Zaak C‑2/06

Willy Kempter KG

tegen

Hauptzollamt Hamburg-Jonas

(verzoek van het Finanzgericht Hamburg om een prejudiciële beslissing)

„Uitvoer van runderen – Restituties bij uitvoer – Definitief geworden besluit van bestuursorgaan – Interpretatie van arrest van Hof – Gevolgen van na dat besluit gewezen prejudicieel arrest van Hof – Heronderzoek en intrekking – Beperkingen in tijd – Rechtszekerheid – Beginsel van samenwerking – Artikel 10 EG”

Samenvatting van het arrest

1.        Lidstaten – Verplichtingen – Verplichting tot samenwerking – Verplichting voor bestuursorgaan om definitief geworden besluit opnieuw te onderzoeken teneinde rekening te houden met uitlegging die Hof inmiddels aan relevante bepaling heeft gegeven

(Art. 10 EG)

2.        Lidstaten – Verplichtingen – Verplichting tot samenwerking – Verplichting voor bestuursorgaan om definitief geworden besluit opnieuw te onderzoeken teneinde rekening te houden met uitlegging die Hof inmiddels aan relevante bepaling heeft gegeven

(Art. 10 EG)

1.        In het kader van een procedure voor een bestuursorgaan strekkende tot heronderzoek van een bestuursbesluit dat ingevolge een arrest van een rechter in laatste aanleg definitief is geworden, welk arrest, gelet op een latere uitspraak van het Hof, op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht berust, vereist het gemeenschapsrecht niet dat de verzoekende partij in het hoofdgeding zich op dat recht heeft beroepen in het kader van het beroep in rechte dat zij naar nationaal recht tegen dat besluit had ingesteld. Hoewel het gemeenschapsrecht niet vereist dat een bestuursorgaan in beginsel moet terugkomen op een definitief bestuursbesluit, kan een dergelijk orgaan immers in bijzondere omstandigheden op grond van het in artikel 10 EG vervatte beginsel van samenwerking toch gehouden zijn, een definitief geworden bestuursbesluit opnieuw te onderzoeken teneinde rekening te houden met de uitlegging die het Hof nadien aan een relevante bepaling van gemeenschapsrecht heeft gegeven. Eén van de voorwaarden voor het ontstaan van een dergelijke verplichting tot heronderzoek, namelijk de omstandigheid dat het arrest van de rechter in laatste aanleg, op grond waarvan het betwiste bestuursbesluit definitief is geworden, gelet op latere rechtspraak van het Hof, berustte op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht, gegeven zonder dat het Hof was verzocht om een prejudiciële beslissing, kan niet aldus worden uitgelegd dat de partijen het betrokken punt van gemeenschapsrecht voor de nationale rechter moeten hebben aangevoerd. Dienaangaande is het voldoende dat dit punt van gemeenschapsrecht, waarvan de uitlegging in het licht van een later arrest van het Hof onjuist is gebleken, door de nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, werd onderzocht dan wel door haar ambtshalve had kunnen worden behandeld. Het gemeenschapsrecht verplicht de nationale rechter er immers weliswaar niet toe, ambtshalve een rechtsgrond ontleend aan schending van gemeenschapsbepalingen in het geding te brengen wanneer hij voor het onderzoek van dat middel buiten de grenzen van de door partijen afgebakende rechtsstrijd zou moeten treden, maar die rechter dient de aan een dwingende regel van gemeenschapsrecht ontleende rechtsgronden ambtshalve in het geding te brengen indien hij naar nationaal recht de verplichting of de mogelijkheid heeft dit te doen met betrekking tot een dwingende regel van nationaal recht.

(cf. punten 37‑39, 44-46, dictum 1)

2.        Het gemeenschapsrecht voorziet niet in een beperking in de tijd voor de indiening van een verzoek tot heronderzoek van een definitief geworden bestuursbesluit. Het staat de lidstaten evenwel vrij om in overeenstemming met de communautaire beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid redelijke beroepstermijnen vast te stellen.

(cf. punt 60, dictum 2)







ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

12 februari 2008 (*)

„Uitvoer van runderen – Restituties bij uitvoer – Definitief geworden besluit van bestuursorgaan – Interpretatie van arrest van Hof – Gevolgen van na dat besluit gewezen prejudicieel arrest van Hof – Heronderzoek en intrekking – Beperkingen in tijd – Rechtszekerheid – Beginsel van samenwerking – Artikel 10 EG”

In zaak C‑2/06,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) bij beslissing van 21 november 2005, ingekomen bij het Hof op 4 januari 2006, in de procedure

Willy Kempter KG

tegen

Hauptzollamt Hamburg-Jonas,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Grote kamer),

samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas, K. Lenaerts en A. Tizzano (rapporteur), kamerpresidenten, J. N. Cunha Rodrigues, A. Borg Barthet, M. Ilešič, P. Lindh en J.‑C. Bonichot, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: J. Swedenborg, administrateur,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Willy Kempter KG, vertegenwoordigd door K. Makowe, Rechtsanwalt,

–        de Tsjechische Republiek, vertegenwoordigd door T. Boček als gemachtigde,

–        de Republiek Finland, vertegenwoordigd door E. Bygglin als gemachtigde,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Erlbacher en T. van Rijn als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 april 2007,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het in artikel 10 EG neergelegde beginsel van samenwerking, bezien tegen de achtergrond van het arrest van 13 januari 2004, Kühne & Heitz (C‑453/00, Jurispr. blz. I‑837).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Willy Kempter KG (hierna: „Kempter”) en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna: „Hauptzollamt”) betreffende de toepassing van §§ 48 en 51 van het Verwaltungsverfahrensgesetz (Duitse wet op de administratieve rechtspleging) van 25 mei 1976 (BGBl. 1976 I, blz. 1253; hierna: „VwVfG”).

 Toepasselijke bepalingen

 Gemeenschapsregeling

3        Artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1) luidt als volgt:

„Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 16, mag de restitutie slechts worden uitbetaald als het bewijs is geleverd dat de producten waarvoor de uitvoeraangifte is aanvaard, uiterlijk zestig dagen na die aanvaarding in ongewijzigde staat het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten.”

4        Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 3665/87 bepaalt:

„Voor betaling van de al dan niet gedifferentieerde restitutie geldt niet alleen de voorwaarde dat het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, maar ook dat:

a)      wanneer ernstige twijfel bestaat omtrent de werkelijke bestemming van het product,

[...]

het product binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in een derde land en, in voorkomend geval, in een bepaald derde land is ingevoerd, tenzij het tijdens het vervoer als gevolg van overmacht verloren is gegaan. [...]

[...]”

 Nationale regeling

5        § 48, lid 1, eerste volzin, VwVfG bepaalt dat een onrechtmatige bestuurshandeling, ook indien daartegen niet meer kan worden opgekomen, geheel of gedeeltelijk en al dan niet met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken.

6        § 51 VwVfG betreft de heropening van procedures die zijn beëindigd door een definitief geworden bestuurshandeling. Volgens § 51, lid 1, VwVfG dient de betrokken autoriteit op verzoek van de belanghebbende te beslissen over de nietigverklaring of wijziging van een definitieve bestuurshandeling:

–        indien de aan de handeling ten grondslag liggende situatie feitelijk of rechtens zich nadien ten gunste van de belanghebbende heeft gewijzigd;

–        indien er nieuw bewijsmateriaal aanwezig is dat tot een voor de belanghebbende gunstiger besluit zou hebben geleid, en

–        indien er gronden zijn voor heropening overeenkomstig § 580 van de Zivilprozessordnung (Duits wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

7        § 51, lid 3, VwVfG preciseert dat een dergelijk verzoek moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de belanghebbende kennis heeft genomen van de omstandigheden op grond waarvan de procedure kan worden heropend.

 Aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten en prejudiciële vragen

8        Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft Kempter van 1990 tot en met 1992 naar verschillende Arabische staten en landen van het voormalige Joegoslavië runderen uitgevoerd. Op grond hiervan heeft zij overeenkomstig de toentertijd geldende verordening nr. 3665/87 van het Hauptzollamt uitvoerrestituties gevraagd en gekregen.

9        Bij een controle stelde de Betriebsprüfungsstelle Zoll (de controledienst van de douane) van de Oberfinanzdirektion (regionale directie der financiën) van Freiburg vast dat een deel van de dieren, vóór de invoer ervan in de hierboven bedoelde derde landen, was gestorven of een noodslachting had ondergaan op weg naar of tijdens de quarantaine in het land van bestemming.

10      Bij besluit van 10 augustus 1995 vorderde het Hauptzollamt derhalve van Kempter de door haar ontvangen uitvoerrestituties terug.

11      Kempter heeft tegen dat besluit beroep ingesteld, maar voerde daarbij geen schendingen van het gemeenschapsrecht aan. Bij vonnis van 16 juni 1999 heeft het Finanzgericht Hamburg dit beroep verworpen, op grond dat verzoekster niet het bewijs had geleverd dat de dieren in een derde land waren ingevoerd binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer was aanvaard, zoals door artikel 5, lid 1, sub a, van verordening nr. 3665/87 vereist voor de betaling van de restituties. Bij beschikking van 11 mei 2000 heeft het Bundesfinanzhof het door Kempter tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep in laatste instantie verworpen.

12      Bijgevolg is het terugvorderingsbesluit van het Hauptzollamt van 10 augustus 1995 definitief geworden.

13      In zijn arrest van 14 december 2000, Emsland-Stärke (C‑110/99, Jurispr. blz. I‑11569, punt 48), heeft het Hof geoordeeld dat de voorwaarde, volgens welke de in een gemeenschapsverordening vastgestelde uitvoerrestituties slechts worden toegekend indien de goederen in een derde land zijn ingevoerd, slechts vóór de toekenning van de restituties aan de begunstigde ervan kan worden tegengeworpen.

14      In een arrest van 21 maart 2002 heeft het Bundesfinanzhof deze uitlegging van het Hof toegepast in een andere zaak. Kempter stelt dat zij op 1 juli 2002 kennis heeft genomen van dit arrest.

15      Met een beroep op dat arrest van het Bundesfinanzhof heeft Kempter op 16 september 2002, dus circa 21 maanden na de uitspraak van het reeds aangehaalde arrest Emsland-Stärke, op grond van § 51, lid 1, VwVfG het Hauptzollamt verzocht het betrokken terugvorderingsbesluit opnieuw te onderzoeken en in te trekken.

16      Bij besluit van 5 november 2002 heeft het Hauptzollamt het verzoek van Kempter afgewezen, waarbij het erop wees dat deze omslag in de rechtspraak geen wijziging van het recht inhield die als zodanig grond opleverde voor heropening van de procedure overeenkomstig § 51, lid 1, eerste streepje, VwVfG. Op 25 maart 2003 is een tegen dit besluit ingediend bezwaar eveneens afgewezen.

17      Kempter is vervolgens opnieuw in beroep gegaan bij het Finanzgericht Hamburg, waarbij zij inzonderheid heeft gesteld dat in het onderhavige geval de voorwaarden voor heronderzoek van een definitief bestuursbesluit, zoals door het Hof geformuleerd in zijn arrest Kühne & Heitz, waren vervuld zodat het terugvorderingsbesluit van het Hauptzollamt van 10 augustus 1995 diende te worden ingetrokken.

18      Het Finanzgericht Hamburg stelt in zijn verwijzingsbeschikking om te beginnen vast, dat het terugvorderingsbesluit van het Hauptzollamt van 10 augustus 1995 onrechtmatig is in het licht van het reeds aangehaalde arrest Emsland-Stärke en het arrest van het Bundesfinanzhof van 21 maart 2002. Het Finanzgericht Hamburg vraagt zich vervolgens af, of het Hauptzollamt derhalve verplicht is dit besluit, dat inmiddels definitief is geworden, opnieuw te onderzoeken, hoewel verzoekster zich noch voor het Finanzgericht Hamburg noch voor het Bundesfinanzhof had beroepen op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht, te weten van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 3665/87.

19      De verwijzende rechter brengt in herinnering dat het Hof in zijn arrest Kühne & Heitz voor recht heeft verklaard dat:

„Ingevolge het in artikel 10 EG vervatte samenwerkingsbeginsel moet een bestuursorgaan een definitief geworden besluit desgevraagd opnieuw onderzoeken teneinde rekening te houden met de uitlegging die het Hof inmiddels aan de relevante bepaling van gemeenschapsrecht heeft gegeven, wanneer:

–        hij naar nationaal recht bevoegd is om op dat besluit terug te komen;

–        het in geding zijnde besluit definitief is geworden ten gevolge van een uitspraak van een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep;

–        voormelde uitspraak, gelet op latere rechtspraak van het Hof, berust op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht, gegeven zonder dat het Hof overeenkomstig artikel 234, derde alinea, EG is verzocht om een prejudiciële beslissing, en

–        de betrokkene zich tot het bestuursorgaan heeft gewend onmiddellijk na van die rechtspraak kennis te hebben genomen.”

20      Het Finanzgericht Hamburg is van oordeel dat in casu is voldaan aan de eerste twee in het vorige punt genoemde voorwaarden, gelet op het feit dat, enerzijds, het Hauptzollamt krachtens § 48, lid 1, eerste volzin, VwVfG over de bevoegdheid beschikt om zijn terugvorderingsbesluit van 10 augustus 1995 in te trekken, en anderzijds, dit besluit zeker definitief is geworden als gevolg van de beschikking van het Bundesfinanzhof van 11 mei 2000, dat in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan.

21      Wat de derde in het arrest Kühne & Heitz gestelde voorwaarde betreft, vraagt het Finanzgericht Hamburg zich af of deze voorwaarde aldus moet worden opgevat dat, enerzijds, de belanghebbende de bestuurshandeling op grond van het gemeenschaprecht in rechte moet hebben aangevochten en, anderzijds, de nationale rechter het beroep moet hebben verworpen zonder het Hof om een prejudiciële beslissing te hebben verzocht. In dat geval kan die voorwaarde niet worden geacht in casu te zijn vervuld, en dient het beroep van verzoekster in het hoofdgeding bijgevolg te worden verworpen, aangezien Kempter zich noch voor het Finanzgericht Hamburg noch voor het Bundesfinanzhof heeft beroepen op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht.

22      Het Finanzgericht Hamburg meent evenwel uit het arrest Kühne & Heitz te kunnen afleiden dat de verzoekende partij in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, evenmin had verzocht om een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen.

23      In de motivering van de verwijzingsbeschikking suggereert het Finanzgericht Hamburg overigens dat het de gelaedeerde particulier niet mag worden verweten wanneer de nationale rechters zelf het belang van een verzoek tot uitlegging van het gemeenschapsrecht niet hebben ingezien.

24      Wat de vierde in het arrest Kühne & Heitz gestelde voorwaarde betreft, is het Finanzgericht Hamburg van oordeel dat daaraan is voldaan indien de particulier die wordt benadeeld door het met het gemeenschapsrecht onverenigbare bestuursbesluit, „onverwijld” of „zonder onverschoonbare vertraging” het bestuursorgaan verzoekt om dat besluit opnieuw te onderzoeken, zodra hij daadwerkelijk kennis heeft genomen van de relevante rechtspraak van het Hof.

25      Volgens het Finanzgericht Hamburg kan het door Kempter bij het Hauptzollamt ingediende verzoek tot heronderzoek, hoewel het 21 maanden na de uitspraak van het arrest Emsland-Stärke werd ingediend, in de omstandigheden van het hoofdgeding niet worden geacht te laat te zijn ingediend, aangezien het pas op 16 september 2002 werd ingediend, dus binnen een termijn van drie maanden nadat Kempter naar eigen zeggen kennis heeft genomen van het arrest van het Bundesfinanzhof waarin het arrest Emsland-Stärke werd toegepast.

26      Aangezien bestuursorganen de uitlegging die het Hof in een prejudicieel arrest aan een bepaling van gemeenschapsrecht heeft gegeven moeten toepassen op rechtsbetrekkingen die reeds vóór dit arrest bestonden, vraagt de verwijzende rechter zich af, of de mogelijkheid om te verzoeken om heronderzoek of intrekking van een definitief bestuursbesluit dat het gemeenschapsrecht schendt, geen beperkingen in de tijd kent dan wel om redenen van rechtszekerheid gebonden moet zijn aan een termijn.

27      Daarop heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Vereisen het heronderzoek en [de intrekking] van een definitief geworden bestuursbesluit, om rekening te houden met de uitlegging die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inmiddels aan het relevante gemeenschapsrecht heeft gegeven, dat de betrokkene het besluit op grond van het gemeenschapsrecht voor de nationale rechter heeft aangevochten?

2)      Is een verzoek tot heronderzoek en [intrekking] van een definitief geworden bestuursbesluit dat in strijd is met het gemeenschapsrecht, afgezien van de in het arrest [Kühne & Heitz] gestelde voorwaarden, om dwingende reden van gemeenschapsrecht aan een termijn gebonden?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

28      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of uit het arrest Kühne & Heitz voortvloeit, dat een bestuursbesluit dat ingevolge een arrest van een rechter in laatste aanleg definitief is geworden, slechts opnieuw moet worden onderzocht en ingetrokken (of juister: herzien) indien de verzoekende partij in het hoofdgeding zich heeft beroepen op het gemeenschapsrecht in het kader van het beroep in rechte dat zij naar nationaal recht tegen dat besluit heeft ingesteld.

 Bij het Hof ingediende opmerkingen

29      Kempter, de Finse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen menen dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord.

30      Kempter merkt om te beginnen op dat uit artikel 234, derde alinea, EG niet volgt dat de nationale rechter slechts verplicht is een prejudiciële vraag te stellen indien de partijen in het hoofdgeding voor hem hebben aangevoerd dat het gemeenschapsrecht onjuist is uitgelegd. Hieraan voegt de Commissie toe dat een dergelijke voorwaarde uit de motivering noch het dictum van het arrest Kühne & Heitz volgt.

31      Kempter en de Commissie merken voorts op dat de verplichting tot prejudiciële verwijzing, die overeenkomstig artikel 234, derde alinea, EG rust op nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, evenmin kan afhangen van de omstandigheid of partijen een dergelijk verzoek aan die instanties hebben gedaan.

32      Ten slotte is de Finse regering enerzijds van mening dat het vereiste, dat de partijen in het hoofdgeding voor de nationale rechter hebben aangevoerd dat het gemeenschapsrecht onjuist is uitgelegd, de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde erkende rechten praktisch onmogelijk zou kunnen maken en aldus tegen het doeltreffendheidsbeginsel zou kunnen indruisen. Anderzijds mag de gelaedeerde burger niet worden verweten dat een nationale rechter het belang van een gemeenschapsrechtelijk vraagstuk niet heeft ingezien.

33      De Tsjechische regering van haar kant betoogt dat een beperking van het heronderzoek en de intrekking van een definitief bestuursbesluit tot die gevallen waarin de belanghebbende dit besluit heeft aangevochten voor de nationale rechterlijke instanties door zich te beroepen op het gemeenschapsrecht, slechts mogelijk is voor zover deze instanties naar nationaal recht de mogelijkheid noch de verplichting zouden hebben om het gemeenschapsrecht ambtshalve toe te passen, en hiermee de eerbiediging van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid niet zou worden belemmerd.

 Antwoord van het Hof

34      Ter beantwoording van de eerste vraag zij om te beginnen eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak alle autoriteiten van de lidstaten in de uitoefening van hun bevoegdheden de eerbiediging van de regels van gemeenschapsrecht dienen te verzekeren (zie arrest van 12 juni 1990, Duitsland/Commissie, C‑8/88, Jurispr. blz. I‑2321, punt 13, en arrest Kühne & Heitz, reeds aangehaald, punt 20).

35      Voorts zij eraan herinnerd dat de uitlegging die het Hof krachtens de hem bij artikel 234 EG verleende bevoegdheid aan een voorschrift van gemeenschapsrecht geeft, zo nodig de betekenis en de strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van de inwerkingtreding ervan moet of had moeten worden verstaan en toegepast, verklaart en preciseert (zie met name arresten van 27 maart 1980, Denkavit italiana, 61/79, Jurispr. blz. 1205, punt 16, en 10 februari 2000, Deutsche Telekom, C‑50/96, Jurispr. blz. I‑743, punt 43, alsmede arrest Kühne & Heitz, punt 21). Een prejudicieel arrest is met andere woorden louter declaratoir en niet constitutief van aard, zodat het in beginsel tot de datum van inwerkingtreding van het uitgelegde voorschrift terugwerkt (zie in die zin arrest van 19 oktober 1995, Richardson, C‑137/94, Jurispr. blz. I‑3407, punt 33).

36      Hieruit volgt dat in een zaak als die van het hoofdgeding een aldus uitgelegd voorschrift van gemeenschapsrecht door een bestuursorgaan in de uitoefening van zijn bevoegdheden ook moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan vóór het arrest van het Hof waarin uitspraak wordt gedaan over het verzoek om uitlegging (arrest Kühne & Heitz, punt 22, en in die zin arresten van 3 oktober 2002, Barreira Pérez, C‑347/00, Jurispr. blz. I‑8191, punt 44; 17 februari 2005, Linneweber en Akritidis, C‑453/02 en C‑462/02, Jurispr. blz. I‑1131, punt 41, en 6 maart 2007, Meilicke e.a., C‑292/04, Jurispr. blz. I‑1835, punt 34).

37      Zoals het Hof in herinnering heeft gebracht moet deze rechtspraak evenwel worden gelezen tegen de achtergrond van het rechtszekerheidsbeginsel, dat tot de in het gemeenschapsrecht erkende algemene beginselen behoort. Dienaangaande moet worden vastgesteld dat het feit dat een bestuursbesluit definitief is geworden na het verstrijken van redelijke beroepstermijnen of, zoals in het hoofdgeding, na uitputting van alle rechtsmiddelen, bijdraagt tot die rechtszekerheid, zodat het gemeenschapsrecht niet vereist dat een bestuursorgaan in beginsel moet terugkomen op een dergelijk definitief bestuursbesluit (arrest Kühne & Heitz, punt 24).

38      Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat een nationaal bestuursorgaan in bijzondere omstandigheden op grond van het in artikel 10 EG vervatte samenwerkingsbeginsel gehouden kan zijn, een na uitputting van de nationale rechtsmiddelen definitief geworden bestuursbesluit opnieuw te onderzoeken teneinde rekening te houden met de uitlegging die het Hof nadien aan een relevante bepaling van gemeenschapsrecht heeft gegeven (zie in die zin arrest Kühne & Heitz, punt 27, en arrest van 19 september 2006, i-21 Germany en Arcor, C‑392/04 en C‑422/04, Jurispr. blz. I‑8559, punt 52).

39      Zoals de verwijzende rechter in herinnering brengt, blijkt uit de punten 26 en 28 van het arrest Kühne & Heitz dat het Hof als één van de voorwaarden op grond waarvan een dergelijke verplichting tot heronderzoek kan ontstaan, met name de omstandigheid heeft aangemerkt, dat het arrest van de rechter in laatste aanleg, op grond waarvan het betwiste bestuursbesluit definitief is geworden, gelet op latere rechtspraak van het Hof, berustte op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht, gegeven zonder dat het Hof overeenkomstig artikel 234, derde alinea, EG was verzocht om een prejudiciële beslissing.

40      De onderhavige prejudiciële vraag strekt er evenwel uitsluitend toe te vernemen, of een dergelijke voorwaarde slechts is vervuld indien de verzoeker in het hoofdgeding zich op het gemeenschapsrecht heeft beroepen in het kader van het door hem tegen het betrokken bestuursbesluit ingestelde beroep in rechte.

41      Dienaangaande zij benadrukt dat de regeling die in artikel 234 EG is neergelegd ter verzekering van de eenheid van uitlegging van het gemeenschapsrecht in de lidstaten, een rechtstreekse samenwerking tot stand brengt tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties in de vorm van een procedure, waaraan ieder initiatief van partijen vreemd is (zie in die zin arresten van 27 maart 1963, Da Costa e.a., 28/62–30/62, Jurispr. blz. 60, 78; 1 maart 1973, Bollmann, 62/72, Jurispr. blz. 269, punt 4, en 10 juli 1997, Palmisani, C‑261/95, Jurispr. blz. I‑4025, punt 31).

42      Zoals de advocaat-generaal in de punten 100 tot en met 104 van zijn conclusie preciseert, berust de prejudiciële verwijzing immers op een dialoog van rechter tot rechter, waarvan het initiatief volledig afhankelijk is van de beoordeling door de nationale rechter van de relevantie en de noodzaak van deze verwijzing (zie in die zin arrest van 16 juni 1981, Salonia, 126/80, Jurispr. blz. 1563, punt 7).

43      Overigens, zoals de Commissie en de advocaat-generaal in de punten 93 tot en met 95 van zijn conclusie opmerken, vermeldt het arrest Kühne & Heitz geenszins dat de verzoekende partij zich in het kader van haar naar nationaal recht ingestelde beroep in rechte dient te beroepen op het punt van gemeenschapsrecht dat later aan de orde was in het prejudiciële arrest van het Hof.

44      Uit het arrest Kühne & Heitz kan bijgevolg niet worden afgeleid dat de daarin geformuleerde derde voorwaarde slechts is vervuld wanneer de partijen het betrokken punt van gemeenschapsrecht voor de nationale rechter hebben aangevoerd. Aan deze voorwaarde is immers reeds voldaan wanneer dit punt van gemeenschapsrecht, waarvan de uitlegging in het licht van een later arrest van het Hof onjuist is gebleken, door de nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep werd onderzocht dan wel door haar ambtshalve had kunnen worden opgeworpen.

45      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het gemeenschapsrecht de nationale rechter er weliswaar niet toe verplicht, ambtshalve een rechtsgrond in het geding te brengen ontleend aan schending van gemeenschapsbepalingen, wanneer hij voor het onderzoek van dat middel buiten de grenzen van de door partijen afgebakende rechtsstrijd zou moeten treden, maar die rechter dient de aan een dwingende regel van gemeenschapsrecht ontleende rechtsgronden ambtshalve in het geding te brengen indien hij op grond van het nationale recht de verplichting of de mogelijkheid heeft dit te doen met betrekking tot een dwingende regel van nationaal recht (zie in die zin arresten van 14 december 1995, Van Schijndel en Van Veen, C‑430/93 en C‑431/93, Jurispr. blz. I‑4705, punten 13, 14 en 22, en 24 oktober 1996, Kraaijeveld e.a., C‑72/95, Jurispr. blz. I‑5403, punten 57, 58 en 60).

46      Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat, in het kader van een procedure voor een bestuursorgaan strekkende tot heronderzoek van een bestuursbesluit dat ingevolge een arrest van een rechter in laatste aanleg definitief is geworden, welk arrest, gelet op een latere uitspraak van het Hof, op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht berust, het gemeenschapsrecht niet vereist dat de verzoekende partij in het hoofdgeding zich op dat recht heeft beroepen in het kader van het beroep in rechte dat zij naar nationaal recht tegen dat besluit heeft ingesteld.

 Tweede vraag

47      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het gemeenschapsrecht voorziet in een beperking in de tijd voor de indiening van een verzoek tot heronderzoek van een definitief geworden bestuursbesluit.

 Bij het Hof ingediende opmerkingen

48      Kempter stelt om te beginnen dat het gemeenschapsrecht geen enkele specifieke bepaling kent met betrekking tot een verval‑ of verjaringstermijn voor verzoeken tot heronderzoek. Zij voegt hieraan toe dat de belanghebbende, overeenkomstig het arrest Kühne & Heitz, zijn recht op heronderzoek van het definitief geworden bestuursbesluit slechts geldend kan maken indien een nationale bepaling dit toestaat. Er dient dus rekening te worden gehouden met de nationale bepalingen inzake verjaring om de vraag te kunnen beantwoorden of dit recht al dan niet in de tijd is beperkt.

49      Kempter stelt voorts dat, indien bepalingen van gemeenschapsrecht inzake verval‑ of verjaringstermijnen analoog worden toegepast, haar verzoek nochtans niet als te laat ingediend moet worden beschouwd, aangezien het werd ingediend minder dan drie jaar na de conclusie van de advocaat-generaal in de zaak die aanleiding gaf tot het reeds aangehaalde arrest Emsland-Stärke, het tijdstip waarop een omslag in de vaste rechtspraak van de Duitse rechterlijke instanties denkbaar werd.

50      Wat de vierde door het Hof in zijn arrest Kühne & Heitz geformuleerde voorwaarde betreft, delen de Tsjechische en de Finse regering de mening van de verwijzende rechter dat de termijn die het Hof aldus in het leven heeft geroepen om om herziening van een definitief geworden bestuursbesluit te verzoeken, moet worden gekoppeld aan de daadwerkelijke kennis die de betrokkene van die rechtspraak heeft.

51      Bovendien zijn deze regeringen van mening dat het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet dat het recht om om heronderzoek van een onrechtmatig bestuursbesluit te verzoeken in de tijd is beperkt. De nationale procedurevoorschriften kunnen dus geldig bepalen dat dit soort verzoeken binnen bepaalde termijnen moet worden ingediend, vooropgesteld dat de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid worden geëerbiedigd.

52      Volgens de Commissie betreft de tweede prejudiciële vraag enkel het tijdvak tussen het wijzen van ’s Hofs arrest waaruit de onrechtmatigheid van het bestuursbesluit voortvloeit, en het verzoek van Kempter tot heronderzoek en intrekking van dit besluit.

53      Overigens geeft de Commissie aan dat het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten in de weg staat aan de vaststelling van een termijn op gemeenschapsniveau. Zij stelt om redenen van rechtszekerheid voor, om de vierde voorwaarde van het arrest Kühne & Heitz aan te vullen met het vereiste dat de betrokkene zich tot het bestuursorgaan heeft gewend onmiddellijk nadat hij van het prejudiciële arrest van het Hof waaruit de onrechtmatigheid van het definitief geworden bestuursbesluit voortvloeit, kennis heeft genomen, en wel binnen een termijn vanaf de uitspraak van dit arrest die, gelet op de beginselen van het nationale recht en in overeenstemming met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, redelijk lijkt.

 Antwoord van het Hof

54      Aangaande de vraag naar de tijdslimieten voor de indiening van een verzoek tot heronderzoek moet om te beginnen in herinnering worden gebracht dat, in de zaak die aanleiding gaf tot het arrest Kühne & Heitz, de verzoekende vennootschap het verzoek tot heronderzoek en herziening van het bestuursbesluit had ingediend binnen een termijn van drie maanden nadat zij kennis had genomen van het arrest van 5 oktober 1994, Voogd Vleesimport en ‑export (C‑151/93, Jurispr. blz. I‑4915), waaruit de onrechtmatigheid van het bestuursbesluit voortvloeide.

55      Het is juist dat het Hof, bij zijn beoordeling van de feitelijke omstandigheden van de zaak waarin het arrest Kühne & Heitz is gewezen, heeft vastgesteld dat rekening moest worden gehouden met de duur van de termijn waarin het verzoek tot heronderzoek was ingediend, en dat die duur, tezamen met de andere door de verwijzende rechter aangegeven omstandigheden, het heronderzoek van het bestreden bestuursbesluit rechtvaardigde. Het Hof heeft evenwel niet verlangd dat een verzoek tot heronderzoek onmiddellijk moest worden ingediend nadat de verzoeker kennis had genomen van de rechtspraak van het Hof waarop het verzoek was gebaseerd.

56      Zoals de advocaat-generaal in de punten 132 en 134 van zijn conclusie opmerkt, voorziet het gemeenschapsrecht evenwel niet in een precieze termijn voor de indiening van een verzoek tot heronderzoek. Bijgevolg kan de vierde door het Hof in zijn arrest Kühne & Heitz geformuleerde voorwaarde niet worden opgevat als een verplichting om het betrokken verzoek tot heronderzoek in te dienen binnen een welbepaalde termijn nadat de verzoeker kennis had genomen van de rechtspraak van het Hof waarop het verzoek zelf was gebaseerd.

57      Niettemin dient te worden gepreciseerd dat het volgens vaste rechtspraak bij ontbreken van een desbetreffende gemeenschapsregeling een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het gemeenschapsrecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en zij de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie met name arresten van 13 maart 2007, Unibet, C‑432/05, Jurispr. blz. I‑2271, punt 43, en 7 juni 2007, Van der Weerd e.a., C‑222/05–C‑225/05, Jurispr. blz. I‑4233, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58      Het Hof heeft dienovereenkomstig erkend dat het met het gemeenschapsrecht verenigbaar is dat in het belang van de rechtszekerheid redelijke beroepstermijnen worden vastgesteld die gelden op straffe van verval van recht (zie in die zin arresten van 16 december 1976, Rewe-Zentralfinanz en Rewe-Zentral, 33/76, Jurispr. blz. 1989, punt 5, en Comet, 45/76, Jurispr. blz. 2043, punten 17 en 18; arrest Denkavit italiana, reeds aangehaald, punt 23; arrest van 25 juli 1991, Emmott, C‑208/90, Jurispr. blz. I‑4269, punt 16; arrest Palmisani, reeds aangehaald, punt 28; arresten van 17 juli 1997, Haahr Petroleum, C‑90/94, Jurispr. blz. I‑4085, punt 48, en 24 september 2002, Grundig Italiana, C‑255/00, Jurispr. blz. I‑8003, punt 34). Dergelijke termijnen maken immers de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk (arrest Grundig Italiana, punt 34).

59      Uit deze vaste rechtspraak blijkt dat de lidstaten op grond van het rechtszekerheidsbeginsel mogen eisen dat een verzoek tot heronderzoek en intrekking van een definitief geworden bestuursbesluit dat in strijd is met het gemeenschapsrecht zoals dat later door het Hof is uitgelegd, binnen een redelijke termijn wordt ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan.

60      Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord dat het gemeenschapsrecht niet voorziet in een beperking in de tijd voor de indiening van een verzoek tot heronderzoek van een definitief geworden bestuursbesluit. Het staat de lidstaten evenwel vrij om in overeenstemming met de communautaire beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid redelijke beroepstermijnen vast te stellen.

 Kosten

61      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Grote kamer) verklaart voor recht:

1)      In het kader van een procedure voor een bestuursorgaan strekkende tot heronderzoek van een bestuursbesluit dat ingevolge een arrest van een rechter in laatste aanleg definitief is geworden, welk arrest, gelet op een latere uitspraak van het Hof, op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht berust, vereist het gemeenschapsrecht niet dat de verzoekende partij in het hoofdgeding zich op dat recht heeft beroepen in het kader van het beroep in rechte dat zij naar nationaal recht tegen dat besluit heeft ingesteld.

2)      Het gemeenschapsrecht voorziet niet in een beperking in de tijd voor de indiening van een verzoek tot heronderzoek van een definitief geworden bestuursbesluit. Het staat de lidstaten evenwel vrij om in overeenstemming met de communautaire beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid redelijke beroepstermijnen vast te stellen.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.