29.1.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/14


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Judicial da Comarca de Lisboa (Portugal) op 15 november 2017 — Cogeco Communications Inc / Sport TV Portugal e.a.

(Zaak C-637/17)

(2018/C 032/21)

Procestaal: Portugees

Verwijzende rechter

Tribunal Judicial da Comarca de Lisboa

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Cogeco Communications Inc

Verwerende partijen: Sport TV Portugal, SA, Controlinvest-SGPS SA, Nos-SGPS SA

Prejudiciële vragen

1)

Kunnen artikel 9, lid 1, en artikel 10, leden 2, 3 en 4, van richtlijn 2014/104/EU (1) van 26 november 2014 en de overige bepalingen ervan dan wel toepasselijke algemene beginselen van Unierecht aldus worden uitgelegd dat zij voor een justitiabele (in het onderhavige geval een handelsonderneming met de rechtsvorm van een naamloze vennootschap naar Canadees recht) rechten doen ontstaan die door deze in het kader van een schadevordering wegens overtreding van de mededingingsregels voor de rechter kunnen worden ingeroepen tegen een andere justitiabele (in het onderhavige geval een handelsonderneming met de rechtsvorm van een naamloze vennootschap naar Portugees recht), inzonderheid wanneer de termijn waarbinnen de lidstaten ingevolge artikel 21, lid 1, van die richtlijn in nationaal recht uitvoering moesten geven aan de bepalingen ervan, op het tijdstip van de aanhangigmaking van de vordering (op 27 februari 2015) nog niet verstreken was?

2)

Kunnen artikel 10, leden 2, 3 en 4, van de richtlijn en de overige bepalingen ervan dan wel toepasselijke algemene beginselen van Unierecht aldus worden uitgelegd dat daarmee onverenigbaar is een nationale bepaling als artikel 498, lid 1, van het Portugese burgerlijk wetboek, die bij toepassing ervan op feiten die zich hebben voorgedaan vóór de bekendmaking van de richtlijn, vóór de inwerkingtreding ervan en vóór de datum waarop zij had moeten uitgevoerd, in het kader van een eveneens vóór laatstgenoemde datum ingediende vordering

a)

voor een schadevordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid een verjaringstermijn van drie jaar vastlegt;

b)

bepaalt dat deze termijn van drie jaar ingaat op het tijdstip waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de aanspraak die hij geldend kan maken, ook wanneer hem niet bekend is wie aansprakelijk is en hoe groot de schade is;

c)

en in verband waarmee geen voorschrift bekend is dat de opschorting of schorsing van deze termijn voorschrijft of toestaat voor het concrete geval waarin een mededingingsautoriteit maatregelen heeft getroffen in het kader van een onderzoek of procedure in verband met overtreding van de mededingingsregels waarmee de schadevordering samenhangt?

3)

Kunnen artikel 9, lid 1, van de richtlijn en de overige bepalingen ervan dan wel toepasselijke algemene beginselen van Unierecht aldus worden uitgelegd dat daarmee onverenigbaar is een nationale bepaling als artikel 623 van het Portugese burgerlijk wetboek, die bij toepassing ervan op feiten die zich hebben voorgedaan vóór de bekendmaking van de richtlijn, vóór de inwerkingtreding ervan en vóór de datum waarop zij had moeten uitgevoerd, in het kader van een eveneens vóór laatstgenoemde datum ingediende vordering

a)

bepaalt dat een definitieve veroordeling in een bestuurlijke procedure geen gevolgen heeft voor civiele vorderingen die betrekking hebben op rechtsbetrekkingen die ontstaan doordat de overtreding wordt begaan? Of, afhankelijk van de uitlegging,

b)

bepaalt dat een definitieve veroordeling in een bestuurlijke procedure [Or. 8] in verhouding tot derden voor civiele vorderingen die betrekking hebben op rechtsbetrekkingen die ontstaan doordat de overtreding wordt begaan, slechts een weerlegbaar vermoeden oplevert voor de vraag of de voorwaarden feitelijk en rechtens voor strafbaarheid vervuld zijn?

4)

Kunnen artikel 9, lid 1, en artikel 10, leden 2, 3 en 4, van de richtlijn, artikel 288, lid 3, VWEU of andere bepalingen van primair of afgeleid recht, toepasselijke eerdere rechtspraak of algemene beginselen van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat daarmee onverenigbaar is de toepassing van nationale voorschriften als artikel 498, lid 1, van het Portugese burgerlijk wetboek of artikel 623 van het Portugese wetboek van burgerlijke rechtsvordering, die bij toepassing ervan op feiten die zich hebben voorgedaan vóór de bekendmaking van de richtlijn, vóór de inwerkingtreding ervan en vóór de datum waarop zij had moeten uitgevoerd, in het kader van een eveneens vóór laatstgenoemde datum ingediende vordering, de bewoordingen en het doel van de richtlijn niet in acht nemen en er niet op gericht zijn, het met de richtlijn beoogde doel te bereiken?

5)

Subsidiair, voor het geval het Hof van Justitie van de Europese Unie een van bovenstaande vragen bevestigend beantwoordt: kunnen artikel 22 van de richtlijn en de overige bepalingen ervan of toepasselijke algemene beginselen van Unierecht aldus worden uitgelegd dat het daarmee onverenigbaar is dat de nationale rechter op het onderhavige geval artikel 498, lid 1, van het Portugese burgerlijk wetboek of artikel 623 van het Portugese wetboek van burgerlijke rechtsvordering toepast in de geldende versie, maar aldus uitgelegd en toegepast dat zij verenigbaar zijn met artikel 10 van de richtlijn?

6)

Indien de vijfde vraag bevestigend wordt beantwoord: Kan een justitiabele voor de nationale rechter in een procedure tot vergoeding van de schade die beweerdelijk is geleden als gevolg van een inbreuk op de mededingingsregels, tegenover een andere justitiabele artikel 22 van de richtlijn inroepen?


(1)  Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (PB 2014, L 349, blz. 1).