18.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 16/40


Beroep ingesteld op 11 september 2015 — Silver Plastics en Johannes Reifenhäuser/Commissie

(Zaak T-582/15)

(2016/C 016/50)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partijen: Silver Silver Plastics GmbH & Co. KG (Troisdorf, Duitsland) en Johannes Reifenhäuser Holding GmbH & Co. KG (Troisdorf) (vertegenwoordigers: M. Wirtz, S. Möller en W. Carstensen, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 24 juni 2015 in zaak AT.39563, voor zover het verzoekende partijen betreft;

subsidiair, vermindering van de aan verzoekende partijen hoofdelijk opgelegde geldboete tot een bedrag dat, gelet op het feit dat verzoekende partijen geen economische eenheid vormen, niet hoger is dan 10 % van de omzet van eerste verzoekende partij in het laatste afgesloten boekjaar vóór het besluit waarbij de geldboete wordt opgelegd;

subsidiair, vermindering van de aan verzoekende partijen hoofdelijk opgelegde geldboete tot een bedrag dat, gelet op de afsplitsing van de machinefabriek, niet hoger is dan 10 % van de omzet van zowel eerste verzoekende partij als tweede verzoekende partij;

subsidiair, vermindering van de aan verzoekende partijen hoofdelijk opgelegde geldboete betreffende het gebied „NWE” door het basisbedrag van de geldboete uitsluitend te bepalen op grond van de met EPS-schalen gerealiseerde omzet;

subsidiair, vermindering van de aan verzoekende partijen hoofdelijk opgelegde geldboete betreffende het gebied „NWE” door vaststelling van afzonderlijke bedragen van de geldboete voor het productassortiment EPS-schalen en PP-schalen, rekening houdend met de verschillende periodes van de inbreuk;

subsidiair, vermindering van de aan verzoekende partijen hoofdelijk opgelegde geldboete door vermindering van de voor de bepaling van het basisbedrag van de geldboete in aanmerking genomen omzet met een factor die naar behoren weerspiegelt dat de gedragingen van eerste verzoekende partij in het gebied „NWE” en in Frankrijk, subsidiair alleen in het gebied „NWE”, uitsluitend als uitwisseling van informatie moeten worden gekwalificeerd en niet als „hard-core”-prijsafspraken, en door af te zien van een „hard-core”-opslag voor het gebied „NWE” en/of Frankrijk;

subsidiair, vermindering van de aan verzoekende partijen hoofdelijk opgelegde geldboete door de geldboete voor „NWE” uitsluitend op grond van de in Duitsland gerealiseerde omzet te bepalen;

subsidiair, vermindering van de aan verzoekende partijen hoofdelijk opgelegde geldboete voor het gebied „NWE” door af te zien van een „hard-core”-toeslag, meer subsidiair door het verlagen van de „hard-core”-toeslag rekening houdend met de omstandigheid dat de inbreuken in het gebied „NWE” in vergelijking met de inbreuken in de andere geografische gebieden duidelijk een minder mededingingsverstorend karakter hadden;

subsidiair, vermindering van de aan verzoekende partijen hoofdelijk opgelegde geldboete voor de gebieden „NWE” en Frankrijk tot een passend bedrag;

verwijzing van verwerende partij in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoeksters verzoeken het besluit C (2015) 4336 final van de Commissie van 24 juni 2015 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 EER (AT.39563 — Verpakkingen van levensmiddelen voor de detailhandel) gedeeltelijk nietig te verklaren.

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters zeven middelen aan.

1.

Eerste middel: schending van de artikelen 7, lid 1, en 23, lid 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 (1) in samenhang met artikel 101, lid 1, VWEU

Verzoeksters voeren aan dat de Commissie de gedragingen van eerste verzoekster in het geografische gebied Noordwest-Europa (hierna: „NWE”) ten onrechte heeft aangemerkt als „hard-core”-prijsafspraken in de vorm van één enkele voortgezette inbreuk op het gebied van de productie en de verkoop van polystyreen- en polypropyleen-kunststofschalen voor de levensmiddelenindustrie.

2.

Tweede middel: schending van artikel 296, lid 2, VWEU en van artikel 2 van verordening (EG) nr. 1/2003 in samenhang met het beginsel van ambtshalve onderzoek

Volgens verzoeksters is de Commissie de op haar rustende bewijslast en motiveringsplicht niet naar behoren nagekomen.

3.

Derde middel: schending van de als grondrecht gewaarborgde procedurele rechten overeenkomstig artikel 6, leden 1, 2 en 3, onder d), EVRM en de artikelen 47, lid 2, 48 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Verzoeksters stellen dat hun recht op gelijke wapens en op een eerlijke procedure is geschonden doordat, ondanks herhaalde verzoeken, de oproeping en het verhoor van de door verzoeksters genoemde getuigen à décharge werden geweigerd, net zoals een confronterend gesprek met een getuige à charge.

4.

Vierde middel: schending van de punten 24, 25 en 26 van de clementieregeling (2)

Voorts wordt aangevoerd dat aan verzoeksters geen vermindering van de boete werd verleend op basis van de overgelegde bewijzen betreffende de verweten inbreuken in het gebied „NWE”, hoewel aan de voorwaarden was voldaan.

5.

Vijfde middel: schending van artikel 23, lid 2, eerste en tweede zin van verordening (EG) nr. 1/2003, in samenhang met artikel 101, lid 1, VWEU

De Commissie heeft ten onrechte aangenomen dat verzoeksters een economische eenheid vormen en dus een onderneming in de zin van genoemde bepalingen.

6.

Zesde middel: schending van artikel 23, lid 2, tweede zin, van verordening (EG) nr. 1/2003

Verzoeksters betogen dat de Commissie de voor de geldboete wettelijk voorgeschreven bovengrens van 10 % van de omzet van de betrokken onderneming heeft overschreden door op het tijdstip van het besluit waarbij de geldboete werd opgelegd de rechtsgeldige beëindiging van de deelneming van tweede verzoekster in de Reifenhäuser GmbH & Co. KG Maschinenfabrik buiten beschouwing te laten, en door bij de bepaling van de geldboete de omzet van deze afgesplitste onderneming mee in aanmerking te nemen;

7.

Zevende middel: schending van artikel 23, lid 2, eerste zin, onder a) en lid 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 in samenhang met de punten 19, 20 en 25 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten (3) en het beginsel van gelijke behandeling

In dit verband wordt gesteld dat, hoewel de structuren van de afzonderlijke kartels evenals de individuele deelname van de ondernemingen sterk van elkaar verschilden, voor alle kartels die vallen onder het besluit waarbij de geldboete werd opgelegd evenals voor alle betrokken ondernemingen, is uitgegaan van een uniform aandeel van de omzet van 16 % voor de vaststelling van het basisbedrag en van één enkele „hard-core”-toeslag van 16 %, hetgeen nadelig is voor verzoeksters.


(1)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1, blz. 1).

(2)  Mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3).

(3)  Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2).