30.11.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 398/60


Beroep ingesteld op 25 september 2015 — Export Development Bank of Iran/Raad

(Zaak T-553/15)

(2015/C 398/75)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Export Development Bank of Iran (Teheran, Iran) (vertegenwoordiger: J.-M. Thouvenin, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

Verzoekster verzoekt het Gerecht te oordelen:

dat de Europese Unie niet-contractueel aansprakelijk is doordat de Raad van de Europese Unie ten aanzien van EDBI de beperkende maatregel heeft vastgesteld en gehandhaafd die het Gerecht bij arrest van 6 september 2013 (T-4/11 en T-5/11) nietig had verklaard;

dat de Europese Unie dientengevolge de schade moet vergoeden die verzoekster daardoor heeft geleden;

dat de materiële schade 5 6 4 70  860 USD bedraagt, zijnde 5 0 5 08  718 EUR volgens de huidige wisselkoers, te vermeerderen met de wettelijke rente en elk ander bedrag dat gerechtvaardigd is;

dat de morele schade 7 4 1 32  366 USD bedraagt, zijnde 66  206 13 EUR volgens de huidige wisselkoers, te vermeerderen met de wettelijke rente en elk ander bedrag dat gerechtvaardigd is;

subsidiair, dat de bedragen die uit hoofde van morele schade worden gevorderd, geheel of gedeeltelijk als materiële schade worden beschouwd en als zodanig in rekening worden gebracht;

dat de Raad moet worden verwezen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan. Twee van die middelen hebben betrekking op de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie en de vier andere op de schade die het gevolg is van de door de Raad van de Europese Unie begane onrechtmatigheid.

Niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie

1.

Eerste middel: de aan de Raad verweten gedraging (vaststelling en handhaving van een maatregel tot bevriezing van verzoeksters tegoeden) is onrechtmatig, hetgeen naar behoren is vastgesteld bij arrest van 6 september 2013, Export Development Bank of Iran/Raad, T-4/11 en T-5/11, EU:T:2013:400.

2.

Tweede middel: de door de Raad begane onrechtmatigheid is een voldoende kwalificeerde schending van rechtsregels die tot doel hebben particulieren rechten toe te kennen.

Schade die het gevolg is van de door de Raad van de Europese Unie begane onrechtmatigheid

3.

Derde middel: staking van verzoeksters activiteiten inzake documentair krediet, als direct gevolg van de onrechtmatige maatregel.

4.

Vierde middel: gederfd inkomen als gevolg van de onmogelijkheid voor verzoekster om toegang te hebben tot haar bevroren tegoeden in de Europese Unie.

5.

Vijfde middel: schade geleden als gevolg van de staking van overdrachten in valuta.

6.

Zesde middel: morele schade.