BESCHIKKING VAN HET HOF (Eerste kamer)

4 oktober 2012 (*)

„Artikelen 92, lid 1, 103, lid 1, en 104, lid 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering – Richtlijn 2005/29/EG – Oneerlijke handelspraktijken – Nationale regeling volgens welke een vestiging geen zeven dagen per week open mag zijn”

In zaak C‑559/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen (België) bij beslissing van 27 oktober 2011, ingekomen bij het Hof op 7 november 2011, in de procedure

Pelckmans Turnhout NV

tegen

Walter Van Gastel Balen NV,

Walter Van Gastel NV,

Walter Van Gastel Schoten NV,

Walter Van Gastel Lifestyle NV,

geeft

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano (rapporteur), kamerpresident, A. Borg Barthet, E. Levits, J.‑J. Kasel en M. Berger, rechters,

advocaat-generaal: V. Trstenjak,

griffier: A. Calot Escobar,

teneinde te beslissen bij een met redenen omklede beschikking overeenkomstig de artikelen 92, lid 1, 103, lid 1, en 104, lid 3, eerste alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering,

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB L 149, blz. 22), en van de artikelen 34 VWEU, 35 VWEU, 49 VWEU en 56 VWEU.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de tuinondernemingen Pelckmans Turnhout NV enerzijds en Walter Van Gastel Balen NV, Walter Van Gastel NV, Walter Van Gastel Schoten NV en Walter Van Gastel Lifestyle NV anderzijds.

 Rechtskader

 Unierecht

3        In de punten 6 tot en met 8 van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken heet het:

„(6)      [...] [D]e wetgeving van de lidstaten betreffende oneerlijke handelspraktijken, waaronder oneerlijke reclame, die de economische belangen van de consumenten rechtstreeks en aldus de economische belangen van legitieme concurrenten onrechtstreeks schaden, [wordt] bij deze richtlijn geharmoniseerd. [...] Deze richtlijn is niet van toepassing of van invloed op de nationale wetten betreffende oneerlijke handelspraktijken die alleen de economische belangen van concurrenten schaden of betrekking hebben op transacties tussen handelaren; met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel behouden de lidstaten de mogelijkheid dergelijke praktijken aan banden te leggen, overeenkomstig de communautaire wetgeving, indien zij zulks wensen. [...]

(7)      Deze richtlijn betreft handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met het beïnvloeden van beslissingen van de consument over transacties met betrekking tot producten. Deze richtlijn is niet van toepassing op handelspraktijken die hoofdzakelijk voor andere doeleinden bedoeld zijn [...].

(8)      Deze richtlijn beschermt de economische belangen van de consument op rechtstreekse wijze tegen oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten. [...]”

4        Artikel 1 van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken luidt:

„Het doel van deze richtlijn is om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren.”

5        Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

d)      handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten (hierna ‚de handelspraktijken’ genoemd): iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten;

[...]”

6        In artikel 3, lid 1, van deze richtlijn is bepaald:

„Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.”

7        Artikel 5 van deze richtlijn, met als opschrift „Verbod op oneerlijke handelspraktijken”, luidt:

„1.      Oneerlijke handelspraktijken zijn verboden.

2.      Een handelspraktijk is oneerlijk wanneer zij:

a)      in strijd is met de vereisten van professionele toewijding,

en

b)      het economische gedrag van de gemiddelde consument die zij bereikt of op wie zij gericht is of, indien zij op een bepaalde groep consumenten gericht is, het economisch gedrag van het gemiddelde lid van deze groep, met betrekking tot het product wezenlijk verstoort of kan verstoren.

[...]

4.      Meer in het bijzonder zijn handelspraktijken oneerlijk die:

a)      misleidend zijn in de zin van de artikelen 6 en 7,

of

b)      agressief zijn in de zin van de artikelen 8 en 9.

5.      Bijlage I bevat de lijst van handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd. Deze lijst is van toepassing in alle lidstaten en mag alleen worden aangepast door wijzigingen van deze richtlijn.”

 Belgisch recht

8        Artikel 95 van de Wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (Belgisch Staatsblad van 12 april 2010, blz. 20803) luidt:

„Verboden is elke met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden.”

9        Artikel 8 van de Wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening (Belgisch Staatsblad van 19 december 2006, blz. 72879; hierna: „openingsurenwet”) bepaalt:

„De toegang van de consument tot de vestigingseenheid, de rechtstreekse verkoop van producten of diensten aan de consument en de thuisleveringen worden gedurende een ononderbroken periode van vierentwintig uur, beginnend op zondag om 5 uur of om 13 uur en eindigend op de volgende dag op hetzelfde uur, verboden.”

10      In artikel 9 van de openingsurenwet heet het:

„Elke handelaar of dienstverstrekker mag een andere wekelijkse rustdag kiezen dan diegene die in artikel 8 bedoeld is, beginnend op de gekozen dag om 5 uur of om 13 uur en eindigend op de volgende dag op hetzelfde uur.”

11      Artikel 13 van de openingsurenwet luidt:

„De handelaar of dienstverstrekker die een andere rustdag kiest dan diegene die in artikel 8 bedoeld is vermeldt op duidelijke en van buitenaf zichtbare wijze de wekelijkse rustdag en het gekozen aanvangsuur.”

12      In artikel 14 van de openingsurenwet is bepaald:

„De handelaars en dienstverstrekkers, die geen andere dag dan de zondag als wekelijkse rustdag gekozen hebben, kunnen afwijken van de in artikel 8 bedoelde verplichting om de zondagwacht van hun beroep te verzekeren.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de tuincentra van verweersters in het hoofdgeding zeven dagen per week open zijn voor het publiek. Pelckmans Turnhout NV is van mening dat die praktijk in strijd is met de artikelen 8 en volgende van de openingsurenwet en met artikel 95 van de Wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, en heeft de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen verzocht verweersters in het hoofdgeding te gelasten die praktijk te beëindigen en een rustdag per week in acht te nemen.

14      Daarop heeft de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Is het zeven dagen op zeven openhouden van een winkel door een handelaar en het daarvoor reclame maken te beschouwen als handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten, en dus als handelspraktijk in de zin van [de richtlijn oneerlijke handelspraktijken]?

2)      Verzetten [de richtlijn oneerlijke handelspraktijken] of een andere bepaling van EU-recht zoals o.m. artikel 34 [VWEU] of 35 VWEU of artikel 49 [VWEU] of 56 VWEU zich tegen een nationale bepaling, zoals die van de artikelen 8 tot en met 14 van de [openingsurenwet] die – behoudens enkele uitzonderingen opgesomd in de wet – de handelaar verplichten om een wekelijkse sluitingsdag voor de winkel te kiezen, gelet op het feit dat de handelaar zonder meer wordt verboden zeven dagen op zeven zijn winkel te openen en dit ongeacht de invloed die dit heeft of kan hebben op de gemiddelde consument en ongeacht of deze handeling in de concrete omstandigheden [van de zaak] als strijdig met de professionele toewijding of de eerlijke handelsgebruiken kan beschouwd worden, en ook ongeacht het feit dat los van deze wet, de arbeidsrechtelijke rust van werknemers gewaarborgd is door andere wetgeving?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag en eerste onderdeel van de tweede vraag

15      Met zijn eerste vraag en het eerste onderdeel van zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de richtlijn oneerlijke handelspraktijken aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling als die in het hoofdgeding, die handelaars, behoudens enkele uitzonderlijke gevallen, verbiedt hun winkel zeven dagen per week te openen doordat zij hun een wekelijkse sluitingsdag oplegt.

16      Krachtens artikel 104, lid 3, eerste alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid, na de advocaat-generaal te hebben gehoord, op elk moment beslissen bij een met redenen omklede beschikking waarin naar de betrokken rechtspraak wordt verwezen.

17      Het Hof is van oordeel dat dit in de onderhavige zaak het geval is, aangezien het antwoord op bedoelde vragen duidelijk kan worden afgeleid uit de arresten van 14 januari 2010, Plus Warenhandelsgesellschaft (C‑304/08, Jurispr. blz. I‑217, punten 35‑51), en 9 november 2010, Mediaprint Zeitungs- und Zeitschriftenverlag (C‑540/08, Jurispr. blz. I‑10909, punten 15‑38), en uit de beschikkingen van 30 juni 2011, Wamo (C‑288/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 20‑40), en 15 december 2011, INNO (C‑126/11, punten 22‑32).

18      Overeenkomstig die rechtspraak moet, om bedoelde vragen te beantwoorden, om te beginnen worden uitgemaakt of de aan de orde zijnde bepalingen van de openingsurenwet de bescherming van de consument beogen, zodat die wetgeving binnen de werkingssfeer van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken kan vallen.

19      Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, beschermt die richtlijn namelijk volgens punt 8 van de considerans ervan „de economische belangen van de consument op rechtstreekse wijze tegen oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten”, en brengt zij, zoals met name in artikel 1 daarvan is vermeld, „een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand [...] door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren” (zie arrest Mediaprint Zeitungs‑ und Zeitschriftenverlag, reeds aangehaald, punt 24, en reeds aangehaalde beschikkingen Wamo, punt 21, en INNO, punt 27).

20      Bijgevolg is die richtlijn niet van toepassing op nationale wettelijke regelingen die niet de bescherming van de consument beogen.

21      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt niet duidelijk welke de doelstellingen van de openingsurenwet zijn. De Rechtbank van Koophandel te Antwerpen vermeldt namelijk enkel dat die wet een evenwicht wil scheppen tussen de behoeften van de verbruikers en het welzijn van de werknemers en zelfstandigen in de handelssector.

22      In hun schriftelijke opmerkingen verklaren de Belgische regering en de Europese Commissie de doelstellingen van die wet echter nader. Met een beroep op de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat aan de oorsprong van de openingsurenwet lag en zonder op dit punt te zijn tegengesproken door de andere belanghebbenden bedoeld in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie die opmerkingen hebben gemaakt, verduidelijken zij dat die wettelijke regeling tot doel heeft, de werknemers en de zelfstandigen uit de handelssector inzake vrijheid een marge te verzekeren om hun, na de openingsuren van de zaak waarin zij actief zijn, een minimaal gezinsleven en een relatie alsook een cultureel leven en een mogelijkheid tot voorgezette beroepsopleiding te bieden. De openingsurenwet zou met andere woorden beogen het legitieme recht van werknemers uit de handelssector op een privéleven en een gezins- en familieleven te beschermen, waarvan de eerbiediging overigens wordt gewaarborgd door artikel 8 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

23      Een dergelijke nationale wettelijke regeling heeft niet de bescherming van de consument op het oog en kan bijgevolg niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken vallen.

24      Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag en het eerste onderdeel van de tweede vraag worden geantwoord dat de richtlijn oneerlijke handelspraktijken aldus moet worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is op een nationale wettelijke regeling, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die niet de bescherming van de consument beoogt.

 Tweede onderdeel van de tweede vraag

25      Met het tweede onderdeel van zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de artikelen 34 VWEU, 35 VWEU, 49 VWEU en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als die in het hoofdgeding, die handelaars, behoudens in enkele uitzonderlijke gevallen, verbiedt hun winkel zeven dagen per week te openen doordat zij hun een wekelijkse sluitingsdag oplegt.

26      Overeenkomstig de artikelen 92, lid 1, en 103, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, de advocaat-generaal gehoord, zonder de behandeling voort te zetten beslissen bij met redenen omklede beschikking wanneer een verzoek om een prejudiciële beslissing kennelijk niet-ontvankelijk is.

27      Het Hof is van oordeel dat dit in de onderhavige zaak het geval is.

28      Volgens vaste rechtspraak immers betekent de omstandigheid dat de uitlegging van het Unierecht nuttig moet zijn voor de nationale rechter met name dat de nationale rechter de precieze redenen moet vermelden waarom hij twijfelt over de uitlegging van sommige bepalingen van Unierecht en het noodzakelijk acht prejudiciële vragen te stellen krachtens artikel 267 VWEU. Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat het van essentieel belang is dat de nationale rechter een minimum aan uitleg geeft over de redenen voor de keuze van de bepalingen van Unierecht waarvan hij om uitlegging verzoekt en over het verband dat volgens hem bestaat tussen die bepalingen en de op het geding toepasselijke nationale wetgeving (zie beschikking van 3 mei 2012, Ciampaglia, C‑185/12, punten 4 en 5 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      In casu voldoet de verwijzingsbeslissing niet aan die eisen.

30      De verwijzende rechter legt namelijk niet voldoende uit waarom hij de verlangde uitlegging van sommige bepalingen van het VWEU noodzakelijk acht voor de oplossing van het hoofdgeding en geeft geen uitleg over het verband dat volgens hem bestaat tussen die bepalingen en de op dat geding toepasselijke nationale wetgeving.

31      Bijgevolg moet overeenkomstig de artikelen 92 en 103, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering worden vastgesteld dat het tweede onderdeel van de tweede vraag kennelijk niet-ontvankelijk is.

 Kosten

32      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer), verklaart voor recht:

Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”), moet aldus worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is op een nationale wettelijke regeling, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die niet de bescherming van de consument beoogt.

ondertekeningen


* Procestaal: Nederlands.