25.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 27/66


Beroep ingesteld op 2 november 2015 — LL/Parlement

(Zaak T-615/15)

(2016/C 027/84)

Procestaal: Litouws

Partijen

Verzoekende partij: LL (Vilnius, Litouwen) (vertegenwoordiger: J. Petrulionis, advocaat)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

nietigverklaring van besluit D(2014) 15503 van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 17 april 2014 en debetnota nr. 2014-575 van 5 mei 2014, die is vastgesteld op basis van dat besluit;

verwijzing van verweerder in de door verzoekster in verband met de procedure gemaakte kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan.

Juistheid van de betaling en geldigheid en wettigheid van de terugvordering van de betaalde som

Verzoekster voert aan dat de secretaris-generaal van het Europees Parlement zich in besluit D(2014) 15503 op volkomen ongefundeerde en onrechtmatige wijze op het standpunt heeft gesteld dat de som van 37 728 EUR onverschuldigd aan verzoekster is betaald en dat hij op een wijze die volgens artikel 68 van de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Europees Parlement en artikel 80 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement ongefundeerd en onrechtmatig is, de rekenplichtige van het Europees Parlement heeft gelast de som van 37 728 EUR van verzoekster terug te vorderen en verzoekster in overeenstemming met de procedurevoorschriften bij debetnota nr. 2014-575 daarvan in kennis te stellen.

Volgens verzoekster heeft de secretaris-generaal van het Europees Parlement bij de vaststelling van het besluit slechts twee zaken in aanmerking genomen: het rapport van OLAF en het feit dat verzoekster niet had bewezen dat de ontvangen som voor het doel was gebruikt waarvoor zij bestemd was. Verzoekster stelt echter dat geen informatie is verzameld die bevestigt dat zij in strijd met artikel 14 van de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement de ontvangen som voor andere doeleinden heeft gebruikt dan het doeleinde waarvoor zij bestemd was.

Verjaringstermijn en toepassing van het beginsel van een redelijke termijn, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel

Verzoekster stelt dat bij de vaststelling van besluit D(2014) 15503 van de secretaris-generaal van het Europees Parlement en debetnota nr. 2014-575 de in artikel 81 van het Financieel Reglement en artikel 93 van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement bedoelde verjaringstermijn niet in acht is genomen en dat niet is voldaan aan de vereisten van het beginsel van een redelijke termijn, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

Volgens verzoekster hebben de betrokken EU-instellingen op ongefundeerde wijze, onterecht en onredelijk lang getalmd met de uitoefening van hun bevoegdheden en de vaststelling van de betrokken besluiten. Op deze manier zijn verzoeksters rechten geschonden, waaronder het recht op verdediging en de correcte tenuitvoerlegging van dat recht, aangezien verzoekster ten gevolge van de lange periode tussen de onderzochte gebeurtenissen en de vaststelling van de betrokken besluiten feitelijk de mogelijkheid is ontnomen om zich naar behoren te verdedigen tegen de beschuldigingen, bewijzen aan te voeren en alle andere maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de onderhavige zaak billijk wordt beslecht.