7.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 406/32


Beroep ingesteld op 11 september 2015 — Huhtamaki en Huhtamaki Flexible Packaging Germany/Commissie

(Zaak T-530/15)

(2015/C 406/33)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Huhtamaki Oyj (Espoo, Finland) en Huhtamaki Flexible Packaging Germany GmbH & Co.KG (Ronsberg, Duitsland) (vertegenwoordigers: H. Meyer-Lindemann, C. Graf York von Wartenburg en L. Titze, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van artikel 1, lid 2, van besluit C(2015) 4336 final van 24 juni 2015 van de Commissie in zaak AT.39563 — Verpakkingen van levensmiddelen voor de detailhandel voor zover het vaststelt dat Huhtamaki Oyj een inbreuk heeft gemaakt op artikel 101 VWEU door tijdens de in artikel 1, lid 2, onder d), van het besluit van de Commissie vermelde periode, deel te hebben genomen aan één enkele voortgezette inbreuk, bestaande uit verschillende inbreuken, in de sector van de piepschuim schaaltjes voor de verpakking van levensmiddelen voor de detailhandel op het grondgebied van Spanje, vanaf het begin van de inbreuk, en dat van Portugal, vanaf 8 juni 2000; en

nietigverklaring van artikel 1, lid 3, van besluit C(2015) 4336 final van 24 juni 2015 van de Commissie in zaak AT.39563 — Verpakkingen van levensmiddelen voor de detailhandel voor zover het vaststelt dat Huhtamaki Oyj een inbreuk heeft gemaakt op de artikelen 101 VWEU en 53 EER-Overeenkomst door tijdens de in artikel 1, lid 3, onder c), van het besluit van de Commissie vermelde periode, deel te hebben genomen aan één enkele voortgezette inbreuk, bestaande uit verschillende inbreuken, in de sector van de piepschuim en vaste schaaltjes voor de verpakking van levensmiddelen voor de detailhandel op het grondgebied van België, Denemarken, Finland, Duistland, Luxemburg, Nederland, Noorwegen en Zweden; en

nietigverklaring van artikel 1, lid 5, van besluit C(2015) 4336 final van 24 juni 2015 van de Commissie in zaak AT.39563 — Verpakkingen van levensmiddelen voor de detailhandel voor zover het vaststelt dat Huhtamaki Oyj een inbreuk heeft gemaakt op artikel 101 VWEU door tijdens de in artikel 1, lid 5, onder d), van het besluit van de Commissie vermelde periode, deel te hebben genomen aan één enkele voortgezette inbreuk, bestaande uit verschillende inbreuken, in de sector van de piepschuim schaaltjes voor de verpakking van levensmiddelen voor de detailhandel op het grondgebied van Frankrijk; en

nietigverklaring van artikel 2, lid 3, van besluit C(2015) 4336 final van 24 juni 2015 van de Commissie in zaak AT.39563 — Verpakkingen van levensmiddelen voor de detailhandel voor zover daarbij een boete van 1 0 8 06  000 EUR wordt opgelegd aan de verzoekende partijen; en

nietigverklaring van artikel 2, lid 5, van besluit C(2015) 4336 final van 24 juni 2015 van de Commissie in zaak AT.39563 — Verpakkingen van levensmiddelen voor de detailhandel voor zover daarbij een boete van 4 7 56  000 EUR wordt opgelegd aan Huhtamaki Oyj; en

subsidiair, aanzienlijke vermindering van de aan de verzoekende partijen opgelegde boetes; en

hoe dan ook, verwijzing van de Commissie in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vier middelen aan.

1.

Eerste middel: schending door de Commissie van de artikelen 101 VWEU en 53 EER-Overeenkomst doordat zij het recht kennelijk onjuist heeft toegepast en feitelijke fouten heeft gemaakt, en schending van haar motiveringsplicht, door vast te stellen dat de verzoekende partijen activiteiten hebben verricht inzake piepschuim en vaste schaaltjes in „Noordwest-Europa” in de periode van 13 juni 2002 tot 20 juni 2006, die kunnen worden aangemerkt, als zij apart worden beschouwd, als afzonderlijke inbreuken op respectievelijk de artikelen 101, lid 1, VWEU en 53 EER-Overeenkomst.

2.

Tweede middel: schending door de Commissie van de artikelen 101 VWEU en 53 EER-Overeenkomst doordat zij een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, en schending van haar motiveringsplicht, door vast te stellen dat de verzoekende partijen hebben deelgenomen aan een één enkele voortgezette inbreuk betreffende piepschuim en vaste schaaltjes in „Noordwest-Europa” tijdens de periode van 13 juni 2002 tot 20 juni 2006.

3.

Derde middel: schending door de Commissie van de beginselen van evenredigheid en gelijke behandeling, miskenning van haar eigen richtsnoeren voor de berekening van geldboeten, en schending van haar motiveringsplicht, door bij de vaststelling van aan de verzoekende partijen op te leggen boete(n) geen rekening te houden met de individuele omstandigheden die een vermindering rechtvaardigden van de aan de verzoekende partijen opgelegde boeten.

4.

Vierde middel: schending van artikel 101 VWEU, van artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 de Raad door Huhtamaki Oyj hoofdelijk aansprakelijk te stellen, in haar hoedanigheid van holdingvennootschap van de groep en dus als indirecte moedervennootschap, voor de beweerde deelname van haar voormalige indirecte dochtervennootschappen aan (i) één enkele voortgezette inbreuk in de sector van de piepschuim schaaltjes voor de verpakking van levensmiddelen voor de detailhandel op het grondgebied van Frankrijk van 3 september 2004 tot 24 november 2005, en (ii) één enkele voortgezette inbreuk in de sector van de piepschuim schaaltjes voor de verpakking van levensmiddelen voor de detailhandel op het grondgebied van Spanje en Portugal (samen „Zuidwest-Europa”) van7 december 2000 tot 18 januari 2005. Huhtamaki Oyj oefende geen beslissende invloed uit over Huhtamaki France SA of Huhtamaki Embalagens Portugal SA tijdens de relevante tijdvakken.