19.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 63/7


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Korkein hallinto-oikeus (Finland) op 1 december 2017 — Luonnonsuojeluyhdistys Tapiola Pohjois-Savo — Kainuu ry

(Zaak C-674/17)

(2018/C 063/10)

Procestaal: Fins

Verwijzende rechter

Korkein hallinto-oikeus

Partijen in het hoofdgeding

Rekwirante: Luonnonsuojeluyhdistys Tapiola Pohjois-Savo — Kainuu ry

Andere belanghebbenden: Suomen riistakeskus, Risto Mustonen, Kai Ruhanen

Prejudiciële vragen

1)

Kunnen, gelet op de bewoordingen van artikel 16, lid 1, onder e), van de habitatrichtlijn (1), op basis van aanvragen van individuele jagers regionale ontheffingen voor de zogeheten beheersjacht worden verleend?

Is het voor de beantwoording van deze vraag van belang dat de toekenning van de ontheffing is gebaseerd op het nationale beheersplan en op de bij decreet vastgestelde maximale hoeveelheid dieren die mogen worden gedood, waarbinnen jaarlijks ontheffingen met betrekking tot het grondgebied van de lidstaat kunnen worden verleend?

Kan bij de beoordeling rekening worden gehouden met andere factoren, zoals het voorkomen van schade aan honden en het vergroten van het gevoel van openbare veiligheid?

2)

Kan de verlening van ontheffingen voor de in de eerste vraag bedoelde beheersjacht gerechtvaardigd zijn, omdat er geen andere bevredigende oplossing bestaat om illegale jacht te voorkomen in de zin van artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn?

Kan in dat geval rekening worden gehouden met de praktische problemen die zich voordoen bij het toezicht op de illegale jacht?

Kan het voor de beoordeling of er een andere bevredigende oplossing bestaat, ook van belang zijn dat wordt beoogd schade aan honden te voorkomen en het gevoel van openbare veiligheid te vergroten?

3)

Op welke wijze moet de in artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn genoemde voorwaarde betreffende de staat van instandhouding van de populaties van de betrokken soort worden beoordeeld voor de toekenning van regionale ontheffingen?

Dient de staat van instandhouding van een soort zowel op regionaal niveau als ten aanzien van het gehele grondgebied van de lidstaat of ook daarbuiten ten aanzien van het verspreidingsgebied van de soort te worden beoordeeld?

Is het mogelijk dat de voorwaarden van artikel 16, lid 1, van de habitatrichtlijn voor het verlenen van een ontheffing zijn vervuld, ook al kan de staat van instandhouding van de populatie van de betrokken soort na een passende beoordeling niet als gunstig in de zin van de richtlijn worden beschouwd?

Bij een bevestigend antwoord op de voorgaande vraag: in welke omstandigheden kan dat het geval zijn?


(1)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7).