BESCHIKKING VAN HET HOF (Zevende kamer)

6 februari 2014 (*)

„Beroep tot nietigverklaring – Verordening (EU) nr. 93/2013 – Verwijzing naar het Gerecht van de Europese Unie”

In zaak C‑223/13,

betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU, ingesteld op 25 april 2013,

Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,

verzoeker,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Clausen en P. Van Nuffel als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

geeft

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresident, J.‑C. Bonichot en A. Arabadjiev (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Wathelet,

griffier: A. Calot Escobar,

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

1        Het Koninkrijk der Nederlanden vordert nietigverklaring, primair, van verordening (EU) nr. 93/2013 van de Commissie van 1 februari 2013 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 2494/95 van de Raad inzake geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen, wat de vaststelling van indexcijfers van de prijzen van door de eigenaar bewoonde woningen betreft (PB L 33, blz. 14), en, subsidiair, van artikel 4, lid 1, van deze verordening.

2        Bij brief van 14 mei 2013 heeft deze lidstaat het Hof verzocht zijn verzoekschrift door te zenden naar het Gerecht van de Europese Unie.

3        Ingevolge artikel 256, lid 1, eerste alinea, VWEU is het Gerecht bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de in de artikelen 263 VWEU, 265 VWEU, 268 VWEU, 270 VWEU en 272 VWEU bedoelde beroepen, met uitzondering van die waarvoor een krachtens artikel 257 VWEU ingestelde gespecialiseerde rechtbank bevoegd is en die welke overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan het Hof zijn voorbehouden.

4        Artikel 51 van dat Statuut noemt de categorieën beroepen die in afwijking van het bepaalde in artikel 256, lid 1, VWEU aan het Hof zijn voorbehouden.

5        Het onderhavige beroep valt niet in een van deze categorieën en behoort evenmin tot de bevoegdheid van het Gerecht voor Ambtenarenzaken van de Europese Unie.

6        Derhalve behoort dat beroep tot de bevoegdheid van het Gerecht van de Europese Unie.

7        Artikel 54, tweede alinea, van het Statuut van het Hof bepaalt dat „wanneer het Hof vaststelt dat een beroep tot de bevoegdheid van het Gerecht behoort, [...] het de zaak naar het Gerecht [verwijst], dat zich dan niet onbevoegd kan verklaren”.

8        Bijgevolg dient het onderhavige beroep te worden verwezen naar het Gerecht.

Het Hof (Zevende kamer) beschikt:

1)      Zaak C‑223/13 wordt verwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.

2)      De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

ondertekeningen


* Procestaal: Nederlands.