BESCHIKKING VAN HET HOF (Vijfde kamer)

6 februari 2014 ( *1 )

„Hogere voorziening — Artikel 181 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof — Artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof — Noodzakelijke inhoud van het verzoekschrift in hogere voorziening”

In zaak C‑28/13 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 16 januari 2013,

Gabi Thesing, wonende te Londen (Verenigd Koninkrijk),

Bloomberg Finance LP, gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten),

vertegenwoordigd door M. Stephens en R. Lands, solicitors, en door T. Pitt-Payne, QC,

rekwirantes,

andere partij in de procedure:

Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door M. López Torres en S. Lambrinoc als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

geeft

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz (rapporteur), kamerpresident, E. Juhász, A. Rosas, D. Šváby en C. Vajda, rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om te beslissen bij met redenen omklede beschikking overeenkomstig artikel 181 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,

de navolgende

Beschikking

1

Met hun hogere voorziening vorderen G. Thesing en Bloomberg Finance LP (hierna: „Bloomberg”) vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 29 november 2012, Thesing en Bloomberg Finance/ECB (T‑590/10; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van hun beroep tot nietigverklaring van het bij brief van 21 oktober 2010 meegedeelde besluit van de directie van de Europese Centrale Bank (ECB) waarbij de weigering om toegang te verlenen tot twee documenten betreffende het overheidstekort en de staatsschuld van de Helleense Republiek is bevestigd (hierna: „litigieus besluit”).

Toepasselijke bepalingen

2

Besluit 2004/258/EG van de Europese Centrale Bank van 4 maart 2004 inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Europese Centrale Bank (PB L 80, blz. 42) beoogt volgens artikel 1 ervan „de voorwaarden en beperkingen vast te leggen waaronder de ECB het publiek toegang verleent tot documenten van de ECB”.

3

Volgens artikel 2, lid 1, van dit besluit heeft „[i]edere burger van de Unie en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat [...] een recht van toegang tot documenten van de ECB, onder de in dit besluit vastgelegde voorwaarden en beperkingen”.

4

Artikel 4, leden 1 tot en met 3, van besluit 2004/258 bepaalt:

„1.   De ECB weigert de toegang tot een document wanneer openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van:

a)

het openbaar belang, wat betreft:

de vertrouwelijkheid van de verslagen van de besluitvormende organen van de ECB,

het financieel, monetair of economisch beleid van de Gemeenschap of een lidstaat,

de interne financiën van de ECB of van de NCB’s,

de bescherming van de integriteit van eurobankbiljetten,

de openbare veiligheid,

internationale financiële, monetaire of economische betrekkingen;

[...]

2.   De ECB weigert de toegang tot een document wanneer openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van:

de commerciële belangen van een natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van intellectuele eigendom,

gerechtelijke procedures en juridisch advies,

het doel van inspecties, onderzoeken en audits,

tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt.

3.   De toegang tot een document met standpunten voor intern gebruik in het kader van beraadslagingen en voorafgaand overleg binnen de ECB of met de NCB’s wordt geweigerd, zelfs nadat het besluit is genomen, tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt.”

5

Volgens artikel 7, lid 2, van dit besluit „[kan de verzoeker] [i]n geval van volledige of gedeeltelijke afwijzing [...] binnen 20 werkdagen na ontvangst van het antwoord van de ECB een confirmatief verzoek indienen, welk verzoek ertoe strekt dat de directie het standpunt van de ECB herziet [...]”.

Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit

6

Thesing is journaliste. Zij werkt voor Bloomberg, die in Londen (Verenigd Koninkrijk) actief is onder de naam Bloomberg News.

7

Op 20 augustus 2010 heeft Thesing de ECB verzocht om toegang tot twee documenten betreffende het gebruik van transacties in afgeleide instrumenten bij de financiering van het tekort en het beheer van de staatsschuld in Griekenland en de eurozone. Bij brief van 17 september 2010 heeft de directeur-generaal Secretariaat en Talendienst van de ECB Thesing in kennis gesteld van het besluit om haar geen toegang te verlenen tot de gevraagde documenten.

8

Op 28 september 2010 hebben rekwirantes krachtens artikel 7, lid 2, van besluit 2004/258 een confirmatief verzoek gericht tot de ECB, dat ertoe strekte dat de directie het standpunt van de ECB, namelijk de weigering om toegang te verlenen tot de betrokken documenten, zou herzien.

9

Bij brief van 21 oktober 2010 heeft de president van de ECB het litigieuze besluit ter kennis gebracht van Thesing. Dit besluit was gebaseerd op de bescherming van het openbaar belang op het gebied van het economische beleid van de Europese Unie en de Helleense Republiek in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van besluit 2004/258, alsook op de bescherming van de beraadslagingen en het overleg binnen de ECB in de zin van artikel 4, lid 3, van dit besluit. Wat het tweede document betreft, was de weigering tevens gebaseerd op de bescherming van de commerciële belangen van een natuurlijke of rechtspersoon in de zin van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van dit besluit.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

10

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 december 2010, hebben rekwirantes een beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld. Zij hebben het Gerecht tevens verzocht de ECB te gelasten om hun toegang tot de betrokken documenten te verlenen en de ECB te verwijzen in de kosten.

11

De ECB heeft verzocht om dit beroep te verwerpen en rekwirantes te verwijzen in de kosten.

12

Bij wijze van maatregel van instructie heeft het Gerecht de ECB gelast om de twee betrokken documenten over te leggen, met dien verstande dat deze niet aan rekwirantes zouden worden meegedeeld. De ECB heeft binnen de gestelde termijn gehoor gegeven aan deze maatregel van instructie.

13

Het Gerecht heeft het beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard en rekwirantes verwezen in de kosten.

14

Het was met name van oordeel dat de ECB haar weigering om toegang tot de betrokken documenten te verlenen kon baseren op de in artikel 4, lid 1, sub a, tweede streepje, van besluit 2004/258 vastgestelde uitzondering op het toegangsrecht.

Procedure bij het Hof en conclusies van partijen

15

Rekwirantes verzoeken het Hof:

het bestreden arrest te vernietigen;

het litigieuze besluit nietig te verklaren;

het bestreden arrest te vernietigen, voor zover zij hierbij worden verwezen in de kosten van de ECB, en

subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe beslissing overeenkomstig de uitspraak van het Hof over de rechtsvragen in deze hogere voorziening.

16

De ECB verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en rekwirantes te verwijzen in de kosten.

17

Bij beschikking van de president van het Hof van 6 november 2013 zijn de verzoeken tot interventie van Media Legal Defence Initiative, Access Info Europe en Guardian News and Media Ltd afgewezen.

Hogere voorziening

18

Volgens artikel 181 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de principale of de incidentele hogere voorziening geheel of gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om deze hogere voorziening geheel of gedeeltelijk bij met redenen omklede beschikking af te wijzen.

19

Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwirantes vijf middelen aan, waarvan het laatste betrekking heeft op de beslissing over de kosten.

Eerste tot en met vierde middel

Argumenten van partijen

20

Met hun eerste middel betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 4, lid 1, sub a, van besluit 2004/258. Met het tweede middel stellen zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de ECB gegronde redenen had om te beslissen dat de openbaarmaking van de door rekwirantes gevraagde documenten afbreuk zou hebben gedaan aan het economische beleid van de Unie en de Helleense Republiek. Het derde middel betreft de onjuiste uitlegging van artikel 10 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Met hun vierde middel betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door hun argumenten betreffende artikel 4, leden 2 en 3, van besluit 2004/258 niet te onderzoeken.

21

De ECB stelt primair dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is. Zij is om te beginnen van mening dat de hogere voorziening niet voldoet aan de materiële vereisten van de artikelen 21, 56 en 58 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van artikel 169 van het Reglement voor de procesvoering. Meer bepaald geven rekwirantes niet nauwkeurig aan tegen welke rechtsoverwegingen of welke specifieke punten van het bestreden arrest de hogere voorziening is gericht. Deze onregelmatigheid wordt niet verholpen door de vermelding van deze punten in de memorie van repliek. Bovendien stellen rekwirantes alleen maar dat het Gerecht op verschillende punten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zonder argumenten ter onderbouwing van deze stelling aan te voeren.

22

Voorts is de ECB van mening dat de hogere voorziening niet voldoet aan de formele vereisten van artikel 168, lid 1, sub d, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, aangezien rekwirantes enkel een „summiere uiteenzetting van [hun] middelen en [...] voornaamste argumenten” hebben gegeven, die de aangevoerde middelen en argumenten rechtens niet omvatte.

Beoordeling door het Hof

23

Met hun eerste tot en met vierde middel bekritiseren rekwirantes verschillende onderdelen van de redenering van het Gerecht.

24

In deze middelen wordt evenwel niet aangegeven welke punten van het bestreden arrest blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en worden evenmin argumenten aangevoerd waaruit blijkt waarom het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover de hogere voorziening in het kader van deze middelen een uiteenzetting bevat die verder gaat dan een loutere opsomming van de middelen, worden enkel conclusies geformuleerd, zonder dat enige nadere uitleg wordt verstrekt.

25

Zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, moet een hogere voorziening duidelijk aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven. Zo niet is de hogere voorziening of het betrokken middel niet-ontvankelijk (zie met name arresten van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P-C-208/02 P en C-213/02 P, Jurispr. blz. I-5425, punt 426; 18 juli 2013, Schindler Holding e.a./Commissie, C‑501/11 P, punt 43; 3 oktober 2013, Rintisch/BHIM, C‑120/12 P, punt 49, en 7 november 2013, Wam Industriale/Commissie, C‑560/12 P, punt 42). Een hogere voorziening die geen argumenten bevat die specifiek beogen aan te geven van welke onjuiste rechtsopvatting het betrokken arrest blijk geeft, voldoet niet aan dit vereiste (zie met name beschikking van 27 juni 2013, Baleanu/Commissie, C‑566/12 P, punt 13, en arrest Wam Industriale/Commissie, reeds aangehaald, punt 42).

26

Het Hof heeft eveneens vastgesteld dat de loutere abstracte vermelding van de middelen in de hogere voorziening niet aan de vereisten van artikel 58 van het Statuut van het Hof en artikel 168, lid 1, sub d, van zijn Reglement voor de procesvoering voldoet (zie met name arrest van 8 juli 1999, Hercules Chemicals/Commissie, C-51/92 P, Jurispr. blz. I-4235, punt 113, en arrest Wam Industriale/Commissie, reeds aangehaald, punt 43).

27

Dienaangaande wordt in artikel 169, lid 2, van dat Reglement gepreciseerd dat de aangevoerde middelen en argumenten rechtens nauwkeurig moeten aangeven tegen welke rechtsoverwegingen van de beslissing van het Gerecht zij zijn gericht.

28

Een hogere voorziening die deze kenmerken niet vertoont, kan immers niet juridisch worden beoordeeld, zodat het Hof zijn taak op het betrokken gebied niet kan uitoefenen en geen wettigheidstoetsing kan verrichten (arrest Wam Industriale/Commissie, reeds aangehaald, punt 44).

29

Bovendien maakt de regel van artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering het mogelijk om de justitiabelen gelijk te behandelen. Er zijn namelijk veel factoren die bepalen of het Hof gemakkelijk kan vaststellen welke rechtsoverwegingen van een bestreden arrest worden betwist, zoals de lengte van het bestreden arrest, de lengte van de hogere voorziening, het aantal middelen alsook de complexiteit van de in het bestreden arrest en de hogere voorziening ontwikkelde redenering. De ontvankelijkheid van een hogere voorziening kan niet van dergelijke factoren afhangen.

30

Voorts kan de onregelmatigheid die voortvloeit uit het feit dat het verzoekschrift in hogere voorziening niet aan deze bepaling voldoet, niet worden verholpen door de memorie van repliek, gelet op de functie van deze memorie, zoals deze voortvloeit uit artikel 175, lid 1, van bovengenoemd Reglement.

31

Gelet op het bovenstaande en op de aard van de voor het Hof aangevoerde argumenten, zoals hierboven is uiteengezet, zijn het eerste tot en met het vierde middel kennelijk niet-ontvankelijk.

Vijfde middel: onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de kosten

32

Rekwirantes betogen dat het Gerecht hen niet had mogen verwijzen in de kosten van de ECB, gelet op het feit dat zij zelf niet de verwijzing van de ECB in de door hen gemaakte kosten hebben gevorderd voor het geval dat zij in het gelijk zouden worden gesteld.

33

Op dit punt kan worden volstaan met een verwijzing naar de vaste rechtspraak dat, wanneer alle andere middelen in hogere voorziening zijn afgewezen, de conclusies betreffende de gestelde onregelmatigheid van de beslissing van het Gerecht over de kosten niet-ontvankelijk moeten worden verklaard krachtens artikel 58, tweede alinea, van het Statuut van het Hof, volgens hetwelk het verzoek om hogere voorziening niet uitsluitend betrekking kan hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten (zie met name arresten van 30 september 2003, Freistaat Sachsen e.a./Commissie, C-57/00 P en C-61/00 P, Jurispr. blz. I-9975, punt 124; 5 juli 2011, Edwin/BHIM, C-263/09 P, Jurispr. blz. I-5853, punt 78, en 14 november 2013, LPN en Finland/Commissie, C‑514/11 P en C‑605/11 P, punt 100).

34

Het laatste middel, dat betrekking heeft op de verdeling van de kosten, moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien alle andere middelen die rekwirantes in hogere voorziening hebben aangevoerd, zijn verworpen.

35

Aangezien geen van de door rekwirantes aangevoerde middelen is aanvaard, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.

Kosten

36

Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

37

Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Thesing en Bloomberg in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de ECB in de kosten worden verwezen.

 

Het Hof (Vijfde kamer) beschikt:

 

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

 

2)

Gabi Thesing en Bloomberg Finance LP worden verwezen in de kosten.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels.