14.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 414/38


Beroep ingesteld op 27 oktober 2015 — Ertico — Its Europe/Commissie

(Zaak T-604/15)

(2015/C 414/49)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: European Road Transport Telematics Implementation Coordination Organisation — Intelligent Transport Systems & Services Europe (Ertico — Its Europe) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: M. Wellinger en K. T’Syen, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van het validatiepanel van de Europese Commissie van 18 augustus 2015 waarbij wordt verklaard dat verzoekster niet behoort tot de categorie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124, blz. 36); en

verwijzing van verweerster in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster acht middelen aan.

1.

Eerste middel: het bestreden besluit schendt artikel 22, lid 1, derde streepje, van verordening nr. 58/2003 (1) doordat het validatiepanel het bestreden besluit heeft genomen meer dan 2 maanden na het instellen van de procedure bij het validatiepanel.

2.

Tweede middel: het bestreden besluit schendt (i) artikel 22, lid 1 verordening nr. 58/2003; (ii) verzoeksters rechten van verdediging; en (iii) het beginsel van behoorlijk bestuur, doordat het validatiepanel geen kennis heeft genomen van de argumenten van verzoekster alvorens het bestreden besluit te nemen.

3.

Derde middel: het bestreden besluit schendt de beginselen van (i) rechtszekerheid; (ii) behoorlijk bestuur; (iii) de bescherming van verzoeksters gewettigd vertrouwen; en (iv) van gezag van gewijsde, doordat het validatiepanel erkende dat de door verzoekster op 7 februari 2014 aangevoerde argumenten juist zijn, maar desondanks zijn initiële motivering heeft vervangen door een geheel nieuwe motivering, zonder dat er nieuwe en wezenlijke feiten waren.

4.

Vierde middel: het bestreden besluit schendt aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (hierna „KMO-aanbeveling”), doordat de vaststelling dat verzoekster niet kan worden aangemerkt als een onderneming, is gebaseerd op criteria die niet zijn voorzien in de KMO-aanbeveling, maar wel in afdeling 1.1.3.1, punt 6, onder c), van besluit 2012/838/EU (2) van de Commissie.

5.

Vijfde middel: de vaststelling in het bestreden besluit dat verzoekster niet kan worden aangemerkt als een KMO, houdt geen rekening met de duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen van de KMO-aanbeveling en is gebaseerd op een arbitraire en zuiver subjectieve uitlegging van de KMO-aanbeveling.

6.

Zesde middel: het bestreden besluit stelt ten onrechte vast dat verzoekster niet kan worden aangemerkt als een KMO in de zin van KMO-aanbeveling. Verzoekster is immers een „onderneming” en verzoekster is „zelfstandig” in de zin van de bijlage bij de KMO-aanbeveling.

7.

Zevende middel: het bestreden besluit schendt het beginsel van de gunstigste behandeling neergelegd in besluit 2012/838/EU van de Commissie, en de overeenkomstige bepaling neergelegd in het Horizon 2020-programma

8.

Achtste middel: het bestreden besluit berust op een tegenstrijdige en niet-afdoende motivering doordat het panel zijn plicht om zijn besluit afdoende te motiveren niet is nagekomen.


(1)  Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd (PB 2003, L 11, blz. 1).

(2)  Besluit 2012/838/EU van de Commissie van 18 december 2012 inzake het vaststellen van de regels om consistente verificatie te verzekeren van het bestaan en de rechtspositie, alsmede van het operationele en financiële vermogen, van deelnemers aan acties onder contract ondersteund door een subsidie in het kader van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, en in het kader van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor onderzoeks- en opleidingsactiviteiten inzake kernenergie (PB 2012, L 359, blz. 45).