ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

18 juli 2013 ( *1 )

„Artikel 56 VWEU — Vrijheid van dienstverrichting — Richtlijn 2005/29/EG — Oneerlijke handelspraktijken — Consumentenbescherming — Gezamenlijke aanbiedingen die minstens één financiële dienst omvatten — Verbod — Uitzonderingen”

In zaak C-265/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hof van Beroep te Brussel (België) bij beslissing van 22 mei 2012, ingekomen bij het Hof op 29 mei 2012, in de procedure

Citroën Belux NV

tegen

Federatie voor Verzekerings- en Financiële Tussenpersonen (FvF),

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, M. Berger, A. Borg Barthet (rapporteur), E. Levits en J.-J. Kasel, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 april 2013,

gelet op de opmerkingen van:

Citroën Belux NV, vertegenwoordigd door S. Willemart, C. Smits, T. Balthazar, D. De Keyzer en A. Destrycker, advocaten,

de Federatie voor Verzekerings- en Financiële Tussenpersonen (FvF), vertegenwoordigd door D. Dhaenens en R. Vermeulen, advocaten,

de Belgische regering, vertegenwoordigd door T. Materne en J.-C. Halleux als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. van Beek als gemachtigde,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 9, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB L 149, blz. 22), en artikel 56 VWEU.

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Citroën Belux NV (hierna: „Citroën”) en de Federatie voor Verzekerings- en Financiële Tussenpersonen (FvF) over een handelspraktijk van Citroën waarbij bij de aankoop van een Citroën-voertuig zes maanden omniumverzekering gratis wordt aangeboden en die door FvF als oneerlijk wordt beschouwd.

Toepasselijke bepalingen

Unieregeling

3

Punt 9 van de considerans van richtlijn 2005/29 bepaalt:

„[...] Met betrekking tot financiële diensten en onroerend goed moeten, gezien de complexiteit en de eraan verbonden ernstige risico’s, uitgebreide eisen worden gesteld, waaronder positieve verplichtingen voor handelaren. Om die reden beperkt deze richtlijn op het gebied van financiële diensten en onroerend goed niet het recht van de lidstaten om verder te gaan dan de bepalingen van deze richtlijn, teneinde de economische belangen van de consumenten te beschermen. [...]”

4

Artikel 3 van richtlijn 2005/29, getiteld „Toepassingsgebied”, bepaalt in de leden 1 en 9:

„1.   Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.

[...]

9.   Wat ‚financiële diensten’ in de zin van richtlijn 2002/65/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad (PB L 271, blz. 16)] en onroerend goed betreft, mogen de lidstaten vereisten opleggen die voor het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn.”

5

In artikel 2, sub b, van richtlijn 2002/65 wordt het begrip „financiële dienst” omschreven als „iedere dienst van bancaire aard of op het gebied van kredietverstrekking, verzekering, individuele pensioenen, beleggingen en betalingen”.

Belgische regeling

6

Artikel 72 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (Belgisch Staatsblad van 12 april 2010, blz. 20803; hierna: „wet van 6 april 2010”) luidt:

„§ 1   Elk gezamenlijk aanbod aan de consument, waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, en dat verricht wordt door een onderneming of door verscheidene ondernemingen die handelen met een gemeenschappelijke bedoeling, is verboden.

§ 2   In afwijking van § 1 is het evenwel geoorloofd gezamenlijk aan te bieden:

1o

financiële diensten die een geheel vormen;

De Koning kan, op voordracht van de bevoegde ministers en van de minister van Financiën, de in de financiële sector aangeboden diensten aanduiden die een geheel vormen;

2o

financiële diensten en kleine door de handelsgebruiken aanvaarde goederen en diensten;

3o

financiële diensten en titels tot deelneming aan wettig toegestane loterijen;

4o

financiële diensten en voorwerpen waarop onuitwisbare en duidelijk zichtbare reclameopschriften zijn aangebracht, welke als dusdanig niet in de handel voorkomen, op voorwaarde dat de prijs waartegen de onderneming ze heeft gekocht, niet meer bedraagt dan 10 EUR, excl. btw [belasting over de toegevoegde waarde], of 5 % van de verkoopprijs, excl. btw, van de financiële dienst waarmee ze worden aangeboden. Het percentage van 5 % is van toepassing wanneer het bedrag dat hiermee overeenstemt hoger is dan 10 EUR;

5o

financiële diensten en chromo’s, vignetten en andere beelden met geringe handelswaarde;

6o

financiële diensten en titels bestaande uit documenten die, na de aanschaf van een bepaald aantal diensten, recht geven op een gratis aanbod of een prijsvermindering bij de aanschaf van een gelijkaardige dienst, voor zover dat voordeel door dezelfde onderneming verstrekt wordt en niet meer bedraagt dan een derde van de prijs van de vroeger aangeschafte diensten.

De titels moeten de eventuele uiterste geldigheidsduur en de voorwaarden van het aanbod vermelden.

Wanneer de onderneming een einde maakt aan haar aanbod, heeft de consument recht op het aangeboden voordeel naar verhouding van de vroeger gedane aankopen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

7

Citroën is de invoerder van voertuigen van het merk Citroën in België. Zij verkoopt goederen via een netwerk van erkende dealers.

8

Op 10 december 2010 heeft Citroën een reclamecampagne gelanceerd onder het thema „Ik wil alles”. Die campagne liep minstens tot eind februari 2011.

9

De reclameaanbieding bepaalde:

„‚6 maanden gratis Omnium’ is geldig voor elke nieuwe Omnium inschrijving voltooid in het eerste jaar. Zij is ook geldig voor alle particulieren en bedrijfswagens verkocht door de officiële Citroënverdelers, met uitzondering van demonstratiewagens en verhuringen. De Citroën Verzekering aanvaardingsvoorwaarden zijn van toepassing. Citroën Verzekering is een product van Servis, NV van verzekeringen toegelaten onder het nr. 1396. PSA Finance Belux NV (CBFA nr. 019.653A) treedt op als verzekeringsagent voor Servis NV. De CBFA-erkende Citroën-verdelers treden op als onderagent voor PSA Finance Belux NV [...]. Dit verzekeringsaanbod staat los van enig ander product of dienst behalve de te verzekeren wagen.”

10

FvF was van mening dat die speciale „autosalon-aanbieding”, wat het aanbod van zes maanden gratis omniumverzekering bij de aankoop van een Citroën-voertuig betrof, een verboden gezamenlijk aanbod vormde. Bij brief van 22 december 2010 heeft zij Citroën in gebreke gesteld.

11

Bij brief van 23 december 2010 heeft Citroën geantwoord dat het aanbod gold voor elke nieuwe afsluiting van een omniumverzekering voor één jaar, en niet enkel bij de aankoop van een nieuw Citroën-voertuig. Volgens Citroën waren het aanbod van zes maanden gratis omniumverzekering en de aankoop van een nieuwe auto van dat merk niet aan elkaar gekoppeld.

12

Op 18 januari 2011 heeft FvF bij de Rechtbank van Koophandel te Brussel staking van die handelspraktijk gevorderd op grond dat zij in strijd was met artikel 72, § 1, van de wet van 6 april 2010.

13

Bij vonnis van 13 april 2011 heeft de Rechtbank van Koophandel te Brussel in eerste aanleg geoordeeld dat het litigieuze aanbod wel degelijk een gezamenlijk aanbod in de zin van artikel 2, 27°, van de wet van 6 april 2010 vormde en zich tot potentiële kopers van nieuwe voertuigen richtte. Zij heeft geoordeeld dat dit aanbod een krachtens artikel 72, § 1, van die wet verboden gezamenlijk aanbod vormde en een met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad was, die derhalve krachtens artikel 95 van dezelfde wet verboden was.

14

Citroën heeft bij het Hof van Beroep te Brussel hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. De verwijzende rechter is van oordeel dat het litigieuze aanbod een gezamenlijk aanbod vormt en dat uit het oogpunt van de gemiddelde consument de zes maanden gratis omniumverzekering slechts effectief kon worden verkregen mits een nieuw Citroën-voertuig werd aangekocht.

15

De verwijzende rechter herinnert eraan dat de lidstaten ingevolge artikel 3, lid 9, van richtlijn 2005/29, wat financiële diensten en onroerend goed betreft, vereisten mogen opleggen die strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn. Hij is van oordeel dat die bepaling op drie verschillende manieren kan worden uitgelegd. Volgens een eerste uitlegging is het verbod op een gezamenlijk aanbod dat minstens één financiële dienst omvat, in overeenstemming met richtlijn 2005/29, ongeacht of de financiële dienst het hoofdbestanddeel van het aanbod vormt of niet. Volgens een tweede uitlegging is het verbod op een dergelijk aanbod slechts in overeenstemming met die richtlijn indien de financiële dienst een bepalend element is van het gezamenlijke aanbod. Volgens een derde uitlegging is dat verbod niet in overeenstemming met die richtlijn, aangezien artikel 3, lid 9, ervan als uitzondering op het beginsel van volledige harmonisatie strikt moet worden uitgelegd. Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich af of de wet van 6 april 2010 in overeenstemming is met artikel 56 VWEU.

16

Daarop heeft het Hof van Beroep te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Moet artikel 3.9 van [richtlijn 2005/29] zo worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling, zoals artikel 72 [van de wet van 6 april 2010], die – onder voorbehoud van de limitatief in de wet opgesomde gevallen – op algemene wijze elk gezamenlijk aanbod aan de consument verbiedt zodra minstens één bestanddeel een financiële dienst uitmaakt?

2)

Moet artikel 56 VWEU, betreffende de vrijheid van dienstverlening, zo worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling, zoals artikel 72 [van de wet van 6 april 2010], die – onder voorbehoud van de limitatief in de wet opgesomde gevallen – op algemene wijze elk gezamenlijk aanbod aan de consument verbiedt zodra minstens één bestanddeel een financiële dienst uitmaakt?”

Prejudiciële vragen

Eerste vraag

17

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 9, van richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die – onder voorbehoud van in de nationale wettelijke regeling limitatief opgesomde gevallen – gezamenlijke aanbiedingen aan de consument waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, op algemene wijze verbiedt.

18

Zoals blijkt uit punt 50 van het arrest van 23 april 2009, VTB-VAB en Galatea (C-261/07 en C-299/07, Jurispr. blz. I-2949), heeft het Hof geoordeeld dat gezamenlijke aanbiedingen commerciële handelingen vormen die duidelijk deel uitmaken van het marketingbeleid van een ondernemer en rechtstreeks verband houden met de verkoopbevordering en de afzet van zijn producten, zodat zij handelspraktijken in de zin van artikel 2, sub d, van richtlijn 2005/29 vormen en derhalve binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen.

19

Bijgevolg zijn gezamenlijke aanbiedingen waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, waarop het verbod in het hoofdgeding betrekking heeft, ook handelspraktijken in de zin van artikel 2, sub d, van richtlijn 2005/29, en dergelijke aanbiedingen zijn derhalve aan de voorschriften van deze richtlijn onderworpen.

20

Voorts zij eraan herinnerd dat richtlijn 2005/29 op communautair niveau in principe een volledige harmonisatie van de regels inzake oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen ten aanzien van consumenten tot stand brengt, zodat de lidstaten, zoals artikel 4 van deze richtlijn uitdrukkelijk bepaalt, geen strengere maatregelen kunnen vaststellen dan die welke in deze richtlijn zijn neergelegd, ook niet om een hoger niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen (zie arrest van 14 januari 2010, Plus Warenhandelsgesellschaft, C-304/08, Jurispr. blz. I-217, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21

Voor met name financiële diensten in de zin van richtlijn 2002/65 voorziet artikel 3, lid 9, van richtlijn 2005/29, getiteld „Toepassingsgebied”, echter in een uitzondering op de doelstelling van volledige harmonisatie.

22

Uit punt 9 van de considerans van richtlijn 2005/29 blijkt dat met betrekking tot financiële diensten, gezien de complexiteit en de eraan verbonden ernstige risico’s, uitgebreide eisen moeten worden gesteld, waaronder positieve verplichtingen voor handelaren. Voorts bepaalt dit punt dat deze richtlijn, wat die diensten betreft, het recht van de lidstaten om verder te gaan dan de bepalingen van deze richtlijn teneinde de economische belangen van de consumenten te beschermen, niet beperkt.

23

Onder „financiële dienst” in de zin van richtlijn 2002/65 moet worden verstaan „iedere dienst van bancaire aard of op het gebied van kredietverstrekking, verzekering, individuele pensioenen, beleggingen en betalingen”. Artikel 2, 24°, van de wet van 6 april 2010 omschrijft financiële diensten op dezelfde wijze. Bijgevolg vallen gezamenlijke aanbiedingen waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, zoals het aanbod waarop in het hoofdgeding een verbod rust, binnen de werkingssfeer van artikel 3, lid 9, van richtlijn 2005/29.

24

Derhalve mogen de lidstaten ingevolge die bepaling voor financiële diensten vereisten opleggen die strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn.

25

Voorts zij opgemerkt dat artikel 3, lid 9, van richtlijn 2005/29 zonder verdere precisering de lidstaten alleen toestaat strengere nationale regels vast te stellen met betrekking tot financiële diensten. Het beperkt derhalve niet de mate waarin de nationale regels op dit punt strenger mogen zijn, en bevat geen criteria voor de mate waarin die diensten complex moeten zijn of risico’s moeten inhouden, willen de lidstaten deze diensten aan strengere regels onderwerpen. Uit de tekst van die bepaling blijkt evenmin dat de strengere nationale regels alleen betrekking kunnen hebben op gezamenlijke aanbiedingen die uit verschillende financiële diensten bestaan of op gezamenlijke aanbiedingen waarvan de financiële dienst het hoofdbestanddeel vormt.

26

Derhalve dient, anders dan Citroën aanvoert, de toepassing van artikel 3, lid 9, van richtlijn 2005/29 niet te worden beperkt tot gezamenlijke aanbiedingen bestaande uit verschillende financiële diensten of gezamenlijke aanbiedingen die een complexe financiële dienst omvatten.

27

Die uitlegging is in overeenstemming met het doel van die bepaling. Punt 9 van de considerans van richtlijn 2005/29 biedt de lidstaten immers uitdrukkelijk de mogelijkheid om met betrekking tot financiële diensten strengere maatregelen te nemen om een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen. De bedoeling van de Uniewetgever is derhalve de lidstaten de bevoegdheid te verlenen om zelf te bepalen hoe streng hun maatregelen moeten zijn en hun op dit punt een handelingsmarge te laten, die kan gaan tot het uitvaardigen van een verbod.

28

Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 9, van richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een bepaling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die – onder voorbehoud van in de nationale wettelijke regeling limitatief opgesomde gevallen – gezamenlijke aanbiedingen aan de consument waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, op algemene wijze verbiedt.

Tweede vraag

29

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 56 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die – onder voorbehoud van in de nationale wettelijke regeling limitatief opgesomde gevallen – gezamenlijke aanbiedingen aan de consument waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, op algemene wijze verbiedt.

30

Volgens FvF is de tweede vraag niet-ontvankelijk aangezien nationale maatregelen op een bepaald gebied dat op het niveau van de Europese Unie is geharmoniseerd, niet aan de bepalingen van het VWEU maar aan die harmonisatiemaatregel moeten worden getoetst.

31

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat een nationale regeling in een materie die op het niveau van de Unie uitputtend is geharmoniseerd, weliswaar niet aan de bepalingen van het primaire recht maar aan die van deze harmonisatiemaatregel moet worden getoetst (zie in die zin arrest van 11 december 2003, Deutscher Apothekerverband, C-322/01, Jurispr. blz. I-14887, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals uit punt 9 van de considerans en artikel 3, lid 9, van richtlijn 2005/29 volgt, bepaalt laatstgenoemde bepaling echter juist dat richtlijn 2005/29, wat financiële diensten betreft, geen uitputtende harmonisatie tot stand brengt en de lidstaten een handelingsmarge laat, waarvan met inachtneming van het Verdrag gebruik moet worden gemaakt.

32

Een nationale regeling als in het hoofdgeding, die volgens de bewoordingen ervan zonder onderscheid van toepassing is op Belgische marktdeelnemers en op marktdeelnemers uit andere lidstaten, kan in het algemeen weliswaar slechts onder de bepalingen inzake de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden vallen voor zover zij van toepassing is op situaties die een verband vertonen met het handelsverkeer tussen de lidstaten (zie arresten van 1 juni 2010, Blanco Pérez en Chao Gómez, C-570/07 en C-571/07, Jurispr. blz. I-4629, punt 40, en 10 mei 2012, Duomo Gpa e.a., C-357/10–C-359/10, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33

Toch kan in casu niet worden uitgesloten dat in andere lidstaten dan het Koninkrijk België gevestigde ondernemingen belangstelling tonen om in laatstbedoelde lidstaat gezamenlijke aanbiedingen te doen die minstens één financieel bestanddeel omvatten als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.

34

Bijgevolg moet worden onderzocht of het algemene verbod op gezamenlijke aanbiedingen waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, in overeenstemming is met artikel 56 VWEU.

35

Ten gronde blijkt uit vaste rechtspraak dat het vrije verkeer van diensten in de zin van artikel 56 VWEU niet alleen de afschaffing verlangt van elke discriminatie van een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter op grond van diens nationaliteit, maar tevens de opheffing van elke beperking – ook indien deze zonder onderscheid geldt voor binnenlandse dienstverrichters en dienstverrichters uit andere lidstaten – die de werkzaamheden van de dienstverrichter die in een andere lidstaat is gevestigd en aldaar rechtmatig soortgelijke diensten verricht, verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt (zie in die zin arresten van 20 februari 2001, Analir e.a., C-205/99, Jurispr. blz. I-1271, punt 21, en 15 januari 2002, Commissie/Italië, C-439/99, Jurispr. blz. I-305, punt 22).

36

Een verbod als in het hoofdgeding, dat is vervat in artikel 72, § 1, van de wet van 6 april 2010, kan het verrichten van financiële diensten op het Belgische grondgebied minder aantrekkelijk maken voor in andere lidstaten gevestigde ondernemingen die gezamenlijke aanbiedingen willen doen waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is. Die ondernemingen zouden die aanbiedingen immers niet op de Belgische markt kunnen doen en voorts zouden zij moeten nagaan of die aanbiedingen in overeenstemming zijn met het Belgische recht, terwijl dit niet nodig zou zijn voor andere lidstaten.

37

Volgens vaste rechtspraak mag de vrijheid van dienstverrichting slechts worden beperkt indien de beperking een met het Verdrag verenigbaar legitiem doel nastreeft en haar rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang. De beperking moet voorts geschikt zijn om het ermee beoogde doel te bereiken en mag niet verder gaan dan daartoe noodzakelijk is (zie met name arrest van 18 december 2007, Laval un Partneri, C-341/05, Jurispr. blz. I-11767, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38

Zoals voorts blijkt uit het opschrift zelf van de wet van 6 april 2010, strekt artikel 72 van die wet in casu tot bescherming van de belangen van de consument. In de rechtspraak is de consumentenbescherming erkend als een dwingende reden van algemeen belang, die een beperking van de vrijheid van dienstverrichting kan rechtvaardigen (zie arresten van 15 december 1982, Oosthoek’s Uitgeversmaatschappij, 286/81, Jurispr. blz. 4575, punt 16, en 4 december 1986, Commissie/Frankrijk, 220/83, Jurispr. blz. 3663, punt 20).

39

Wat de geschiktheid van artikel 72 van de wet van 6 april 2010 betreft, zij vastgesteld dat financiële diensten van nature complex zijn en bijzondere risico’s inhouden waarover de consument niet altijd voldoende is voorgelicht. Voorts kan een gezamenlijk aanbod op zich bij de consument het idee van een prijsvoordeel wekken. Bijgevolg houdt een gezamenlijk aanbod waarvan een van de bestanddelen een financiële dienst is, een verhoogd risico in op een gebrek aan transparantie met betrekking tot de voorwaarden voor en de prijs en de exacte inhoud van die dienst. Derhalve kan een dergelijk aanbod de consument misleiden aangaande de werkelijke inhoud en eigenschappen van de aangeboden combinatie en hem tegelijkertijd de mogelijkheid ontnemen om de prijs en de kwaliteit van dit aanbod te vergelijken met soortgelijke prestaties van andere marktdeelnemers.

40

Bijgevolg kan een wettelijk verbod op gezamenlijke aanbiedingen die minstens één financiële dienst omvatten, bijdragen tot de bescherming van de consument.

41

Wat de evenredigheid van de beperking betreft, zij opgemerkt dat artikel 72, § 2, van de wet van 6 april 2010 uitzonderingen toestaat op het algemene verbod op een gezamenlijk aanbod waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is. Dat in die uitzonderingen is voorzien, wijst erop dat de Belgische wetgever van mening was dat het in bepaalde gevallen niet nodig was de consument beter te beschermen.

42

Bijgevolg gaat het algemene verbod op gezamenlijke aanbiedingen waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is zoals bedoeld in artikel 72 van de wet van 6 april 2010, niet verder dan noodzakelijk is om het in richtlijn 2005/29 bedoelde hoge niveau van consumentenbescherming te bereiken, en meer in het bijzonder om de economische belangen van de consument in de sector van de financiële dienstverlening te beschermen.

43

Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 56 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een bepaling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die – onder voorbehoud van in de nationale wettelijke regeling limitatief opgesomde gevallen – gezamenlijke aanbiedingen aan de consument waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, op algemene wijze verbiedt.

Kosten

44

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 3, lid 9, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”), en artikel 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een bepaling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die – onder voorbehoud van in de nationale wettelijke regeling limitatief opgesomde gevallen – gezamenlijke aanbiedingen aan de consument waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, op algemene wijze verbiedt.

 

ondertekeningen


( *1 )   Procestaal: Nederlands.