22.8.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 305/40


Beroep ingesteld op 20 juni 2016 — Foshan Lihua Ceramic/Commissie

(Zaak T-310/16)

(2016/C 305/55)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Foshan Lihua Ceramic Co. Ltd (Foshan City, China) (vertegenwoordigers: B. Spinoit en D. Philippe, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van uitvoeringsbesluit C(2016) 2136 final van de Commissie van 15 april 2016 houdende afwijzing van een verzoek om behandeling als nieuwe producent-exporteur met betrekking tot de definitieve antidumpingmaatregelen op keramische tegels van oorsprong uit de Volksrepubliek China die zijn ingesteld bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 917/2011 van de Raad;

verwijzing van de Commissie in verzoeksters kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zeven middelen aan.

1.

Eerste middel: de door de Commissie toegepaste uitzondering betreffende een steekproefonderzoek is in strijd met de artikelen 11, leden 4 en 5, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap en artikel 9.5 van de WTO-overeenkomst.

2.

Tweede middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling, voor zover de Commissie de in artikel 11, lid 4, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad neergelegde bepalingen inzake nieuw onderzoek ten behoeve van een nieuwe exporteur recentelijk heeft toegepast in een zaak betreffende een Koreaanse exporteur.

3.

Derde middel: kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten.

4.

Vierde middel: schending van verzoeksters grondrechten van verdediging. Verzoekster stelt dat de Commissie verwijst naar en haar besluit baseert op 1) het bestaan van een onderneming die tijdens het oorspronkelijke onderzoekstijdvak niet heeft en niet kan hebben uitgevoerd, en die juridisch niet met andere exporteurs verbonden is of kan zijn; 2) informatie waartoe verzoekster nooit toegang heeft gehad en waarover zij geen opmerkingen heeft kunnen indienen, en 3) de vermeende inhoud van een hoorzitting waarvan geen opname en notulen bestaan.

5.

Vijfde middel: misbruik van bevoegdheid, voor zover de Commissie haar besluit heeft gebaseerd op een vermeende discrepantie tussen de gecontroleerde cijfers van de productie na het oorspronkelijke onderzoekstijdvak die verzoekster had verstrekt enerzijds en commerciële gegevens op websites anderzijds.

6.

Zesde middel: kennelijk onjuiste beoordeling rechtens, voor zover de Commissie haar besluit heeft gebaseerd op juridische begrippen die niet bestaan, noch in het recht, noch in de praktijk.

7.

Zevende middel: motivering op grond van veronderstellingen en niet op grond van feiten en schending van het recht om te worden gehoord. In de eerste plaats stelt verzoekster dat in de punten 17 tot en met 22 van het bestreden besluit op een aantal vlakken blijk wordt gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling louter op basis van ongefundeerde veronderstellingen. In de tweede plaats is volgens verzoekster haar recht om „effectief” door de Commissie te worden gehoord geschonden omdat in het geheel geen rekening is gehouden met belangrijke en wezenlijke feiten en argumenten die verzoekster had aangevoerd.