bevoordeling van schuldeisers?

2)

Vraag 2 (in het geval vraag 1 ontkennend wordt beantwoord):

Moet artikel 24, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus worden uitgelegd dat de „Widerspruchsklage” neergelegd in § 232 van de Oostenrijkse Exekutionsordnung, die kan worden ingesteld in geval van onenigheid over de verdeling van de opbrengst van de gerechtelijke veiling, binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt,

en in het bijzonder ook in de situatie dat de vordering van de ene zekerheidsgerechtigde schuldeiser tegen de andere

a)

berust op het argument dat diens door een zekerheidsrecht afgedekte vordering uit geldlening is tenietgegaan uit hoofde van een tegenvordering tot schadevergoeding van de schuldenaar, en

b)

bovendien — evenals bij de actio pauliana — berust op het argument dat de grond voor het zekerheidsrecht voor deze lening zonder rechtsgevolg is wegens bevoordeling van schuldeisers?


( 1 ) PB 2012, L 351, blz. 1.