Zaak C‑420/07

Meletis Apostolides

tegen

David Charles Orams

en

Linda Elizabeth Orams

[verzoek van de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) om een prejudiciële beslissing]

„Verzoek om prejudiciële beslissing – Protocol nr. 10 over Cyprus – Opschorting van invoering van acquis communautaire in zones waarover Cypriotische regering niet feitelijk gezag uitoefent – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Beslissing gegeven door Cypriotisch gerecht dat in door voornoemde regering feitelijk gecontroleerd gebied zetelt, die betrekking heeft op buiten dit gebied gelegen stuk grond – Artikelen 22, punt 1, 34, punten 1 en 2, 35, lid 1, en 38, lid 1, van voornoemde verordening”

Samenvatting van het arrest

1.        Toetreding van nieuwe lidstaten tot Gemeenschappen – Toetredingsakte van 2003 – Protocol nr. 10 over Cyprus – Opschorting van invoering van acquis communautaire in zone waarover regering van die lidstaat niet feitelijk gezag uitoefent

(Toetredingsakte van 2003; protocol nr. 10, art. 1, lid 1; verordening nr. 44/2001 van de Raad)

2.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 44/2001 – Uitsluitende bevoegdheden – Geschillen inzake zakelijke rechten op onroerende goederen – „Forum rei sitae”-regel van artikel 22, punt 1, van verordening, die internationale rechterlijke bevoegdheid van lidstaten bepaalt

(Verordening nr. 44/2001 van de Raad, art. 22, punt 1, en 35, leden 1 en 3)

3.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 44/2001 – Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen – Gronden voor weigering – Schending van openbare orde van aangezochte staat – Geen

(Verordening nr. 44/2001 van de Raad, art. 34, punt 1, en 45, lid 1)

4.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 44/2001 – Tenuitvoerlegging – Voorwaarden – Uitvoerbaarheid in lidstaat van herkomst

(Verordening nr. 44/2001 van de Raad, art. 38, lid 1, en 54)

5.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 44/2001 – Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen – Gronden voor weigering – Ontbreken van tijdige betekening of mededeling van geding inleidend stuk aan verweerder tegen wie verstek werd verleend – Geen

(Verdrag van 27 september 1968, art. 27, punt 2; verordening nr. 44/2001 van de Raad, art. 34, punt 2, en 45, lid 1)

1.        De opschorting van de invoering van het acquis communautaire in de zones van de Republiek Cyprus waarover de regering van die lidstaat niet feitelijk het gezag uitoefent, als bedoeld in artikel 1, lid 1, van protocol nr. 10 over Cyprus van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, staat niet in de weg aan de toepassing van verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, op een beslissing die is gegeven door een Cypriotisch gerecht dat zetelt in het door de Cypriotische regering feitelijk gecontroleerde gebied van het eiland, maar die betrekking heeft op een in voornoemde zones gelegen stuk grond.

De bepalingen van een toetredingsakte die uitzonderingen op of afwijkingen van de regels van het EG-Verdrag toestaan, moeten immers met inachtneming van de betrokken verdragsbepalingen strikt worden uitgelegd en worden beperkt tot hetgeen absoluut noodzakelijk is om het doel daarvan te bereiken. Uit een letterlijke uitlegging van artikel 1, lid 1, van voornoemd protocol nr. 10 volgt derhalve, dat de daarin bedoelde opschorting beperkt is tot de invoering van het acquis communautaire in het noordelijke deel van de Republiek Cyprus. Dat is niet het geval met de beslissingen om de erkenning waarvan is verzocht, aangezien deze zijn gegeven door een gerecht dat zetelt in het door de regering gecontroleerde gebied. De omstandigheid dat die beslissingen betrekking hebben op een in voornoemd noordelijke deel gelegen stuk grond, verzet zich niet tegen deze uitlegging, voor zover deze enerzijds de verplichting tot toepassing van verordening nr. 44/2001 in het door de regering gecontroleerde gebied niet teniet doet, en anderzijds ook niet betekent dat die verordening uit dien hoofde in het noordelijke deel wordt toegepast.

(cf. punten 35, 37-39, dictum 1)

2.        Op grond van artikel 35, lid 1, van verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, is een gerecht van een lidstaat niet bevoegd, de erkenning of de tenuitvoerlegging te weigeren van een beslissing van een gerecht van een andere lidstaat die betrekking heeft op een stuk grond in een gebied van laatstgenoemde lidstaat waarover de regering van die lidstaat niet feitelijk het gezag uitoefent.

Dienaangaande bevat artikel 22 van verordening nr. 44/2001 een dwingende en uitputtende lijst van gerechten van de lidstaten die bij uitsluiting internationaal bevoegd zijn. In dit artikel wordt alleen maar de lidstaat aangewezen waarvan de gerechten materieel bevoegd zijn, zonder dat daarbij de bevoegdheden binnen de betrokken lidstaat worden verdeeld. Elke lidstaat moet zijn eigen rechterlijke organisatie bepalen. Het in artikel 35, lid 3, van die verordening bedoelde beginsel dat de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van herkomst niet mag worden getoetst, staat eraan in de weg dat de interne bevoegdheid van de gerechten van de betrokken lidstaat van herkomst in het hoofdgeding wordt getoetst. Bijgevolg heeft de „forum rei sitae”-regel van artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001 betrekking op de internationale rechterlijke bevoegdheid van de lidstaten en niet op de interne rechterlijke bevoegdheid ervan. Hieruit volgt dat wanneer een stuk grond is gelegen op het grondgebied van een lidstaat, zodat de bevoegdheidsregel van artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001 in acht is genomen, het feit dat het stuk grond is gelegen in een gebied van die lidstaat waarover de regering daarvan niet feitelijk het gezag uitoefent, eventueel invloed kan hebben op de interne bevoegdheid van de gerechten van die lidstaat, maar voor deze verordening van geen enkel belang is.

(cf. punten 48‑52, dictum 2)

3.        Het feit dat een beslissing van een gerecht van een lidstaat betreffende een stuk grond in een gebied van die lidstaat waarover de regering daarvan niet feitelijk het gezag uitoefent, in de praktijk niet ten uitvoer kan worden gelegd daar waar het stuk grond zich bevindt, levert geen grond op om de erkenning of de tenuitvoerlegging uit hoofde van artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, te weigeren.

Bij gebreke van een fundamenteel beginsel in de rechtsorde van de aangezochte staat waaraan de erkenning of de tenuitvoerlegging van de betrokken beslissingen afbreuk zou kunnen doen, is het niet gerechtvaardigd de erkenning van die beslissingen krachtens artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/25001 en de tenuitvoerlegging ervan ingevolge artikel 45, lid 1, van deze verordening te weigeren op grond dat een beslissing van een gerecht van een lidstaat betreffende een stuk grond in een gebied van die staat waarover de regering daarvan niet feitelijk het gezag uitoefent, in de praktijk niet ten uitvoer kan worden gelegd daar waar het stuk grond zich bevindt. De inbreuk zou namelijk moeten bestaan in kennelijke schending van een rechtsregel die in de rechtsorde van de aangezochte staat van essentieel belang wordt geacht, of van een in die rechtsorde als fundamenteel erkend recht.

(cf. punten 59‑62, 71, dictum 3)

4.        Het feit dat een beslissing van een gerecht van een lidstaat betreffende een stuk grond in een gebied van die lidstaat waarover de regering daarvan niet feitelijk het gezag uitoefent, in de praktijk niet ten uitvoer kan worden gelegd daar waar het stuk grond zich bevindt, betekent niet dat een dergelijke beslissing niet uitvoerbaar is in de zin van artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. De uitvoerbaarheid van de beslissing in de lidstaat van herkomst is weliswaar een voorwaarde voor de tenuitvoerlegging van die beslissing in de aangezochte lidstaat, zodat er geen reden is om aan een beslissing bij de tenuitvoerlegging ervan rechten toe te kennen die deze in de lidstaat van herkomst niet heeft, maar er kan niet op goede gronden worden gesteld dat beslissingen betreffende een stuk grond in een gebied van Cyprus waarover de regering van deze lidstaat niet feitelijk het gezag uitoefent, niet uitvoerbaar zijn. Daar het immers gaat om veroordelingen die volgens het in artikel 54 van de verordening bedoelde certificaat op de datum van afgifte daarvan in de lidstaat van herkomst uitvoerbaar zijn, kan de omstandigheid dat de verzoekers bij de tenuitvoerlegging van de betrokken beslissingen in het noordelijke deel moeilijkheden kunnen ondervinden, die beslissingen hun uitvoerbaarheid niet ontnemen en belet die omstandigheid derhalve de gerechten van de aangezochte lidstaat niet die beslissingen uitvoerbaar te verklaren.

(cf. punten 66‑71, dictum 3)

5.        De erkenning of de tenuitvoerlegging van een bij verstek gegeven beslissing kan niet op grond van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, worden geweigerd wanneer de verweerder een rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden tegen de bij verstek gegeven beslissing en daardoor heeft kunnen geldend maken dat het stuk dat het geding inleidt, of een gelijkwaardig stuk hem niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, is betekend of meegedeeld. Voornoemd artikel 34, punt 2, eist anders dan de gelijkwaardige bepaling van artikel 27, punt 2, van het verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, niet per se dat de betekening of mededeling regelmatig is geweest, maar dat de rechten van verdediging daadwerkelijk zijn geëerbiedigd. Een beslissing die bij verstek is gegeven op basis van een geding inleidend stuk dat niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend, dient derhalve te worden erkend wanneer laatstgenoemde geen stappen heeft ondernomen om tegen die beslissing beroep in te stellen ofschoon hij daartoe in staat was. De rechten van verdediging die de gemeenschapswetgever met artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 veilig heeft willen stellen, worden a fortiori geëerbiedigd wanneer de verweerder daadwerkelijk een rechtsmiddel heeft aangewend tegen de bij verstek gegeven beslissing en daardoor heeft kunnen geldend maken dat het stuk dat het geding inleidt, of een gelijkwaardig stuk hem niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, is betekend of meegedeeld.

(cf. punten 75‑78, 80, dictum 4)







ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

28 april 2009 (*)

„Verzoek om prejudiciële beslissing – Protocol nr. 10 over Cyprus – Opschorting van invoering van acquis communautaire in zones waarover Cypriotische regering niet feitelijk gezag uitoefent – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Beslissing die is gegeven door Cypriotisch gerecht dat in door voornoemde regering feitelijk gecontroleerd gebied zetelt en betrekking heeft op buiten dit gebied gelegen stuk grond – Artikelen 22, punt 1, 34, punten 1 en 2, 35, lid 1, en 38, lid 1, van voornoemde verordening”

In zaak C‑420/07,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) (Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 28 juni 2007, ingekomen bij het Hof op 13 september 2007, in de procedure

Meletis Apostolides

tegen

David Charles Orams,

Linda Elizabeth Orams,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas, K. Lenaerts, M. Ilešič en A. Ó Caoimh, kamerpresidenten, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), J. Malenovský, J. Klučka en U. Lõhmus, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 september 2008,

gelet op de opmerkingen van:

–        M. Apostolides, vertegenwoordigd door T. Beazley, QC, en C. West, barrister, geïnstrueerd door S. Congdon, solicitor, en C. Candounas, advocate,

–        de echtelieden Orams, vertegenwoordigd door C. Booth en N. Green, QC, alsmede door A. Ward en B. Bhalla, barristers,

–        de Cypriotische regering, vertegenwoordigd door P. Clerides als gemachtigde, bijgestaan door D. Anderson, QC, en M. Demetriou, barrister,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door A. Samoni-Rantou, S. Chala en G. Karipsiadis als gemachtigden,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door M. Dowgielewicz als gemachtigde,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Hoffmeister en A.‑M. Rouchaud als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 december 2008,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van protocol nr. 10 over Cyprus van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 2003, L 236, blz. 955; hierna: „protocol nr. 10”), alsmede van bepaalde aspecten van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen M. Apostolides, van Cypriotische nationaliteit, en de heer en mevrouw Orams, een echtpaar van Britse nationaliteit (hierna: „echtelieden Orams”), over de erkenning en de tenuitvoerlegging van twee beslissingen van het Eparchiako Dikastirio tis Lefkosias (Cyprus) in het Verenigd Koninkrijk op grond van verordening nr. 44/2001.

 Toepasselijke bepalingen

 Gemeenschapsrecht

 Protocol nr. 10

3        Protocol nr. 10 luidt:

„De Hoge Verdragsluitende Partijen,

nogmaals bevestigend dat zij zich verbonden hebben tot een algehele regeling van het vraagstuk Cyprus, in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, en dat zij de inspanningen te dien einde van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties krachtig steunen,

overwegende dat een dergelijke algehele regeling van het vraagstuk Cyprus nog niet tot stand is gekomen,

overwegende dat derhalve de invoering van het acquis moet worden opgeschort in de zones van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent,

overwegende dat deze opschorting zal worden ingetrokken zodra het vraagstuk Cyprus is opgelost,

overwegende dat de Europese Unie bereid is, in overeenstemming met de beginselen waarop zij is gegrondvest, zich naar de voorwaarden van een dergelijke regeling te schikken,

overwegende dat de voorwaarden moeten worden vastgesteld waaronder de toepasselijke rechtsvoorschriften van de E[uropese] U[nie] gelden ten aanzien van de grens tussen enerzijds de bovengenoemde zones en anderzijds de zones waarover de regering van de Republiek Cyprus feitelijk het gezag uitoefent, alsmede de oostelijke zone onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot Brittannië en Noord-Ierland,

de wens uitend dat de toetreding van Cyprus tot de Europese Unie alle Cypriotische burgers ten goede komt en vrede en verzoening bevordert,

overwegende derhalve dat dit Protocol in geen enkel opzicht een beletsel mag zijn voor daartoe strekkende maatregelen,

overwegende dat zulke maatregelen onverlet laten, de toepassing van het acquis in alle andere gebiedsdelen van de Republiek Cyprus volgens de voorwaarden van het Toetredingsverdrag,

zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

1.      De invoering van het acquis wordt opgeschort in de zones van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent.

2.      De Raad besluit, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen over de intrekking van de in lid 1 bedoelde opschorting.

Artikel 2

1.      De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen de voorwaarden vast waaronder de rechtsvoorschriften van de EU gelden ten aanzien van de grens tussen de in artikel 1 bedoelde gebieden en de gebieden waarover de regering van de Republiek Cyprus feitelijk het gezag uitoefent.

2.      De grens tussen de oostelijke zone onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de in artikel 1 bedoelde zones wordt, voor de toepassing van deel IV van de bijlage bij het Protocol betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen, beschouwd als een deel van de buitengrenzen van de zones die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen, zulks voor de duur van de opschorting van de invoering van het acquis uit hoofde van artikel 1.

Artikel 3

1.      Dit Protocol vormt in geen enkel opzicht een beletsel voor maatregelen die worden getroffen ter bevordering van de economische ontwikkeling van de in artikel 1 bedoelde zones.

2.      Die maatregelen laten onverlet, de toepassing van het acquis in alle andere gebiedsdelen van de Republiek Cyprus, volgens de voorwaarden van het Toetredingsverdrag.

Artikel 4

Indien een regeling tot stand komt, besluit de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen omtrent over de aanpassingen die met betrekking tot de Turks-Cypriotische gemeenschap worden aangebracht in de voorwaarden betreffende de toetreding van Cyprus tot de Europese Unie.”

 Verordening nr. 44/2001

4        De punten 16 tot en met 18 van de considerans van verordening nr. 44/2001 luiden:

„(16) Op grond van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling [in de Gemeenschap] is het gewettigd de in een lidstaat gegeven beslissingen van rechtswege te erkennen zonder dat daarvoor, behoudens bij betwisting, nog een procedure moet worden gevolgd.

(17)      Eveneens op grond van dit wederzijds vertrouwen moet de procedure om een in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren, doeltreffend en snel zijn. De verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing moet daarom vrijwel automatisch, zonder dat het gerecht ambtshalve een van de in deze verordening genoemde gronden voor niet-uitvoering kan aanvoeren, worden afgegeven, na een eenvoudige formele controle van de overgelegde documenten.

(18)      De eerbiediging van de rechten van de verdediging houdt evenwel in dat de verweerder de mogelijkheid moet hebben in een procedure op tegenspraak een rechtsmiddel in te stellen tegen de verklaring van uitvoerbaarheid, wanneer hij van mening is dat een van de gronden voor niet-uitvoering van toepassing is. Ook de eiser moet een rechtsmiddel kunnen instellen indien zijn verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid wordt afgewezen.”

5        Artikel 1, lid 1, van voornoemde verordening bepaalt:

„Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.”

6        Artikel 2 van die verordening luidt:

„1.      Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.

2.      Voor degenen die niet de nationaliteit bezitten van de lidstaat waar zij woonplaats hebben, gelden de regels voor de rechterlijke bevoegdheid die op de eigen onderdanen van die lidstaat van toepassing zijn.”

7        In artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001 in hoofdstuk II, afdeling 6, „Exclusieve bevoegdheid”, wordt bepaald:

„Ongeacht de woonplaats zijn bij uitsluiting bevoegd:

1)      voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is.

Voor huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor tijdelijk particulier gebruik voor ten hoogste zes opeenvolgende maanden: ook de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, mits de huurder of pachter een natuurlijke persoon is en de eigenaar en de huurder of pachter woonplaats in dezelfde lidstaat hebben.”

8        Artikel 34 van voornoemde verordening luidt:

„Een beslissing wordt niet erkend indien:

1)      de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;

2)      het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, betekend of meegedeeld is, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was;

3)      de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing;

4)      de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte lidstaat.”

9        Artikel 35 van die verordening bepaalt:

„1.      De beslissingen worden tevens niet erkend, indien de afdelingen 3, 4 en 6 van hoofdstuk II zijn geschonden, of indien het in artikel 72 bedoelde geval zich voordoet.

2.      Bij de toetsing of de in het vorige lid genoemde bevoegdheidsregels niet zijn geschonden, is het aangezochte gerecht of de aangezochte autoriteit gebonden aan de feitelijke overwegingen op grond waarvan het gerecht van de lidstaat van herkomst zijn bevoegdheid heeft aangenomen.

3.      Onverminderd lid 1 mag de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van herkomst niet worden getoetst. De bevoegdheidsregels betreffen niet de openbare orde als bedoeld in artikel 34, punt 1.”

10      In artikel 38 van verordening nr. 44/2001 wordt bepaald:

„1.      De beslissingen die in een lidstaat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, kunnen in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.

2.      In het Verenigd Koninkrijk worden deze beslissingen in Engeland en Wales, in Schotland of in Noord-Ierland echter eerst ten uitvoer gelegd na op verzoek van iedere belanghebbende partij in het betrokken deel van het Verenigd Koninkrijk voor tenuitvoerlegging te zijn geregistreerd.”

11      Artikel 45 van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„1.      De verklaring van uitvoerbaarheid wordt door het gerecht dat oordeelt over een rechtsmiddel, bedoeld in de artikelen 43 of 44, slechts op een van de in de artikelen 34 en 35 genoemde gronden geweigerd of ingetrokken. Het gerecht doet onverwijld uitspraak.

2.      In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing.”

 Nationaal recht

12      Naar nationaal recht blijven de eigendomsrechten op onroerende goederen in de gebieden van de Republiek Cyprus waarover de regering van die lidstaat niet feitelijk het gezag uitoefent (hierna: „noordelijk deel”) geldig en in stand, ondanks de invasie van het Cypriotische grondgebied door het Turkse leger in 1974 en de aansluitende militaire bezetting van een deel van die staat.

13      Artikel 21, lid 2, van wet 14/60 op de rechterlijke instanties bepaalt in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, dat een beroep dat betrekking heeft op een aangelegenheid betreffende een onroerend goed, „wordt ingesteld bij het Eparchiako Dikastirio van het district waar dat goed is gelegen”.

14      Bij beschikking van het Anotato Dikastirio tis Kypriakis Dimokratias (hoogste rechter), die op 13 september 1974 is bekendgemaakt in de Episimi Efimerida tis Kypriakis Dimokratias (Staatsblad van de Republiek Cyprus), dus na de invasie van het noordelijke deel, zijn de districten Kyrenia en Nicosia samengevoegd.

15      Krachtens Cypriotisch recht is de betekening van een dagvaarding aan één van de echtelieden door de terhandstelling ervan aan de andere een rechtsgeldige wijze van betekening. Indien de verweerder niet binnen tien dagen na betekening van de dagvaarding verschijnt, kan de eiser verzoeken om een verstekbeslissing. Verschijning is geen handeling waarvoor enig verweer moet worden gevoerd.

16      Voor de vernietiging van een verstekbeslissing moet de verzoeker bewijzen dat hij een aannemelijk verweer („arguable defence”) kan voeren.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17      Bij de procedure voor de verwijzende rechter gaat het om de erkenning en de tenuitvoerlegging van twee beslissingen van het Eparchiako Dikastirio tis Lefkosias (hierna: „betrokken beslissingen”) in het Verenigd Koninkrijk op grond van verordening nr. 44/2001; hierbij werd beslist op een vordering van Apostolides tegen de echtelieden Orams betreffende een stuk grond.

18      Het stuk grond is gelegen in Lapithos, in het district Kyrenia, dat behoort tot het noordelijke deel. Het behoorde in eigendom toe aan de familie van Apostolides en werd door haar gebruikt vóór de Turkse militaire invasie van Cyprus in 1974. Daar zijn familie deel uitmaakte van de Grieks-Cypriotische gemeenschap, werd zij gedwongen huis en haard te verlaten en zich te vestigen in het deel van het eiland dat onder het feitelijke gezag van de Cypriotische regering (hierna: „door de regering gecontroleerd gebied”) staat.

19      De echtelieden Orams stellen dat zij het stuk grond in 2002 te goeder trouw van een derde hebben verworven, die het weer had verkregen van de autoriteiten van de Turkse Republiek Noord-Cyprus, een entiteit die tot op heden door geen enkele staat, met uitzondering van de Republiek Turkije, is erkend. De achtereenvolgende verwervingshandelingen hebben in overeenstemming met de wetten van die entiteit plaatsgevonden. De echtelieden Orams hebben een villa gebouwd en verblijven geregeld op het stuk grond dat zij tot hun vakantieverblijf hebben gemaakt.

20      Het verkeer van personen tussen het noordelijke deel en het door de regering gecontroleerde gebied was tot april 2003 beperkt.

21      Het Eparchiako Dikastirio tis Lefkosias, een Cypriotisch gerecht dat zetelt in het door de regering gecontroleerde gebied, heeft op 26 oktober 2004 de dagvaardingen ter zake van de vordering van Apostolides tegen de echtelieden Orams uitgebracht. Die dagvaardingen, te weten één voor elk van de echtelieden, zijn ter plaatse op dezelfde dag door een gerechtsdeurwaarder van voornoemd gerecht aan het adres van het stuk grond betekend. Beide dagvaardingen zijn betekend door terhandstelling aan mevrouw Orams in persoon, die heeft geweigerd het exploot van de dagvaarding te ondertekenen.

22      De gerechtsdeurwaarder heeft mevrouw Orams niet in kennis gesteld van zijn hoedanigheid en ook niet van de aard van de door hem overhandigde documenten die waren gesteld in het Grieks, dat de echtelieden Orams niet machtig zijn. Mevrouw Orams begreep evenwel dat de stukken officieel en juridisch van aard waren.

23      Op het voorblad van elke dagvaarding stond in het Grieks vermeld dat, om een verstekbeslissing te voorkomen, de verweerder binnen tien dagen na de betekening van de dagvaarding voor het Eparchiako Dikastirio tis Lefkosias moest verschijnen.

24      Ondanks de problemen om in het noordelijke deel een Grieks sprekende advocaat te vinden, die bevoegd is om voor de rechterlijke instanties van het door de regering gecontroleerde gebied op te treden, is mevrouw Orams erin geslaagd zich te verzekeren van de bijstand van een dergelijke advocaat, die zich heeft verplicht namens haar op 8 november 2004 voor de rechter te verschijnen. Hij is echter voor voornoemde rechterlijke instantie niet op die datum verschenen, maar pas op de dag daarop.

25      Daar op 9 november 2004 niemand zich procureur heeft gesteld voor de echtelieden Orams, heeft het Eparchiako Dikastirio tis Lefkosias bij verstek beslist op de vordering van Apostolides. Op dezelfde dag wees die rechterlijke instantie de door de advocaat van mevrouw Orams voorgelegde volmacht af op grond dat deze in het Engels en niet in het Grieks of het Turks was gesteld.

26      Volgens de verwijzingsbeslissing wordt de echtelieden Orams bij de verstekbeslissing van het Eparchiako Dikastirio tis Lefkosias gelast:

–        de villa, het zwembad en de omheining die zij op het stuk grond hadden laten bouwen, af te breken;

–        Apostolides onverwijld het onbeperkte eigendomsrecht van het stuk grond te verschaffen;

–        Apostolides verschillende geldsommen te betalen als bijzondere schadevergoeding en als vergoeding voor de maandelijkse gederfde winst, te weten huurpenningen, totdat de beslissing volledig ten uitvoer is gelegd, vermeerderd met rente;

–        zich voortaan te onthouden van elke onrechtmatige handeling ten aanzien van het stuk grond, hetzij persoonlijk, hetzij door middel van tussenpersonen, en

–        verschillende geldsommen als proceskosten te betalen, vermeerderd met rente.

27      Op 15 november 2004 zijn de echtelieden Orams tegen voornoemde beslissing in verzet gekomen. Nadat het Eparchiako Dikastirio tis Lefkosias hen en Apostolides in hun bewijsvoering en argumenten had gehoord, heeft het bij uitspraak van 19 april 2005 het verzet van de echtelieden Orams afgewezen, voornamelijk op grond dat zij geen aannemelijk verweer hadden aangevoerd ter betwisting van het eigendomsrecht van Apostolides. De echtelieden Orams zijn verwezen in de kosten van de verzetprocedure.

28      Laatstgenoemden hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak waarbij hun verzet was afgewezen. Dit hoger beroep is weer verworpen bij arrest van het Anotato Dikastirio tis Kypriakis Dimokratias van 21 december 2006.

29      Op 18 oktober 2005 heeft Apostolides onder overlegging van de vereiste documenten op grond van verordening nr. 44/2001 om de erkenning en de tenuitvoerlegging van de betrokken beslissingen verzocht. Bij beschikking van 21 oktober 2005 heeft een Master van de High Court of Justice of England and Wales, Queen’s Bench Division, voornoemde beslissingen op grond van die verordening in Engeland uitvoerbaar verklaard.

30      Daar de echtelieden Orams op grond van artikel 43 van verordening nr. 44/2001 tegen die beschikking zijn opgekomen, heeft een rechter van de High Court of Justice die beschikking bij beslissing van 6 september 2006 vernietigd. Apostolides is op grond van artikel 44 van voornoemde verordening tegen die beslissing opgekomen bij de verwijzende rechter.

31      In deze omstandigheden heeft de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      [...] Staat de opschorting van de invoering van het acquis communautaire in het noordelijke deel overeenkomstig artikel 1, lid 1, van protocol nr. 10 [...] in de weg aan de erkenning en de tenuitvoerlegging door een gerecht van een lidstaat van een beslissing die door een gerecht van de Republiek Cyprus dat zetelt in het door de regering gecontroleerde gebied, is gegeven met betrekking tot een stuk grond in het noordelijke deel, wanneer om deze erkenning en deze tenuitvoerlegging wordt verzocht op grond van verordening [...] nr. 44/2001 die deel uitmaakt van het acquis communautaire?

2)      Is een gerecht van een lidstaat op grond van artikel 35, lid 1, van verordening nr. 44/2001 bevoegd of verplicht om de erkenning en de tenuitvoerlegging te weigeren van een beslissing van de gerechten van een andere lidstaat die betrekking heeft op een stuk grond in een gebied van laatstgenoemde lidstaat waarover de regering van die lidstaat niet feitelijk het gezag uitoefent? Is een dergelijke beslissing in het bijzonder in strijd met artikel 22 van verordening nr. 44/2001?

3)      Kan een beslissing van een gerecht van een lidstaat, dat zetelt in een gebied van die lidstaat waarover de regering van die lidstaat feitelijk het gezag uitoefent, welke beslissing betrekking heeft op een stuk grond in een gebied van die lidstaat waarover de regering van die lidstaat niet feitelijk het gezag uitoefent, de erkenning en de tenuitvoerlegging op grond van artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001 worden onthouden op grond dat de beslissing in de praktijk niet ten uitvoer kan worden gelegd daar waar het stuk grond zich bevindt, hoewel de beslissing uitvoerbaar is in het door de regering gecontroleerde gebied van de lidstaat?

4)      Wanneer

–      jegens een verweerder een beslissing bij verstek is gegeven;

–      de verweerder vervolgens bij het oorspronkelijke gerecht opkomt tegen de verstekbeslissing, maar

–      zijn verzet na een regelmatig verlopen terechtzitting is afgewezen op grond dat hij er niet in is geslaagd een aannemelijk verweer te voeren (naar nationaal recht een noodzakelijke voorwaarde om een dergelijke beslissing te kunnen vernietigen),

kan die verweerder zich dan op grond van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 verzetten tegen de tenuitvoerlegging van de oorspronkelijke verstekbeslissing of de op het verzet gegeven beslissing, op grond dat het stuk dat het geding inleidt hem niet zo tijdig en op zodanige wijze is betekend dat hij vóór de wijzing van de oorspronkelijke verstekbeslissing zijn verweer kon voorbereiden? Is het van belang dat tijdens de terechtzitting enkel op verweerders verweer tegen de vordering is ingegaan?

5)      Welke factoren zijn van belang bij de toepassing van het criterium van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 of „het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, [...] zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend [...], betekend of meegedeeld is”? In het bijzonder:

a)      Wanneer de verweerder door de betekening daadwerkelijk van het document in kennis is gesteld, is het dan van belang welke stappen de verweerder of zijn advocaat na de betekening al dan niet hebben ondernomen?

b)      Is het van enig belang hoe de verweerder of zijn advocaat zich hebben gedragen of welke moeilijkheden zij hebben ondervonden?

c)      Is het van belang dat de advocaat van de verweerder had kunnen verschijnen voordat de verstekbeslissing werd gegeven?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 De eerste vraag

32      Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de opschorting van de invoering van het acquis communautaire in het noordelijke deel, als bedoeld in artikel 1, lid 1, van protocol nr. 10 in de weg staat aan de toepassing van verordening nr. 44/2001 op een beslissing die is gegeven door een Cypriotisch gerecht dat zetelt in het door de regering gecontroleerde gebied, maar die betrekking heeft op een in dat noordelijke deel gelegen stuk grond.

33      Meteen zij erop gewezen dat de toetredingsakte van een nieuwe lidstaat in hoofdzaak berust op het algemene beginsel van de onmiddellijke en volledige toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht op die staat, in dier voege dat er slechts van kan worden afgeweken voor zover zulks in de overgangsbepalingen met zoveel woorden is voorzien (zie in die zin arrest van 9 december 1982, Metallurgiki Halyps/Commissie, 258/81, Jurispr. blz. 4261, punt 8).

34      In dit verband is protocol nr. 10 een overgangsafwijking van het in het voorgaande punt in herinnering gebrachte beginsel, die op de op Cyprus bestaande uitzonderingstoestand is gebaseerd.

35      Zoals de advocaat-generaal in punt 35 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moeten de bepalingen van een toetredingsakte die uitzonderingen op of afwijkingen van de regels van het EG-Verdrag toestaan, echter met inachtneming van de betrokken verdragsbepalingen strikt worden uitgelegd en worden beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om het doel daarvan te bereiken (zie naar analogie arresten van 29 maart 1979, Commissie/Verenigd Koninkrijk, 231/78, Jurispr. blz. 1447, punt 13; 23 maart 1983, Peskeloglou, 77/82, Jurispr. blz. 1085, punt 12; 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, 11/82, Jurispr. blz. 207, punt 26; 14 december 1989, Agegate, C‑3/87, Jurispr. blz. 4459, punt 39, en 3 december 1998, KappAhl, C‑233/97, Jurispr. blz. I‑8069, punt 18.)

36      In het hoofdgeding kan de in protocol nr. 10 bedoelde afwijking niet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen de toepassing van verordening nr. 44/2001 op de betrokken beslissingen van het Cypriotische gerecht.

37      Uit een letterlijke uitlegging van artikel 1, lid 1, van protocol nr. 10 volgt immers, dat de daarin bedoelde opschorting beperkt is tot de invoering van het acquis communautaire in het noordelijke deel. In het hoofdgeding zijn de betrokken beslissingen, om de erkenning waarvan Apostolides heeft verzocht, gegeven door een gerecht dat zetelt in het door de regering gecontroleerde gebied.

38      De omstandigheid dat die beslissingen betrekking hebben op een in het noordelijke deel gelegen stuk grond, verzet zich niet tegen de in het voorgaande punt vermelde uitlegging, voor zover deze enerzijds de verplichting tot toepassing van verordening nr. 44/2001 in het door de regering gecontroleerde gebied niet teniet doet, en anderzijds ook niet betekent dat die verordening uit dien hoofde in dat noordelijke deel wordt toegepast (zie naar analogie arrest van 1 maart 2005, Owusu, C‑281/02, Jurispr. blz. I‑1383, punt 31).

39      Gelet op het voorgaande, moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de opschorting van de invoering van het acquis communautaire in het noordelijke deel, als bedoeld in artikel 1, lid 1, van protocol nr. 10 niet in de weg staat aan de toepassing van verordening nr. 44/2001 op een beslissing die is gegeven door een Cypriotisch gerecht dat zetelt in het door de regering gecontroleerde gebied, maar die betrekking heeft op een in dat noordelijke deel gelegen stuk grond.

 Tweede tot en met vijfde vraag

40      Met betrekking tot de tweede tot en met de vijfde vraag moet worden gepreciseerd dat de Commissie aanvoert dat de zaak mogelijkerwijs niet binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 valt. Een dergelijk argument noopt er dus toe uit te maken of het hoofdgeding kan worden aangemerkt als een „burgerlijke en handelszaak” in de zin van artikel 1 van deze verordening.

41      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het begrip „burgerlijke en handelszaken” niet dient te worden opgevat als een eenvoudige verwijzing naar het nationale recht van een der betrokken staten, zulks ter verzekering van de grootst mogelijke gelijkheid en eenvormigheid van de rechten en verplichtingen die voor de lidstaten en de belanghebbende personen uit verordening nr. 44/2001 voortvloeien. Voornoemd begrip is dan ook een autonoom begrip dat moet worden uitgelegd aan de hand van, enerzijds, de doelen en het stelsel van die verordening en, anderzijds, de algemene beginselen die in alle nationale rechtsstelsels worden gevonden (zie arresten van 14 oktober 1976, LTU, 29/76, Jurispr. blz. 1541, punt 3; 16 december 1980, Rüffer, 814/79, Jurispr. blz. 3807, punt 7; 21 april 1993, Sonntag, C‑172/91, Jurispr. blz. I‑1963, punt 18; 15 mei 2003, Préservatrice foncière TIARD, C‑266/01, Jurispr. blz. I‑4867, punt 20 ; 18 mei 2006, ČEZ, C‑343/04, Jurispr. blz. I‑4557, punt 22, en 15 februari 2007, Lechouritou e.a., C‑292/05, Jurispr. blz. I‑1519, punt 29).

42      De autonome uitlegging van het begrip „burgerlijke en handelszaken” leidt ertoe dat bepaalde rechterlijke beslissingen buiten de werkingssfeer van verordening nr. 44/2001 vallen wegens factoren die kenmerkend zijn voor de aard van de tussen de procespartijen bestaande rechtsbetrekkingen of van het voorwerp van het geschil (zie reeds aangehaalde arresten LTU, punt 4; Rüffer, punt 14; Préservatrice foncière TIARD, punt 21; ČEZ, punt 22, en Lechouritou e.a., punt 30).

43      Zo heeft het Hof geoordeeld dat bepaalde geschillen tussen een overheidsinstantie en een particulier weliswaar onder voornoemd begrip kunnen vallen, doch dat dit anders is wanneer de overheidsinstantie krachtens overheidsbevoegdheid handelt (zie reeds aangehaalde arresten LTU, punt 4; Rüffer, punt 8; Sonntag, punt 20; Préservatrice foncière TIARD, punt 22, en Lechouritou e.a., punt 31).

44      De uitoefening van overheidsbevoegdheden door een der partijen bij het geding, omdat daarbij gebruik wordt gemaakt van bevoegdheden die buiten het bestek vallen van de voor betrekkingen tussen particulieren geldende regels, sluit immers een dergelijk geding uit van de burgerlijke en handelszaken in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001 (zie in die zin reeds aangehaalde arresten LTU, punt 4; Rüffer, punten 9 en 16; Sonntag, punt 22; Préservatrice foncière TIARD, punt 30, en Lechouritou e.a., punt 34).

45      In het hoofdgeding gaat het om een geding tussen particulieren dat het verkrijgen van schadevergoeding wegens het onrechtmatig in bezit nemen van een stuk grond, de levering en het herstel in de oorspronkelijke staat daarvan, alsmede het staken van alle andere onrechtmatige handelingen tot voorwerp heeft. De aldus ingestelde vordering is niet gericht tegen de gedragingen of procedures die een uitoefening van overheidsbevoegdheden door een der partijen bij het geding vereisen, maar tegen door particulieren verrichte handelingen.

46      Bijgevolg moet de zaak waarom het in het hoofdgeding gaat, worden geacht betrekking te hebben op een „burgerlijke en handelszaak” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 44/2001.

 Tweede vraag

47      Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het feit dat door een gerecht van een lidstaat een beslissing wordt gegeven die betrekking heeft op een stuk grond in een gebied van die staat waarover de regering van die lidstaat niet feitelijk het gezag uitoefent, als een schending van de in artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001 geformuleerde bevoegdheidsregel kan worden beschouwd en bijgevolg een weigering tot erkenning of tot tenuitvoerlegging van een dergelijke beslissing overeenkomstig artikel 35, lid 1, van die verordening kan rechtvaardigen.

48      In dit verband zij vastgesteld dat artikel 22 van verordening nr. 44/2001 een dwingende en uitputtende lijst bevat van gerechten van de lidstaten die bij uitsluiting internationaal bevoegd zijn. In dit artikel wordt alleen maar de lidstaat aangewezen waarvan de gerechten materieel bevoegd zijn, zonder dat daarbij de bevoegdheden binnen de betrokken lidstaat worden verdeeld. Elke lidstaat moet zijn eigen rechterlijke organisatie bepalen.

49      Het in artikel 35, lid 3, van die verordening bedoelde beginsel dat de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van herkomst niet mag worden getoetst – die toetsing is enkel met betrekking tot artikel 35, lid 1, geoorloofd –, staat eraan in de weg dat de nationale bevoegdheid van de gerechten van de betrokken lidstaat van herkomst in het hoofdgeding wordt getoetst.

50      Bijgevolg heeft de „forum rei sitae”-regel van artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001 betrekking op de internationale rechterlijke bevoegdheid van de lidstaten en niet op hun nationale rechterlijke bevoegdheid.

51      In het hoofdgeding staat vast dat het stuk grond is gelegen op het grondgebied van de Republiek Cyprus, zodat de bevoegdheidsregel van artikel 22, punt 1, van verordening nr. 44/2001 in acht is genomen. Dat het stuk grond in het noordelijke deel is gelegen, kan eventueel invloed hebben op de nationale bevoegdheid van de Cypriotische gerechten, maar is voor deze verordening van geen enkel belang.

52      Gelet op het voorgaande, moet op de tweede vraag worden geantwoord dat een gerecht van een lidstaat op grond van artikel 35, lid 1, van verordening nr. 44/2001 niet bevoegd is de erkenning of de tenuitvoerlegging te weigeren van een beslissing van de gerechten van een andere lidstaat die betrekking heeft op een stuk grond in een gebied van laatstgenoemde lidstaat waarover de regering van die lidstaat niet feitelijk het gezag uitoefent.

 Derde vraag

53      Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het feit dat een beslissing van de gerechten van een lidstaat betreffende een stuk grond in een gebied van die staat waarover de regering daarvan niet feitelijk het gezag uitoefent, in de praktijk niet ten uitvoer kan worden gelegd daar waar het stuk grond zich bevindt, een grond oplevert om de erkenning of de tenuitvoerlegging uit hoofde van artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001 te weigeren.

–       Artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001

54      Volgens artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001 wordt een beslissing niet erkend indien de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat. In artikel 45, lid 1, van deze verordening wordt weigering van het exequatur op dezelfde wijze geregeld.

55      Vooraf zij eraan herinnerd dat artikel 34 van verordening nr. 44/2001 strikt moet worden uitgelegd, omdat het de verwezenlijking van een van de fundamentele doelstellingen van voornoemde verordening belemmert (zie arresten van 2 juni 1994, Solo Kleinmotoren, C‑414/92, Jurispr. blz. I‑2237, punt 20; 28 maart 2000, Krombach, C‑7/98, Jurispr. blz. I‑1935, punt 21, en 11 mei 2000, Renault, C‑38/98, Jurispr. blz. I‑2973, punt 26). Wat meer bepaald de openbare-ordeclausule van artikel 34, punt 1, van deze verordening betreft, deze mag slechts in uitzonderlijke gevallen worden gehanteerd (zie arresten van 4 februari 1988, Hoffmann, 145/86, Jurispr. blz. 645, punt 21, en 10 oktober 1996, Hendrikman en Feyen, C‑78/95, Jurispr. blz. I‑4943, punt 23, en reeds aangehaalde arresten Krombach, punt 21, en Renault, punt 26).

56      De lidstaten blijven krachtens het in artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001 gemaakte voorbehoud in beginsel weliswaar vrij, de eisen van hun openbare orde vast te leggen overeenkomstig hun nationale opvattingen, doch de afbakening van dit begrip is een kwestie van uitlegging van deze verordening (zie reeds aangehaalde arresten Krombach, punt 22, en Renault, punt 27).

57      Hoewel het derhalve niet aan het Hof is om de inhoud van de openbare orde van een lidstaat te bepalen, dient het niettemin toezicht te houden op de grenzen waarbinnen de rechter van een lidstaat met een beroep op dit begrip aan een beslissing van een andere lidstaat de erkenning kan onthouden (reeds aangehaalde arresten Krombach, punt 23, en Renault, punt 28).

58      In dit verband zij erop gewezen dat het de rechter van de aangezochte staat op grond van de artikelen 36 en 45, lid 2, van verordening nr. 44/2001, volgens welke de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing niet mag worden onderzocht, verboden is de erkenning of tenuitvoerlegging van die beslissing te weigeren enkel op grond dat de door de rechter van de staat van herkomst toegepaste rechtsregel afwijkt van die welke de rechter van de aangezochte staat zou hebben toegepast indien het geschil bij hem aanhangig was gemaakt. Evenmin mag de rechter van de aangezochte staat de juistheid nagaan van de beoordeling rechtens of feitelijk door de rechter van de staat van herkomst (zie reeds aangehaalde arresten Krombach, punt 36, en Renault, punt 29).

59      Er kan enkel een beroep worden gedaan op de openbare-ordeclausule van artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001, indien de erkenning of de tenuitvoerlegging van de in een andere lidstaat gegeven beslissing op onaanvaardbare wijze zou botsen met de rechtsorde van de aangezochte staat, doordat inbreuk op een fundamenteel beginsel zou worden gemaakt. Opdat het verbod van onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing in acht wordt genomen, zou de inbreuk moeten bestaan in kennelijke schending van een rechtsregel die in de rechtsorde van de aangezochte staat van essentieel belang wordt geacht, of van een in die rechtsorde als fundamenteel erkend recht (zie reeds aangehaalde arresten Krombach, punt 37, en Renault, punt 30).

60      De rechter van de aangezochte staat mag een beslissing uit een andere lidstaat niet weigeren te erkennen enkel op grond dat zijns inziens het nationale recht of het gemeenschapsrecht in die beslissing onjuist is toegepast, aangezien anders het doel van verordening nr. 44/2001 zou worden doorkruist. In dergelijke gevallen dient hij integendeel ervan uit te gaan, dat het de in elke verdragsluitende staat bestaande stelsel van rechtsmiddelen, aangevuld door de prejudiciële procedure van artikel 234 EG, de justitiabelen voldoende garanties biedt (zie reeds aangehaald arrest Renault, punt 33). De openbare-ordeclausule wordt in dergelijke gevallen enkel gehanteerd wanneer voornoemde onjuiste rechtsopvatting inhoudt dat de erkenning of de tenuitvoerlegging van de beslissing in de aangezochte staat wordt aangemerkt als een kennelijke schending van een fundamentele rechtsregel in de rechtsorde van voornoemde lidstaat (zie in die zin reeds aangehaald arrest Renault, punt 34).

61      Zoals Apostolides alsmede de Cypriotische en de Griekse regering hebben opgemerkt, heeft de verwijzende rechter in het hoofdgeding geen fundamenteel beginsel van de rechtsorde van het Verenigd Koninkrijk genoemd waaraan de erkenning of de tenuitvoerlegging van de betrokken beslissingen afbreuk zou kunnen doen.

62      Bij gebreke van een fundamenteel beginsel in de rechtsorde van het Verenigd Koninkrijk waaraan de erkenning of de tenuitvoerlegging van de betrokken beslissingen afbreuk zou kunnen doen, is het bijgevolg niet gerechtvaardigd de erkenning van die beslissingen krachtens artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/25001 te weigeren op grond dat een beslissing van de gerechten van een lidstaat betreffende een stuk grond in een gebied van die staat waarover de regering daarvan niet feitelijk het gezag uitoefent, in de praktijk niet ten uitvoer kan worden gelegd daar waar zich het stuk grond bevindt. Evenmin kan de tenuitvoerlegging ingevolge artikel 45, lid 1, van deze verordening op grond van eerstgenoemde bepaling worden geweigerd.

–       Artikel 38, lid 1, van verordening nr. 44/2001

63      Niettegenstaande voorgaande overwegingen zij eraan herinnerd dat het Hof overeenkomstig zijn vaste rechtspraak in het kader van de toepassing van artikel 234 EG uit de formulering van de vragen van de nationale rechter, rekening houdend met door hem verstrekte gegevens, de aspecten kan selecteren die de uitlegging van het gemeenschapsrecht betreffen, om hem in staat te stellen de voor hem gerezen rechtsvraag op te lossen (zie arresten van 28 januari 1992, López Brea en Hidalgo Palacios, C‑330/90 en C‑331/90, Jurispr. blz. I‑323, punt 5; 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, Jurispr. blz. I‑10239, punt 60, en 9 november 2006, Chateignier, C‑346/05, Jurispr. blz. I‑10951, punt 18).

64      In het hoofdgeding kan echter de omstandigheid dat de betrokken beslissingen in de lidstaat van herkomst niet ten uitvoer kunnen worden gelegd, weliswaar niet de weigering van de erkenning of de tenuitvoerlegging daarvan op grond van artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001 rechtvaardigen, maar die omstandigheid zou met het oog op artikel 38, lid 1, van deze verordening niettemin relevant kunnen zijn.

65      Volgens laatstgenoemde bepaling kunnen de beslissingen die in een lidstaat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.

66      De uitvoerbaarheid van de beslissing in de lidstaat van herkomst is derhalve een voorwaarde voor de tenuitvoerlegging van die beslissing in de aangezochte lidstaat (zie arrest van 29 april 1999, Coursier, C‑267/97, Jurispr. blz. I‑2543, punt 23). De erkenning dient in beginsel weliswaar ten gevolge te hebben dat de beslissingen het gezag en het effect worden verleend die zij genieten in de lidstaat waar zij zijn gegeven (zie reeds aangehaald arrest Hoffmann, punten 10 en 11), maar dat is nog geen reden om aan een beslissing bij de tenuitvoerlegging ervan rechten toe te kennen die deze in de lidstaat van herkomst niet heeft [zie rapport-Jenard over het verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1979, C 59, blz. 48)], of gevolgen die een soortgelijke, in de aangezochte lidstaat rechtstreeks gegegeven beslissing niet zou hebben.

67      In het hoofdgeding kan echter niet op goede gronden worden gesteld dat de betrokken beslissingen in de lidstaat van herkomst niet uitvoerbaar zijn.

68      Het gaat namelijk om veroordelingen die volgens het in artikel 54 van verordening nr. 44/2001 bedoelde certificaat op de datum van afgifte daarvan in de lidstaat van herkomst uitvoerbaar zijn.

69      Dienaangaande zij opgemerkt dat verordening nr. 44/2001 enkel regels stelt voor de procedure tot verkrijging van verlof tot tenuitvoerlegging van buitenlandse executoriale titels en niet voor de tenuitvoerlegging zelf, die onderworpen blijft aan het nationale recht van de aangezochte rechter (zie arresten van 2 juli 1985, Deutsche Genossenschaftsbank, 148/84, Jurispr. blz. 1981, punt 18, en 3 oktober 1985, Capelloni en Aquilini, 119/84, Jurispr. blz. 3147, punt 16, en reeds aangehaald arrest Hoffmann, punt 27), zonder dat de toepassing, in het kader van de tenuitvoerlegging, van de procedureregels van de aangezochte lidstaat, afbreuk mag doen aan de nuttige werking van het bij die verordening voorziene exequatursysteem door de beginselen te doorkruisen die de verordening zelf uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend met betrekking tot de onderhavige materie stelt (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Capelloni en Aquilini, punt 21 en Hoffmann, punt 29, en arrest van 15 mei 1990, Hagen, C‑365/88, Jurispr. blz. I‑1845, punt 20).

70      Dat de verzoekers bij de tenuitvoerlegging van de betrokken beslissingen in het noordelijke deel moeilijkheden kunnen ondervinden, kan die beslissingen niet hun uitvoerbaarheid ontnemen en belet derhalve de gerechten van de aangezochte lidstaat niet die beslissingen uitvoerbaar te verklaren.

71      Gelet op het voorgaande, moet op de derde vraag worden geantwoord dat het feit dat een beslissing van de gerechten van een lidstaat betreffende een stuk grond in een gebied van die staat waarover de regering daarvan niet feitelijk het gezag uitoefent, in de praktijk niet ten uitvoer kan worden gelegd daar waar het stuk grond zich bevindt, geen grond oplevert om de erkenning of de tenuitvoerlegging uit hoofde van artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001 te weigeren en ook niet betekent dat een dergelijke beslissing niet uitvoerbaar is in de zin van artikel 38, lid 1, van die verordening.

 Vierde vraag

72      Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de erkenning dan wel de tenuitvoerlegging van een bij verstek gegeven beslissing op grond van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 kan worden geweigerd omdat het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder is betekend of meegedeeld, wanneer de verweerder een rechtsmiddel tegen de beslissing heeft kunnen aanwenden bij de gerechten van de lidstaat van herkomst.

73      In dit verband blijkt uit de punten 16 tot en met 18 van de considerans van verordening nr. 44/2001 dat het daarin geregelde stelsel van rechtsmiddelen tegen de erkenning of de tenuitvoerlegging van een beslissing ertoe strekt een juist evenwicht tot stand te brengen tussen het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling in de Unie, dat rechtvaardigt dat de in een lidstaat gegeven beslissingen in een andere lidstaat in beginsel van rechtswege worden erkend en uitvoerbaar verklaard, en de eerbiediging van de rechten van verdediging die inhoudt dat de verweerder de mogelijkheid moet hebben in een procedure op tegenspraak een rechtsmiddel aan te wenden tegen de verklaring van uitvoerbaarheid, wanneer hij van mening is dat een van de gronden voor niet-uitvoering van toepassing is.

74      Het Hof heeft in het arrest van 14 december 2006, ASML (C‑283/05, Jurispr. blz. I‑12041), gewezen op de verschillen tussen artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 en artikel 27, punt 2, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32).

75      Voornoemd artikel 34, punt 2, eist anders dan voornoemd artikel 27, punt 2, niet dat de betekening of mededeling per se regelmatig is geweest, maar dat de rechten van verdediging daadwerkelijk zijn geëerbiedigd (reeds aangehaald arrest ASML, punt 20).

76      Luidens de artikelen 34, punt 2, en 45, lid 1, van verordening nr. 44/2001 dient de erkenning of de tenuitvoerlegging van een bij verstek gegeven beslissing in geval van een rechtsmiddel te worden geweigerd, indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of meegedeeld, tenzij de verweerder tegen deze beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend bij de gerechten van de lidstaat van herkomst terwijl hij daartoe in staat was.

77      Uit de bewoordingen van voornoemde bepalingen blijkt dat een beslissing die bij verstek is gegeven op basis van een gedinginleidend stuk dat niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend, dient te worden erkend wanneer laatstgenoemde geen stappen heeft ondernomen om tegen die beslissing beroep in te stellen terwijl hij daartoe in staat was.

78      De rechten van verdediging die de gemeenschapswetgever met artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 heeft willen veiligstellen, worden a fortiori geëerbiedigd wanneer de verweerder daadwerkelijk een rechtsmiddel heeft aangewend tegen de bij verstek gegeven beslissing en daardoor heeft kunnen geldend maken dat het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk hem niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, was betekend of meegedeeld.

79      In het hoofdgeding staat vast dat de echtelieden Orams in de lidstaat van herkomst een dergelijk rechtsmiddel tegen de verstekbeslissing van 9 november 2004 hebben aangewend. Bijgevolg kan niet met vrucht een beroep op artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 worden gedaan.

80      Gelet op het voorgaande, moet op de vierde vraag worden geantwoord dat de erkenning of de tenuitvoerlegging van een bij verstek gegeven beslissing niet op grond van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 kan worden geweigerd wanneer de verweerder een rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden tegen de bij verstek gegeven beslissing en daardoor heeft kunnen geldend maken dat het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk hem niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, was betekend of meegedeeld.

 Vijfde vraag

81      Gelet op het antwoord op de vierde vraag, behoeft de vijfde vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

82      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Grote kamer) verklaart voor recht:

1)      De opschorting van de invoering van het acquis communautaire in de zones van de Republiek Cyprus waarover de regering van die lidstaat niet feitelijk het gezag uitoefent, als bedoeld in artikel 1, lid 1, van protocol nr. 10 over Cyprus van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, staat niet in de weg aan de toepassing van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, op een beslissing die is gegeven door een Cypriotisch gerecht dat zetelt in het door de Cypriotische regering feitelijk gecontroleerde gebied van het eiland, maar die betrekking heeft op een in voornoemde zones gelegen stuk grond.

2)      Op grond van artikel 35, lid 1, van verordening nr. 44/2001 is een gerecht van een lidstaat niet bevoegd, de erkenning of de tenuitvoerlegging te weigeren van een beslissing van de gerechten van een andere lidstaat die betrekking heeft op een stuk grond in een gebied van laatstgenoemde lidstaat waarover de regering van die lidstaat niet feitelijk het gezag uitoefent.

3)      Het feit dat een beslissing van de gerechten van een lidstaat betreffende een stuk grond in een gebied van die staat waarover de regering daarvan niet feitelijk het gezag uitoefent, in de praktijk niet ten uitvoer kan worden gelegd daar waar het stuk grond zich bevindt, levert geen grond op om de erkenning of de tenuitvoerlegging uit hoofde van artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001 te weigeren, en betekent ook niet dat een dergelijke beslissing niet uitvoerbaar is in de zin van artikel 38, lid 1, van voornoemde verordening.

4)      De erkenning of de tenuitvoerlegging van een bij verstek gegeven beslissing kan niet op grond van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 worden geweigerd wanneer de verweerder een rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden tegen de bij verstek gegeven beslissing en daardoor heeft kunnen geldend maken dat het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk hem niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, was betekend of meegedeeld.

ondertekeningen


* Procestaal: Engels.