Zaak T‑217/02

Ter Lembeek International NV

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Staatssteun – Steun ten gunste van Belgische groep Beaulieu – Afstand van schuldvordering”

Samenvatting van het arrest

1.      Beroep tot nietigverklaring – Middelen – Middelen die kunnen worden aangevoerd tegen beschikking van Commissie inzake staatssteun

(Art. 88, lid 2, EG en 230 EG)

2.      Steunmaatregelen van de staten – Begrip

(Art. 87, lid 1, EG)

3.      Steunmaatregelen van de staten – Aantasting van mededinging

4.      Steunmaatregelen van de staten – Ongunstige beïnvloeding van handelsverkeer tussen lidstaten

(Verordening nr. 659/1999 van de Raad, art. 14)

5.      Steunmaatregelen van de staten – Onderzoek door Commissie

6.      Steunmaatregelen van de staten – Beschikking van Commissie houdende vaststelling van onverenigbaarheid van steunmaatregel met gemeenschappelijke markt – Motiveringsplicht – Omvang

(Art. 87, lid 1, EG en 253 EG)

1.      In het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG moet de rechtmatigheid van een gemeenschapshandeling worden beoordeeld aan de hand van de informatie die was meegedeeld op de datum waarop de handeling is vastgesteld. Inzonderheid door de Commissie verrichte ingewikkelde beoordelingen mogen enkel worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie beschikte op het ogenblik waarop zij die beoordelingen heeft verricht.

Dienaangaande kan de Commissie niet worden verweten, geen rekening te hebben gehouden met eventuele informatie die haar tijdens de administratieve procedure inzake staatssteun had kunnen worden meegedeeld, maar haar niet is meegedeeld, aangezien de Commissie niet verplicht is ambtshalve in te schatten welke gegevens haar hadden kunnen worden voorgelegd.

Bijgevolg kan een verzoeker die heeft deelgenomen aan de formele onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG, geen feitelijke argumenten inroepen die de Commissie niet bekend waren en die hij niet aan de Commissie heeft meegedeeld tijdens de formele onderzoeksprocedure. Daarentegen belet niets de belanghebbende, tegen de eindbeschikking een rechtsmiddel aan te voeren dat niet tijdens de administratieve procedure is voorgedragen.

Deze oplossing kan, behoudens geheel uitzonderlijke gevallen, worden uitgebreid tot het geval waarin een onderneming niet heeft deelgenomen aan de onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG.

Zo is zij van toepassing op een verzoeker die, ook al was hij volkomen bekend met de inleiding van een formele onderzoeksprocedure die inzonderheid zag op een afstand van schuldvordering die hem ten goede is gekomen, en met de noodzaak en het belang, dat hij bepaalde informatie zou verstrekken, wegens de reeds door de Commissie geuite twijfel over de verenigbaarheid van deze afstand van schuldvordering met het gemeenschapsrecht, heeft besloten om niet deel te nemen aan de formele onderzoeksprocedure, zonder overigens te stellen dat de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure onvoldoende was gemotiveerd om hem in staat te stellen nuttig zijn rechten uit te oefenen.

(cf. punten 82‑85, 90, 104)

2.      Wanneer een openbare instantie, die een zekere en liquide schuldvordering op een onderneming had, afstand heeft gedaan van deze vordering in ruil voor aandelen in een vennootschap waarvan de waarde ten tijde van de transactie nihil was, en die onderneming niet heeft aangetoond dat zij na deze afstand van schuldvordering dit bedrag heeft ingebracht in een andere vennootschap die er dus de begunstigde van zou zijn geweest, dient te worden geoordeeld dat die onderneming, in wier vermogen dat bedrag is gebleven, een overdracht van overheidsmiddelen in haar voordeel heeft genoten in de zin van artikel 87, lid 1, EG.

(cf. punten 169‑170)

3.      Steun waardoor een onderneming wordt bevrijd van kosten die zij in het kader van haar gewone bedrijfsvoering of van haar normale werkzaamheden normaliter zelf zou moeten dragen, vervalst in beginsel de mededingingsvoorwaarden.

Wanneer een overheidsinstantie een onderneming bevoordeelt die actief is in een sector waar hevige concurrentie heerst, wordt de mededinging verstoord, althans bestaat het risico dat dit gebeurt.

Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een openbare instantie zonder daadwerkelijke tegenprestatie afstand doet van een schuldvordering die zij had op een onderneming die actief is in een sector waar de mededinging volledig vrij is.

(cf. punten 177‑180)

4.      Wanneer financiële steun van een lidstaat de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt, moet dit handelsverkeer worden geacht door de steun ongunstig te worden beïnvloed.

Wanneer een holding steun ontvangt, neemt deze dan ook de vorm aan van een financieel voordeel op de markt waarop de door haar gecontroleerde vennootschappen actief zijn, die haar positie ten opzichte van de andere ondernemingen versterkt en haar in staat stelt haar exporten te doen toenemen.

Het verzoek om terugvordering van de waarde van dergelijke steun kan daarom niet worden beschouwd als een schending van het evenredigheidsbeginsel en van artikel 14 van verordening nr. 659/1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG].

(cf. punten 181, 184, 198-199)

5.      De Commissie kan geen discriminatie als gevolg van een verschillende behandeling van vergelijkbare situaties worden verweten op grond dat zij bij de vaststelling van het bedrag van een steunmaatregel verschillende methoden heeft gebruikt om de waarde te bepalen van aandelen die een vennootschap achtereenvolgens heeft verkregen en overgedragen, wanneer die waardering betrekking had op waarden op verschillende data en in verschillende contexten, de ene gekenmerkt door het bestaan van een bij overheidsregeling vastgestelde prijs en de andere door de bepaling van de waarde aan de hand van de economische realiteit.

(cf. punten 201, 207-211, 218)

6.      De motiveringsplicht van artikel 253 EG is een wezenlijk vormvoorschrift, dat moet worden onderscheiden van de vraag van de juistheid van de motivering, die de materiële wettigheid van de litigieuze handeling betreft. Gelet hierop moet de door artikel 253 EG verlangde motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen.

Bovendien moet dit vereiste worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van de zaak, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving, en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de eisen van artikel 253 EG voldoet, niet alleen moet worden gelet op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.

Wanneer dit beginsel wordt toegepast op de kwalificatie van een steunmaatregel, verlangt het dat wordt meegedeeld waarom de Commissie van oordeel is dat de betrokken steunmaatregel binnen de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG valt.

Gesteld dat steun is toegekend, moet de Commissie bovendien voldoende duidelijk de feiten en de overwegingen rechtens uiteenzetten die van wezenlijk belang zijn voor de strekking van de beschikking, zoals met name die aan de hand waarvan de verzoeker en de gemeenschapsrechter kunnen weten waarom de Commissie heeft geoordeeld dat de litigieuze transactie de mededinging verstoorde en een ongunstige invloed had op het handelsverkeer binnen de Unie.

(cf. punten 234‑236, 246)




ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid)

23 november 2006 (*)

„Staatssteun – Steun ten gunste van Belgische groep Beaulieu – Afstand van schuldvordering”

In zaak T‑217/02,

NV Ter Lembeek International, gevestigd te Wielsbeke (België), vertegenwoordigd door J.‑P. Vande Maele, F. Wijckmans en F. Tuytschaever, advocaten,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet en H. van Vliet als gemachtigden,

verweerster,

betreffende de nietigverklaring van de artikelen 1 en 2 van beschikking 2002/825/EG van de Commissie van 24 april 2002 betreffende de door België ten uitvoer gelegde steunmaatregel ten gunste van de groep Beaulieu (Ter Lembeek International) (PB L 296, blz. 60),

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, M. E. Martins Ribeiro, F. Dehousse, D. Šváby en K. Jürimäe, rechters,

griffier: J. Plingers, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 februari 2006,

het navolgende

Arrest

 Rechtskader

 Gemeenschapsregeling

1        Artikel 87, lid 1, EG bepaalt:

„Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.”

2        Artikel 88 EG luidt:

„1.      De Commissie onderwerpt tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de dienstige maatregelen voor, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de gemeenschappelijke markt vereist.

2.      Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel 87 niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, bepaalt zij dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn.

Indien deze staat dat besluit niet binnen de gestelde termijn nakomt, kan de Commissie of iedere andere belanghebbende staat zich in afwijking van de artikelen 226 en 227 rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden.

Op verzoek van een lidstaat kan de Raad met eenparigheid van stemmen beslissen dat een door die staat genomen of te nemen steunmaatregel in afwijking van de bepalingen van artikel 87 of van de in artikel 89 bedoelde verordeningen als verenigbaar moet worden beschouwd met de gemeenschappelijke markt, indien buitengewone omstandigheden een dergelijke beslissing rechtvaardigen. Als de Commissie met betrekking tot deze steunmaatregel de in de eerste alinea van dit lid vermelde procedure heeft aangevangen, wordt deze door het verzoek van de betrokken staat aan de Raad geschorst, totdat de Raad zijn standpunt heeft bepaald.

Evenwel, indien de Raad binnen een termijn van drie maanden te rekenen van het verzoek zijn standpunt niet heeft bepaald, beslist de Commissie.

3.      De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 87 onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.”

3        In artikel 7 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1), getiteld „Beschikkingen van de Commissie tot beëindiging van de formele onderzoeksprocedure”, is bepaald:

„1.      Onverminderd artikel 8 wordt de formele onderzoeksprocedure beëindigd bij een beschikking als bepaald in de leden 2 tot en met 5.

2.      Indien de Commissie, in voorkomend geval na wijziging van de aangemelde maatregel door de betrokken lidstaat, tot de bevinding komt dat die maatregel geen steun vormt, stelt zij dit bij beschikking vast.

3.      Indien de Commissie, in voorkomend geval na wijziging van de aangemelde maatregel door de betrokken lidstaat, tot de bevinding komt dat de twijfel over de verenigbaarheid van die maatregel met de gemeenschappelijke markt is weggenomen, geeft zij een beschikking luidens welke de steun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt (‚positieve beschikking’). In de beschikking wordt nader aangegeven welke uitzondering uit hoofde van het Verdrag is toegepast.

4.      De Commissie kan aan een positieve beschikking voorwaarden verbinden die haar in staat stellen de steun als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te beschouwen, alsmede verplichtingen opleggen die het toezicht op de naleving van de beschikking mogelijk maken (‚voorwaardelijke beschikking’).

5.      Indien de Commissie tot de bevinding komt dat de aangemelde steun niet met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is, geeft zij een beschikking houdende dat de steun niet tot uitvoering mag worden gebracht (‚negatieve beschikking’).

6.      Beschikkingen uit hoofde van de leden 2, 3, 4 en 5 worden gegeven zodra de in artikel 4, lid 4, bedoelde twijfel is weggenomen. De Commissie streeft er zoveel mogelijk naar binnen 18 maanden na de inleiding van de procedure een beschikking aan te nemen. Deze termijn kan worden verlengd in onderlinge overeenstemming tussen de Commissie en de betrokken lidstaat.

7.      Wanneer deze termijn is verstreken, geeft de Commissie op verzoek van de betrokken lidstaat binnen twee maanden een beschikking op basis van de informatie waarover zij beschikt. In voorkomend geval geeft de Commissie, wanneer de verstrekte informatie niet toereikend is om de verenigbaarheid vast te stellen, een negatieve beschikking.”

4        Artikel 13 van verordening nr. 659/1999, getiteld „Beschikkingen van de Commissie”, bepaalt:

„1.      Het onderzoek naar mogelijke onrechtmatige steun resulteert in een beschikking overeenkomstig artikel 4, leden 2, 3 of 4. In geval van een beschikking tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure wordt de procedure afgesloten bij een beschikking overeenkomstig artikel 7. Indien een lidstaat niet voldoet aan een bevel tot het verstrekken van informatie, wordt de beschikking op grond van de beschikbare informatie gegeven.

2.      In geval van eventuele onrechtmatige steun en onverminderd artikel 11, lid 2, is de Commissie niet aan de in artikel 4, lid 5, en artikel 7, leden 6 en 7, bepaalde termijn gebonden.

3.      Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.”

5        Artikel 14 van verordening nr. 659/1999, inzake de terugvordering van steun, preciseert:

„1.      Indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige steun beschikt de Commissie dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen (‚terugvorderingsbeschikking’). De Commissie verlangt geen terugvordering van de steun indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht.

2.      De op grond van een terugvorderingsbeschikking terug te vorderen steun omvat rente tegen een door de Commissie vastgesteld passend percentage. De rente is betaalbaar vanaf de datum waarop de onrechtmatige steun voor de begunstigde beschikbaar was tot de datum van daadwerkelijke terugbetaling van de steun.

3.      Onverminderd een beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel [242] van het Verdrag, dient terugvordering onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures van de betrokken lidstaat te geschieden, voor zover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie toelaten. Daartoe nemen de betrokken lidstaten in geval van een procedure voor een nationale rechtbank alle nodige maatregelen, met inbegrip van voorlopige maatregelen, waarover zij binnen hun nationale rechtsstelsel beschikken om dit doel te bereiken, onverminderd de communautaire wetgeving.”

 Nationale regeling

6        Artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 7 mei 1985 betreffende de uitgifte van bevoorrechte aandelen zonder stemrecht door naamloze vennootschappen behorend tot de nationale sectoren (Belgisch Staatsblad van 11 mei 1985, blz. 6873, hierna: „koninklijk besluit van 1985”), luidt:

„De naamloze vennootschappen behorend tot [bepaalde sectoren] kunnen onder de voorwaarden bepaald in dit besluit aandelen uitgeven die hun kapitaal vertegenwoordigen doch waaraan geen stemrecht is toegekend, hierna ‚bevoorrechte aandelen zonder stemrecht’ genoemd.”

7        In artikel 2 van het koninklijk besluit van 1985 is met name bepaald dat de Nationale Maatschappij voor de Herstructurering van de Nationale Sectoren (hierna: „NMNS”) kan inschrijven op deze bevoorrechte aandelen zonder stemrecht.

8        Artikel 3 van het koninklijk besluit van 1985 bepaalt:

„Onverminderd de in dit besluit bepaalde voorwaarden, worden de uitgifte van de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht, haar voorwaarden en modaliteiten, alsook de aan deze aandelen verbonden rechten, geregeld in een overeenkomst tussen de uitgevende vennootschap en de in artikel 2 bedoelde rechtspersonen die op deze aandelen inschrijven en vastgelegd in de statuten van de uitgevende vennootschap. De overeenkomst bepaalt bovendien de voorwaarden waaronder de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht door de uitgevende vennootschap kunnen worden ingekocht of door derden afgekocht. De prijs mag niet lager zijn dan 80 % van de uitgifteprijs.

De in het eerste lid bedoelde overeenkomst moet vooraf worden goedgekeurd door de Minister van Financiën, de Minister van Economische Zaken en de Minister van Begroting.”

9        Artikel 4 van het koninklijk besluit van 1985 preciseert:

„De uitgifte van bevoorrechte aandelen zonder stemrecht is onderworpen aan de volgende voorwaarden:

1° de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht zijn en blijven op naam;

2° zij mogen niet meer dan 49 % van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen;

3° zij geven in geval van winstuitkering niettegenstaande elke hiermee strijdige bepaling in de statuten recht op een bevoorrecht dividend van 2 % van de werkelijk gestorte uitgifteprijs [...];

4° zij zijn, niettegenstaande elke hiermee strijdige bepaling in de statuten, bevoorrecht op de terugbetaling van de inbreng, onverminderd de deelgerechtigheid in het batig saldo bij vereffening die de statuten hun kunnen toekennen.

[...]”

 Aan het geding ten grondslag liggende feiten

 De Verlipack-groep en de Beaulieu-groep

10      De Verlipack-groep was tot haar faillietverklaring op 18 januari 1999 de grootste Belgische producent van holglas voor verpakkingen, met een marktaandeel van 20 % in België en van 2 % in de Europese Unie. De groep telde 735 werknemers in zijn fabrieken te Ghlin, te Jumet en te Mol (België).

11      De groep Beaulieu – de benaming van de Belgische holding van vennootschappen die actief zijn op de markt van tapijten en synthetische vezels – is de tweede tapijtenfabrikant ter wereld en veruit de eerste Europese fabrikant. De groep wordt overkoepeld door de holding NV Ter Lembeek International .

 De periode voordat de Beaulieu-groep aandeelhouder werd van de groep Verlipack: de overeenkomst van 30 april 1985 tussen de groep De Backer (Adsum) en de NMNS

12      In 1985 is Verlipack failliet gegaan en haar activa – geraamd op 410 miljoen BEF – zijn overgenomen door SA Adsum, een vennootschap van de groep De Backer, die geen enkele band heeft met verzoekster.

13      Op grond van een overeenkomst van 30 april 1985 heeft Adsum deze activa ondergebracht in drie nieuwe vennootschappen, te weten NV Verlipack Mol, SA Verlipack Jumet en SA Verlipack Ghlin, waarin ook de NMNS aandeelhouder werd voor een bedrag van 620 020 000 BEF. Voor haar inbreng in het maatschappelijk kapitaal ontving laatstgenoemde aandelen van categorie B zonder stemrecht met een nominale waarde van 10 000 BEF per aandeel, en voor een inbreng buiten het maatschappelijk kapitaal ontving zij winstbewijzen van „categorie I” en van „categorie II”. In 1985 bedroeg de deelneming van de NMNS in het kapitaal van de groep 49 % – uitsluitend in de vorm van aandelen categorie B [artikel 3, punt 1, sub a, van de overeenkomst van 30 april 1985]. Deze deelneming is door de Commissie goedgekeurd.

14      Overeenkomstig de bijzondere wet van 15 januari 1989 heeft het Waalse Gewest de aandelen zonder stemrecht van de vestigingen te Ghlin en te Jumet, die binnen zijn taalgebied liggen, verkregen, en het Vlaamse Gewest die van de vestiging te Mol.

15      In artikel 10 van de overeenkomst van 30 april 1985 was bepaald:

„Adsum maakt zich sterk dat tussen de vennootschappen en de NMNS zal worden overeengekomen dat de vennootschappen jaarlijks en voor de eerste keer vijf jaar na de datum van de ondertekening van de huidige overeenkomst, een aanbod tot inkoop van minstens 10 % van de aandelen categorie B en 10 % van de winstbewijzen categorie I zullen doen, voor zover de overgedragen winst en de beschikbare reserves van de vennootschappen dit toelaten.

De prijs zal gelijk zijn aan de nominale waarde van de voornoemde aandelen en zal 10 000 BEF per winstbewijs categorie I bedragen.

Indien deze overeenkomsten tussen de vennootschappen en de NMNS niet tot stand komen, zal Adsum in alle omstandigheden de in dit artikel opgenomen verplichting nakomen.”

16      Voorts was in artikel 11 van deze overeenkomst bepaald:

„De NMNS verbindt er zich toe aan elk van de vennootschappen een optie tot inkoop van de aandelen categorie B en van de winstbewijzen categorie I te verlenen en te dien einde met elk van de vennootschappen een overeenkomst te sluiten waarvan de tekst opgenomen is in bijlage 1 [bij] de huidige overeenkomst.”

17      Artikel 14, lid 2, van de overeenkomst van 30 april 1985 preciseerde:

„Voor zover een overdracht door Adsum van haar aandelen in de vennootschappen een wijziging zal teweegbrengen in de controle op en/of de leiding van de vennootschappen, is voor deze overdracht de toestemming van de NMNS vereist.”

18      Artikel 16 van de overeenkomst van 30 april 1985 luidde:

„In de statuten van de [Verlipack-]vennootschappen zullen de met deze overeenkomst overeenstemmende bepalingen worden opgenomen.”

19      Verzoekster preciseert – en de Commissie betwist dit niet – dat zij niet was betrokken bij de totstandkoming van de overeenkomst van 30 april 1985, daar zij op dat tijdstip geen aandeelhouder was van de Verlipack-vennootschappen, anders dan is vermeld in punt 7 van beschikking 2002/825/EG betreffende de door België ten uitvoer gelegde steunmaatregel ten gunste van de groep Beaulieu (Ter Lembeek International) (PB L 296, blz. 60; hierna: „bestreden beschikking”).

 Het aandeelhouderschap van de Beaulieu-groep in de groep Verlipack en de bijlage van 18 november 1987 bij de overeenkomst van 30 april 1985

20      In de periode 1985-1987 heeft Adsum haar deelnemingen (51 %) in de drie Verlipack-vennootschappen overgedragen aan een van haar andere dochterondernemingen, NV Imcour, die partij is geworden bij de overeenkomst van 30 april 1985 en die op 25 juni 1987 is geliquideerd met het oog op splitsing ervan in drie vennootschappen, te weten NV Imcour Holding, NV Imcour Lease en NV Patrimcour. De aandelen in de vennootschappen Verlipack Jumet, Verlipack Ghlin en Verlipack Mol zijn deel gaan uitmaken van het vermogen van NV Imcour Holding.

21      Bij de splitsing van Imcour in 1987 heeft de Beaulieu-groep de aandelen van Imcour Holding voor 425 miljoen BEF overgenomen van de groep De Backer en is hij zo indirect eigenaar geworden van de vennootschappen Verlipack Jumet, Verlipack Ghlin en Verlipack Mol.

22      Bovendien heeft de NMNS bij bijlage van 18 november 1987 bij de overeenkomst van 30 april 1985 en overeenkomstig artikel 14, lid 2, van de overeenkomst van 30 april 1985 de (indirecte) overdracht van de drie Verlipack-vennootschappen aan de Beaulieu-groep goedgekeurd, op voorwaarde dat Imcour Holding en de heer De Clerck partij zouden worden bij de overeenkomst van 30 april 1985. De NMNS heeft daarenboven van de Beaulieu-groep tevens de verbintenis geëist, de drie Verlipack-vennootschappen twee jaar langer voort te zetten. Alle betrokken partijen hebben deze bijlage ondertekend, te weten Adsum, de NMNS, Imcour Holding, De Clerck en de heer De Backer.

23      In artikel 3 van de bijlage van 18 november 1987 was bepaald:

„Met ingang van 1 oktober 1987 verbinden ondergetekenden NV Imcour en de heer R. De Clerck zich onherroepelijk tot overname en naleving van alle rechten en plichten tot dan bestaande in hoofde van de NV Adsum en de heer De Backer zoals beschreven in de overeenkomst van 30 april 1985 en haar bijlage.”

24      In artikel 4 van deze bijlage stond:

„Gelet op artikel 1 en artikel 3, leze men in de [overeenkomst] van 30 april 1985 en haar bijlage, vanaf 1 oktober 1987 de woorden ‚NV Imcour’ telkens waar staat ‚NV Adsum’ en ‚de heer De Clerck R.’ telkens waar staat ‚de heer De Backer W.’ [...]”

25      Artikel 5 van deze bijlage preciseerde:

„Het optierecht tot inkoop blijft bestaan volgens de modaliteiten van de in bijlage aan de overeenkomst van 30 april 1985 gevoegde tekst in hoofde van de NV Verlipack Ghlin – Mol en Jumet.”

 De in de overeenkomst van 30 april 1985 vervatte verplichting tot terugkoop van de aandelen en winstbewijzen van de NMNS door de drie Verlipack-vennootschappen

26      Op 1 mei 1990 was de in artikel 10 van de overeenkomst van 30 april 1985 bedoelde periode van vijf jaar afgelopen, zodat de verplichting tot jaarlijkse terugkoop van 10 % van de aandelen categorie B en van 10 % van de winstbewijzen categorie I inging. Volgens verzoekster – en de Commissie betwist dit niet – hebben de Belgische autoriteiten van de drie Verlipack-vennootschappen de uitvoering van de verplichting tot terugkoop van hun aandelen categorie B en van hun winstbewijzen categorie I verlangd. Omdat zij financieel onvermogend waren, heeft de Beaulieu-groep dit moeten doen volgens een zeer precies tijdschema. Tussen april 1991 en april 1994 heeft de Beaulieu-groep in vijf termijnen (april 1991, mei 1991, april 1992, april 1993 en april 1994) 213 100 000 BEF betaald aan de publieke aandeelhouder.

27      Na deze terugkoop bezat de NMNS (thans voor het Waalse Gewest de Société de gestion des participations de la Région wallonne dans des sociétés commerciales; hierna: „Sowagep”) nog 5 087 aandelen categorie B zonder stemrecht en 3 937 winstbewijzen categorie I in SA Verlipack Ghlin, te weten een totaal van 9 024 titels die over een periode van vijf jaar dienden te worden teruggekocht tegen de in de overeenkomst van 30 april 1985 bepaalde nominale eenheidsprijs van 10 000 BEF, dat wil zeggen een totale prijs van 90 240 000 BEF, en 2 923 aandelen categorie B zonder stemrecht en 2 267 winstbewijzen categorie I in SA Verlipack Jumet, te weten een totaal van 5 190 titels, die over een periode van vijf jaar dienden te worden teruggekocht tegen de in de overeenkomst van 30 april 1985 bepaalde nominale eenheidsprijs van 10 000 BEF, dat wil zeggen een totale prijs van 51 900 000 BEF. De prijs van het geheel van deze 14 214 aandelen en winstbewijzen bedroeg dus 142 140 000 BEF.

28      Ten gevolge van diverse kapitaalverhogingen door de particuliere aandeelhouder (Imcour Holding, thans SA Imcopack Wallonie, houdster van de vestigingen te Ghlin en te Jumet, en NV Imcopack Vlaanderen, houdster van de vestiging te Mol), is het aandeel van de overheidsfinanciering in de Verlipack-groep geleidelijk afgenomen totdat de overheid aan het einde van de geleidelijke terugtrekking nog slechts 20,7 % van het kapitaal van die groep in handen had.

 De steun van 1992 aan de Verlipack-groep

29      In 1992 heeft de Verlipack-groep tweemaal investeringssteun ontvangen voor een totaalbedrag van 502 122 500 BEF uit hoofde van een gewestelijke regeling. Bovendien was het besluit tot toekenning van een converteerbare participatielening van 500 miljoen BEF door de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Wallonië, (opgericht bij wet van 2 april 1962) het voorwerp van een beschikking van de Commissie van 8 december 1992 om geen bezwaar te maken (PB 1993, C 83, blz. 3). Deze lening is echter niet uitgekeerd.

30      Volgens de uiteenzettingen van de Belgische regering tijdens de procedure die geleid heeft tot de vaststelling van beschikking 2001/856/EG van 4 oktober 2000 betreffende staatssteun ten gunste van Verlipack – België (PB 2001, L 320, blz. 28), had de Verlipack-groep te kampen met problemen die te wijten waren aan de kwaliteit van zijn bestuur en vooral van zijn productie, zodat de Beaulieu-groep de last en het beheer van zijn investeringsprogramma van 5 500 miljoen BEF niet volledig op zich kon nemen. Dit zou verklaren waarom het Waalse Gewest de goedgekeurde steun niet heeft uitgekeerd.

 Het aandeelhouderschap van de groep Heye-Glas in de Verlipack-groep

31      In 1996 bleven de drie Verlipack-vennootschappen verliezen opstapelen, waardoor zij eind 1996 de aflossing van hun leningen bij de banken niet zouden hebben kunnen honoreren. In deze omstandigheden heeft de Beaulieu-groep besloten om het aandeelhouderschap te herstructureren en te onderhandelen met de Duitse groep Heye-Glas (hierna: „Heye”), een van de belangrijkste Duitse glasfabrikanten.

32      Op 1 september 1996 hebben de Verlipack-groep en Heye een technisch samenwerkingsakkoord gesloten. Dit is op 11 april 1997 uitgebreid tot financiële en managementbijstand, waarbij Heye direct betrokken werd bij het beheer en het bestuur van de Verlipack-groep.

 De overeenkomst van 18 december 1996

33      Bij overeenkomst van 18 december 1996 tussen verzoekster en Sowagep heeft de Beaulieu-groep Sowageps aandelen en winstbewijzen in Verlipack Ghlin en Verlipack Jumet teruggekocht. Volgens deze overeenkomst heeft verzoekster namelijk van Sowagep de volgende deelnemingen verkregen: 5 087 aandelen categorie B zonder stemrecht en 3 937 winstbewijzen categorie I van Verlipack Ghlin voor 72 192 000 BEF alsmede 2 923 aandelen categorie B zonder stemrecht en 2 267 winstbewijzen categorie I van Verlipack Jumet voor 41 520 000 BEF, te weten een totaal van 14 214 aandelen en winstbewijzen, waarvoor 113 712 000 BEF moest worden betaald aan Sowagep „[op] 31 december 2001, zonder dat rente verschuldigd was”.

 De oprichting van Verlipack Holding I en van Verlipack Holding II

34      De Beaulieu-groep en Heye hebben op 24 januari 1997 een overkoepelende holding opgericht, te weten Verlipack Holding I. Het maatschappelijk kapitaal van Verlipack Holding I bedroeg 1 030 500 000 BEF. 515 500 000 BEF daarvan was ingebracht door Heye, terwijl het overige deel bestond uit de installaties van de drie exploitatievestigingen, die door de Beaulieu-groep waren ingebracht en waren gewaardeerd op 515 miljoen BEF. Op 11 april 1997 is een tweede holding opgericht, Verlipack Holding II genaamd, die een kapitaal had van 1 230 500 000 BEF (waarbij Verlipack Holding I 100 000 aandelen bezat voor een bedrag van 1 030 500 000 BEF en Sowagep 19 408 aandelen bezat ten bedrage van 200 miljoen BEF). De bestuursorganen van de gehele nieuwe industriële groep waren samengebracht in Verlipack Holding II, waarin Heye de meerderheid had. De directies van de verschillende diensten waren voor de gehele groep dezelfde.

 De situatie van de vennootschappen van de Verlipack-groep in 1997

35      In 1997 zijn de door Heye en de Verlipack-groep aangekondigde resultaten sterk achteruit gegaan. Op 30 november 1997 bleek uit de voorlopige geconsolideerde en „niet-geauditeerde” situatie een nettoverlies van 828 592 044 BEF over dat jaar.

 Overeengekomen herstelplan (Heads of Agreement) van 5 juni 1998

36      Op 5 juni 1998 zijn de partners (banken, Beaulieu-groep, Heye en Sowagep) een herstelplan overeengekomen (Heads of Agreement) wegens de verslechtering van de situatie van de vennootschappen van de Verlipack-groep. Dit plan voorzag, wat Heye betreft, in een kapitaalinbreng van 200 miljoen BEF en, wat het Waalse Gewest betreft, in de omzetting van de in 1997 door dit Gewest aan Verlipack Holding II toegekende participatielening van 150 miljoen BEF in kapitaal en in een kapitaalverhoging van 100 miljoen BEF van Verlipack Holding II waarvoor het Waalse Gewest een particuliere investeerder diende te vinden. Volgens de Belgische autoriteiten (brief van 11 januari 2001, ingekomen op 15 januari daaraanvolgend) heeft de Beaulieu-groep, wat het aanbrengen van een nieuwe investeerder betreft, met het oog op een onmiddellijke tenuitvoerlegging van het herstelplan voorgesteld om zelf aan deze verbintenis te voldoen „op voorwaarde dat dit optreden slechts tijdelijk zou zijn en de inbreng door de nieuwe, door Sowagep aan te brengen investeerder zou worden terugbetaald”. Zij voegen hieraan toe dat de Beaulieu-groep, ten aanzien waarvan de „Heads of Agreement” voorzag in de afstand van een schuldvordering van 600 miljoen BEF, er alle belang bij had dat het herstelplan tot de verwachte resultaten zou leiden.

37      Volgens de notulen van de buitengewone algemene vergadering van de aandeelhouders van Verlipack Holding II van 26 juni 1998 werd besloten tot een kapitaalverhoging waarbij Heye 200 miljoen BEF inbracht voor 19 408 nieuwe aandelen en Worldwide Investors Luxembourg (hierna: „Worldwide Investors”) 100 miljoen BEF voor 9 704 nieuwe aandelen. Worldwide Investors, die door de Beaulieu-groep werd aangebracht, heeft volgens de Belgische regering de kapitaalverhoging verricht voor rekening van die groep.

 Het addendum van 20 november 1998 bij de overeenkomst van 18 december 1996

38      Daar dit nieuwe plan niet de verwachte resultaten had opgeleverd en het Waalse Gewest er dus niet in was geslaagd een nieuwe particuliere investeerder te vinden, hebben laatstgenoemde en de Beaulieu-groep op 20 november 1998 besloten om de voorwaarden van de overeenkomst van 18 december 1996 te wijzigen via een addendum (hierna: „addendum van 20 november 1998”), volgens hetwelk de betaling van de aandelen die Beaulieu ter uitvoering van de overeenkomst van 18 december 1996 heeft verkregen in Verlipack Ghlin en Verlipack Jumet voor een bedrag van 113 712 000 BEF „wordt verricht hetzij door storting op de rekening [van het Waalse Gewest], hetzij door inbetalinggeving van 9 704 kapitaalaandelen [in] Verlipack Holding II”, uiterlijk op 31 december 2001.

39      Op 21 december 1998 heeft Worldwide Investors 9 704 aandelen in Verlipack Holding II aan de Beaulieu-groep overgedragen. Daartegenover heeft de Beaulieu-groep 9 704 aandelen in Verlipack Holding I overgedragen aan Worldwide Investors. De Beaulieu-groep heeft vervolgens tussen 21 en 31 december 1998 9 704 aandelen in Verlipack Holding II aan het Waalse Gewest overgedragen „in ruil voor de kwijtschelding van de schuldvordering van het Gewest op de groep Beaulieu”.

40      Deze laatste overdracht, waarop het addendum van 20 november 1998 betrekking heeft, heeft enkele weken vóór het neerleggen van de boeken van de Verlipack-groep plaatsgevonden als een inbetalinggeving ter delging van de schuld van de Beaulieu-groep bij het Waalse Gewest voor de door laatstgenoemde gehouden Verlipack-aandelen, welke in december 1996 door die groep waren verkregen en op 113 712 000 BEF waren geraamd. De renteloze terugbetaling van deze aandelen diende eerst plaats te vinden vanaf 31 december 2001.

41      Op 8 januari 1999 heeft Verlipack een gerechtelijk akkoord aangevraagd voor de fabrieken van de vestigingen te Jumet en te Ghlin en de stopzetting van de activiteiten in de fabriek van de vestiging te Mol aangekondigd. Op 11 januari 1999 heeft de Rechtbank van Koophandel te Turnhout (België) de vestiging van Verlipack te Mol failliet verklaard en op 18 januari 1999 heeft de Rechtbank van Koophandel te Bergen (België) de zes vennootschappen van de glasgroep Verlipack (de vestigingen te Jumet en te Ghlin, Verlipack Belgium, Verlipack Engineering, Verlimo en Imcour Lease) failliet verklaard.

42      Daar zij had vastgesteld dat zij niet langer over voldoende liquide middelen noch over voldoende activa beschikte om haar schulden het hoofd te bieden, heeft Verlipack Holding II op 11 februari 1999 haar faillissement aangevraagd bij de Rechtbank van Koophandel te Bergen, waarbij zij heeft gepreciseerd dat zij sinds juni 1998 had opgehouden te betalen. Voor deze rechtbank is Sowagep tussengekomen om te verklaren dat zij de opeising van haar schuldvordering niet wenste voort te zetten, wat tot gevolg had dat haar schuldenaar krediet werd toegekend. Dientengevolge heeft de Rechtbank van Koophandel te Bergen bij vonnis van 31 mei 1999 vastgesteld dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor het faillissement van Verlipack Holding II, zelfs indien de toekomstige activiteit van de vennootschap werd beperkt tot de liquidatie ervan wegens de verdwijning van het maatschappelijk doel.

 Beschikking 2001/856 en de formele onderzoeksprocedure die geleid heeft tot de bestreden beschikking

43      Bij beschikking 2001/856 heeft de Commissie besloten de procedure van artikel 88, lid 2, EG ten aanzien van bepaalde steun die het Koninkrijk België aan de Verlipack-groep had verleend, te beëindigen. Bij dezelfde beschikking heeft de Commissie haar beschikking van 16 september 1998, waarbij zij besloten had geen bezwaar te maken ten aanzien van een gedeelte van diezelfde steun (PB 1999, C 29, blz. 13), herroepen op grond dat deze berustte op onjuiste gegevens, een gedeelte van deze steun onverenigbaar verklaard met de gemeenschappelijke markt en de terugvordering ervan gelast.

44      Het Koninkrijk België heeft beroep tot nietigverklaring van deze beschikking ingesteld bij het Hof. Dit is verworpen bij arrest van 3 juli 2003, België/Commissie (C‑457/00, Jurispr. blz. I‑6931).

45      Bij het onderzoek van de steun dat tot de vaststelling van beschikking 2001/856 heeft geleid, is de Commissie op de hoogte gebracht van andere maatregelen die steun aan de Verlipack-groep of aan de Beaulieu-groep konden vormen.

46      In het kader van zijn antwoord op de inleiding van de formele onderzoeksprocedure die tot de vaststelling van beschikking 2001/856 heeft geleid, had het Koninkrijk België bij brief van 28 september 1999 aan de Commissie te kennen gegeven dat de inbetalinggeving van december 1998 ter delging van de schulden van de Beaulieu-groep aan het Waalse Gewest kon worden beschouwd als een „nieuwe verhoging van het kapitaal van Verlipack die werd gefinancierd door Beaulieu welke werd terugbetaald door de uitdoving van zijn schuld ten aanzien van het Waals Gewest”.

47      Bij brief van 5 juli 2000 aan het Koninkrijk België heeft de Commissie met name uiting gegeven aan haar twijfel over eventuele door het Waalse Gewest toegekende steun aan de Beaulieu-groep, omdat die groep bij de verkrijging van de aandelen in de vestigingen te Jumet en te Ghlin in december 1996 betalingsvoorwaarden had verkregen die onaanvaardbaar zouden zijn voor een particuliere financiële instelling. Bovendien heeft de Commissie zich afgevraagd of de inbetalinggeving die enkele weken vóór het neerleggen van de boeken van Verlipack plaatsvond, geen steun ten gunste van de Beaulieu-groep vormde.

48      In deze omstandigheden heeft de Commissie het Koninkrijk België verzocht om inlichtingen over de volgende aspecten: „de activiteiten van Worldwide Investors; de zoektocht naar een particulier investeerder door Sowagep; het gebruik van de 100 miljoen BEF waarop in juni 1998 door Worldwide Investors werd ingeschreven; een uitleg voor het waardeverschil van de 14 214 aandelen die in 1996 door de groep Beaulieu werden verworven; een verklaring voor het feit dat de Duitse groep Heye niet bekend is met die transacties waarbij de Waalse autoriteiten betrokken zijn; een verklaring voor het feit dat het Waals Gewest de groep Beaulieu rentevrij een betalingstermijn van vier jaar heeft toegekend voor 14 214 aandelen alsook voor de omstandigheden waarin het Waals Gewest enkele weken vóór het neerleggen van de boeken van de vestigingen van Verlipack en derhalve met volledige kennis van de deficitaire situatie van Verlipack een vervroegde terugbetaling van deze schuld heeft aanvaard”. In dezelfde brief heeft de Commissie vragen gesteld bij de bepaling van de daadwerkelijke begunstigde van de kapitaalverhoging van Verlipack, waarop Worldwide Investors in juni 1998 heeft ingeschreven.

49      Aangezien een antwoord van de Belgische autoriteiten op die brief van 5 juli 2000 uitbleef, heeft de Commissie op 29 september 2000 een herinnering gestuurd. Daar het Koninkrijk België de gevraagde inlichtingen niet binnen de gestelde termijn had verstrekt, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 10, lid 3, van verordening nr. 659/1999 België bij brief van 19 januari 2001 formeel gelast haar alle documenten, inlichtingen en gegevens te verstrekken die noodzakelijk waren om haar in staat te stellen te onderzoeken of de maatregelen ten gunste van Verlipack en/of de Beaulieu-groep verenigbaar waren met artikel 87 EG.

50      Vóór die kennisgeving heeft het Koninkrijk België evenwel bij brief van 11 januari 2001, ingekomen op 15 januari daaraanvolgend, geantwoord op de brief van de Commissie van 5 juli 2000, waarbij zij te kennen heeft gegeven dat ondanks de slechte resultaten van Verlipack in 1997 vanaf maart 1998 werd vastgesteld dat de verliezen afnamen dankzij een aanzienlijke toename van de productiviteit. De Belgische autoriteiten hebben tevens te kennen gegeven dat de particuliere en publieke partners bij overeenkomst (Heads of Agreement) van 5 juni 1998 tot een nieuw herstelplan hadden besloten. Dezelfde autoriteiten hebben gepreciseerd dat hun antwoord op de vraag van de Commissie door het gebrek aan medewerking van de Beaulieu-groep noodzakelijkerwijs onvolledig was.

51      Gelet op de beschikbare informatie heeft de Commissie op 6 juni 2001 geconcludeerd dat bovenvermelde afstand van schuldvordering een aan de Belgische staat toe te rekenen overdracht van overheidsmiddelen behelsde, welke op het eerste gezicht staatssteun in de zin van artikel 87 EG vormde. Bovendien bestond volgens de Commissie twijfel over de verenigbaarheid van de steunmaatregelen ten gunste van de Verlipack-groep of de Beaulieu-groep met artikel 87 EG en artikel 61 EER, zodat zij de formele onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG heeft ingeleid ten aanzien van deze steunmaatregelen –waarvan het Koninkrijk België bij brief van 8 juni 2001 in kennis is gesteld – en de belanghebbenden heeft uitgenodigd hun opmerkingen te maken (PB 2001, C 313, blz. 2).

52      Bij brief van 3 december 2001 zijn opmerkingen ingediend door het Collectif de défense des travailleurs licenciés de Verlipack à Jumet et à Ghlin, bij brief van 7 december 2001 door het Verenigd Koninkrijk en bij op 16 januari 2002 bij de Commissie ingekomen brief door het Koninkrijk België.

53      Bij brief van 23 juli 2001 is de raadsman van verzoekster in kennis gesteld van de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure. De Commissie heeft geen opmerkingen ontvangen van verzoekster.

54      Bij op 26 juli 2001 bij de Commissie ingekomen brief heeft het Koninkrijk België de Commissie geantwoord, waarbij het de naar aanleiding van het ontvangen bevel gemaakte opmerkingen heeft herhaald.

55      Op 24 april 2002 heeft de Commissie de bestreden beschikking vastgesteld.

 Bestreden beschikking

56      De Commissie heeft in de bestreden beschikking beklemtoond dat „[a]fgezien van de complexe aard van de juridisch-financiële constructie achter het optreden van Worldwide Investors in juni 1998, [...] de groep Beaulieu [...] in december 1998 een schuld van 113 712 000 BEF bij het Waals Gewest [had] gedelgd door de inbetalinggeving van 9 704 aandelen Verlipack Holding II waarvan de nominale waarde 100 miljoen BEF bedroeg maar waarvan de reële waarde aanzienlijk lager moest zijn, gezien de vermogenstoestand van de bedoelde vennootschap”.

57      Aangaande de prijs waartegen verzoekster bij overeenkomst van 18 december 1996 bepaalde aandelen van het Waalse Gewest in de Verlipack-vennootschappen heeft teruggekocht, heeft de Commissie met name geoordeeld dat bij een dergelijke terugkoop de verplichting, een prijs te bepalen die gelijk is aan 80 % van de uitgifteprijs, door de Belgische wet was vastgesteld en zonder onderscheid was opgelegd aan allen die dergelijke bevoorrechte aandelen wensten te kopen.

58      De Commissie heeft daaruit afgeleid dat „de schuld van 113 712 000 BEF van de groep Beaulieu aan het Waalse Gewest een zekere schuld was waarvan de terugbetaling geenszins verband hield met de financiële situatie van de groep Verlipack”.

59      De Commissie heeft vervolgens gesteld dat het Waalse Gewest, door ter delging van een zekere schuld van 113 712 000 BEF aandelen van Verlipack Holding II, waarvan de waarde nihil was, te aanvaarden, ten aanzien van de Beaulieu-groep had afgezien van een schuldvordering ten belope van dat bedrag.

60      Het Koninkrijk België heeft evenwel betoogd dat de Beaulieu-groep geen enkel economisch voordeel had gehaald uit deze transactie, op de grond dat België de groep Beaulieu door deze afstand van schuldvordering heeft gecompenseerd voor „de in juni 1998 verrichte kapitaalinbreng”.

61      De Commissie heeft evenwel in de bestreden beschikking benadrukt dat de Waalse autoriteiten zich er in de „Heads of Agreement” van 5 juni 1998 enkel toe hebben verbonden een investeerder aan te brengen, en niet om 100 miljoen BEF in het kapitaal van Verlipack Holding II in te brengen.

62      De Commissie heeft bovendien vastgesteld dat het Koninkrijk België niet had aangetoond, in de eerste plaats, dat er een overeenkomst bestond volgens welke de Beaulieu-groep de door het Waalse Gewest aangegane verbintenis om een investeerder te vinden die 100 miljoen BEF zou inbrengen, zou hebben overgenomen en, in de tweede plaats, dat er een tweede overeenkomst bestond – los van en verder reikend dan de eerste – volgens welke het Waalse Gewest aan de groep Beaulieu de garantie zou hebben gegeven dat de door een particuliere investeerder in te brengen 100 miljoen BEF zou worden terugbetaald.

63      Volgens de Commissie stond alleen vast dat het Waalse Gewest op 20 november 1998 afstand had gedaan van een zekere schuldvordering van 113 712 000 BEF op de Beaulieu-groep in ruil voor 9 704 aandelen in een vennootschap, Verlipack Holding II, waarvan de situatie nog was verslechterd, om in juni 1998 een nieuw herfinancieringsplan te rechtvaardigen in het kader waarvan het niet mogelijk was geweest een particuliere investeerder aan te brengen die 100 miljoen BEF wilde inbrengen in het maatschappelijk kapitaal. De Commissie heeft opgemerkt dat het kapitaal van deze vennootschap op 11 februari 1999 op één frank was geraamd.

64      Wat de eventuele verenigbaarheid van de staatssteun met de gemeenschappelijke markt betreft, heeft het Koninkrijk België zich weliswaar op geen enkele grond voor verenigbaarheid beroepen, maar de Commissie heeft dit punt toch onderzocht en in wezen geconcludeerd dat de aan de Beaulieu-groep toegekende steun slechts exploitatiesteun was die de groep Beaulieu bevrijdde van de kosten die hij alleen had moeten dragen in de normale omstandigheden van zijn dagelijks beheer of zijn activiteiten. Dergelijke steun was onverenigbaar met het gemeenschapsrecht, aangezien de productievestigingen van de Beaulieu-groep niet gelegen waren in een streek in de zin van artikel 87, lid 3, sub a, EG.

65      Ten slotte heeft de Commissie herinnerd aan artikel 14 van verordening nr. 659/1999 en geoordeeld dat „om de economische omstandigheden te herstellen waaraan de onderneming het hoofd had moeten bieden indien de onverenigbare steun haar niet was verstrekt, [...] België [...] de steun [moet] terugvorderen” van de begunstigde.

66      Artikel 1 van de bestreden beschikking luidt:

„De door België ten uitvoer gelegde steunmaatregel ten gunste van de groep Beaulieu (Ter Lembeek International) in de vorm van de kwijtschelding van een schuldvordering voor een bedrag van 113 712 000 BEF is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.”

67      Artikel 2 van de bestreden beschikking bepaalt:

„1.      België neemt alle nodige maatregelen om de in artikel 1 bedoelde en reeds onwettig ter beschikking gestelde steun van de begunstigde terug te vorderen.

2.      De terugvordering geschiedt onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures, voor zover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van deze beschikking toelaten. De terug te vorderen steun omvat rente vanaf de datum waarop de steun de begunstigde ter beschikking is gesteld tot de datum van daadwerkelijke terugbetaling ervan. De rente wordt berekend op grond van de referentierentevoet die wordt gehanteerd voor de berekening van het nettosubsidie-equivalent in het kader van regionale steunmaatregelen.”

 Procesverloop en conclusies van partijen

68      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 juli 2002, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

69      Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

–        het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk en gegrond te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten van het geding.

70      De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

–        het beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

71      Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht aan het begin van het nieuwe gerechtelijke jaar is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Vijfde kamer. De onderhavige zaak is dus toegewezen aan de Vijfde kamer – uitgebreid.

72      Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer – uitgebreid) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het de Commissie evenwel verzocht om overlegging van bepaalde documenten alsmede van de inventaris van de stukken waarover deze beschikte in het kader van de procedure die tot de onderhavige zaak heeft geleid. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

73      Partijen zijn ter terechtzitting van 21 februari 2006 in hun pleidooien en in hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord.

 De ontvankelijkheid

 Argumenten van partijen

74      De Commissie benadrukt om te beginnen dat verzoekster nooit opmerkingen heeft ingediend, noch in het kader van de formele onderzoeksprocedure die tot de vaststelling van de bestreden beschikking heeft geleid, noch in het kader van die welke tot beschikking 2001/856 heeft geleid, ook al was in deze laatste reeds aangekondigd dat de aan de orde zijnde steun zou worden onderzocht.

75      De Commissie betoogt dat alle door verzoekster aangevoerde middelen niet-ontvankelijk zijn omdat zij berusten op feitelijke beweringen die zij nooit heeft aangevoerd in het kader van de formele onderzoeksprocedure en dat een groot deel van de bij het verzoekschrift gevoegde documenten de Commissie onbekend waren – behoudens indien uitdrukkelijk anders aangegeven – op het moment waarop zij de bestreden beschikking heeft gegeven. Aangaande de feitelijke beweringen betreffende het eerste middel is dit het geval, in de eerste plaats, voor de bewering dat verzoekster door het Waalse Gewest „gedwongen” zou zijn tot het sluiten van de overeenkomst van 18 december 1996, zodat het de facto kwijtschelden van deze schuld bij het addendum van 20 november 1998 geen staatssteun vormt. Hetzelfde geldt voor de bewering dat verzoekster geen begunstigde is van de steun omdat zij de aandelen slechts gedurende beperkte tijd in handen heeft gehad. In de tweede plaats stelt de Commissie dat verzoeksters betoog waarbij de uitlegging van het koninklijk besluit van 1985 wordt betwist, niet-ontvankelijk is, daar het niet ter sprake is gebracht in het kader van de formele onderzoeksprocedure. In de derde plaats kan verzoekster de bestreden beschikking niet betwisten ter zake van het feit dat de aan de orde zijnde steun het handelsverkeer, met name in de textielsector, ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen, voor zover deze elementen in de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure zijn uiteengezet. Het tweede middel acht de Commissie niet-ontvankelijk omdat het berust op de onjuiste stelling dat de steun heeft gediend om het vermeende verlies dat gepaard ging met een beweerdelijk gedwongen terugkoop van aandelen te compenseren. Ook het derde middel is volgens de Commissie niet-ontvankelijk, op de grond dat het erop neerkomt te stellen dat het addendum van 20 november 1998 geen voordeel heeft opgeleverd voor verzoekster, aangezien het slechts een soort compensatie vormde voor de gedwongen koop van de aandelen en winstbewijzen in 1996.

76      Wat de bij het verzoekschrift gevoegde documenten betreft, preciseert de Commissie dat zij, met uitzondering van de statuten van de onderneming en de aan de advocaten gegeven volmacht, blijkens haar brief van 20 december 2002 niet beschikte over elf bij het verzoekschrift gevoegde bijlagen, te weten de bijlagen 4, 4 bis, 5, 7, 8, 9, 10, 13, 18, 20 bis en 21. Bijgevolg moeten verzoeksters middelen en argumenten, voor zover zij op deze bijlagen berusten, niet-ontvankelijk worden verklaard.

77      Bovendien zijn, anders dan verzoekster beweert, bepaalde stukken die niet in het bezit waren van de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking, van belang voor verzoeksters betoog. Dit is onder meer het geval voor de bijlagen betreffende de overeenkomst van 29 september 1987 tussen De Backer en De Clerck, de inbreng van de Beaulieu-groep in Verlipack, de jaarlijkse terugkoop door de Beaulieu-groep alsmede de overeenkomst van 26 december 1996 tussen NV Imcopack Vlaanderen en Imcopack Wallonie enerzijds en Heye anderzijds. Volgens de Commissie is het dus onjuist te stellen dat deze stukken slechts nevenaspecten van de voorgeschiedenis van het onderhavige geding betreffen.

78      Verzoekster betoogt dat de door haar ingeroepen middelen ontvankelijk zijn, aangezien zij uitsluitend berusten op stukken waarmee de Commissie ten tijde van de vaststelling van de bestreden beschikking bekend was, en dat de Commissie in die beschikking weliswaar niet alle relevante feiten die noodzakelijk zijn voor een juiste toetsing van de onderhavige zaak aan de regels inzake staatssteun uiteenzet, maar een uitvoerige kennis heeft van de feiten van het aan beschikking 2001/856 ten grondslag liggende aan de orde zijnde dossier en zelfs stukken toevoegt die verzoekster niet in bezit heeft, zoals bijlage IV bij het verweerschrift.

79      Verzoekster preciseert dat zij bij brief van 6 december 2002 en bij e-mail van 11 december 2002 heeft verzocht om een inventaris van de stukken die in het bezit waren van de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking, alsmede om preciseringen over de feitelijke beweringen die niet ter sprake waren gebracht tijdens de precontentieuze procedure. Bij brief van 20 december 2002 heeft de Commissie haar, wat de feitelijke beweringen betreft, geantwoord dat zij niet het werk van verzoeksters advocaten hoefde te doen, en, wat de stukken betreft, heeft zij enkel aangestipt welke van de door verzoekster geïnventariseerde stukken niet in haar bezit waren, zonder haar een inventaris te verstrekken. Het staat echter aan de Commissie aan te tonen dat zij niet over deze gegevens beschikte, omdat zij, door in haar brief van 20 december 2002 waarbij zij de overlegging van haar dossier heeft geweigerd, een onvolledig antwoord te geven op verzoeksters verzoek, noch verzoekster noch het Gerecht in staat stelt te bepalen of zij, gelet op de feitelijke gegevens waarover zij beschikte, de bestreden beschikking kon vaststellen.

80      Wat de stukken betreft waarvan de Commissie uitdrukkelijk verklaart dat deze niet in haar bezit waren op het moment waarop de bestreden beschikking is vastgesteld, betoogt verzoekster dat alle stukken die zij tijdens de debatten heeft overgelegd, met uitzondering van die welke enkel een aantal nevenaspecten van de voorgeschiedenis van deze zaak illustreren en objectiveren (zoals de notulen van de algemene vergadering van Imcour of de verschillende leningen die de Beaulieu-groep aan de groep Verlipack heeft verstrekt), in het bezit waren van de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking, zodat zij zich niet kan beroepen op niet-ontvankelijkheid van de door verzoekster ingeroepen middelen.

81      Aangaande de feitelijke beweringen waarvan de Commissie verklaart dat zij haar niet bekend waren op het moment waarop de bestreden beschikking is vastgesteld, constateert verzoekster dat, met uitzondering van de bewering dat Sowagep in december 1997 een nieuwe kapitaalinbreng van 100 miljoen BEF zou hebben toegezegd aan Verlipack, welke overigens irrelevant is voor de onderhavige zaak, de Commissie slechts van één van deze feitelijke beweringen stelt dat zij daarvan niet op de hoogte was, te weten die volgens welke de terugkoop van de aandelen en winstbewijzen door middel van de overeenkomst van 18 december 1996 niet vrijwillig was. Verzoekster beweert dat, niettegenstaande overwegingen van economische aard waaruit reeds blijkt dat deze terugkoop was afgedwongen, deze gedwongen terugkoop van de aandelen uitdrukkelijk wordt weergegeven in de nota van het Waalse Gewest van 25 mei 1998 aan de Commissie, waarover zij dus beschikte.

 Beoordeling door het Gerecht

82      Ter zake van de vraag of de begunstigde van steun zich kan beroepen op feiten en stukken die niet aan de Commissie waren meegedeeld voordat deze haar beschikking gaf, en of op die feiten en stukken gebaseerde middelen ontvankelijk zijn, is het vaste rechtspraak dat in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG de rechtmatigheid van een gemeenschapshandeling moet worden beoordeeld aan de hand van de informatie die was meegedeeld op de datum waarop de handeling is vastgesteld. Inzonderheid door de Commissie verrichte ingewikkelde beoordelingen mogen enkel worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie beschikte op het ogenblik waarop zij die beoordelingen heeft verricht (arresten Hof van 7 februari 1979, Frankrijk/Commissie, 15/76 en 16/76, Jurispr. blz. 321, punt 7; 10 juli 1986, België/Commissie, 234/84, Jurispr. blz. 2263, punt 16; 26 september 1996, Frankrijk/Commissie, C‑241/94, Jurispr. blz. I‑4551, punt 33, en 11 september 2003, België/Commissie, C‑197/99 P, Jurispr. blz. I‑8461, punt 86; arresten Gerecht van 25 juni 1998, British Airways e.a. en British Midland Airways/Commissie, T‑371/94 en T‑394/94, Jurispr. blz. II‑2405, punt 81; 15 september 1998, BFM en EFIM/Commissie, T‑126/96 en T‑127/96, Jurispr. blz. II‑3437, punt 88; 6 oktober 1999, Kneissl Dachstein/Commissie, T‑110/97, Jurispr. blz. II‑2881, punt 47; Salomon/Commissie, T‑123/97, Jurispr. blz. II‑2925, punt 48, en 11 mei 2005, Saxonia Edelmetalle en ZEMAG/Commissie, T‑111/01 en T‑133/01, Jurispr. blz. II‑1579, punt 67).

83      Dienaangaande kan de Commissie niet worden verweten, geen rekening te hebben gehouden met eventuele informatie die haar tijdens de administratieve procedure had kunnen worden meegedeeld, maar haar niet is meegedeeld, aangezien de Commissie niet verplicht is ambtshalve in te schatten welke gegevens haar hadden kunnen worden voorgelegd (zie in die zin arrest Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, Jurispr. blz. I‑1719, punt 60, en arrest van 11 september 2003, België/Commissie, punt 82 hierboven, punt 87; arrest Gerecht van 14 januari 2004, Fleuren Compost/Commissie, T‑109/01, Jurispr. blz. II‑127, punt 49).

84      Het Gerecht heeft daaruit afgeleid dat een verzoeker die heeft deelgenomen aan de formele onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG, geen feitelijke argumenten kan inroepen die de Commissie niet bekend waren en die hij niet aan de Commissie heeft meegedeeld tijdens de formele onderzoeksprocedure. Daarentegen belet niets de belanghebbende, tegen de eindbeschikking een rechtsmiddel aan te voeren dat niet tijdens de administratieve procedure is voorgedragen (zie arrest Saxonia Edelmetalle en ZEMAG/Commissie, punt 82 hierboven, punt 68, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

85      Deze rechtspraak kan, behoudens geheel uitzonderlijke gevallen, worden uitgebreid tot het – zich in casu voordoende – geval waarin een onderneming niet heeft deelgenomen aan de onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG (zie in die zin arrest Saxonia Edelmetalle en ZEMAG/Commissie, punt 82 hierboven, punt 69).

86      Vaststaat immers dat verzoekster geen gebruik heeft gemaakt van haar recht op deelneming aan de formele onderzoeksprocedure, ook al hadden de Waalse autoriteiten haar blijkens de brief van 11 januari 2001 van het Koninkrijk België aan de Commissie, ingekomen op 15 januari daaraanvolgend, uitdrukkelijk uitgenodigd om actief mee te werken aan de voorbereiding van hun antwoord op het verzoek om inlichtingen dat de Commissie op 5 juli 2000 aan het Koninkrijk België had gezonden. In weerwil van herhaalde verzoeken en aangezien een antwoord op het verzoek van de Commissie uitbleef, had de raadsman van het Koninkrijk België verzoekster overigens bij brief van 28 september 2000 verzocht om informatie teneinde de Commissie nuttig te kunnen antwoorden. De laatste twee paragrafen van deze brief luiden:

„Gelet op het voorgaande vestigt mijn cliënte uw aandacht op het gevaar dat de Europese Commissie in haar volgende beschikking de Belgische autoriteiten waarschijnlijk ertoe veroordeelt, het bedrag van 113 712 000 BEF, vermeerderd met rente, van uw cliënte terug te vorderen.

Niettegenstaande het verstrijken van de termijn, is het evenwel zeer wenselijk dat uw cliënte bij wege van spoed aan het onderzoek van het dossier meewerkt door alle gevraagde informatie te verstrekken, hetgeen het Waalse Gewest misschien in staat zal stellen om zijn standpunt nog vóór een beschikking kenbaar te maken aan de Europese Commissie.”

87      In bovenvermelde brief van 11 januari 2001 hebben de Waalse autoriteiten bovendien de Commissie ervan op de hoogte gebracht, dat hun raadsman zonder succes bij de raadsman van de Beaulieu-groep het belang van de door de Commissie ingeleide procedure alsmede de gevaren van die procedure voor de groep had benadrukt, en dat hun antwoord op het verzoek om inlichtingen van de Commissie onvolledig zou zijn zolang de Beaulieu-groep geen medewerking verleende.

88      Daarenboven is verzoeksters raadsman bij brief van 23 juli 2001 in kennis gesteld van de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure van de Commissie van 6 juni 2001, waarvan hij een afschrift heeft gekregen.

89      Tot slot staat vast dat verzoekster met naam en toenaam was genoemd in de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure – in het bijzonder in titel II.2, die specifiek betrekking heeft op de Beaulieu-groep, die, zoals in punt 20 is gepreciseerd, wordt overkoepeld door verzoekster – en dat in deze beschikking, met name in de punten 29 tot en met 43 en 70 tot en met 75 alsmede in voetnoot 4, twijfel werd geuit over het feit dat het Waalse Gewest op 20 november 1998 afstand had gedaan van een zekere schuldvordering van 113 712 000 BEF op de Beaulieu-groep in ruil voor 9 704 aandelen in Verlipack Holding II, waarvan de situatie zo was verslechterd dat haar actief op 11 februari 1999 op één frank was geraamd.

90      Ook al was verzoekster volkomen bekend met de inleiding van een formele onderzoeksprocedure, die inzonderheid zag op de aan de orde zijnde afstand van schuldvordering, en met de noodzaak en het belang, dat zij bepaalde informatie zou verstrekken, aangezien de Commissie reeds twijfel had geuit over de verenigbaarheid van deze afstand van schuldvordering met het gemeenschapsrecht, heeft zij besloten om niet deel te nemen aan de formele onderzoeksprocedure, zonder dat zij overigens heeft gesteld dat de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure onvoldoende was gemotiveerd om haar in staat te stellen nuttig haar rechten uit te oefenen (zie in die zin arrest Fleuren Compost/Commissie, punt 83 hierboven, punt 46).

91      Uit het voorgaande volgt in de eerste plaats dat verzoekster zich niet voor het eerst voor het Gerecht kan beroepen op informatie waarmee de Commissie niet bekend was op het moment waarop deze de bestreden beschikking heeft vastgesteld. Dit geldt te meer nu het inzonderheid gaat om door verzoekster aangevoerde feitelijke argumenten die volgens haar noodzakelijk zijn voor een juiste toetsing van de onderhavige zaak aan de regels inzake staatssteun.

92      In de tweede plaats kan de begunstigde van steun zich, op straffe van niet-ontvankelijkheid, niet beroepen op een middel dat enkel steunt op informatie waarmee de Commissie niet bekend was op het moment waarop zij de bestreden beschikking heeft vastgesteld, aangezien de rechtmatigheid van een beschikking inzake staatssteun moet worden beoordeeld aan de hand van de informatie waarover de Commissie kon beschikken op het moment waarop zij deze heeft vastgesteld.

93      De door verzoekster tot staving van haar beroep ingeroepen middelen berusten evenwel op gegevens waarmee de Commissie bekend was bij de vaststelling van de bestreden beschikking.

94      In het kader van haar eerste middel beweert verzoekster in de eerste plaats dat de Waalse autoriteiten haar de verkrijging, ingevolge de overeenkomst van 18 december 1996, van de 14 214 aandelen categorie B en winstbewijzen categorie I in Verlipack door betaling van 113 712 000 BEF, hebben opgedrongen. Dat zij hiertoe is gedwongen, vormt een feit waarmee de Commissie rekening had moeten houden om te bepalen of was voldaan aan de voorwaarden inzake het bestaan van steun ten gunste van bepaalde ondernemingen en, indien dit het geval was, inzake het feit dat verzoekster de begunstigde onderneming was, hetgeen in casu niet het geval is.

95      Tot staving van haar argument betreffende de dwang, beroept verzoekster zich op de nota van 25 mei 1998 van het Waalse Gewest aan de Commissie, waarin wordt gesteld dat „[h]et Waalse Gewest haar vertrouwen in de Beaulieu-groep had verloren en daarom de terugkoop van haar aandelen in de exploitatievestigingen van Verlipack Ghlin en Verlipack Jumet als voorwaarde heeft verbonden aan de goedkeuring van de oprichting van de twee holdings”.

96      Ter zake van de niet-ontvankelijkheid van het argument betreffende de dwang, blijkt uit het dossier en uit de vragen die het Gerecht op dit punt ter terechtzitting heeft gesteld, dat de Commissie niet betwist dat zij bij de vaststelling van de bestreden beschikking bekend was met de nota van 25 mei 1998. Voorts zijn partijen in het geding het enkel oneens over de draagwijdte van deze nota en over de uitlegging die moet worden gegeven aan het gebruik van de termen „als voorwaarde verbinden aan”, maar niet over het feitelijke gegeven dat de terugkoop door verzoekster van de door het Waalse Gewest gehouden aandelen heeft gevormd. Met haar argument betreffende de dwang beoogt verzoekster dus in werkelijkheid te stellen dat de Commissie de inhoud van deze nota verkeerd heeft beoordeeld, zodat dit argument ontvankelijk moet worden verklaard.

97      Aangaande in de tweede plaats verzoeksters argument waarmee zij betwist dat de overwaardering van de in de overeenkomst van 18 december 1996 vastgestelde prijs van de aan de orde zijnde aandelen en winstbewijzen haar rechtvaardiging vond in het koninklijk besluit van 1985, moet worden vastgesteld dat de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking bekend was met dit gegeven, zoals met name blijkt uit de punten 62 tot en met 64 en voetnoot 21 van de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure. Bovendien hebben de Waalse autoriteiten in de brief van 11 januari 2001 aan de Commissie, ingekomen op 15 januari 2001, het volgende geschreven:

„Er dient aan te worden herinnerd dat de totale prijs van 113 712 000 BEF voor de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht en de winstbewijzen van het Waalse Gewest in Verlipack Ghlin en Verlipack Jumet toen gelijk was aan 80 % van de waarde van deze aandelen en winstbewijzen op basis van de uitgifteprijs ervan.

Het Koninklijk Besluit van 7 mei 1985 (artikel 3) betreffende de uitgifte van bevoorrechte aandelen zonder stemrecht door naamloze vennootschappen behorend tot de nationale sectoren, bepaalt immers dat ‚[d]e prijs [...] niet lager [mag] zijn dan 80 % van de uitgifteprijs’ bij wederverkoop van de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht aan de uitgevende vennootschap of aan derden.

Gelet op de financiële situatie van de Verlipack-groep, die toen volledig werd geherstructureerd, stemde deze prijs ongetwijfeld niet overeen met de werkelijke waarde van de aandelen en winstbewijzen, maar is hij vastgesteld met het oog op de naleving van de reeds aangehaalde Belgische wetgeving, hetgeen de Beaulieu-groep heeft aanvaard.

[...]

Bijgevolg hebben partijen een termijn van vier jaar vastgesteld voor de renteloze betaling van de schuld van de Beaulieu-groep, teneinde de meerkosten ten gevolge van de toepassing van de wetgeving (geactualiseerd op de dag van betaling) ten opzichte van de economische waarde van het goed enigszins te compenseren.”

98      Dezelfde informatie is overigens in wezen overgenomen in punt 2 van de brief van het Koninkrijk België van 26 juli 2001 aan de Commissie.

99      Hoe dan ook kan het argument betreffende het koninklijk besluit van 1985 niet worden beschouwd als een element dat niet aan de beoordeling van het Gerecht kan worden voorgelegd, aangezien het een vraag van uitlegging van dat arrest betreft.

100    Aangaande in de derde plaats de niet-ontvankelijkheid van verzoeksters argument dat de bestreden beschikking beknopt en onjuist is ter zake van de analyse van de twee voorwaarden inzake de verstoring van de mededinging en de ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten, beroept verzoekster zich op geen enkel gegeven dat niet in het bezit was van de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking, maar uit zij enkel kritiek op de in de punten 70 tot en met 72 van de bestreden beschikking opgenomen analyse, welke is gebaseerd op de positie van de Beaulieu-groep op de textielmarkt, terwijl zij als aandeelhouder van de vennootschappen van de Verlipack-groep bij de zaak betrokken is en niet als textielproducent.

101    Gelet op het voorgaande moet de grief van niet-ontvankelijkheid die de Commissie tegen het eerste middel heeft ingeroepen, worden afgewezen.

102    Verzoeksters tweede middel, volgens hetwelk de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door terugvordering van de steun te verlangen hoewel de beweerdelijk gedwongen terugkoop van de aan de orde zijnde aandelen en winstbewijzen geen enkel voordeel had opgeleverd voor verzoekster, berust op dezelfde gegevens als die welke in het kader van het eerste middel zijn ingeroepen en waarmee de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking bekend was. Ook de grief van niet-ontvankelijkheid van dit middel dient dus te worden afgewezen.

103    Het derde middel, waarbij verzoekster betoogt dat de Commissie het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, stelt de methode voor de berekening van de waarde van de aandelen categorie B en de winstbewijzen categorie I, het tijdstip van de waardering en de bepaling van de begunstigde van de steun aan de orde, met een beroep op de omstandigheid dat het addendum van 20 november 1998 slechts een soort compensatie was voor de gedwongen koop van die aandelen en winstbewijzen in 1996. Zo beroept verzoekster zich opnieuw op gegevens waarover de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking beschikte. De tegen dit middel opgeworpen grief van niet-ontvankelijkheid kan dus niet worden aanvaard.

104    Aangaande de in punt 76 van het onderhavige arrest vermelde stukken waarop verzoekster zich heeft beroepen tot staving van haar verzoek, waarvan sommige volgens haar enkel bepaalde nevenaspecten van de onderhavige zaak illustreren, dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat zij overeenkomstig de in de punten 82 tot en met 84 hierboven vermelde rechtspraak buiten beschouwing moeten worden gelaten. In de tweede plaats blijkt uit het dossier en de vragen die het Gerecht dienaangaande tijdens de mondelinge procedure heeft gesteld, dat geen enkel door verzoekster ingeroepen middel of argument berust op deze stukken, die volgens de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking niet in haar bezit waren, noch in het dossier dat tot de bestreden beschikking heeft geleid, noch in een verwant dossier.

105    Tot slot beweert verzoekster zelf dat haar argument op basis van bijlage 18 bij het verzoekschrift, volgens hetwelk Sowagep Verlipack in december 1997 een nieuwe kapitaalinbreng van 100 miljoen BEF heeft beloofd, irrelevant is in de onderhavige zaak.

106    Gelet op het voorgaande kan verzoekster zich niet beroepen op de in punt 76 van het onderhavige arrest vermelde stukken, die dus buiten beschouwing worden gelaten. Voorts moet de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.

 Ten gronde

107    Tot staving van haar beroep roept verzoekster vier middelen in, die respectievelijk zijn ontleend aan schending van in de eerste plaats artikel 87, lid 1, EG en de artikelen 7 en 13 van verordening nr. 659/1999, in de tweede plaats het evenredigheidsbeginsel en artikel 14 van verordening nr. 659/1999, in de derde plaats het gelijkheidsbeginsel en in de vierde plaats de motiveringsplicht.

 Het eerste middel, inzake schending van artikel 87, lid 1, EG en van artikel 7 juncto artikel 13 van verordening nr. 659/1999

108    Verzoeksters eerste middel bestaat uit drie onderdelen. Deze betreffen ten eerste het bestaan van steun ten gunste van bepaalde ondernemingen, vervolgens het feit dat indien sprake was van begunstiging, verzoekster niet kan worden beschouwd als de begunstigde onderneming in de zin van artikel 87, lid 1, EG, en tot slot de verstoring van de mededinging en de ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten.

 Het eerste onderdeel, betreffende het bestaan van steun ten gunste van bepaalde ondernemingen

–       Argumenten van partijen

109    Verzoekster is in de eerste plaats van mening dat de redenering die in de bestreden beschikking wordt gevolgd, te weten dat verzoekster een zekere en opeisbare schuld van 113 712 000 BEF heeft gehad, die zij heeft terugbetaald met de overdracht van 9 704 aandelen in Verlipack Holding II, die een lagere waarde en zelfs geen waarde hadden, al te eenvoudig is. Een dergelijke redenering berust namelijk volkomen op het in abstracto beschouwen van de schuldvordering van 113 712 000 BEF en houdt geenszins rekening met de feiten of de economische realiteit. De bestreden beschikking behandelt deze schuld alsof het ging om een verplichting tot terugbetaling van middelen die de overheid verzoekster daadwerkelijk ter beschikking heeft gesteld, hetgeen niet het geval is.

110    Zo geeft verzoekster te kennen dat zij door de overeenkomst van 18 december 1996 gedwongen was om aandelen van het Waalse Gewest af te kopen, en deze slechts zeer kort heeft aangehouden, te weten van 18 december 1996 tot 11 april 1997, datum waarop Heye de controle over Verlipack Holding II heeft verkregen. Vanaf het begin was duidelijk dat de werkelijke geadresseerde Verlipack Holding I was, waarover Heye opnieuw de controle moest verkrijgen. Die aandelen hadden dus geen vermogenswaarde voor verzoekster. Bovendien hadden niet alleen overwegingen van economische aard de Commissie moeten doen opmerken dat de overeenkomst van 18 december 1996 geen vrijwillig door verzoekster gesloten transactie was. De Commissie is tijdens de formele onderzoeksprocedure schriftelijk volledig op de hoogte gebracht van het feit dat deze overeenkomst verzoekster was opgedrongen. Zo blijkt uit de nota van 25 mei 1998 van het Waalse Gewest aan de Commissie dat het Waalse Gewest alle vertrouwen in verzoekster had verloren en wilde deel uitmaken van een door Heye gecontroleerde groep. Het Waalse Gewest heeft de Beaulieu-groep dus verplicht de volledige deelneming van het Gewest terug te kopen alvorens een nieuwe partner aandeelhouder te kunnen doen worden van de Verlipack-groep. Daarnaast heeft Heye zich niet willen aansluiten bij een groep waarin de overheid een deelneming had.

111    In de tweede plaats is verzoekster van mening dat de gedwongen terugkoop van de aandelen in Verlipack Jumet en Verlipack Ghlin niet kan worden aangemerkt als een begunstiging in de zin van artikel 87 EG.

112    Wat ten eerste de objectieve waardering van de betrokken aandelen betreft, kan niet worden betwist dat de aandelen in werkelijkheid zeker geen 113 712 000 BEF waard waren. In de brief aan de Commissie van 11 januari 2001, ingekomen op 15 januari 2001, heeft het Waalse Gewest overigens erkend dat de op het koninklijk besluit van 1985 gebaseerde prijs onevenredig en zonder enig verband met de economische waarde van de aandelen en winstbewijzen was, terwijl indien een beroeps een waardering had gemaakt, hij zou geconcludeerd hebben dat de teruggekochte aandelen waardeloos waren. Deze vaststelling wordt bevestigd door de brief van het Koninkrijk België van 26 juli 2001 aan de Commissie, volgens welke de financiële situatie van de drie Verlipack-vennootschappen verontrustend was en de op basis van het koninklijk besluit van 1985 vastgestelde verkoopprijs van de aandelen en winstbewijzen niet meer overeenkwam met de werkelijke waarde ervan. Geen enkele normale marktdeelnemer zou tot een dergelijke aankoop zijn overgegaan onder dergelijke voorwaarden, zodat deze gelet op de aan de orde zijnde omstandigheden niet als een vrijwillige verkrijging kan worden aangemerkt. Bovendien had Heye op de terugkoopdatum geen enkele verbintenis op zich genomen met betrekking tot haar eventuele deelneming in het kapitaal van de Verlipack-groep, welke verbintenis eerst is aangegaan door de overeenkomst van 26 december 1996 tussen Imcopack Vlaanderen en Imcopack Wallonie enerzijds en Heye anderzijds.

113    De inkoop van de aandelen heeft er ook toe geleid dat het Waalse Gewest zich volledig uit Verlipack Jumet en Verlipack Ghlin heeft teruggetrokken, hetgeen een aanzienlijk bijkomend nadeel heeft opgeleverd.

114    Het feit dat de werkelijke waarde van de aandelen toen reeds nihil en zelfs negatief was, wordt in de eerste plaats bevestigd door beschikking 2001/856, waarvan punt 104 vermeldt dat „[u]it de resultaten van de vestigingen te Ghlin en Jumet is gebleken dat aanzienlijke exploitatieverliezen werden geleden en dat de omzet in 1996 sterk was gedaald in vergelijking met de voorgaande jaren”, punt 107 preciseert dat „[d]e Commissie [op]merkt [...] dat de financiële situatie van Verlipack voor de intrede van Heye geenszins op levensvatbaarheid wees” en punt 115 concludeert dat „de bedrijfsresultaten [van Verlipack] vóór de intrede van Heye ondubbelzinnig bewezen dat deze groep in moeilijkheden verkeerde”. In de tweede plaats was de Commissie zelf bekend met Verlipacks rampzalige financiële situatie eind 1996. In de punten 11 en 12 van de bestreden beschikking heeft de Commissie respectievelijk opgemerkt dat „[d]e twee in Wallonië gevestigde ondernemingen [...] toen verlieslijdend [waren]”, te weten in 1995 en 1996, en dat „[d]e groep Verlipack [...] eind 1996 de aflossingen van haar leningen bij de banken niet [zou] hebben kunnen honoreren”. De redenering van de Commissie om de 9 704 aandelen in Verlipack Holding II elke waarde te ontzeggen, moet eveneens van toepassing zijn op de aan de orde zijnde aandelen.

115    De visie dat de Verlipack-groep niet levensvatbaar was in 1996, wordt ook gedeeld door advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie bij het arrest van 3 juli 2003, België/Commissie, punt 44 hierboven (Jurispr. blz. I‑6934).

116    Indien de Commissie haar standpunt over de waarde van de aandelen in 1996 handhaaft, dringt verzoekster erop aan dat zij een waarderingsverslag voorlegt dat haar standpunt kan staven, en dat zij toelicht in hoeverre met name rekening is gehouden met de situatie van de vennootschappen van de Verlipack-groep en met het feit dat geen stemrecht verbonden was aan de aandelen en dat zij zelfs na hun omzetting in aandelen met stemrecht een uiterst klein percentage van Verlipacks kapitaal vertegenwoordigden.

117    Bovendien staven twee andere argumenten deze analyse volgens welke het bedrag van 113 712 000 BEF niet kan worden beschouwd als het niveau van de begunstiging: in de eerste plaats is deze schuldvordering naar burgerlijk recht vervallen. Door de uitvoering van het addendum van 20 november 1998 is zij verbintenisrechtelijk komen te vervallen; in de tweede plaats is het bedrag van 113 712 000 BEF verzoekster door het Waalse Gewest opgelegd op basis van het koninklijk besluit van 1985.

118    Dienaangaande merkt verzoekster op dat het Waalse Gewest zich ter rechtvaardiging van de economisch ongerechtvaardigde prijs die in de overeenkomst van 18 december 1996 was vastgesteld, heeft beroepen op een juridische verplichting ter zake, zodat de bij wet of bij overeenkomst opgelegde prijs is voorgesteld als niet-onderhandelbaar en opgedrongen.

119    Ten eerste wil verzoekster preciseren dat het koninklijk besluit van 1985, met name artikel 3, in geen geval een terugkoopverplichting bevat, maar handelt over een terugkooprecht, vervolgens dat dit besluit bepaalt dat de inschrijvingsovereenkomst moet voorzien in een terugkooprecht en de modaliteiten daarvan moet regelen, welke in de onderhavige zaak zijn vervat in artikel 11 en in bijlage 1 bij de overeenkomst van 30 april 1985, en ten slotte dat het de onderneming waarin de staat investeert, het recht geeft om de titels van laatstgenoemde terug te kopen tegen een prijs die niet lager mag zijn dan 80 % van de uitgifteprijs. Deze bepaling sluit niet uit dat de staat buiten het kader van de inschrijvingsovereenkomst een koopoptie kan toestaan voor een prijs die lager is dan 80 % van de uitgifteprijs. Genoemde bepaling ziet niet op situaties waarin de staat zelf zijn deelneming wil beëindigen of wanneer hij een particuliere onderneming onder druk zet om zijn deelneming over te nemen. Elke andere uitlegging zou betekenen dat de staat gevangen is als aandeelhouder en zijn deelneming nooit kan verkopen. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 1985 staat dus geenszins in de weg aan de overeenkomst van 18 december 1996 en aan het addendum van 20 november 1998, die duidelijk niet gebaseerd zijn op het in de overeenkomst van 30 april 1985 vervatte terugkooprecht.

120    Bijgevolg is het argument van de Commissie dat verzoekster door het sluiten van het addendum van 20 november 1998 artikel 3 van het koninklijk besluit van 1985 heeft geschonden, onjuist, daar het Waalse Gewest niet wettelijk verplicht was om de prijs voor de overdracht van de aandelen op 80 % van de nominale waarde vast te stellen.

121    Het argument dat de prijs van 113 712 000 BEF voor de aandelen categorie B en de winstbewijzen categorie I door de overeenkomst van 30 april 1985 was opgelegd, kan evenmin worden aanvaard.

122    Geen van de bepalingen van de overeenkomst van 30 april 1985 is immers van toepassing op de onderhavige zaak, met name niet de artikelen 10 en 11. Artikel 10 van deze overeenkomst bevat namelijk een voorwaarde die onmogelijk kon worden vervuld in het kader van de overeenkomst van 18 december 1996, aangezien de in die bepaling opgenomen terugkoopverplichting slechts gold „voor zover de overgedragen winst en de beschikbare reserves van de vennootschappen dit toel[ie]ten”. Bovendien had verzoekster, die niet kan worden gelijkgesteld met De Clerck, geen kennis van een document waaruit zou blijken dat zij deze specifieke verplichting zou hebben overgenomen, en dit artikel 10 is geen bepaling die door het koninklijk besluit van 1985 is opgelegd. Wat artikel 11 van de overeenkomst van 30 april 1985 betreft, dit is weliswaar in overeenstemming met het koninklijk besluit van 1985, maar in de onderhavige zaak irrelevant. Zowel dit artikel als de in bijlage 1 bij de overeenkomst van 30 april 1985 gevoegde optieovereenkomst verlenen de Verlipack-vennootschappen enkel een optierecht en stellen geen terugkoopverplichting, waarbij eraan wordt herinnerd dat dit recht aan laatstgenoemden en niet aan verzoekster is toegekend.

123    Ten slotte heeft het Waalse Gewest vier maanden na de overeenkomst van 18 december 1996 met Heye over een vergelijkbare terugkoopverplichting onderhandeld, in het kader waarvan zij heeft afgezien van de op een algemene verplichting gebaseerde exorbitante prijs, aangezien, zoals blijkt uit artikel 1 van de optieovereenkomst, is verwezen naar de netto-actiefwaarde en dus naar de werkelijke waarde van de betrokken aandelen als prijsbepalend criterium, en niet naar de uitgifteprijs.

124    Het addendum van 20 november 1998, dat de Commissie gelet op de bewoordingen ervan ten onrechte als een volkomen zelfstandige overeenkomst beschouwt (de titel, de overwegingen en de bepalingen wijzen erop dat dit addendum niet zelfstandig is, maar daarentegen deel uitmaakt van de overeenkomst van 18 december 1996), terwijl de Commissie uit het oog verliest dat deze transactie betrekking heeft op de betaling van aandelen die verzoekster in 1996 heeft verkregen, past dus slechts de transactieprijs aan door de betalingsregeling in overeenstemming te brengen met die welke reeds aan Heye was toegestaan, waarbij verzoekster de mogelijkheid heeft gekregen om het Waalse Gewest te betalen voor de verplicht verkregen aandelen door de overdracht van een aantal aandelen met een gelijke werkelijke economische waarde.

125    Wat ten tweede de concrete beoordeling van het aspect „begunstiging” betreft, merkt verzoekster in de eerste plaats op dat de overgenomen aandelen haar geen enkele bijkomende controle hebben opgeleverd. Aan deze aandelen was immers geen stemrecht verbonden zolang zij in het bezit waren van het Waalse Gewest (zodat dit Gewest ze hoe dan ook niet kon gebruiken om tussen te komen in het besluitvormingsproces van de Verlipack-vennootschappen). Vervolgens merkt zij op dat zij geen enkel dividend of ander financieel voordeel heeft genoten doordat de betrokken aandelen in haar bezit waren, en ten slotte dat zij de betrokken aandelen niet te gelde heeft kunnen maken omdat zij in het kader van de deelneming van Heye de betrokken aandelen samen met haar controleparticipatie diende in te brengen in Verlipack Holding I.

126    De Commissie had de feitelijke context dus volledig moeten onderzoeken, de feiten niet geïsoleerd mogen analyseren en moeten uitgaan van de economische realiteit zonder haar beoordeling te beperken tot de formeel-juridische aspecten, zoals het Hof heeft geoordeeld naar aanleiding van de bepaling van de waarde van aandelen in het arrest van 24 oktober 1996, Duitsland e.a./Commissie (C‑329/93, C‑62/95 en C‑63/95, Jurispr. blz. I 5151, punt 36). Volgens verzoekster is de benadering van de Commissie restrictief, aangezien zij zich met uitsluiting van alle andere factoren beperkt tot de nominale waarde van de aandelen die verzoekster gedwongen heeft gekocht.

127    Verzoekster licht het onjuiste karakter van de beoordeling van de Commissie als volgt toe: indien het Waalse Gewest, in plaats van verzoekster aandelen te verkopen en te bepalen dat deze later contant dan wel door inbetalinggeving zouden worden betaald, haar de aandelen van meet af aan kosteloos had gegeven zonder enige vergoeding of tegenprestatie, zou om te beoordelen of sprake was van begunstiging en voor welk bedrag, immers enkel de waarde van de kosteloos ontvangen aandelen in aanmerking zijn genomen. Daarom moet volgens verzoekster rekening worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van deze zaak, te weten de gedwongen terugkoop en de kunstmatig vastgestelde prijs, en moeten de situatie van de onderhavige zaak en de situatie die hierboven is beschreven, daar die zeer vergelijkbaar zijn, op dezelfde wijze aan de regels inzake staatssteun worden getoetst. In beide gevallen bezit verzoekster immers bepaalde aandelen en het feit dat deze kosteloze terbeschikkingstelling rechtstreeks gebeurt of via de omweg van kwijtschelding van de betalingsverplichting, dient irrelevant te zijn. In plaats van zich te baseren op een schuldvordering in abstracto, had de Commissie haar beoordeling dus moeten doortrekken naar de werkelijke waarde van de activa die aan verzoekster zijn overgedragen. Enkel aan de hand van deze analyse kan worden beoordeeld of er in de economische realiteit sprake is van begunstiging.

128    De Commissie concludeert tot verwerping van dit onderdeel.

–       Beoordeling door het Gerecht

129    In de eerste plaats dient te worden ingegaan op verzoeksters argument dat het Waalse Gewest haar door de overeenkomst van 18 december 1996 heeft verplicht om 14 214 aandelen categorie B en winstbewijzen categorie I te kopen voor 113 712 000 BEF. Dit argument berust op de nota van 25 mei 1998, waarin de Belgische autoriteiten de Commissie te kennen hebben gegeven dat „[h]et Waalse Gewest haar vertrouwen in de Beaulieu-groep had verloren en daarom de terugkoop van haar aandelen in de exploitatievestigingen van Verlipack Ghlin en Verlipack Jumet als voorwaarde heeft verbonden aan de goedkeuring van de oprichting van de twee holdings”.

130    Om te beginnen heeft de Commissie de terugkoop van aandelen waarop de overeenkomst van 18 december 1996 betrekking had, in de bestreden beschikking niet als staatssteun aangemerkt.

131    Voorts stond in artikel 3 van de bijlage van 18 november 1987 dat „[m]et ingang van 1 oktober 1987 [...] ondergetekenden NV Imcour en de heer R. De Clerck zich onherroepelijk [verbonden] tot overname en naleving van alle rechten en plichten tot dan bestaande in hoofde van de NV Adsum en de heer De Backer zoals beschreven in de overeenkomst van 30 april 1985 en haar bijlage”.

132    Eén van deze verplichtingen was die van artikel 10, eerste lid, van de overeenkomst van 30 april 1985, volgens hetwelk Adsum zich sterk maakte dat vanaf het verstrijken van de eerste vijf jaar na de ondertekening van die overeenkomst, de drie Verlipack-vennootschappen jaarlijks 10 % van de aandelen categorie B (terugkoop tegen nominale waarde) en 10 % van de winstbewijzen categorie I (terugkoop tegen de eenheidsprijs van 10 000 BEF) die in handen van de NMNS waren, zouden terugkopen, voor zover de overgedragen winst en de beschikbare reserves van de vennootschappen dit toelieten. Ingevolge artikel 10, derde lid, van die overeenkomst zou Adsum bij gebreke van deze overeenkomsten hoe dan ook de in dit artikel opgenomen verplichting nakomen.

133    Bovendien was in de bijlage van 18 november 1987 gepreciseerd dat er een wijziging was inzake de controle van het bestuur van de Verlipack-vennootschappen en dat de ministers van Economische Zaken en Financiën op 17 november 1987 hun toestemming hadden gegeven overeenkomstig artikel 14, tweede lid, van de overeenkomst van 30 april 1985.

134    Tot slot bepaalde artikel 16 van de overeenkomst van 30 april 1985 dat in de statuten van de vennootschappen de met deze overeenkomst overeenstemmende bepalingen zouden worden opgenomen.

135    Uit deze elementen volgt dat verzoekster niet alleen de rechten, maar ook de verplichtingen gedefinieerd in de overeenkomst van 30 april 1985, waarvan Adsum en De Backer houder waren tegenover Verlipack en de Belgische staat en die overeenkomstig artikel 16 van deze overeenkomst integrerend deel dienden uit te maken van de statuten van de Verlipack-vennootschappen, met volledige kennis van zaken heeft overgenomen. In het bijzonder heeft Imcour Holding, die verzoekster heeft opgevolgd, zich krachtens artikel 3 van de bijlage van 18 november 1987 onherroepelijk verbonden tot naleving van de verplichtingen en de voorwaarden voor de terugkoop van de aandelen categorie B en van de winstbewijzen categorie I van de NMNS in Verlipack.

136    Verzoekster kan de toepassing van die terugkoopverplichting bovendien niet uitsluiten met een beroep op de in artikel 10, lid 1, van de overeenkomst van 30 april 1985 vermelde voorwaarde inzake het bestaan van overgedragen winst en de beschikbaarheid van de reserves van de Verlipack-vennootschappen, aangezien verzoekster ingevolge artikel 10, derde lid, van deze overeenkomst de aandelen categorie B en de winstbewijzen categorie I van de NMNS hoe dan ook zelf diende terug te kopen indien de Verlipack-vennootschappen ze niet verkregen.

137    Voorts heeft verzoekster door de vervroegde terugkoop van de aandelen categorie B en de winstbewijzen categorie I waarop de overeenkomst van 18 december 1996 betrekking had, verscheidene voordelen genoten.

138    Ten eerste heeft verzoekster onmiddellijk de eigendom verkregen van alle aandelen categorie B en winstbewijzen categorie I die nog in handen waren van de Waalse autoriteiten, welke zij ingevolge de bijlage van 18 november 1987 hoe dan ook in jaarlijkse schijven diende terug te kopen, waardoor zij Verlipack heeft kunnen herstructureren door Heye daarbij te betrekken en de structuur van de groep heeft kunnen vereenvoudigen door alle aandelen aan Verlipack Holding I over te dragen.

139    In dit verband zij eraan herinnerd dat blijkens het dossier (zie met name de punten 11 en 12 van de bestreden beschikking, punt 23 van het verzoekschrift en de paragrafen 6 en 7 van de brief van het Koninkrijk België van 26 juli 2001 aan de Commissie) de situatie van de vennootschappen van de Verlipack-groep in 1996 zo verontrustend was dat de intrede van een glasspecialist noodzakelijk leek voor het economische herstel van de groep. Bovendien wenste deze specialist, in casu Heye, geen aandeelhouder te worden van een groep waarin de overheid een deelneming had, hetgeen volgens Heye „een gevaar van verandering van meerderheid zou hebben kunnen opleveren in geval van alliantie tussen het Waalse Gewest en de Beaulieu-groep”.

140    Deze in de nota van 25 mei 1998 vermelde vaststelling wordt overigens niet betwist door verzoekster, die in punt 22 van haar verzoekschrift stelt dat „[d]e Groep Beaulieu [...] duidelijk aan[voelt] dat de publieke aandeelhouders niet langer de bereidheid hadden om de Verlipack vennootschappen actief te blijven ondersteunen en dat, in afwezigheid van een radicale ommezwaai, de Verlipack vennootschappen regelrecht op een faillissement afstevenden. Met het oog op een reddingsoperatie gaat de Groep Beaulieu dan ook op zoek naar strategische partners met erkende ervaring in de glassector. Het is in dit kader dat de gesprekken met [...] Heye [...], één van de meest prominente Duitse glasfabrikanten, gestart zijn”.

141    Bovendien volgt uit de brief van het Koninkrijk België van 26 juli 2001 aan de Commissie dat „Beaulieu en Heye alsmede het Waalse Gewest onderhandelingen zijn begonnen over het organiseren van de overdracht van de Verlipack-groep aan Heye en over het opzetten van een nieuwe financiële structuur die in april 1997 in het leven is geroepen” en dat „na een overeenkomst tussen Beaulieu en Heye [is] overeengekomen dat de aandelen en winstbewijzen van het Waalse Gewest in Verlipack Ghlin en Verlipack Jument vóór iedere nieuwe tussenkomst van het Waalse Gewest door Beaulieu dienden te worden teruggekocht”.

142    Het Waalse Gewest heeft overigens actief deelgenomen aan de herstructurering van de Verlipack-groep om de dreigende verliezen te beperken. Zoals blijkt uit de punten 18 tot en met 22 van beschikking 2001/856 heeft zij in 1997 twee leningen van elk 250 miljoen BEF toegekend aan Heye, welke de kapitaalinbreng van deze laatste in Verlipack hebben gefinancierd met het oog op die herstructurering (zie in dit verband ook arrest van 3 juli 2003, België/Commissie, punt 44 hierboven, punten 22 tot en met 24).

143    In de tweede plaats dient overigens in het kader van bovenvermelde onderhandelingen en overeenkomst tussen Beaulieu en Heye ook te worden gewezen op de voordelen die verzoekster heeft verkregen ter zake van de prijs van de door haar gekochte aandelen categorie B en winstbewijzen categorie I en de wijzen van betaling daarvan.

144    Zo diende verzoekster volgens de overeenkomst van 30 april 1985, waarbij zij door de bijlage van 18 november 1987 partij is geworden, weliswaar de overeengekomen prijs volgens het tijdschema te betalen, maar zij heeft door de overeenkomst van 18 december 1996 de mogelijkheid gekregen om – renteloos –de betaling van de prijs van de aan de orde zijnde aandelen en winstbewijzen uit te stellen tot 31 december 2001, ook al heeft zij al deze aandelen en winstbewijzen onmiddellijk gekocht en zo de herstructurering van Verlipack kunnen vergemakkelijken.

145    Vervolgens heeft verzoekster, in strijd met haar stelling dat de prijs niet onderhandelbaar was, op het door haar te betalen bedrag van 142 140 000 BEF, overeenkomend met 100 % van de nominale waarde van de aan de orde zijnde aandelen en winstbewijzen, een vermindering van 28 428 000 BEF genoten doordat de betaalde prijs ingevolge artikel 3 van het koninklijk besluit van 1985 80 % van de uitgifteprijs bedroeg, ondanks de verkrijging van een onmiddellijk eigendomsrecht en van het recht om het bedrag van 113 712 000 BEF – renteloos – pas op 31 december 2001 te betalen.

146    Tot slot volgt deze analyse ook uit de brief van het Koninkrijk België van 26 juli 2001 aan de Commissie, volgens welke „de Beaulieu-groep de terugkoop van deze aandelen en deze winstbewijzen heeft aanvaard in ruil voor gunstige betalingsvoorwaarden, te weten een terugbetalingstermijn van vier jaar zonder rente om de beoogde herstructurering onder leiding van Heye in samenwerking met het Waalse Gewest te kunnen vergemakkelijken”.

147    Derhalve dient de laatste paragraaf uit de nota van 25 mei 1998 waarop verzoekster zich beroept tot staving van haar argument inzake het ontbreken van onderhandelingsruimte bij de terugkoop van de aan de orde zijnde aandelen en winstbewijzen door de overeenkomst van 18 december 1996, te worden gelezen tegen de achtergrond van de gehele context van die hierboven uiteengezette terugkoop, in het bijzonder het bewezen bestaan van onderhandelingen tussen Heye en verzoekster die hebben geleid tot een overeenkomst en tot de aanvaarding door laatstgenoemde van de aan de orde zijnde terugkoop waaraan de bovenvermelde voorwaarden waren verbonden, zodat deze niet kan worden opgevat als bewijs voor de omstandigheid dat het Waalse Gewest dwang zou hebben uitgeoefend op verzoekster.

148    Bovendien wordt deze analyse in de latere paragrafen van die nota van 25 mei 1998 bevestigd, voor zover daarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar de noodzaak, ter verhelping van de situatie van Verlipack de controle over de groep aan Heye over te dragen teneinde de meerderheid van de nieuwe investeerder in deze holding te waarborgen, hetgeen eerder blijk gaf van de wil van verzoekster om Heye bij het economische herstel van de Verlipack-groep te betrekken.

149    Bijgevolg dient, gelet op de verplichting tot terugkoop van de aandelen categorie B en van de winstbewijzen categorie I die verzoekster in de bijlage van 18 november 1987 op zich heeft genomen, alsmede op de overeenkomst tussen de Beaulieu-groep en Heye die aan deze terugkoop is voorafgegaan en op de daaruit voortvloeiende voordelen, het argument van verzoekster volgens hetwelk de Waalse autoriteiten haar dit zouden hebben opgelegd, te worden afgewezen.

150    In de tweede plaats dient te worden ingegaan op verzoeksters argument dat de prijs van de aan de orde zijnde aandelen en winstbewijzen, waarvan de waarde nihil en zelfs negatief was, bij de overeenkomst van 18 december 1996 is overgewaardeerd en dat het addendum van 20 november 1998 tot doel had, de daarin vastgestelde prijs aan te passen om deze in overeenstemming te brengen met die welke vier maanden later werd betaald door Verlipack Holding I of, volgens verzoekster, door Heye in de overeenkomst van 9 april 1997 in het kader van een analoge aankoopverplichting voor aandelen waarvan de prijs zou zijn bepaald op basis van de werkelijke waarde, en niet op basis van de nominale waarde ervan.

151    Wat ten eerste de overwaardering van de in de overeenkomst van 18 december 1996 vastgestelde prijs betreft, heeft verzoekster, door partij te worden bij de overeenkomst van 30 april 1985 door de bijlage van 18 november 1987, aanvaard om de aandelen categorie B en de winstbewijzen categorie I in Verlipack van de NMNS terug te kopen volgens het tijdschema en de prijs die daarin waren bepaald. Voorts wist zij dat ingevolge het reeds specifiek in artikel 4, sub f, laatste alinea, van de overeenkomst van 30 april 1985 vermelde koninklijk besluit van 1985 de prijs van de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht niet lager kon zijn dan 80 % van de uitgifteprijs ervan.

152    Bovendien volgt uit de – in punt 97 van het onderhavige arrest overgenomen – bewoordingen van de brief van 11 januari 2001, ingekomen op 15 januari 2001, dat de Waalse autoriteiten de Commissie hebben geschreven dat de prijs van 113 712 000 BEF ingevolge het koninklijk besluit van 1985 80 % bedroeg van de waarde van deze aan de orde zijnde aandelen en winstbewijzen op basis van de uitgifteprijs ervan.

153    Uit de brief van het Koninkrijk België van 26 juli 2001 aan de Commissie blijkt ook dat de Belgische autoriteiten, in antwoord op de stelling van de Commissie dat „de verplichting een prijs vast te stellen die gelijk is aan 80 % van de uitgifteprijs bij wet is vastgelegd en zonder onderscheid is opgelegd aan allen die dergelijke bevoorrechte aandelen wensen te kopen”, te kennen hebben gegeven dat zij reeds rekening hadden gehouden met het feit dat het koninklijk besluit van 1985 niet bepaalde onder welke voorwaarden de betaling diende plaats te vinden en dat de overeengekomen bijzondere voorwaarden hun rechtvaardiging vonden in de meerkosten die voor de Beaulieu-groep voortvloeiden uit de toepassing van de Belgische regeling.

154    Derhalve hebben de Belgische autoriteiten, zoals blijkt uit de punten 77 tot en met 79 van de bestreden beschikking, weliswaar bevestigd dat voor de aan de orde zijnde aandelen en winstbewijzen een prijs was betaald die volgens hen niet strookte met de economische realiteit, maar zij hebben deze prijs gerechtvaardigd met een beroep op het koninklijk besluit van 1985, dat van toepassing is op alle verkrijgingen van het type van die welke in de onderhavige zaak aan de orde is, en in de in de punten 152 en 153 van het onderhavige arrest vermelde brieven van 11 januari en 26 juli 2001 benadrukt dat zij aan deze meerkosten hadden verholpen door voordelige terugbetalingsvoorwaarden te verlenen, te weten de betaling – renteloos – door verzoekster vier jaar na de eigendomsoverdracht alsmede de aanvaarding van deze prijs door de Beaulieu-groep.

155    Overigens blijkt uit de punten 10 en 13 van de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure dat het actief hoger was dan de schulden, daar het actief, dat bestond uit de drie exploitatievestigingen (Ghlin, Jumet en Mol), op 515 miljoen BEF was geraamd, terwijl de schulden meer dan 362,8 miljoen BEF bedroegen.

156    Tot slot blijkt niet uit het dossier dat verzoekster in een nationale gerechtelijke procedure haar verplichting tot betaling van de in de overeenkomst van 18 december 1996 vermelde prijs van de aan de orde zijnde aandelen en winstbewijzen – die zij overigens heeft aanvaard – en de toepasselijkheid van het koninklijk besluit van 1985 heeft bestreden.

157    Wat ten tweede het doel van het addendum van 20 november 1998 betreft, kan de schuld ingevolge dit addendum tenietgaan, hetzij door de storting van 113 712 000 BEF, hetzij door de overdracht van 9 704 kapitaalaandelen van Verlipack Holding II.

158    Met de bepaling dat de schuldvordering niet alleen door de storting van 113 712 000 BEF kon vervallen, maar ook door de overdracht van 9 704 aandelen zonder waarde, kan het addendum van 20 november 1998 niet tot doel hebben gehad, de in de overeenkomst van 18 december 1996 overeengekomen prijs in overeenstemming te brengen met die welke in de overeenkomst van 9 april 1997 was vastgesteld, aangezien het volgens de bewoordingen ervan enkel voorzag in een extra mogelijkheid voor het tenietgaan van de schuld, te weten de overdracht van aandelen zonder waarde.

159    Bovendien is het, indien de wil had bestaan om de prijs aan te passen, redelijk aan te nemen dat dan ook zou zijn voorzien in een vermindering van de door storting te betalen prijs en dat dit addendum niet zou zijn vastgesteld op 20 november 1998, te weten ongeveer twintig maanden na de ondertekening van de overeenkomst van 9 april 1997 tussen het Waalse Gewest en Verlipack Holding I (in handen van Heye), op welke datum Verlipack Holding II overigens blijkens punt 75 van de bestreden beschikking had opgehouden te betalen. Bij vonnis van 31 mei 1999 heeft de Rechtbank van Koophandel te Bergen immers vastgesteld dat Verlipack Holding II in juni 1998 had opgehouden te betalen.

160    Het argument van verzoekster dat de werkelijke waarde van de aandelen in 1996 nihil en zelfs negatief was en dat het addendum van 20 november 1998 tot doel had, de in de overeenkomst van 18 december 1996 vastgestelde prijs in overeenstemming te brengen met die welke in de overeenkomst van 9 april 1997 was vastgesteld, kan bijgevolg niet worden aanvaard.

161    Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

 Het tweede onderdeel, inhoudend dat indien sprake was van begunstiging, verzoekster niet kan worden beschouwd als de begunstigde onderneming in de zin van artikel 87, lid 1, EG

–       Argumenten van partijen

162    Tot staving van dit onderdeel beroept verzoekster zich op beschikking 2001/856, met name de punten 109 en 110, waarin de Commissie te kennen geeft dat de begunstigde van een steunmaatregel, die de steun eventueel zal moeten terugbetalen, niet noodzakelijkerwijs de onderneming is waaraan de autoriteiten de middelen rechtstreeks hebben verstrekt, maar de onderneming die het daadwerkelijke genot daarvan heeft gehad. Volgens punt 110 van beschikking 2001/856 wordt dit bevestigd door de rechtspraak van het Hof, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen ondernemingen die slechts als tussenschakel de middelen hebben doorgegeven en ondernemingen die voordeel uit de steun hebben geput, waardoor zij kunnen worden aangemerkt als de begunstigde. Verzoekster betoogt opnieuw dat zij de gedwongen gekochte aandelen, die zij niet van plan was aan te houden, slechts gedurende een beperkte periode in bezit heeft gehad. Zoals blijkt uit de nota van het Waalse Gewest van 25 mei 1998 aan de Commissie, moet de gedwongen terugkoop van deze aandelen worden begrepen tegen de achtergrond van het feit dat Heye de controle over de Verlipack-groep zou overnemen, om welke reden de betrokken aandelen in Verlipack Holding I werden ingebracht en indirect in handen van Heye zijn beland.

163    Verzoekster is dus van mening dat zij niet kan worden beschouwd als begunstigde in de zin van artikel 87, lid 1, EG.

164    Bijgevolg is de bestreden beschikking, voor zover zij verzoekster als de begunstigde van staatssteun beschouwt, in strijd met artikel 87, lid 1, EG en met artikel 7 juncto artikel 13 van verordening nr. 659/1999.

165    De Commissie concludeert tot afwijzing van dit onderdeel.

–       Beoordeling door het Gerecht

166    In de eerste plaats dient het argument van verzoekster, voor zover het berust op de beweerde dwang die op haar is uitgeoefend bij de terugkoop door de overeenkomst van 18 december 1996 van de 14 214 aandelen categorie B en winstbewijzen categorie I, te worden afgewezen om de in de punten 129 tot en met 149 van het onderhavige arrest vermelde redenen.

167    In de tweede plaats kan het argument van verzoekster, gesteld dat het niet tegen de achtergrond van die gedwongen terugkoop moet worden begrepen, evenmin worden aanvaard.

168    Zoals in de punten 131 tot en met 149 van het onderhavige arrest is vastgesteld, heeft verzoekster namelijk ingevolge een verbintenis die Adsum is aangegaan in het kader van de overeenkomst van 30 april 1985, waarbij verzoekster partij is geworden door de bijlage van 18 november 1987 en die is overgenomen in het kader van de overeenkomst van 18 december 1996, aanvaard om de aandelen categorie B en de winstbewijzen categorie I van het Waalse Gewest in SA Verlipack Jumet en SA Verlipack Ghlin terug te kopen door de storting van 113 712 000 BEF.

169    Het Waalse Gewest, dat dus een zekere en liquide schuldvordering van 113 712 000 BEF op verzoekster had, heeft op 20 november 1998 noodzakelijkerwijs afstand gedaan van deze vordering in ruil voor aandelen in een vennootschap waarvan de waarde nihil was op die datum, hetgeen verzoekster niet betwist. Deze laatste heeft niet aangetoond dat zij na deze afstand van schuldvordering in november 1998 dit bedrag had ingebracht in Verlipack Holding II of in een andere vennootschap die er dus de begunstigde van zou zijn, zodat dit bedrag in verzoeksters vermogen is gebleven.

170    De Commissie heeft bijgevolg terecht geoordeeld dat verzoekster een overdracht van overheidsmiddelen in haar voordeel had genoten.

171    Bijgevolg moet het tweede onderdeel van dit middel worden afgewezen.

 Het derde onderdeel, betreffende de verstoring van de mededinging en de ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten

–       Argumenten van partijen

172    Verzoekster merkt op dat de Commissie in de punten 70 tot en met 72 van de bestreden beschikking een zeer beknopte analyse geeft van de twee voorwaarden inzake de verstoring van de mededinging en de ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten, daar zij enkel stelt dat deze voorwaarden zijn vervuld omdat de Beaulieu-groep een vooraanstaande speler is op de textielmarkt en een groot deel van zijn productie uitvoert.

173    Dit komt erop neer te zeggen dat de Commissie voor marktdeelnemers als de Beaulieu-groep is vrijgesteld van de verplichting aan te tonen dat deze twee voorwaarden vervuld zijn. Verzoekster is in de eerste plaats van mening dat zij als aandeelhouder van de Verlipack-vennootschappen en niet als textielproducent bij de zaak betrokken is en dat het feit dat zij is gedwongen om aandelen in een groep die verpakkingsglas produceert, te kopen en deze onder te brengen in een holding die wordt gecontroleerd door een andere glasproducent, weinig verband houdt met de textielactiviteit van de Beaulieu-groep. In deze omstandigheden beweert verzoekster dat aangezien de steun plaatsvindt op een andere markt dan die waarop de mededingingsverstoring optreedt, de bestreden beschikking onjuist is waar zij, wat de twee in artikel 87, lid 1, EG vermelde voorwaarden betreft, enkel verwijst naar de positie van de Beaulieu-groep op de textielmarkt. In de tweede plaats heeft de onttrekking van middelen aan haar vermogen om deze in Verlipack onder te brengen, haar activiteit in de textielsector geremd en niet ondersteund, te meer daar het uit deze investering voortvloeiende verlies aanzienlijk is.

174    Door terugbetaling van het in de bestreden beschikking vermelde bedrag te verlangen, maakt de Commissie juist geen einde aan een verstoring van de mededinging en straft zij de Beaulieu-groep, terwijl de overheid zelf heeft erkend dat de prijs die verzoekster voor de aandelen heeft betaald, onevenredig was en het Waalse Gewest de tegenprestatie heeft bijgestuurd door middel van het addendum van 20 november 1998. Bovendien heeft verzoekster de aandelen slechts tijdelijk in bezit gehad binnen Verlipack Holding I, zonder daaraan een financieel of economisch voordeel te ontlenen. Ook al zou verzoekster deze aandelen kosteloos hebben ontvangen, is laatstgenoemde van mening dat dit geen invloed kan hebben op de mededinging op de textielmarkt.

175    De Commissie concludeert tot verwerping van dit onderdeel.

–       Beoordeling door het Gerecht

176    Om te beginnen stelt verzoekster met dit onderdeel aan de orde de analyse van de Commissie ter zake van de vaststelling in casu van de in artikel 87, lid 1, EG gestelde voorwaarden inzake de verstoring van de mededinging en de ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten en ter zake van de vermeend beknopte motivering die de bestreden beschikking aangaande deze twee voorwaarden geeft, welke motivering ook in het vierde middel aan de orde is en dus in het kader daarvan zal worden behandeld.

177    Wat in de eerste plaats de voorwaarde inzake de verstoring van de mededinging betreft, is het vaste rechtspraak dat steun waardoor een onderneming wordt bevrijd van kosten die zij in het kader van haar gewone bedrijfsvoering of van haar normale werkzaamheden normaliter zelf zou moeten dragen, in beginsel de mededingingsvoorwaarden vervalst (zie arresten Gerecht van 8 juni 1995, Siemens/Commissie, T‑459/93, Jurispr. blz. II‑1675, punten 48 en 77, en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 april 1998, Vlaamse Gewest/Commissie, T‑214/95, Jurispr. blz. II‑717, punt 43).

178    Voorts wordt, wanneer een overheidsinstantie een onderneming bevoordeelt die actief is in een sector waar hevige concurrentie heerst, de mededinging verstoord, althans bestaat het risico dat dit gebeurt (arrest Vlaamse Gewest/Commissie, punt 177 hierboven, punt 46).

179    Zoals bij het onderzoek van het eerste en het tweede onderdeel van dit middel is vastgesteld, heeft het Waalse Gewest afstand gedaan van een schuldvordering van 113 712 000 BEF die zij had op verzoekster, welke actief is in een sector, de textielsector, waar de mededinging volledig vrij is.

180    In punt 71 van de bestreden beschikking heeft de Commissie dus terecht geoordeeld dat de litigieuze steun de mededinging vervalste of dreigde te vervalsen.

181    Aangaande de voorwaarde inzake ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten, is het vaste rechtspraak dat wanneer financiële steun van een staat de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt, dit handelsverkeer moet worden geacht door de steun ongunstig te worden beïnvloed (arresten Hof van 17 september 1980, Philip Morris/Commissie, 730/79, Jurispr. blz. 2671, punt 11, en 17 juni 1999, België/Commissie, C‑75/97, Jurispr. blz. I‑3671, punt 47; arrest Vlaamse Gewest/Commissie, punt 177 hierboven, punt 50; arrest Gerecht van 11 juli 2002, HAMSA/Commissie, T‑152/99, Jurispr. blz. II‑3049, punt 220, en arrest Fleuren Compost/Commissie, punt 83 hierboven, punt 57).

182    In casu heeft de Commissie in punt 70 van de bestreden beschikking een – door verzoekster niet betwiste – tabel opgesteld, waaruit blijkt dat er ter zake van tapijten en andere vloerbekleding uit textiel veel handelsverkeer plaatsvindt tussen België en de rest van de wereld, waarbij België in 1998 voor 2 009 560 000,84 EUR heeft uitgevoerd en voor 211 659 000,19 EUR heeft ingevoerd.

183    Bovendien blijkt uit punt 71 van de bestreden beschikking, in het bijzonder uit voetnoot nr. 17, dat verzoekster de eerste Europese tapijtenfabrikant is en 98 % van haar productie uitvoert. Daarenboven heeft de Commissie te kennen gegeven dat verzoeksters verkoop in de jaren 1997, 1998 en 1999 respectievelijk 4 379 764 000 BEF, 5 182 220 000 BEF en 4 821 857 000 BEF bedroeg.

184    Tot slot kan het argument van verzoekster dat de voorwaarden van artikel 87, lid 1, EG in casu niet vervuld zijn omdat de litigieuze steun betrekking heeft op een andere markt dan die waarop de verstoring van de mededinging heeft plaatsgevonden, niet worden aanvaard. Volgens de bestreden beschikking betrof de procedure betreffende de staatssteun namelijk de Beaulieu-groep, die blijkens punt 22 van de bestreden beschikking door verzoekster wordt overkoepeld. De verleende steun van 113 712 000 BEF, die, zoals in punt 169 van het onderhavige arrest is vastgesteld, niet is ingebracht in Verlipack Holding II of in een andere vennootschap uit de glassector, is in het vermogen van de Beaulieu-groep gebleven. Deze steun heeft dus noodzakelijkerwijs gevolgen gehad voor de sector waarin de Beaulieu-groep actief is, te weten de textielsector. De door verzoekster genoten steun heeft dan ook de vorm aangenomen van een mededingingsvoordeel op de textielmarkt.

185    Bijgevolg kan het derde onderdeel niet worden aanvaard en dient het eerste middel in zijn geheel te worden afgewezen.

 Het tweede middel, inzake schending van het evenredigheidsbeginsel en van artikel 14 van verordening nr. 659/1999

 Argumenten van partijen

186    Verzoekster herinnert eraan dat volgens de rechtspraak handelingen van de gemeenschapsinstellingen niet verder mogen gaan dan hetgeen passend en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken (arrest Hof van 17 mei 1984, Denkavit Nederland, 15/83, Jurispr. blz. 2171; arrest Gerecht van 22 november 2001, Mitteldeutsche Erdöl-Raffinerie/Commissie, T‑9/98, Jurispr. blz. II‑3367) en dat dit beginsel tot uiting komt in artikel 14 van verordening nr. 659/1999, volgens hetwelk de Commissie geen terugvordering van steun verlangt die in strijd is met een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht.

187    Verzoekster meent te hebben aangetoond dat de gedwongen terugkoop van de aan de orde zijnde aandelen en winstbewijzen in de Verlipack-vennootschappen haar geen financieel of ander voordeel in de zin van artikel 87 EG heeft verschaft, zodat het in strijd is met het evenredigheidsbeginsel om haar de terugvordering van onbestaande steun op te leggen.

188    Ook al zou sprake zijn van staatssteun ten gunste van verzoekster, zou het bovendien niet mogelijk zijn om de vermeende begunstiging op de gebruikelijke wijze in cijfers te vertalen. Meestal wordt immers aangenomen dat het bedrag van de exploitatiesteun die een onderneming heeft genoten, in wezen overeenstemt met de belemmering van de mededinging in de sector waarin zij actief is. In casu is er geen directe overdracht van liquide middelen van de publieke naar de particuliere sector en het voordeel treedt niet op in de sector waarin verzoekster traditioneel actief is. Het is dus onjuist, de omvang van de verstoring van de mededinging op de textielmarkt enkel af te meten aan de nominale waarde van de aandelen die verzoekster heeft verkregen in een groep die verpakkingsglas produceert. Volgens verzoekster blijkt uit het geheel van de feiten van de zaak dat de nominale waarde van de aandelen niet kan overeenstemmen met de omvang van de vermeende verstoring van de mededinging op de textielmarkt. Niet alleen is een dergelijke waarde onrealistisch hoog en zonder verband met de werkelijke waarde, maar bovendien kan de gedwongen terugkoop van de aandelen, zelfs al zou deze een voordeel hebben opgeleverd voor verzoekster, niet tot vervalsing van de mededinging op de textielmarkt hebben geleid, aangezien de kosteloze verkrijging van aandelen in de glassector niet automatisch een operationeel voordeel op deze textielmarkt meebrengt.

189    Uit deze elementen volgt dat de stelling van de Commissie dat terugvordering van de nominale waarde van de door verzoekster verkregen aandelen noodzakelijk is om een einde te maken aan de mededingingsverstoring, in strijd is met de economische realiteit, zodat de Commissie door deze terugvordering te verlangen het evenredigheidsbeginsel en artikel 14 van verordening nr. 659/1999 schendt.

190    De Commissie concludeert tot verwerping van dit middel.

 Beoordeling door het Gerecht

191    Aangaande het argument van verzoekster dat de Commissie artikel 14, lid 1, van verordening nr. 659/1999 en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door de terugvordering van de steun te verlangen, ook al heeft de gedwongen terugkoop van de aandelen categorie B en de winstbewijzen categorie I ingevolge de overeenkomst van 18 december 1996 verzoekster geen enkel financieel voordeel opgeleverd, volstaat het vast te stellen dat, voor zover deze schending berust op het argument betreffende de beweerdelijk op verzoekster uitgeoefende dwang bij de terugkoop, het om de in de punten 129 tot en met 149 van het onderhavige arrest vermelde redenen moet worden afgewezen.

192    Indien verzoeksters argument niet op een dergelijke dwang zou berusten, maar enkel op de terugkoop van de aandelen, dient het ook te worden afgewezen.

193    Zoals blijkt uit de bestreden beschikking, met name de punten 91 en 92, heeft de staatssteun in casu namelijk bestaan in de omstandigheid dat het Waalse Gewest op 20 november 1998 afstand heeft gedaan van een zekere schuldvordering van 113 712 000 BEF op de Beaulieu-groep in ruil voor de overdracht van 9 704 aandelen in Verlipack Holding II, die op de datum van de overdracht ervan, in december 1998, geen waarde hadden, aangezien het actief van deze vennootschap op 11 februari 1999 op 1 BEF is geraamd.

194    Verzoekster gaat dus uit van een onjuiste premisse wanneer zij met name beweert dat de omvang van de verstoring van de mededinging onjuist is afgemeten aan de nominale waarde van de in 1996 verkregen aandelen, aangezien niet deze handeling als staatssteun is aangemerkt, maar de op 20 november 1998 door het Waalse Gewest gedane afstand, van een zekere en liquide schuldvordering van 113 712 000 BEF die zij op verzoekster had en die deze laatste voor de nationale rechter nooit heeft bestreden.

195    Door van die schuldvordering afstand te doen ten gunste van een particuliere onderneming, heeft het Koninkrijk België de particuliere sector 113 712 000 BEF aan overheidssteun verleend.

196    De omvang van de verstoring diende dus te worden beoordeeld tegen de achtergrond van het feit dat het Waalse Gewest een zekere en liquide schuldvordering van 113 712 000 BEF op verzoekster had, die het heeft besloten niet te innen.

197    Bijgevolg heeft de Commissie in punt 111 van de bestreden beschikking tegen de achtergrond van de afstand van schuldvordering voor dit bedrag de terugvordering van de steun verlangd „[o]m de economische omstandigheden te herstellen waaraan de onderneming het hoofd had moeten bieden indien de onverenigbare steun haar niet was verstrekt”.

198    Aangaande het argument van verzoekster dat de toegekende steun de mededinging op de textielmarkt niet heeft vervalst omdat de kosteloze verkrijging van aandelen op de glasmarkt niet automatisch de toekenning van een operationeel voordeel op deze textielmarkt heeft ingehouden, volstaat het eraan te herinneren dat, zoals in punt 184 van het onderhavige arrest reeds is geoordeeld, de door verzoekster genoten steun in het vermogen van de Beaulieu-groep is gebleven en dan ook de vorm heeft aangenomen van een financieel voordeel op de textielmarkt, zodat deze, daar zij de positie van de begunstigde onderneming ten opzichte van de andere ondernemingen versterkt en haar in staat stelt haar exporten te doen toenemen, noodzakelijkerwijs de mededinging op de gemeenschappelijke markt kan vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden.

199    Bijgevolg kan niet worden gesteld dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel en artikel 14 van verordening nr. 659/1999 heeft geschonden op grond dat zij de terugvordering van de waarde van de steun in de vorm van afstand van schuldvordering voor 113 712 000 BEF heeft verlangd.

200    In die omstandigheden moet het tweede middel worden afgewezen.

 Het derde middel, inzake schending van het gelijkheidsbeginsel

201    Volgens verzoekster, die dit middel in drie onderdelen indeelt, heeft de Commissie inbreuk gemaakt op het gelijkheidsbeginsel zoals dit door het Hof is neergelegd in het arrest van 19 oktober 1977, Ruckdeschel e.a. (117/76 en 16/77, Jurispr. blz. 1753), in de eerste plaats door twee verschillende waarderingsmethoden te gebruiken om de waarde van de aandelen en winstbewijzen in de Verlipack-vennootschappen te bepalen, in de tweede plaats door deze waardering op twee verschillende tijdstippen uit te voeren, en tot slot door het argument betreffende de uiteindelijke begunstigde van de staatssteun op twee verschillende wijzen te gebruiken.

 Het eerste onderdeel, inhoudend dat de bestreden beschikking indruist tegen het gelijkheidsbeginsel door twee verschillende methoden te gebruiken om de waarde van de aandelen en winstbewijzen te bepalen

–       Argumenten van partijen

202    Verzoekster verwijt de Commissie twee verschillende methoden te hebben gebruikt om de waarde van de aandelen en winstbewijzen in de Verlipack-vennootschappen te bepalen, de ene gebaseerd op de uitgifteprijs (nominale waarde, te weten 113 712 000 BEF, de prijs waarvoor verzoekster deze heeft moeten kopen), en de andere op de werkelijke waarde van de aandelen op het moment waarop zij aan het Waalse Gewest zijn overgedragen, welke volgens punt 80 van de bestreden beschikking uiteindelijk nihil is.

203    In het kader van deze twee transacties bevonden het Waalse Gewest en verzoekster zich in nagenoeg identieke situaties: zij hebben beide een pakket aandelen in de Verlipack-vennootschappen overgedragen op een tijdstip waarop deze vennootschappen met financiële problemen te kampen hadden, zowel in december 1996, toen het Waalse Gewest de betrokken aandelen en winstbewijzen aan verzoekster heeft overgedragen, als in november 1998, toen verzoekster de aandelen aan het Waalse Gewest heeft overgedragen. In december 1996 hebben Verlipack Jumet en Verlipack Ghlin immers uiterst grote verliezen geleden.

204    Verzoekster vraagt zich bijgevolg af of de Commissie redenen had om twee verschillende methoden te gebruiken om de waarde te ramen van een aandelenpakket in wezenlijk identieke vennootschappen, weliswaar op verschillende data, maar in zeer vergelijkbare financiële omstandigheden.

205    Verzoekster merkt op dat de enige rechtvaardiging die de Commissie geeft, het koninklijk besluit van 1985 is. Overeenkomstig de in punt 126 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak is dit standpunt te formalistisch, te star en te restrictief en houdt het geen rekening met de feitelijke en economische context van de onderhavige zaak. Het Waalse Gewest heeft namelijk herhaaldelijk gesteld dat de in 1996 door verzoekster betaalde prijs buitensporig was, en het heeft in 1997 ten aanzien van Heye de werkelijke waarde van de aandelen in aanmerking genomen.

206    De Commissie concludeert tot afwijzing van dit onderdeel.

–       Beoordeling door het Gerecht

207    Volgens vaste rechtspraak bestaat discriminatie er met name in, dat vergelijkbare situaties op verschillende wijze worden behandeld, waardoor bepaalde marktdeelnemers in verhouding tot andere worden benadeeld zonder dat dit verschil in behandeling door het bestaan van objectieve verschillen van een zeker gewicht wordt gerechtvaardigd (arresten Hof van 13 juli 1962, Klöckner-Werke en Hoesch/Hoge Autoriteit, 17/61 en 20/61, Jurispr. blz. 645, 682; 15 januari 1985, Finsider/Commissie, 250/83, Jurispr. blz. 131, punt 8, en 26 september 2002, Spanje/Commissie, C‑351/98, Jurispr. blz. I‑8031, punt 57; arrest Gerecht van 7 juli 1999, Wirtschaftsvereinigung Stahl/Commissie, T‑106/96, Jurispr. blz. II‑2155, punt 103).

208    Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat verzoekster krachtens de overeenkomst van 30 april 1985, waarbij zij door de bijlage van 18 november 1987 partij is geworden, heeft aanvaard om de uit deze overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen over te nemen, welke overeenkomst juist in artikel 10 bepaalde onder welke voorwaarden de terugkoop van de aandelen categorie B en de winstbewijzen categorie I diende plaats te vinden, in het bijzonder de prijs. Deze overeenkomst verwees bovendien uitdrukkelijk naar het koninklijk besluit van 1985, dat onder meer de voorwaarden inzake de prijs van de terugkoop bepaalt.

209    Zoals blijkt uit de punten 77 en 78 van de bestreden beschikking, bedroeg de door de overeenkomst van 18 december 1996 vastgestelde prijs overeenkomstig het koninklijk besluit van 1985 80 % van de in de overeenkomst van 30 april 1985 vastgestelde waarde van de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht. Door deze transactie had verzoekster een zekere en liquide schuld van 113 712 000 BEF bij het Waalse Gewest.

210    Daar de waarde van de aandelen die het Waalse Gewest bij het addendum van 20 november 1998 heeft aanvaard als betaling van de schuld van 113 712 000 BEF, zoals deze volgt uit de punten 73 tot en met 76 en 80 van de bestreden beschikking, niets te maken had met het koninklijk besluit van 1985, diende deze daarentegen te worden bepaald tegen de achtergrond van de feiten zoals deze zich op de datum van dat addendum voordeden. Op het moment van opstelling van het addendum van 20 november 1998 had Verlipack Holding II, waarvan de aandelen zijn overgedragen aan het Waalse Gewest, opgehouden te betalen, welke situatie volgens het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Bergen van 31 mei 1999 dateerde van juni 1998, waarbij het actief van de vennootschap op 1 BEF werd geraamd. Deze aandelen, waarvan de nominale waarde 100 miljoen BEF was, hadden dus geen enkele waarde meer op het tijdstip van het addendum van 20 november 1998, hetgeen verzoekster overigens niet betwist. Bijgevolg kon de Commissie bij de beoordeling van dat addendum de werkelijke waarde van de aan de orde zijnde aandelen in aanmerking nemen.

211    Daar de situaties niet identiek zijn, heeft de Commissie het gelijkheidsbeginsel dus niet geschonden.

212    Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van verzoekster betreffende de vergelijking van haar situatie met die van Heye in het kader van de optieovereenkomst van 9 april 1997 tussen Verlipack Holding I en het Waalse Gewest, waarbij is overeengekomen dat „de prijs van elk aandeel [overeenstemt] met de waarde berekend door het delen van de nettoboekwaarde [...] van SA Verlipack Holding II door het aantal door deze vennootschap uitgegeven aandelen”.

213    Uit deze overeenkomst blijkt immers niet dat de aandelen van het Waalse Gewest in Verlipack Holding II bevoorrechte aandelen zonder stemrecht in de zin van het koninklijk besluit van 1985 zijn geweest.

214    Ook al zouden de aandelen waarop die optieovereenkomst betrekking had, vergelijkbaar zijn geweest met die waarop de overdracht in het kader van de overeenkomst van 18 december 1996 betrekking had, zou, zoals de Commissie terecht heeft betoogd, verzoekster discriminerend zijn behandeld door het Waalse Gewest, en niet door de Commissie.

215    Het eerste onderdeel van het derde middel moet dus worden afgewezen.

 Het tweede onderdeel, betreffende het feit dat de bestreden beschikking indruist tegen het gelijkheidsbeginsel door de waardering van de aandelen en winstbewijzen op verschillende tijdstippen uit te voeren

–       Argumenten van partijen

216    Volgens verzoekster blijkt uit de bestreden beschikking dat de waarde van de aandelen waarop de inbetalinggeving in december 1998 betrekking had, op 0 BEF is geraamd omdat de waarde van het actief van Verlipack Holding II op 11 februari 1999 was teruggebracht tot één frank. Om de waarde van de aan het Waalse Gewest in betaling gegeven aandelen te bepalen, heeft de Commissie zich dus geplaatst op het tijdstip van de vaststelling van de bestreden beschikking en rekening gehouden met de latere evolutie van de betrokken vennootschap van de Verlipack-groep tot aan het faillissement. Wat daarentegen de waarde van de in 1996 gekochte aandelen betreft, heeft de Commissie enkel de nominale waarde op het tijdstip van verkrijging in aanmerking genomen. In punt 107 van de bestreden beschikking houdt de Commissie dus geenszins rekening met de economische en financiële evolutie van de betrokken vennootschappen noch met beschikking 2001/856, uit welke blijkt dat Verlipacks financiële situatie vóór de deelneming van Heye geenszins levensvatbaar leek. De Commissie miskent bovendien het addendum van 20 november 1998, krachtens hetwelk de schuldvordering van het Waalse Gewest naar burgerlijk recht reeds was vervallen na de inbetalinggeving van de Verlipack Holding II-aandelen. Het aldus door de Commissie gemaakte onderscheid tussen deze twee situaties, dat voortvloeit uit het feit dat zij rekening heeft gehouden met de economische en financiële evolutie van de Verlipack-groep in de eerste situatie en niet in de tweede situatie, is niet objectief gerechtvaardigd en vormt een schending van het gelijkheidsbeginsel.

217    De Commissie concludeert tot afwijzing van dit onderdeel.

–       Beoordeling door het Gerecht

218    Met dit tweede onderdeel neemt verzoekster in hoofdzaak de op de waarde van de aan de orde zijnde aandelen en winstbewijzen betrekking hebbende argumenten over waarop zij zich reeds in het kader van het eerste onderdeel heeft beroepen, zodat wordt verwezen naar de punten 207 tot en met 211 van het onderhavige arrest.

219    Hoe dan ook heeft de Commissie ter bepaling van het bedrag van de door het addendum van 20 november 1998 aan verzoekster toegekende steun, terecht rekening gehouden met de feiten zoals deze zich voordeden op het moment waarop het Waalse Gewest als betaling van een zekere en liquide schuldvordering van 113 712 000 BEF de overdracht van 9 704 aandelen in Verlipack Holding II heeft aanvaard, welke aandelen op deze datum, dat wil zeggen 20 november 1998, geen waarde hadden.

220    Het tweede onderdeel van het derde middel moet dus worden afgewezen.

 Het derde onderdeel, inhoudend dat de bestreden beschikking indruist tegen het gelijkheidsbeginsel door het argument betreffende de uiteindelijke begunstigde van de staatssteun op twee verschillende wijzen te gebruiken

–       Argumenten van partijen

221    Verzoekster merkt op dat, zoals blijkt uit de punten 109 en 110 van beschikking 2001/856, Heye niet als de uiteindelijke begunstigde van de steun is aangemerkt. Evenzo beweert verzoekster dat zij niet als de uiteindelijke begunstigde van de steun kan worden beschouwd, aangezien zij het op 18 december 1996 verkregen aandelenpakket vrijwel onmiddellijk (op 24 januari 1997) heeft overgedragen aan Verlipack Holding I, die vanaf 11 april 1987 werd gecontroleerd door Heye. Verzoekster heeft dus niet het daadwerkelijke genot van de vermeende staatssteun gehad en haar positie is dan ook dezelfde als die van Heye in beschikking 2001/856. Door deze twee vennootschappen verschillend te behandelen zonder objectieve rechtvaardiging te geven, heeft de Commissie het gelijkheidsbeginsel geschonden.

222    De Commissie concludeert tot verwerping van dit onderdeel.

–       Beoordeling door het Gerecht

223    Met dit derde onderdeel betwist verzoekster opnieuw dat zij de begunstigde van de steun was en zij beweert met een beroep op de punten 109 en 110 van beschikking 2001/856 dat zij, evenals Heye, de haar op 18 december 1996 ter beschikking gestelde aandelen en winstbewijzen niet voor andere doeleinden heeft kunnen gebruiken dan om ze onmiddellijk, via Verlipack Holding I, aan de Verlipack-vestigingen over te dragen, zodat zij niet het genot heeft gehad van de vermeende staatssteun.

224    In de eerste plaats blijkt uit de bestreden beschikking dat enkel de afstand van schuldvordering waarin het addendum van 20 november 1998 voorziet, door de Commissie als staatssteun is aangemerkt, zodat de vraag van de kwalificatie van de staatssteun geen betrekking kan hebben op de in de overeenkomst van 18 december 1996 bedoelde transactie.

225    In de tweede plaats had de Commissie in punt 108 van beschikking 2001/856 vastgesteld dat „[d]e bestemmingsclausules van de twee overeenkomsten [te weten een obligatielening en een lening] [...] uitdrukkelijk [bepaalden] dat Heye zich ertoe [verbond] i) de productievestigingen te Ghlin en Jumet te herkapitaliseren en ii) de investeringen in de drie vestigingen van Verlipack, met inbegrip van de vestiging te Mol (Vlaanderen), te financieren”. Bijgevolg diende Heye dankzij de verkregen middelen Verlipack te herkapitaliseren.

226    Het addendum van 20 november 1998 bevat evenwel geen clausule van dit type en verzoekster heeft overigens niet betoogd dat was voorzien in een dergelijke clausule van overdracht van de haar ter beschikking gestelde middelen, zodat haar situatie niet vergelijkbaar kan zijn met die van Heye. Bovendien heeft verzoekster geenszins gesteld dat zij na de afstand van de schuldvordering van het Waalse Gewest, Verlipack had geherkapitaliseerd voor het bedrag van de aldus afgestane schuldvordering.

227    Gelet op het voorgaande kan het derde onderdeel niet worden aanvaard en moet het derde middel in zijn geheel worden afgewezen.

 Het vierde middel, inzake schending van de motiveringsplicht

 Argumenten van partijen

228    Verzoekster is van mening dat de bestreden beschikking op minstens vier punten gebrekkig gemotiveerd is.

229    In de eerste plaats betoogt verzoekster dat de bestreden beschikking onvoldoende motiveert waarom de Commissie zich uitsluitend baseert op de nominale waarde van het door verzoekster teruggekochte aandelenpakket, zonder rekening te houden met de ingewikkelde feitelijke context van deze zaak.

230    In de tweede plaats zet de bestreden beschikking niet uiteen waarom zij enerzijds uitgaat van de datum waarop zij is vastgesteld wat de waarde van de in betaling gegeven aandelen (die op 1 BEF is geraamd) betreft, en anderzijds van de datum van de gedwongen terugkoop van de aandelen door verzoekster op 18 december 1996, dat wil zeggen de nominale waarde. De bestreden beschikking motiveert dit onderscheid onvoldoende.

231    In de derde plaats rechtvaardigt de bestreden beschikking het verschil in behandeling tussen verzoekster en Heye in het gehele Verlipack-dossier niet. Zoals Heye niet als de uiteindelijke begunstigde van de steun is beschouwd in beschikking 2001/856, had dit ook het geval moeten zijn in de bestreden beschikking en verzoekster had niet mogen worden aangemerkt als de onderneming die het daadwerkelijke genot heeft gehad van het aandelenpakket dat zij weliswaar had verkregen, maar dan gedwongen. Verzoekster heeft in voorkomend geval slechts een financieel voordeel kunnen genieten in zoverre zij deze titels in handen had, te weten tussen 18 december 1996 en 11 april 1997.

232    In de laatste plaats betoogt verzoekster, verwijzend naar hetgeen in de punten 172 tot en met 174 van het onderhavige arrest is vermeld, dat de Commissie nalaat uiteen te zetten waarom de steun – mocht deze haar verleend zijn – de mededinging heeft vervalst en het handelsverkeer tussen de lidstaten op de textielmarkt ongunstig heeft beïnvloed.

233    De Commissie concludeert tot afwijzing van dit middel.

 Beoordeling door het Gerecht

234    Het is vaste rechtspraak dat de motiveringsplicht van artikel 253 EG een wezenlijk vormvoorschrift is, dat moet worden onderscheiden van de vraag van de juistheid van de motivering, die de materiële wettigheid van de litigieuze handeling betreft. Gelet hierop moet de door artikel 253 EG verlangde motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (arrest Hof van 13 maart 1985, Nederland en Leeuwarder Papierwarenfabriek/Commissie, 296/82 en 318/82, Jurispr. blz. 809, punt 19; arrest Commissie/Sytraval en Brink’s France, punt 83 hierboven, punten 63 en 67, en arrest Hof van 19 september 2002, Spanje/Commissie, C‑114/00, Jurispr. blz. I‑7657, punt 62; arrest Fleuren Compost/Commissie, punt 83 hierboven, punt 119).

235    Bovendien moet dit vereiste worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van de zaak, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving, en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de eisen van artikel 253 EG voldoet, niet alleen moet worden gelet op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest Spanje/Commissie, punt 234 hierboven, punt 63, en arrest Hof van 28 januari 2003, Duitsland/Commissie, C‑334/99, Jurispr. blz. I‑1139, punt 58, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

236    Wanneer dit beginsel wordt toegepast op de kwalificatie van een steunmaatregel, verlangt het dat wordt meegedeeld waarom de Commissie van oordeel is dat de betrokken steunmaatregel binnen de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG valt (arrest Gerecht van 30 april 1998, Cityflyer Express/Commissie, T‑16/96, Jurispr. blz. II‑757, punt 66).

237    Gelet op deze rechtspraak heeft de Commissie in casu geen inbreuk gemaakt op de verplichting om de bestreden beschikking voldoende te motiveren ter zake van de vier grieven waarop verzoekster zich beroept.

238    Aangaande in de eerste plaats het feit dat de Commissie zich baseert op de nominale waarde van de aandelen categorie B en de winstbewijzen categorie I die verzoekster in 1996 heeft teruggekocht, volstaat het vast te stellen dat, zoals blijkt uit de punten 150 tot en met 156 van het onderhavige arrest inzake de waarde van de aan de orde zijnde aandelen en winstbewijzen, de Commissie in de punten 77 en 78 van de bestreden beschikking heeft uiteengezet waarom zij zich op die waarde heeft gebaseerd. Deze twee punten luiden immers als volgt:

„België voert aan dat de prijs van 113 712 000 BEF die in december 1996 werd vastgesteld voor de niet-stemgerechtigde aandelen en de door Sowagep aan de groep Beaulieu overgedragen winstaandelen, niet in overeenstemming was met de waarde ervan. België betoogt dat het in het onderhavige geval ging om ‚een bij het koninklijk besluit van 7 mei 1985 opgelegde prijs’. Krachtens artikel 3 van dit koninklijk besluit mag de prijs van de bevoorrechte aandelen zonder stemrecht ‚niet lager zijn dan 80 % van de uitgifteprijs’. De prijs van 113 712 000 BEF die de groep Beaulieu in december 1996 voor de aandelen en de winstaandelen betaalde, vertegenwoordigde volgens België 80 % van de uitgifteprijs van die aandelen.

De verplichting een prijs vast te stellen die gelijk is aan 80 % van de uitgifteprijs is bij wet vastgesteld en zonder onderscheid opgelegd aan allen die dergelijke bevoorrechte aandelen wensen te kopen.”

239    Voor zover het argument van verzoekster verband houdt met het feit dat de Commissie de bestreden beschikking niet voldoende heeft gemotiveerd op grond dat zij niet te kennen geeft waarom zij zich uitsluitend heeft gebaseerd op de nominale waarde van het aandelenpakket dat verzoekster in 1996 heeft teruggekocht, zonder rekening te houden met de ingewikkeldere feitelijke context van deze zaak, te weten de beweerdelijk ondergane dwang, dient het om de in de punten 129 tot en met 149 van het onderhavige arrest vermelde redenen te worden afgewezen.

240    Bijgevolg kan niet worden gesteld dat de Commissie de bestreden beschikking niet heeft gemotiveerd op dit punt.

241    Aangaande in de tweede plaats het feit dat de bestreden beschikking niet uiteenzet waarom zij zich baseert op de datum van haar vaststelling ter zake van de waarde van de aandelen die in 1998 in betaling zijn gegeven aan het Waalse Gewest, en op de datum van de gedwongen terugkoop van de aan de orde zijnde aandelen en winstbewijzen door verzoekster op 18 december 1996, heeft de Commissie, zoals blijkt uit de beoordeling in de punten 207 tot en met 211 en 218 tot en met 220 van het onderhavige arrest, in de punten 77 tot en met 79 van de bestreden beschikking voldoende gemotiveerd waarom de schuldvordering van het Waalse Gewest op verzoekster in december 1996 113 712 000 BEF bedroeg. Hetzelfde geldt voor de waarde van de aandelen van Verlipack Holding II, daar de Commissie in de punten 73 tot en met 76 en 80 van de bestreden beschikking uiteenzet waarom deze aandelen in november 1998 geen waarde hadden.

242    Bovendien moet dit argument, ook al stelt verzoekster er de gegrondheid van de motivering van de bestreden beschikking mee aan de orde door zich te beroepen op de dwang die zij zou hebben ondergaan, om de in de punten 129 tot en met 149 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen worden afgewezen.

243    Aangaande in de derde plaats het vermeende gebrek aan motivering van de bestreden beschikking ter zake van het verschil in behandeling tussen verzoekster en Heye doordat verzoekster, in tegenstelling tot Heye, als de door de steun begunstigde onderneming is aangemerkt, heeft de Commissie in met name de punten 73, 80 en 91 te kennen gegeven waarom verzoekster diende te worden beschouwd als de onderneming die de aan de orde zijnde steun heeft genoten.

244    Bovendien was de situatie verschillend voor de in beschikking 2001/856 aan de orde zijnde staatssteun. Zoals blijkt uit de punten 225 en 226 van het onderhavige arrest, had de Commissie in punt 108 van deze laatste beschikking immers vastgesteld dat de steun moest dienen om de productievestigingen te Ghlin en te Jumet te herkapitaliseren, zodat Heye niet de uiteindelijke begunstigde van de steun was.

245    Verzoekster kan de Commissie dus niet verwijten dat deze het vermeende verschil in behandeling tussen verzoekster en Heye niet heeft gemotiveerd.

246    Wat tot slot de grief betreft volgens welke de Commissie niet heeft uiteengezet waarom, mocht verzoekster steun zijn verleend, deze steun de mededinging heeft vervalst en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig heeft beïnvloed, heeft de Commissie, zoals blijkt uit de punten 176 tot en met 184 van het onderhavige arrest, in het bijzonder in de punten 70 tot en met 72 van de bestreden beschikking voldoende duidelijk de feiten en de overwegingen rechtens uiteengezet die van wezenlijk belang zijn voor de strekking van de beschikking op dit punt, zodat verzoekster en de gemeenschapsrechter konden weten waarom de Commissie heeft geoordeeld dat de litigieuze transactie de mededinging verstoorde en een ongunstige invloed had op het handelsverkeer binnen de Unie (arrest Gerecht van 6 maart 2003, Westdeutsche Landesbank Girozentrale en Land Nordrhein-Westfalen/Commissie, T‑228/99 en T‑233/99, Jurispr. blz. II‑435, punten 292 tot en met 294).

247    Bijgevolg moet het vierde middel worden afgewezen.

 Het door verzoekster ingediende verzoek om overlegging van documenten

248    Verzoekster vordert dat de Commissie, mocht zij haar standpunt over de waarde van de aandelen in 1996 handhaven, een waarderingsverslag overlegt dat haar standpunt kan staven.

249    Zoals hierboven is gebleken, heeft het Gerecht zich nuttig over het beroep kunnen uitspreken op basis van de in de loop van het geding uiteengezette conclusies, middelen en argumenten en na inzage van de door partijen overgelegde documenten (zie in die zin arresten Gerecht van 19 september 2001, E/Commissie, T‑152/00, JurAmbt. blz. I‑A-179 en II-813, punt 86, en 6 juli 2004, Huygens/Commissie, T‑281/01, JurAmbt. blz. I‑A-203 en II-903, punt 145).

250    Het verzoek van verzoekster, de Commissie te gelasten andere documenten te verstrekken dan die welke reeds op het verzoek van het Gerecht zijn overgelegd, dient dan ook te worden afgewezen (zie in die zin arresten E/Commissie, punt 249 hierboven, punt 87, en Huygens/Commissie, punt 249 hierboven, punt 146).

 Kosten

251    Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer – uitgebreid)

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Verzoekster wordt verwezen in de kosten.

Vilaras

Martins Ribeiro

Dehousse

Šváby

 

      Jürimäe

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 november 2006.

De griffier

 

       De president van de Vijfde kamer

E. Coulon

 

      M. Vilaras


* Procestaal: Nederlands.