Conclusie van de advocaat generaal

Conclusie van de advocaat generaal

1. Deze zaak betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, van verordening (EG) nr.1896/2006(2), inhoudend dat voor de toepassing van deze verordening de rechterlijke bevoegdheid wordt bepaald volgens de ter zake geldende regels van gemeenschapsrecht, met name verordening (EG) nr. 44/2001(3) .

2. Het gaat hier meer in het bijzonder om de vraag of een verweer tegen een Europees betalingsbevel moet worden aangemerkt als verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 en dus aanvaarding van de bevoegdheid van de rechter voor de gewone civiele procedure die op de Europese betalingsbevelprocedure van verordening nr. 1896/2006 volgt.

3. In deze conclusie wil ik uiteenzetten waarom artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 mijns inziens in die zin moet worden uitgelegd, dat het voeren van verweer tegen een verzoek om een Europees betalingsbevel niet moet worden aangemerkt als verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 in de gewone civiele procedure die op de Europese betalingsbevelprocedure volgt.

4. Ik zal ook aangeven waarom het hiervoor niet uitmaakt dat degene die zich tegen dat verzoek om uitvaardiging van een Europees betalingsbevel verweert, als onderdeel van dat verweer argumenten ten gronde aanvoert.

I – Toepasselijke bepalingen

A – Unierecht

1. Verordening nr. 1896/2006

5. Verordening nr. 1896/2006 voert een Europese betalingsbevelprocedure in. Deze verordening heeft volgens artikel 1, lid 1, sub a, ten doel „de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren”.

6. Artikel 6, lid 1, van voormelde verordening bepaalt:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt de rechterlijke bevoegdheid bepaald volgens de ter zake geldende regels van het Gemeenschapsrecht, en met name verordening (EG) nr. 44/2001.”

7. Artikel 16 van verordening (EG) nr. 1896/2006 luidt als volgt:

„1. De verweerder kan bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel indienen door middel van het standaardformulier F van bijlage VI, dat hem samen met het Europees betalingsbevel wordt verstrekt.

2. Het verweerschrift wordt toegezonden binnen 30 dagen nadat het betalingsbevel aan de verweerder is betekend of ter kennis is gebracht.

3. In het verweerschrift vermeldt de verweerder dat hij de schuldvordering betwist, zonder gehouden te zijn te verklaren op welke gronden de betwisting berust.

[...]”

8. Artikel 17 van deze verordening bepaalt:

„1. Indien binnen de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn een verweerschrift is ingediend, wordt de procedure volgens het gewone burgerlijk procesrecht voortgezet voor de bevoegde gerechten van de lidstaat van oorsprong, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht de procedure in dat geval te staken.

Indien de eiser zijn vordering door middel van de Europese betalingsbevelprocedure geldend heeft gemaakt, laat het nationaal recht zijn positie in de daaropvolgende gewone procedure onverlet.

2. De overgang naar de gewone procedure in de zin van lid 1 wordt beheerst door het recht van de lidstaat van oorsprong.

3. Aan de eiser wordt medegedeeld of de verweerder een verweerschrift heeft ingediend en of er naar een gewone procedure wordt overgegaan.”

2. Verordening nr. 44/2001

9. Verordening nr. 44/2001 betreft de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Artikel 5, punt 1, van die verordening bepaalt het volgende:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1) a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b) voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

– [...]

– voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

[...]”

10. Artikel 24 van deze verordening luidt als volgt:

„Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordening, is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 22 bij uitsluiting bevoegd is.”

B – Oostenrijks recht

11. § 252 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Zivilprozessordnung), dat de Europese betalingsbevelprocedure betreft, bepaalt dat voor zover verordening nr. 1896/2006 niet anders bepaalt, de procedurevoorschriften van toepassing zijn die voor het betrokken voorwerp van geschil gelden. De bepaling preciseert daarbij dat het Bezirksgericht für Handelssachen Wien (Oostenrijk) bij uitsluiting bevoegd is voor de kennisneming van Europese betalingsbevelzaken. Nog steeds volgens die bepaling stelt het gerecht na ontvangst van een tijdig ingediend verweerschrift de verzoekende partij hiervan in kennis, met het verzoek om binnen een termijn van 30 dagen aan te geven welk gerecht voor de gewone procedure bevoegd is. Een exceptie van onbevoegdheid van het aangezochte gerecht moet door de verwerende partij worden opgeworpen voordat hij in de hoofdzaak verschijnt.

II – Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen

12. Goldbet Sportwetten GmbH (hierna: „verzoekster”) is een in Oostenrijk gevestigde onderneming die weddenschappen organiseert op sportevenementen. Sperindeo (hierna: „verweerder”) woont in Italië. Hij heeft zich bij een overeenkomst tot het verrichten van diensten verbonden om de activiteiten van verzoekster in Italië te organiseren en zich met de verbreiding daarvan bezig te houden. In het bijzonder moest hij de inleggelden bij de plaatselijke inzamelingspunten innen en het geld onder aftrek van de uitgekeerde winsten aan verzoekster overmaken.

13. Van oordeel dat verweerder niet aan zijn contractuele verplichtingen had voldaan, vroeg verzoekster op 29 december 2009, en verkreeg zij op 17 februari 2010, van het Bezirksgericht für Handelssachen Wien, de voor de Europese betalingsbevelprocedure bevoegde rechter, een Europees betalingsbevel voor een bedrag van 16 406 EUR, vermeerderd met rente en kosten, als schadevergoeding.

14. Op 19 april 2010 diende verweerder tijdig via zijn advocaat een verweerschrift in tegen dit Europees betalingsbevel. Als reden voor zijn verweer voerde hij aan dat de vordering van verzoekster niet gegrond en niet opeisbaar was.

15. Bij beschikking van 2 juli 2010 verwees het Bezirksgericht für Handelssachen Wien de zaak naar het Landesgericht Innsbruck (Oostenrijk) omdat dat gerecht zijns inziens bevoegd was volgens artikel 17, lid 1, van verordening nr.1896/2006.

16. Voor het Landesgericht Innsbruck wierp verweerder voor het eerst een exceptie van onbevoegdheid van dit gerecht op, waartoe hij stelde dat zijn woonplaats in Italië lag. Hij verzocht daarom het gerecht zich territoriaal onbevoegd te verklaren en de vordering af te wijzen. Volgens verzoekster was het Landesgericht Innsbruck als gerecht van de plaats waar de betrokken geldschuld moest worden betaald, op grond van artikel 5, lid 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 bevoegd. Het gerecht was hoe dan ook bevoegd op grond van artikel 24 van die verordening, aangezien verweerder was verschenen en in zijn verweerschrift tegen het Europese betalingsbevel middelen ten gronde had aangevoerd zonder op dat moment een exceptie van onbevoegdheid op te werpen.

17. Het Landesgericht Innsbruck heeft het verzoek van verweerder bij beschikking ingewilligd, zichzelf onbevoegd verklaard en de vordering afgewezen. Tegen deze beschikking heeft verzoekster hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Innsbruck (Oostenrijk). Het hoger beroep werd verworpen op grond dat de Oostenrijkse gerechten in principe niet bevoegd zijn, aangezien de vorderingen van verzoekster berusten op een overeenkomst tot het verrichten van diensten en de overeengekomen plaats van uitvoering in de zin van artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 in Italië gelegen was. De appelrechter voegde hieraan toe dat de onbevoegdheid van de aangezochte rechter niet werd gedekt door een verschijning als bedoeld in artikel 24 van verordening nr. 44/2001.

18. Verzoekster heeft tegen deze beslissing van het Oberlandesgericht Innsbruck beroep in Revision ingesteld bij het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk), waarin zij vernietiging vordert van de eerdere beslissingen en hervatting van de procedure voor het Landesgericht Innsbruck.

19. Omdat het twijfels heeft over de juiste uitlegging van het recht van de Unie, heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1) Moet artikel 6 van verordening (EG) nr. 1896/2006 [...] in die zin worden uitgelegd dat artikel 24 van verordening (EG) nr. 44/2001[...], betreffende de bevoegdheid van het gerecht op grond van de verschijning van de verwerende partij, ook moet worden toegepast in de Europese betalingsbevelprocedure?

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Moet artikel 17 van verordening nr. 1896/2006 juncto artikel 24 van verordening nr. 44/2001 in die zin worden uitgelegd dat de indiening van een verweerschrift tegen een Europees betalingsbevel reeds als verschijning in de procedure moet worden aangemerkt, wanneer daarin niet de bevoegdheid van het gerecht van oorsprong wordt betwist?

3) Ingeval de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord:

Moet artikel 17 van verordening nr. 1896/2006 juncto artikel 24 van verordening nr. 44/2001 in die zin worden uitgelegd dat de indiening van een verweerschrift hooguit dan tot bevoegdheid door verschijning in de procedure leidt, indien daarin reeds argumenten met betrekking tot de zaak ten gronde worden aangevoerd maar niet de bevoegdheid wordt betwist?”

III – Analyse

20. Met zijn prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 in die zin moet worden uitgelegd, dat het voeren van verweer tegen een Europees betalingsbevel gelijkstaat met een verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 in de gewone civiele procedure die op de Europese betalingsbevelprocedure volgt, en of het in dat verband enig verschil uitmaakt of degene die zich tegen dit verzoek om een Europees betalingsbevel verweert, in zijn verweer argumenten betreffende de zaak ten gronde heeft aangevoerd.

21. Zoals reeds gezegd, wordt de rechterlijke bevoegdheid voor de toepassing van verordening nr. 1896/2006 volgens artikel 6, lid 1, van die verordening bepaald overeenkomstig de ter zake geldende regels van gemeenschapsrecht, met name verordening nr. 44/2001. Artikel 24 van laatstgenoemde verordening voorziet in een impliciete uitbreiding van de rechterlijke bevoegdheid ten gunste van het aangezochte gerecht in gevallen waarin de verweerder voor dat gerecht verschijnt zonder de bevoegdheid van dat gerecht te betwisten.

22. Met de Duitse en de Oostenrijkse regering en de Europese Commissie ben ik van mening dat het voeren van verweer tegen een Europees betalingsbevel niet gelijkstaat met een verschijning in de zin van dat artikel. Het feit dat degene die een verweerschrift indient, zijn verweer motiveert, heeft hierop mijns inziens geen enkele invloed.

23. De tekst van de considerans van verordening nr. 1896/2006 geeft ons een eerste antwoord.

24. Hierin wordt namelijk heel nauwkeurig aangegeven dat de Europese betalingsbevelprocedure die bij die verordening wordt ingevoerd, gericht is op de instelling van een uniforme en snelle procedure voor de inning van niet-betwiste geldvorderingen in de hele Europese Unie.(4)

25. Verordening nr. 1896/2006 beantwoordt hiermee aan het programma van maatregelen dat de Raad van de Europese Unie in 2000 heeft aangenomen en dat voorziet in de mogelijkheid om in de Europese Gemeenschap een „eenvormige of geharmoniseerde procedure in te voeren om een rechterlijke beslissing te verkrijgen” (5), welk programma in 2004 is bevestigd in het Haags programma dat de Europese Raad op 5 november 2004 heeft goedgekeurd.(6)

26. Op deze bijzonderheid vestigt overigens ook het Hof de aandacht in punt 30 van arrest van 13 december 2012, Szyrocka(7) : „Tot slot is het dienstig eraan te herinneren dat verordening nr. 1896/2006, zoals naar voren komt uit artikel 1, lid 1, sub a, ervan, onder meer ten doel heeft de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken. Zoals in de punten 8, 10 en 29 van de considerans van de verordening is aangekondigd, strekt zij noch tot vervanging, noch tot harmonisatie van de bestaande mogelijkheden naar nationaal recht voor de inning van niet-betwiste schuldvorderingen, maar wordt daarbij om die doelstelling te verwezenlijken een uniform, snel en efficiënt instrument voor de inning van niet-betwiste geldvorderingen ingesteld, dat schuldeisers en schuldenaren in de gehele Europese Unie gelijke voorwaarden waarborgt.”

27. Deze doelstelling roept ontegenzeglijk het beeld op van een juridisch instrument waarin geen plaats is voor eventuele betwistingen ten gronde en voor de vertragingen die zich bij de klassieke gerechtelijke procedures plegen voor te doen. Dit gaat overigens zo ver, dat de lidstaten zelfs zouden kunnen kiezen voor een procedure voor een bestuursinstantie.

28. Immers, om het beoogde doel te bereiken, geeft artikel 5, lid 3, van de verordening een autonome definitie van de term „gerecht” als „iedere instantie die in een lidstaat bevoegd is ten aanzien van een Europees betalingsbevel of aanverwante aangelegenheden”.(8) Dit sluit duidelijk uit dat de procedure zou zijn voorbehouden aan rechtsprekende, gerechtelijke of bestuurlijke instanties, voor lidstaten die laatstgenoemde instanties kennen.

29. Hiervan uitgaande vertoont het stelsel dat door deze verordening in het leven is geroepen, de volgende kenmerken.

30. In de eerste plaats is het niet contradictoir. Immers, de bevoegde nationale instantie geeft het Europees betalingsbevel af of weigert het zonder voorafgaand debat, al kan zij de verzoeker wel om nadere uitleg of nader bewijs vragen.(9) Dit valt enkel hiermee te verklaren, dat moet worden getoetst of de gestelde vordering, althans op het eerste gezicht, beantwoordt aan de kwalificatie „onbetwiste vordering”. De verweerder wordt in dit stadium helemaal niet gehoord en kan geen argumenten aanvoeren.

31. In de tweede plaats verschijnt de debiteur pas in het stadium van de tenuitvoerlegging van het Europees betalingsbevel, nadat dit is uitgevaardigd. De debiteur wordt in werkelijkheid pas van het Europees betalingsbevel op de hoogte gesteld door de kennisgeving daarvan, waarin hem een termijn van 30 dagen wordt geboden om een verweerschrift tegen het betalingsbevel in te dienen.(10) Het verweerschrift wordt ingediend ofwel op een standaardformulier dat aan het medegedeelde bevel moet zijn gehecht, ofwel zonder inachtneming van specifieke vormvoorschriften.(11) Door dit verweerschrift vervalt de Europese betalingsbevelprocedure automatisch(12), en is voor de instantie als bedoeld in artikel 5, lid 3, van die verordening afgedaan. De zaak kan enkel nog maar worden voortgezet volgens het gewone burgerlijk procesrecht, dat vanaf dat moment het enige toepasselijke recht is.(13)

32. Deze beginselen over de werking van de procedure geven op zich al voldoende aan, dat voor de gewone civiele rechter een geheel nieuwe procedure begint waarin alles weer van meet af aan moet worden overgedaan, zelfs in gevallen waarin de instantie die bevoegd is ten aanzien van een Europees betalingsbevel dezelfde is als het gerecht dat bevoegd is ten aanzien van de zaak ten gronde.

33. Die situatie doet zich overigens in het hoofdgeding niet voor. Want de bevoegde instantie in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1896/2006 is het Bezirksgericht für Handelssachen Wien en het gerecht dat door deze is aangewezen om van de zaak ten gronde kennis te nemen, het Landesgericht Innsbruck.

34. Hoe dit ook zij, het blijft de vraag of het feit dat iemand zich verweert tegen een Europees betalingsbevel, niet door terugzending van het standaardformulier maar door indiening van een gedetailleerd document, leidt tot uitbreiding van de bevoegdheid van het gerecht dat is aangezocht om van de zaak ten gronde kennis te nemen, en of dat verweer dus neerkomt op een verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001.

35. Tegen de stelling die ten gunste van een bevestigend antwoord op die vraag is aangevoerd, valt een aantal argumenten in te brengen.

36. Met een bevestigend antwoord zou worden erkend dat de Europese betalingsbevelprocedure en de gewone civielrechtelijke nationale procedure in werkelijkheid een en dezelfde procedure zijn en dat deze homogene procedure de facto is begonnen voor de instantie die ter zake van het Europees betalingsbevel bevoegd is. Dit valt enkel te begrijpen indien men de uitdrukking „[wordt] de procedure voortgezet voor” in artikel 17, lid 1, van verordening nr.1896/2006 in die zin uitlegt dat de procedure na het verweer tegen het Europees betalingsbevel dezelfde is als de procedure die is begonnen voor de in eerste instantie aangezochte autoriteit, omdat procedurele handelingen die in dit stadium plaatsvonden, vervolgens het gerecht binden dat voor de zaak ten gronde wordt aangezocht.

37. In dat geval heeft de verweerder, in casu de debiteur, geen enkele kans om de onbevoegdheid van het gerecht in te roepen, omdat hij, zoals ik in de punten 30 en 31 van deze conclusie heb opgemerkt, aan het begin van de procedure totaal afwezig is.

38. Dit bezwaar zou kunnen worden verholpen door aan te nemen dat de procedure voor de debiteur begint op het moment waarop hij van het Europees betalingsbevel in kennis wordt gesteld. In dat geval zou er echter sprake zijn van een verschil in behandeling, dat laatstgenoemde uitlegging mijns inziens volstrekt onacceptabel maakt.

39. Het verweer door middel van het standaardformulier zou immers de vraag naar de betwisting van de bevoegdheid, tot kennisneming waarvan enkel het gerecht in de zaak ten gronde bevoegd zou zijn, onverlet laten. Anderzijds zou een vormvrij verweer op papier en onderbouwd met enkele argumenten of zelfs met een heel betoog, gelden als verschijning en daarmee als impliciete aanvaarding van de bevoegdheid van het gerecht, terwijl de verordening, die deze vrije uitingsvorm toelaat, voor de geldigheid daarvan slechts één voorwaarde stelt, te weten dat duidelijk tot uitdrukking komt dat het een verweerschrift is.

40. De debiteur zou anders geen rechtsmiddel hebben tegen een onjuiste beoordeling van de bevoegdheid door de instantie die uitspraak doet op het gebied van Europese betalingsbevelen, hetgeen volgens de verwijzende rechter in casu het geval was. In een dergelijke situatie zou de debiteur niets anders kunnen doen dan erop te vertrouwen dat de nationale rechter gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om zich in voorkomend geval in de gewone civiele procedure ambtshalve onbevoegd te verklaren.

41. Hoe valt te rechtvaardigen dat een Europese betalingsbevelprocedure, die geen beroepsmogelijkheden kent, een dergelijke consequentie kan hebben? Verzoekster heeft in dit verband ter zitting gesteld dat het, ondanks de impliciete erkenning van de bevoegdheid ten gronde resulterend uit het enkele verweer tegen het verzoek om een Europees betalingsbevel, mogelijk blijft om de onbevoegdheid van de gewone burgerlijke rechter voor die rechter in te roepen. Als een dergelijke hypothese zou moeten worden aanvaard, begrijp ik niet goed waarom dat verweer dan zou moeten worden aangemerkt als een verschijning, met alle juridische consequenties van dien.

42. Hoe gedetailleerd moet een betoog zijn voordat men kan zeggen dat een verweer van die vorm neerkomt op een verschijning? Zou dit niet tot onnauwkeurigheid leiden, een bron van rechtsonzekerheid, die ingaat tegen het doel dat de Europese wetgever nastreeft, namelijk de Europese betalingsbevelprocedure juist te vereenvoudigen?

43. Het rechtszekerheidsbeginsel eist volgens vaste rechtspraak dat de regelgeving van de Unie duidelijk en de toepassing ervan voor de justitiabelen voorzienbaar is. Dit beginsel houdt dus in dat een handeling van Unierecht – in casu de relevante bepalingen van de verordeningen nrs. 1896/2006 en 44/2001 – die voor de justitiabelen rechtsgevolgen heeft, duidelijk en nauwkeurig moet zijn zodat de justitiabelen met zekerheid kunnen weten op welk moment die gevolgen voor hen intreden.

44. Aanvaardt men dat een verweer tegen een verzoek om een Europees betalingsbevel gelijk kan worden gesteld met een verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 naargelang het verweerschrift al dan niet een motivering met betrekking tot de zaak ten gronde bevat, dan wordt daarmee nu juist rechtsonzekerheid geschapen aangezien elke keer moet worden beoordeeld of de motivering uitvoerig is of niet en of in die uitvoerigheid expliciet of impliciet een standpunt besloten ligt ten aanzien van de bevoegdheid van het voor de behandeling van de gewone civiele procedure verantwoordelijke gerecht, dat, zoals gezegd, in dat stadium zelfs nog niet is aangezocht.

45. Het gevolg hiervan is complexiteit daar waar verordening nr. 1896/2006 nu juist beoogt om de Europese betalingsbevelprocedure te vereenvoudigen.

46. Hoe kan men volhouden dat de Europese betalingsbevelprocedure en de gewone civiele procedure een geheel vormen indien bijvoorbeeld de voor het Europees betalingsbevel bevoegde instantie een bestuursrechter is en de instantie die voor de zaak ten gronde bevoegd is, een burgerlijke rechter is, of beter nog, helemaal geen rechterlijke instantie? Hoe valt te rechtvaardigen dat een gebeurtenis die voor een dergelijke instantie plaatsvindt vervolgens dergelijke consequenties kan hebben? Ik wil enkel maar herinneren aan het belang van de bevoegdheidsregels voor het verloop van gerechtelijke procedures.

47. Tenslotte lijkt artikel 16 van verordening nr. 1896/2006 juncto punt 23 van de considerans van die verordening te volstaan voor de beslissing. Artikel 16, lid 1, van de verordening geeft immers in werkelijkheid geen enkel bijzonder vormvoorschrift voor het verweerschrift en bepaalt slechts dat „de verweerder [...] een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel [kan] indienen door middel van het standaardformulier [...]”. Lid 3 van dat artikel vult dit aan met de mededeling, dat de verweerder niet gehouden is aan te geven op welke gronden de betwisting berust.

48. Het is de verweerder dus niet verboden om uiteen te zetten op welke gronden zijn betwisting berust. Doet hij dat wel, dan mag dat voor hem in elk geval geen bijzondere en ongunstige juridische consequenties hebben waarin de verordening niet expliciet voorziet, om de simpele reden dat het in dit stadium enkel van belang is om erachter te komen of de vordering wordt betwist of niet. De reden hiervoor is volstrekt onbelangrijk. Enkel de vraag of de vordering wordt betwist, is hier van belang.

49. Punt 23 van de considerans van verordening nr. 1896/2006 bevestigt dit waar het preciseert, dat „de verweerder [...] zijn verweerschrift [kan] indienen door middel van het standaardformulier in deze verordening. [maar dat] de gerechten [...] andere schriftelijke vormen van verweer in aanmerking [nemen] als het verweer duidelijk tot uitdrukking wordt gebracht”. Een verweerschrift dat argumenten bevat, is een schriftelijke vorm van verweer waarin dit verweer duidelijk tot uitdrukking wordt gebracht. Het is dus geldig en heeft geen andere consequenties dan een verweer door middel van het standaardformulier, te weten verval van het Europees betalingsbevel. Er andere consequenties aan verbinden zou niet verder gaan dan, maar ingaan tegen de wil van de wetgever.

50. Om al deze redenen ben ik van mening, dat artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 in die zin moet worden uitgelegd, dat het voeren van verweer tegen een verzoek om een Europees betalingsbevel niet gelijkstaat met een verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 in de gewone civiele procedure die op de Europese betalingsbevelprocedure volgt. Dat degene die verweer heeft gevoerd tegen dit verzoek om een Europees betalingsbevel, in dit verweer argumenten heeft aangevoerd met betrekking tot de zaak ten gronde, is in dit verband irrelevant.

IV – Conclusie

51. Gelet op het vorenstaande geef ik het Hof in overweging de door het Oberste Gerichtshof gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:

„Artikel 6, lid 1, van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 936/2012 van de Commissie van 4 oktober 2012, moet in die zin worden uitgelegd, dat het voeren van verweer tegen een verzoek om een Europees betalingsbevel niet gelijkstaat met een verschijning in de zin van artikel 24 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, in de gewone civiele procedure die op de Europese betalingsbevelprocedure volgt. Dat degene die verweer heeft gevoerd tegen dit verzoek om een Europees betalingsbevel, in dit verweer argumenten heeft aangevoerd met betrekking tot de zaak ten gronde, is in dit verband irrelevant.”

(1) .

(2)  – Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB L 399, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 936/2012 van de Commissie van 4 oktober 2012 (PB L 283, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1896/2006”).

(3)  – Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1, met rectificatie in PB 2001, L 307, blz. 28).

(4)  – Zie onder meer de punten 4, 9 en 29 van de considerans van die verordening.

(5)  – Cursivering van mij.

(6)  – Zie punt 4 van de considerans van deze verordening.

(7)  – C-215/11.

(8)  – Zie ook punt 16 van de considerans van de verordening, dat aangeeft dat het onderzoek van het verzoek om een Europees betalingsbevel niet noodzakelijkerwijs door een rechter behoeft te worden verricht.

(9)  – Volgens de artikelen 5, lid 3, 7, lid 3, en 8-12 van verordening nr. 1896/2006 wordt het verzoek om een Europees betalingsbevel immers ingeleid door de verzoeker, die het verzoek bij de bevoegde nationale instantie indient, en is het enkel op basis van de inlichtingen die de verzoeker verstrekt, dat die instantie het verzoek onderzoekt en het ofwel afwijst, ofwel een betalingsbevel uitvaardigt.

(10)  – Zie artikel 16, lid 2, van de verordening.

(11)  – Zie artikel 7 van de verordening en punt 23 van de considerans.

(12)  – Zie punt 24 van de considerans van verordening nr. 1896/2006.

(13)  – Zie artikel 17, leden 1 en 2, van de verordening en punt 24 van de considerans.


CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

Y. BOT

van 6 maart 2013 ( 1 )

Zaak C-144/12

Goldbet Sportwetten GmbH

tegen

Massimo Sperindeo

[verzoek van het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken — Bevoegdheid van aangezochte rechter op grond van de verschijning van verweerder — Verzoek om een Europees betalingsbevel”

1. 

Deze zaak betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, van verordening (EG) nr.1896/2006 ( 2 ), inhoudend dat voor de toepassing van deze verordening de rechterlijke bevoegdheid wordt bepaald volgens de ter zake geldende regels van gemeenschapsrecht, met name verordening (EG) nr. 44/2001 ( 3 ).

2. 

Het gaat hier meer in het bijzonder om de vraag of een verweer tegen een Europees betalingsbevel moet worden aangemerkt als verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 en dus aanvaarding van de bevoegdheid van de rechter voor de gewone civiele procedure die op de Europese betalingsbevelprocedure van verordening nr. 1896/2006 volgt.

3. 

In deze conclusie wil ik uiteenzetten waarom artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 mijns inziens in die zin moet worden uitgelegd, dat het voeren van verweer tegen een verzoek om een Europees betalingsbevel niet moet worden aangemerkt als verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 in de gewone civiele procedure die op de Europese betalingsbevelprocedure volgt.

4. 

Ik zal ook aangeven waarom het hiervoor niet uitmaakt dat degene die zich tegen dat verzoek om uitvaardiging van een Europees betalingsbevel verweert, als onderdeel van dat verweer argumenten ten gronde aanvoert.

I – Toepasselijke bepalingen

A – Unierecht

1. Verordening nr. 1896/2006

5.

Verordening nr. 1896/2006 voert een Europese betalingsbevelprocedure in. Deze verordening heeft volgens artikel 1, lid 1, sub a, ten doel „de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren”.

6.

Artikel 6, lid 1, van voormelde verordening bepaalt:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt de rechterlijke bevoegdheid bepaald volgens de ter zake geldende regels van het Gemeenschapsrecht, en met name verordening (EG) nr. 44/2001.”

7.

Artikel 16 van verordening (EG) nr. 1896/2006 luidt als volgt:

„1.

De verweerder kan bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel indienen door middel van het standaardformulier F van bijlage VI, dat hem samen met het Europees betalingsbevel wordt verstrekt.

2.

Het verweerschrift wordt toegezonden binnen 30 dagen nadat het betalingsbevel aan de verweerder is betekend of ter kennis is gebracht.

3.

In het verweerschrift vermeldt de verweerder dat hij de schuldvordering betwist, zonder gehouden te zijn te verklaren op welke gronden de betwisting berust.

[...]”

8.

Artikel 17 van deze verordening bepaalt:

„1.   Indien binnen de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn een verweerschrift is ingediend, wordt de procedure volgens het gewone burgerlijk procesrecht voortgezet voor de bevoegde gerechten van de lidstaat van oorsprong, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht de procedure in dat geval te staken.

Indien de eiser zijn vordering door middel van de Europese betalingsbevelprocedure geldend heeft gemaakt, laat het nationaal recht zijn positie in de daaropvolgende gewone procedure onverlet.

2.   De overgang naar de gewone procedure in de zin van lid 1 wordt beheerst door het recht van de lidstaat van oorsprong.

3.   Aan de eiser wordt medegedeeld of de verweerder een verweerschrift heeft ingediend en of er naar een gewone procedure wordt overgegaan.”

2. Verordening nr. 44/2001

9.

Verordening nr. 44/2001 betreft de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Artikel 5, punt 1, van die verordening bepaalt het volgende:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1)

a)

ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)

voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

[...]

voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

[...]”

10.

Artikel 24 van deze verordening luidt als volgt:

„Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordening, is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 22 bij uitsluiting bevoegd is.”

B – Oostenrijks recht

11.

§ 252 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Zivilprozessordnung), dat de Europese betalingsbevelprocedure betreft, bepaalt dat voor zover verordening nr. 1896/2006 niet anders bepaalt, de procedurevoorschriften van toepassing zijn die voor het betrokken voorwerp van geschil gelden. De bepaling preciseert daarbij dat het Bezirksgericht für Handelssachen Wien (Oostenrijk) bij uitsluiting bevoegd is voor de kennisneming van Europese betalingsbevelzaken. Nog steeds volgens die bepaling stelt het gerecht na ontvangst van een tijdig ingediend verweerschrift de verzoekende partij hiervan in kennis, met het verzoek om binnen een termijn van 30 dagen aan te geven welk gerecht voor de gewone procedure bevoegd is. Een exceptie van onbevoegdheid van het aangezochte gerecht moet door de verwerende partij worden opgeworpen voordat hij in de hoofdzaak verschijnt.

II – Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen

12.

Goldbet Sportwetten GmbH (hierna: „verzoekster”) is een in Oostenrijk gevestigde onderneming die weddenschappen organiseert op sportevenementen. Sperindeo (hierna: „verweerder”) woont in Italië. Hij heeft zich bij een overeenkomst tot het verrichten van diensten verbonden om de activiteiten van verzoekster in Italië te organiseren en zich met de verbreiding daarvan bezig te houden. In het bijzonder moest hij de inleggelden bij de plaatselijke inzamelingspunten innen en het geld onder aftrek van de uitgekeerde winsten aan verzoekster overmaken.

13.

Van oordeel dat verweerder niet aan zijn contractuele verplichtingen had voldaan, vroeg verzoekster op 29 december 2009, en verkreeg zij op 17 februari 2010, van het Bezirksgericht für Handelssachen Wien, de voor de Europese betalingsbevelprocedure bevoegde rechter, een Europees betalingsbevel voor een bedrag van 16406 EUR, vermeerderd met rente en kosten, als schadevergoeding.

14.

Op 19 april 2010 diende verweerder tijdig via zijn advocaat een verweerschrift in tegen dit Europees betalingsbevel. Als reden voor zijn verweer voerde hij aan dat de vordering van verzoekster niet gegrond en niet opeisbaar was.

15.

Bij beschikking van 2 juli 2010 verwees het Bezirksgericht für Handelssachen Wien de zaak naar het Landesgericht Innsbruck (Oostenrijk) omdat dat gerecht zijns inziens bevoegd was volgens artikel 17, lid 1, van verordening nr.1896/2006.

16.

Voor het Landesgericht Innsbruck wierp verweerder voor het eerst een exceptie van onbevoegdheid van dit gerecht op, waartoe hij stelde dat zijn woonplaats in Italië lag. Hij verzocht daarom het gerecht zich territoriaal onbevoegd te verklaren en de vordering af te wijzen. Volgens verzoekster was het Landesgericht Innsbruck als gerecht van de plaats waar de betrokken geldschuld moest worden betaald, op grond van artikel 5, lid 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 bevoegd. Het gerecht was hoe dan ook bevoegd op grond van artikel 24 van die verordening, aangezien verweerder was verschenen en in zijn verweerschrift tegen het Europese betalingsbevel middelen ten gronde had aangevoerd zonder op dat moment een exceptie van onbevoegdheid op te werpen.

17.

Het Landesgericht Innsbruck heeft het verzoek van verweerder bij beschikking ingewilligd, zichzelf onbevoegd verklaard en de vordering afgewezen. Tegen deze beschikking heeft verzoekster hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Innsbruck (Oostenrijk). Het hoger beroep werd verworpen op grond dat de Oostenrijkse gerechten in principe niet bevoegd zijn, aangezien de vorderingen van verzoekster berusten op een overeenkomst tot het verrichten van diensten en de overeengekomen plaats van uitvoering in de zin van artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001 in Italië gelegen was. De appelrechter voegde hieraan toe dat de onbevoegdheid van de aangezochte rechter niet werd gedekt door een verschijning als bedoeld in artikel 24 van verordening nr. 44/2001.

18.

Verzoekster heeft tegen deze beslissing van het Oberlandesgericht Innsbruck beroep in Revision ingesteld bij het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk), waarin zij vernietiging vordert van de eerdere beslissingen en hervatting van de procedure voor het Landesgericht Innsbruck.

19.

Omdat het twijfels heeft over de juiste uitlegging van het recht van de Unie, heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Moet artikel 6 van verordening (EG) nr. 1896/2006 [...] in die zin worden uitgelegd dat artikel 24 van verordening (EG) nr. 44/2001[...], betreffende de bevoegdheid van het gerecht op grond van de verschijning van de verwerende partij, ook moet worden toegepast in de Europese betalingsbevelprocedure?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Moet artikel 17 van verordening nr. 1896/2006 juncto artikel 24 van verordening nr. 44/2001 in die zin worden uitgelegd dat de indiening van een verweerschrift tegen een Europees betalingsbevel reeds als verschijning in de procedure moet worden aangemerkt, wanneer daarin niet de bevoegdheid van het gerecht van oorsprong wordt betwist?

3)

Ingeval de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord:

Moet artikel 17 van verordening nr. 1896/2006 juncto artikel 24 van verordening nr. 44/2001 in die zin worden uitgelegd dat de indiening van een verweerschrift hooguit dan tot bevoegdheid door verschijning in de procedure leidt, indien daarin reeds argumenten met betrekking tot de zaak ten gronde worden aangevoerd maar niet de bevoegdheid wordt betwist?”

III – Analyse

20.

Met zijn prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 in die zin moet worden uitgelegd, dat het voeren van verweer tegen een Europees betalingsbevel gelijkstaat met een verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 in de gewone civiele procedure die op de Europese betalingsbevelprocedure volgt, en of het in dat verband enig verschil uitmaakt of degene die zich tegen dit verzoek om een Europees betalingsbevel verweert, in zijn verweer argumenten betreffende de zaak ten gronde heeft aangevoerd.

21.

Zoals reeds gezegd, wordt de rechterlijke bevoegdheid voor de toepassing van verordening nr. 1896/2006 volgens artikel 6, lid 1, van die verordening bepaald overeenkomstig de ter zake geldende regels van gemeenschapsrecht, met name verordening nr. 44/2001. Artikel 24 van laatstgenoemde verordening voorziet in een impliciete uitbreiding van de rechterlijke bevoegdheid ten gunste van het aangezochte gerecht in gevallen waarin de verweerder voor dat gerecht verschijnt zonder de bevoegdheid van dat gerecht te betwisten.

22.

Met de Duitse en de Oostenrijkse regering en de Europese Commissie ben ik van mening dat het voeren van verweer tegen een Europees betalingsbevel niet gelijkstaat met een verschijning in de zin van dat artikel. Het feit dat degene die een verweerschrift indient, zijn verweer motiveert, heeft hierop mijns inziens geen enkele invloed.

23.

De tekst van de considerans van verordening nr. 1896/2006 geeft ons een eerste antwoord.

24.

Hierin wordt namelijk heel nauwkeurig aangegeven dat de Europese betalingsbevelprocedure die bij die verordening wordt ingevoerd, gericht is op de instelling van een uniforme en snelle procedure voor de inning van niet-betwiste geldvorderingen in de hele Europese Unie. ( 4 )

25.

Verordening nr. 1896/2006 beantwoordt hiermee aan het programma van maatregelen dat de Raad van de Europese Unie in 2000 heeft aangenomen en dat voorziet in de mogelijkheid om in de Europese Gemeenschap een „eenvormige of geharmoniseerde procedure in te voeren om een rechterlijke beslissing te verkrijgen” ( 5 ), welk programma in 2004 is bevestigd in het Haags programma dat de Europese Raad op 5 november 2004 heeft goedgekeurd. ( 6 )

26.

Op deze bijzonderheid vestigt overigens ook het Hof de aandacht in punt 30 van arrest van 13 december 2012, Szyrocka ( 7 ): „Tot slot is het dienstig eraan te herinneren dat verordening nr. 1896/2006, zoals naar voren komt uit artikel 1, lid 1, sub a, ervan, onder meer ten doel heeft de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken. Zoals in de punten 8, 10 en 29 van de considerans van de verordening is aangekondigd, strekt zij noch tot vervanging, noch tot harmonisatie van de bestaande mogelijkheden naar nationaal recht voor de inning van niet-betwiste schuldvorderingen, maar wordt daarbij om die doelstelling te verwezenlijken een uniform, snel en efficiënt instrument voor de inning van niet-betwiste geldvorderingen ingesteld, dat schuldeisers en schuldenaren in de gehele Europese Unie gelijke voorwaarden waarborgt.”

27.

Deze doelstelling roept ontegenzeglijk het beeld op van een juridisch instrument waarin geen plaats is voor eventuele betwistingen ten gronde en voor de vertragingen die zich bij de klassieke gerechtelijke procedures plegen voor te doen. Dit gaat overigens zo ver, dat de lidstaten zelfs zouden kunnen kiezen voor een procedure voor een bestuursinstantie.

28.

Immers, om het beoogde doel te bereiken, geeft artikel 5, lid 3, van de verordening een autonome definitie van de term „gerecht” als „iedere instantie die in een lidstaat bevoegd is ten aanzien van een Europees betalingsbevel of aanverwante aangelegenheden”. ( 8 ) Dit sluit duidelijk uit dat de procedure zou zijn voorbehouden aan rechtsprekende, gerechtelijke of bestuurlijke instanties, voor lidstaten die laatstgenoemde instanties kennen.

29.

Hiervan uitgaande vertoont het stelsel dat door deze verordening in het leven is geroepen, de volgende kenmerken.

30.

In de eerste plaats is het niet contradictoir. Immers, de bevoegde nationale instantie geeft het Europees betalingsbevel af of weigert het zonder voorafgaand debat, al kan zij de verzoeker wel om nadere uitleg of nader bewijs vragen. ( 9 ) Dit valt enkel hiermee te verklaren, dat moet worden getoetst of de gestelde vordering, althans op het eerste gezicht, beantwoordt aan de kwalificatie „onbetwiste vordering”. De verweerder wordt in dit stadium helemaal niet gehoord en kan geen argumenten aanvoeren.

31.

In de tweede plaats verschijnt de debiteur pas in het stadium van de tenuitvoerlegging van het Europees betalingsbevel, nadat dit is uitgevaardigd. De debiteur wordt in werkelijkheid pas van het Europees betalingsbevel op de hoogte gesteld door de kennisgeving daarvan, waarin hem een termijn van 30 dagen wordt geboden om een verweerschrift tegen het betalingsbevel in te dienen. ( 10 ) Het verweerschrift wordt ingediend ofwel op een standaardformulier dat aan het medegedeelde bevel moet zijn gehecht, ofwel zonder inachtneming van specifieke vormvoorschriften. ( 11 ) Door dit verweerschrift vervalt de Europese betalingsbevelprocedure automatisch ( 12 ), en is voor de instantie als bedoeld in artikel 5, lid 3, van die verordening afgedaan. De zaak kan enkel nog maar worden voortgezet volgens het gewone burgerlijk procesrecht, dat vanaf dat moment het enige toepasselijke recht is. ( 13 )

32.

Deze beginselen over de werking van de procedure geven op zich al voldoende aan, dat voor de gewone civiele rechter een geheel nieuwe procedure begint waarin alles weer van meet af aan moet worden overgedaan, zelfs in gevallen waarin de instantie die bevoegd is ten aanzien van een Europees betalingsbevel dezelfde is als het gerecht dat bevoegd is ten aanzien van de zaak ten gronde.

33.

Die situatie doet zich overigens in het hoofdgeding niet voor. Want de bevoegde instantie in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 1896/2006 is het Bezirksgericht für Handelssachen Wien en het gerecht dat door deze is aangewezen om van de zaak ten gronde kennis te nemen, het Landesgericht Innsbruck.

34.

Hoe dit ook zij, het blijft de vraag of het feit dat iemand zich verweert tegen een Europees betalingsbevel, niet door terugzending van het standaardformulier maar door indiening van een gedetailleerd document, leidt tot uitbreiding van de bevoegdheid van het gerecht dat is aangezocht om van de zaak ten gronde kennis te nemen, en of dat verweer dus neerkomt op een verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001.

35.

Tegen de stelling die ten gunste van een bevestigend antwoord op die vraag is aangevoerd, valt een aantal argumenten in te brengen.

36.

Met een bevestigend antwoord zou worden erkend dat de Europese betalingsbevelprocedure en de gewone civielrechtelijke nationale procedure in werkelijkheid een en dezelfde procedure zijn en dat deze homogene procedure de facto is begonnen voor de instantie die ter zake van het Europees betalingsbevel bevoegd is. Dit valt enkel te begrijpen indien men de uitdrukking „[wordt] de procedure voortgezet voor” in artikel 17, lid 1, van verordening nr.1896/2006 in die zin uitlegt dat de procedure na het verweer tegen het Europees betalingsbevel dezelfde is als de procedure die is begonnen voor de in eerste instantie aangezochte autoriteit, omdat procedurele handelingen die in dit stadium plaatsvonden, vervolgens het gerecht binden dat voor de zaak ten gronde wordt aangezocht.

37.

In dat geval heeft de verweerder, in casu de debiteur, geen enkele kans om de onbevoegdheid van het gerecht in te roepen, omdat hij, zoals ik in de punten 30 en 31 van deze conclusie heb opgemerkt, aan het begin van de procedure totaal afwezig is.

38.

Dit bezwaar zou kunnen worden verholpen door aan te nemen dat de procedure voor de debiteur begint op het moment waarop hij van het Europees betalingsbevel in kennis wordt gesteld. In dat geval zou er echter sprake zijn van een verschil in behandeling, dat laatstgenoemde uitlegging mijns inziens volstrekt onacceptabel maakt.

39.

Het verweer door middel van het standaardformulier zou immers de vraag naar de betwisting van de bevoegdheid, tot kennisneming waarvan enkel het gerecht in de zaak ten gronde bevoegd zou zijn, onverlet laten. Anderzijds zou een vormvrij verweer op papier en onderbouwd met enkele argumenten of zelfs met een heel betoog, gelden als verschijning en daarmee als impliciete aanvaarding van de bevoegdheid van het gerecht, terwijl de verordening, die deze vrije uitingsvorm toelaat, voor de geldigheid daarvan slechts één voorwaarde stelt, te weten dat duidelijk tot uitdrukking komt dat het een verweerschrift is.

40.

De debiteur zou anders geen rechtsmiddel hebben tegen een onjuiste beoordeling van de bevoegdheid door de instantie die uitspraak doet op het gebied van Europese betalingsbevelen, hetgeen volgens de verwijzende rechter in casu het geval was. In een dergelijke situatie zou de debiteur niets anders kunnen doen dan erop te vertrouwen dat de nationale rechter gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om zich in voorkomend geval in de gewone civiele procedure ambtshalve onbevoegd te verklaren.

41.

Hoe valt te rechtvaardigen dat een Europese betalingsbevelprocedure, die geen beroepsmogelijkheden kent, een dergelijke consequentie kan hebben? Verzoekster heeft in dit verband ter zitting gesteld dat het, ondanks de impliciete erkenning van de bevoegdheid ten gronde resulterend uit het enkele verweer tegen het verzoek om een Europees betalingsbevel, mogelijk blijft om de onbevoegdheid van de gewone burgerlijke rechter voor die rechter in te roepen. Als een dergelijke hypothese zou moeten worden aanvaard, begrijp ik niet goed waarom dat verweer dan zou moeten worden aangemerkt als een verschijning, met alle juridische consequenties van dien.

42.

Hoe gedetailleerd moet een betoog zijn voordat men kan zeggen dat een verweer van die vorm neerkomt op een verschijning? Zou dit niet tot onnauwkeurigheid leiden, een bron van rechtsonzekerheid, die ingaat tegen het doel dat de Europese wetgever nastreeft, namelijk de Europese betalingsbevelprocedure juist te vereenvoudigen?

43.

Het rechtszekerheidsbeginsel eist volgens vaste rechtspraak dat de regelgeving van de Unie duidelijk en de toepassing ervan voor de justitiabelen voorzienbaar is. Dit beginsel houdt dus in dat een handeling van Unierecht – in casu de relevante bepalingen van de verordeningen nrs. 1896/2006 en 44/2001 – die voor de justitiabelen rechtsgevolgen heeft, duidelijk en nauwkeurig moet zijn zodat de justitiabelen met zekerheid kunnen weten op welk moment die gevolgen voor hen intreden.

44.

Aanvaardt men dat een verweer tegen een verzoek om een Europees betalingsbevel gelijk kan worden gesteld met een verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 naargelang het verweerschrift al dan niet een motivering met betrekking tot de zaak ten gronde bevat, dan wordt daarmee nu juist rechtsonzekerheid geschapen aangezien elke keer moet worden beoordeeld of de motivering uitvoerig is of niet en of in die uitvoerigheid expliciet of impliciet een standpunt besloten ligt ten aanzien van de bevoegdheid van het voor de behandeling van de gewone civiele procedure verantwoordelijke gerecht, dat, zoals gezegd, in dat stadium zelfs nog niet is aangezocht.

45.

Het gevolg hiervan is complexiteit daar waar verordening nr. 1896/2006 nu juist beoogt om de Europese betalingsbevelprocedure te vereenvoudigen.

46.

Hoe kan men volhouden dat de Europese betalingsbevelprocedure en de gewone civiele procedure een geheel vormen indien bijvoorbeeld de voor het Europees betalingsbevel bevoegde instantie een bestuursrechter is en de instantie die voor de zaak ten gronde bevoegd is, een burgerlijke rechter is, of beter nog, helemaal geen rechterlijke instantie? Hoe valt te rechtvaardigen dat een gebeurtenis die voor een dergelijke instantie plaatsvindt vervolgens dergelijke consequenties kan hebben? Ik wil enkel maar herinneren aan het belang van de bevoegdheidsregels voor het verloop van gerechtelijke procedures.

47.

Tenslotte lijkt artikel 16 van verordening nr. 1896/2006 juncto punt 23 van de considerans van die verordening te volstaan voor de beslissing. Artikel 16, lid 1, van de verordening geeft immers in werkelijkheid geen enkel bijzonder vormvoorschrift voor het verweerschrift en bepaalt slechts dat „de verweerder [...] een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel [kan] indienen door middel van het standaardformulier [...]”. Lid 3 van dat artikel vult dit aan met de mededeling, dat de verweerder niet gehouden is aan te geven op welke gronden de betwisting berust.

48.

Het is de verweerder dus niet verboden om uiteen te zetten op welke gronden zijn betwisting berust. Doet hij dat wel, dan mag dat voor hem in elk geval geen bijzondere en ongunstige juridische consequenties hebben waarin de verordening niet expliciet voorziet, om de simpele reden dat het in dit stadium enkel van belang is om erachter te komen of de vordering wordt betwist of niet. De reden hiervoor is volstrekt onbelangrijk. Enkel de vraag of de vordering wordt betwist, is hier van belang.

49.

Punt 23 van de considerans van verordening nr. 1896/2006 bevestigt dit waar het preciseert, dat „de verweerder [...] zijn verweerschrift [kan] indienen door middel van het standaardformulier in deze verordening. [maar dat] de gerechten [...] andere schriftelijke vormen van verweer in aanmerking [nemen] als het verweer duidelijk tot uitdrukking wordt gebracht”. Een verweerschrift dat argumenten bevat, is een schriftelijke vorm van verweer waarin dit verweer duidelijk tot uitdrukking wordt gebracht. Het is dus geldig en heeft geen andere consequenties dan een verweer door middel van het standaardformulier, te weten verval van het Europees betalingsbevel. Er andere consequenties aan verbinden zou niet verder gaan dan, maar ingaan tegen de wil van de wetgever.

50.

Om al deze redenen ben ik van mening, dat artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 in die zin moet worden uitgelegd, dat het voeren van verweer tegen een verzoek om een Europees betalingsbevel niet gelijkstaat met een verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 in de gewone civiele procedure die op de Europese betalingsbevelprocedure volgt. Dat degene die verweer heeft gevoerd tegen dit verzoek om een Europees betalingsbevel, in dit verweer argumenten heeft aangevoerd met betrekking tot de zaak ten gronde, is in dit verband irrelevant.

IV – Conclusie

51.

Gelet op het vorenstaande geef ik het Hof in overweging de door het Oberste Gerichtshof gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:

„Artikel 6, lid 1, van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 936/2012 van de Commissie van 4 oktober 2012, moet in die zin worden uitgelegd, dat het voeren van verweer tegen een verzoek om een Europees betalingsbevel niet gelijkstaat met een verschijning in de zin van artikel 24 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, in de gewone civiele procedure die op de Europese betalingsbevelprocedure volgt. Dat degene die verweer heeft gevoerd tegen dit verzoek om een Europees betalingsbevel, in dit verweer argumenten heeft aangevoerd met betrekking tot de zaak ten gronde, is in dit verband irrelevant.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB L 399, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 936/2012 van de Commissie van 4 oktober 2012 (PB L 283, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1896/2006”).

( 3 ) Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1, met rectificatie in PB 2001, L 307, blz. 28).

( 4 ) Zie onder meer de punten 4, 9 en 29 van de considerans van die verordening.

( 5 ) Cursivering van mij.

( 6 ) Zie punt 4 van de considerans van deze verordening.

( 7 ) C-215/11.

( 8 ) Zie ook punt 16 van de considerans van de verordening, dat aangeeft dat het onderzoek van het verzoek om een Europees betalingsbevel niet noodzakelijkerwijs door een rechter behoeft te worden verricht.

( 9 ) Volgens de artikelen 5, lid 3, 7, lid 3, en 8-12 van verordening nr. 1896/2006 wordt het verzoek om een Europees betalingsbevel immers ingeleid door de verzoeker, die het verzoek bij de bevoegde nationale instantie indient, en is het enkel op basis van de inlichtingen die de verzoeker verstrekt, dat die instantie het verzoek onderzoekt en het ofwel afwijst, ofwel een betalingsbevel uitvaardigt.

( 10 ) Zie artikel 16, lid 2, van de verordening.

( 11 ) Zie artikel 7 van de verordening en punt 23 van de considerans.

( 12 ) Zie punt 24 van de considerans van verordening nr. 1896/2006.

( 13 ) Zie artikel 17, leden 1 en 2, van de verordening en punt 24 van de considerans.