6.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/2


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Budai Központi Kerületi Bíróság (Hongarije) op 24 januari 2017 — GT/HS

(Zaak C-38/17)

(2017/C 178/02)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Budai Központi Kerületi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: GT

Verwerende partij: HS

Prejudiciële vraag

Is het verenigbaar met

de bevoegdheden die aan de Europese Unie zijn toegekend om een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen,

de grondrechten van de Europese Unie met betrekking tot gelijkheid voor de wet, een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces, evenals

een aantal overwegingen van richtlijn 93/13/EEG (1) („[…] [o]verwegende dat in de twee Gemeenschapsprogramma’s voor een beleid inzake bescherming en voorlichting van de consument is gewezen op het belang van de bescherming van de consument op het gebied van oneerlijke bedingen in overeenkomsten; dat in deze bescherming moet worden voorzien door middel van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die hetzij op communautair niveau zijn geharmoniseerd, hetzij rechtstreeks op dat niveau zijn vastgesteld; [o]verwegende dat, overeenkomstig het beginsel dat onder het hoofd ‚bescherming van de economische belangen van de consument’ in deze twee programma’s is vastgelegd, kopers van goederen of dienstenontvangers moeten worden beschermd tegen misbruik van de machtspositie van de verkoper respectievelijk de dienstverrichter, in het bijzonder tegen toetredingsovereenkomsten en de oneerlijke uitsluiting van rechten in overeenkomsten; [o]verwegende dat [Or. 2] door het vaststellen van eenvormige voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen een doeltreffender bescherming van de consument kan worden bewerkstelligd; dat deze voorschriften van toepassing moeten zijn op alle overeenkomsten tussen verkopers en consumenten; dat bijgevolg met name van deze richtlijn zijn uitgesloten arbeidsovereenkomsten, overeenkomsten betreffende erfrechten, overeenkomsten met betrekking tot de gezinssituatie en overeenkomsten met betrekking tot de oprichting en de statuten van vennootschappen; [o]verwegende dat de consument in het kader van een mondelinge overeenkomst dezelfde bescherming moet genieten als in dat van een schriftelijke overeenkomst en, in dat laatste geval, ongeacht het feit dat de voorwaarden daarvan in een of in meer documenten zijn vervat; [o]verwegende evenwel dat bij de huidige stand van de nationale wetgevingen slechts een gedeeltelijke harmonisatie in aanmerking komt; dat met name alleen de bedingen in overeenkomsten waarover niet afzonderlijk is onderhandeld onder deze richtlijn vallen; dat het van belang is de lidstaten de mogelijkheid te geven met inachtneming van het Verdrag in een hoger beschermingsniveau voor de consument te voorzien door middel van nationale voorschriften die strenger zijn dan die van deze richtlijn; […] [o]verwegende dat de overeenkomsten in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen moeten worden opgesteld; dat de consument daadwerkelijk gelegenheid moet hebben om kennis te nemen van alle bedingen en dat in geval van twijfel de voor de consument gunstigste interpretatie prevaleert; […]”) en, tenslotte,

artikel 4, lid 2, en artikel 5 van richtlijn 93/13/EEG,

wanneer op grond van nationale rechtspraak met bindende kracht, (a) en/of (b)

a)

de partij die een overeenkomst sluit met een consument niet — als voorwaarde voor de geldigheid van de overeenkomst — de consument voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst in de gelegenheid hoeft te stellen, kennis te nemen van de, duidelijk en begrijpelijk geformuleerde, contractuele bedingen die het hoofdvoorwerp van de overeenkomst vormen — daaronder begrepen de wisselkoers die van toepassing is op de verstrekking van een lening in vreemde valuta –, teneinde nietigheid van de overeenkomst te vermijden;

b)

de partij die een overeenkomst sluit met een consument deze laatste pas kennis hoeft te geven van de, duidelijk en begrijpelijk geformuleerde, contractuele bedingen die het hoofdvoorwerp van de overeenkomst vormen (bijvoorbeeld door middel van een apart document) op een moment waarop de consument zich er reeds onherroepelijk toe heeft verbonden aan de overeenkomst te voldoen, zonder dat deze omstandigheid een grond voor nietigheid van de overeenkomst vormt?


(1)  Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).