14.3.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 98/52


Beroep ingesteld op 5 januari 2016 — Toshiba Samsung Storage Technology en Toshiba Samsung Storage Technology Korea/Commissie

(Zaak T-8/16)

(2016/C 098/67)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Toshiba Samsung Storage Technology Corp. (Tokio, Japan), en Toshiba Samsung Storage Technology Korea Corp. (Gyeonggi-do, Republiek Korea) (vertegenwoordigers: M. Bay, J. Ruiz Calzado, A. Aresu en A. Scordamaglia-Tousis, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het besluit van de Commissie van 21 oktober 2015 in de zaak AT.39639 — Optical Disk Drives, betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst, geheel of gedeeltelijk nietig verklaren;

voorts, of subsidiair, de aan verzoeksters opgelegde geldboete aanzienlijk verlagen;

de Commissie verwijzen in de kosten; en

elke andere voorziening treffen die in de omstandigheden van het geval passend is.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters negen middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften en de verdedigingsrechten van verzoeksters als gevolg van een inconsistente juridische kwalificatie van de gedragingen, de tegenstrijdige of op zijn minst ontoereikend gemotiveerde juridische kwalificatie van de beweerde inbreuk, het onthouden van toegang tot ontlastend bewijs, en de omstandigheid dat de Commissie zich in het bestreden besluit baseert op verschillende juridische en feitelijke elementen waarop in de mededeling van punten van bezwaar niet is ingegaan.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van het recht en de feiten bij de toepassing van artikel 101 VWEU wat betreft het oordeel dat er sprake is van invloed op het handelsverkeer tussen de lidstaten.

3.

Derde middel, ontleend aan feitelijke en juridische fouten bij de bepaling van de geografische reikwijdte van de inbreuk op artikel 101 VWEU.

4.

Vierde middel, ontleend aan schending van het recht en de feiten bij de toepassing van artikel 101 VWEU wat betreft de constatering van één enkele inbreuk.

5.

Vijfde middel, ontleend aan schending van het recht en de feiten met betrekking tot de stelling dat verzoeksters bekend waren met de gehele enkele inbreuk, en in het bijzonder met de deelname daaraan van alle andere geadresseerden.

6.

Zesde middel, ontleend aan schending van het recht en de feiten wat betreft de begindatum van de gestelde deelname van verzoeksters aan de gehele enkele inbreuk.

7.

Zevende middel, ontleend aan schending van het recht en de feiten met betrekking tot de reikwijdte van de verzoeksters verweten inbreuk door te oordelen dat verzoeksters betrokken waren bij mededingingsverstorende „overeenkomsten”.

8.

Achtste middel, ontleend aan schending van het recht op behoorlijk bestuur en daarmee samenhangende algemene beginselen van het Unierecht als gevolg van de kennelijk buitensporig lange duur van het onderzoek.

9.

Negende, subsidiaire middel, ontleend aan fouten bij de berekening van de geldboete als gevolg van:

de omstandigheid dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het feit dat a) verzoeksters een éénproductonderneming drijven, en b) andere omstandigheden die de individuele gedragingen van verzoeksters minder ernstig maken en verzachtende omstandigheden; en

de omstandigheid dat de Commissie bij de vaststelling van de algemene factor voor de ernst en het leergeld onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de bijzondere omstandigheden van de inbreuk.