52008PC0458

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) {SEC(2008) 2263} {SEC(2008) 2264} /* COM/2008/0458 def. - COD 2008/0153 */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 16.7.2008

COM(2008) 458 definitief

2008/0153 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's)

(door de Commissie ingediend){SEC(2008) 2263}{SEC(2008) 2264}

TOELICHTING

1. ALGEMENE CONTEXT

Met de in 1985 aangenomen Icbe-richtlijn[1] werd beoogd zowel de fondsensector als het beleggerspubliek meer zakelijke kansen en beleggingsmogelijkheden te bieden door een integratie van de EU-markt voor beleggingsfondsen te bewerkstelligen. De richtlijn heeft een cruciale rol gespeeld in de ontwikkeling van de Europese beleggingsfondsensector. In juni 2007 bedroeg het door icbe's beheerde vermogen 6 000 miljard EUR. Icbe's zijn goed voor ongeveer 75% van de EU-markt voor beleggingsfondsen. Dankzij solide ingebouwde veiligheden ter bescherming van de belegger kunnen icbe's ook op ruime belangstelling van buiten de grenzen van de Europese Unie rekenen.

Ondanks deze positieve ontwikkeling werd het met de jaren duidelijker dat de richtlijn veel te beperkend was en fondsbeheerders belette hun ontwikkelingsmogelijkheden optimaal te benutten. Met de in 2001 in de richtlijn aangebrachte wijzigingen werden de voor icbe's openstaande beleggingsmogelijkheden weliswaar verruimd, maar er werd niets gedaan aan de knelpunten op het gebied van de efficiëntie van de sector. Daardoor zijn belangrijke kansen gemist, met als gevolg dat ook potentiële jaarlijkse besparingen van naar schatting verscheidene miljarden euro zijn misgelopen.

In 2005 heeft de Commissie met het groenboek over beleggingsfondsen[2] de aanzet gegeven tot een publiek debat over de wenselijkheid om op EU-niveau actie te ondernemen (en over de reikwijdte van een dergelijke actie). Een jaar later was één van de maatregelen die in het witboek over beleggingsfondsen[3] werden aangekondigd, het aanbrengen van een reeks doelgerichte wijzigingen in de Icbe-richtlijn.

Met dit voorstel worden twee doelstellingen nagestreefd. Enerzijds is het de bedoeling de achtereenvolgende wijzigingen die sinds 1985 in de Icbe-richtlijn zijn aangebracht te codificeren. Anderzijds wordt beoogd de in het witboek aangekondigde maatregelen in concrete wettelijke bepalingen om te zetten.

2. RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING

2.1. Raadpleging van belanghebbende partijen

Gedurende het hele herzieningsproces van het Icbe-kader hebben de diensten van de Commissie regelmatig met alle belanghebbenden overleg gepleegd. De bedoeling hiervan was informatie in te winnen over de standpunten van de verschillende partijen op de fondsenmarkt (beleggers, fondsen en overheidsinstanties) teneinde oplossingen uit te werken die effectief tegemoetkomen aan de bezorgdheden en verwachtingen van alle belanghebbende partijen.

Dit overleg heeft plaatsgevonden via diverse kanalen, zoals onder meer twee deskundigengroepen, drie open hoorzittingen, twee workshops over het vereenvoudigd prospectus en vier openbare raadplegingen (beschreven in onderstaande tabel).

Jaar | Raadpleging over | Inhoud | Tijds-grenzen | Respons, feedback |

2004 | Verslag van de deskundigengroep vermogensbeheer | Lijst van aanbevolen acties op het gebied van beleggingsfondsen | 6.5 – 10.9 | Bekend-gemaakt in nov. 2004 |

2005 | Groenboek | Analyse van het icbe-kader en vragenlijst over mogelijke oplossingen | 12.7 – 15.11 | Bekend-gemaakt op 13.2.2006 |

2006 | Verslag van de deskundigengroep marktefficiëntie | Aanbevelingen t.a.v. de hoofdkenmerken van vijf voorgestelde efficiëntiebevorderende maatregelen | 4.7 – 20.9 | Bekend-gemaakt op 16.11.2006 |

2007 | Ontwerpvoorstel | Redactievoorstellen voor de nieuwe wettelijke bepalingen van de Icbe-richtlijn | 22.3 – 15.6 | Bekend-gemaakt op 7.9.2007 |

2.2. Effectbeoordeling

In 2004 heeft de deskundigengroep vermogensbeheer erop gewezen dat de efficiëntie van de Europese markt voor beleggingsfondsen duidelijk voor verbetering vatbaar is. De latere werkzaamheden waren er daarom vooral op gericht de terreinen te bepalen waarop een communautair optreden geboden was en tevens de reikwijdte van dit optreden af te bakenen. Bij de prioritering en uitwerking van de mogelijke oplossingen is uitgebreid overleg gepleegd met alle belanghebbenden.

De gekozen oplossingen zijn in twee stadia geanalyseerd. In 2006 heeft een eerste effectbeoordeling plaatsgevonden naar aanleiding van de opstelling van het witboek over beleggingsfondsen. In het kader van deze eerste effectbeoordeling werd aangegeven op welke gebieden wijzigingen in de Icbe-richtlijn dienden te worden aangebracht. Bij de voorbereiding van het ontwerpvoorstel voor een richtlijn is een tweede effectbeoordeling uitgevoerd.

In het kader van de effectbeoordeling zijn twee soorten wijzigingen in de wetgeving onderzocht: die welke erop gericht zijn de werking van bestaande bepalingen te verbeteren (namelijk die met betrekking tot de kennisgevingsprocedure, het paspoort voor beheermaatschappijen en het vereenvoudigd prospectus), en die waarmee wordt beoogd nieuwe internemarktvrijheden in te voeren (door een kader tot stand te brengen dat fusies van fondsen en poolen van activa vergemakkelijkt). Bij dit onderzoek stonden marktefficiëntie en beleggersbescherming centraal. Ook is bijzondere aandacht besteed aan het verminderen van de administratieve lasten.

2.2.1. Paspoort voor beheermaatschappijen

De Commissie erkent dat het paspoort voor beheermaatschappijen van nut kan zijn voor de Europese fondsensector doordat het een efficiëntere en flexibelere bedrijfsvoering mogelijk maakt, maar bij het verrichten van de effectbeoordeling is gebleken dat het uitvoering geven aan het paspoort (mogelijkheid voor een fondsbeheerder om een fonds uit een andere lidstaat te beheren) op een aantal moeilijkheden stuit. De intensieve voorbereidende werkzaamheden die de diensten van de Commissie op dit punt hebben verricht, hebben tot dusver het volgende uitgewezen:

- risico's: Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de bedrijfstaken en de desbetreffende regels die tot de verantwoordelijkheid van respectievelijk de lidstaat van de beheerder en de lidstaat van het fonds behoren. Gebeurt dat niet, dan kan een risico op toezicht- en wetsconflicten ontstaan, alsook op overlapping of hiaten in het toezicht, waardoor de belangen van fondsbeleggers in het gedrang kunnen komen;

- handhaving : Problemen bij het verdelen van de verantwoordelijkheden tussen de verschillende toezichthouders kunnen de effectieve handhaving van de regels belemmeren, met name in het geval van het grensoverschrijdende beheer van rechtens bij overeenkomst geregelde fondsen (het merendeel van de fondsen is van dit type en in vele lidstaten is dit ook het enige fondstype);

- kosten : Het bestaan van meerdere rapportagelijnen naar en een verantwoordingsplicht jegens diverse toezichthouders/actoren dreigt te leiden tot hoge nalevingskosten, die zwaarder kunnen wegen dan de kapitaalbesparingen die van het paspoort worden verwacht.

Er dient derhalve advies bij het Comité van Europese effectenregelgevers (Committee of European Securities Regulators – CESR) te worden ingewonnen over de wijze waarop de toezichtvraagstukken en de problematiek van het risicomanagement het best kunnen worden benaderd. Het CESR zal dan ook worden verzocht een advies uit te brengen dat de Commissie moet helpen voorschriften op te stellen die het mogelijk maken een paspoort voor beheermaatschappijen in te voeren onder voorwaarden die in overeenstemming zijn met een hoog niveau van beleggersbescherming. In dit verband zal het CESR worden gevraagd de Commissie tegen 1 november 2008 van advies te dienen over de structuur en beginselen op grond waarvan in de toekomst eventueel wijzigingen in de Icbe-richtlijn kunnen worden aangebracht om uitvoering te geven aan het paspoort voor icbe-beheermaatschappijen. Op basis van dat advies zal de Commissie met een passend voorstel komen dat nog tijdens de huidige zittingsperiode kan worden aangenomen.

2.2.2. Verwachte voordelen

De economische besparingen die van de voorgestelde maatregelen mogen worden verwacht, nemen de vorm aan van zowel statische kostenbesparingen voor de fondsensector en de beleggers, als dynamische voordelen die voortvloeien uit toegenomen concurrentie en productiviteitswinsten. De directe jaarlijkse winsten bedragen meerdere miljarden euro's. Dankzij zowel een grotere flexibiliteit bij het organiseren en uitoefenen van fondsenactiviteiten als vereenvoudigde procedures zouden nieuwe zakelijke kansen ontstaan en zou het concurrentievermogen van de fondsensector erop vooruit gaan. Een sterker geïntegreerde markt voor beleggingsfondsen zal de Europese belegger tevens een ruimere keuze aan beter renderende fondsen bieden. Op lange termijn zullen deze positieve effecten tot een grotere economische efficiëntie en concurrentiekracht bijdragen en op die manier leiden tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Lissabonstrategie in deze belangrijke sector.

3. AANVULLENDE INFORMATIE

3.1. Vereenvoudiging

Het voorstel maakt deel uit van het lopend Commissieprogramma voor vereenvoudiging. Het geeft uitvoering aan de toezegging van de Commissie om het acquis op het gebied van financiële diensten te codificeren[4]. Concreet worden met de voorgestelde wijzigingen twee doelstellingen nagestreefd: a) de invoering van nieuwe vrijheden teneinde de efficiëntie en integratie van de interne markt voor icbe's te bevorderen; en b) de werking van de bestaande bepalingen betreffende de grensoverschrijdende verhandeling van icbe's en de verplichtingen op het gebied van de informatieverschaffing stroomlijnen.

De harmonisatie van de fusieprocedure die met de nieuwe bepalingen wordt beoogd, zal resulteren in een aanzienlijke verlichting van de administratieve lasten waarmee promotoren van fondsen die fondsen over de grenzen heen willen fuseren, momenteel worden geconfronteerd. Dankzij deze harmonisatie zullen niet langer verschillende nationale regelgevingen in acht behoeven te worden genomen en zullen de met het fusieproces gemoeide termijnen en kosten sterk verminderen. Zowel de fondsensector (direct) als het beleggerspubliek (indirect) zou bij deze geharmoniseerde procedure gebaat zijn. Bovendien wordt met de aanbevelingen op het gebied van fusies van fondsen en het poolen van activa beoogd het voorgestelde kader zo veel mogelijk te stroomlijnen door duidelijk aan te geven welke de respectieve verantwoordelijkheden van de fondsensector en van de bevoegde autoriteiten zijn.

In onderstaande tabel wordt een beknopt overzicht gegeven van de voornaamste vereenvoudigingseffecten die van de wijzigingen in de bestaande bepalingen uitgaan.

Kwestie | Huidige verplichtingen | Vereenvoudigings-maatregelen | Verwachte voordelen en begunstigden |

Kennisgevings- procedure | Voordat icbe's in een andere lidstaat mogen worden verhandeld, moeten de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat daarvan in kennis worden gesteld. Daarbij moet onder meer een aantal documenten worden overgelegd. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst beschikken dan over een termijn van 2 maanden om met de verhandeling van de buitenlandse icbe op hun grondgebied in te stemmen. | Kennisgevingsdossier: inhoud geharmoni-seerd Lidstaat van ont-vangst: niet bevoegd om aanvullende docu-menten of wijzigingen te verlangen Kortere wachttijden (verhandeling mag onmiddellijk na ken-nisgeving aanvangen) Eenvoudiger eisen inzake vertaling Toezending langs elektronische weg | Sector: meer zakelijke kansen, minder kosten Beleggers: meer keuze, minder kosten Interne markt: sterkere integratie en meer concurrentie |

Vereenvoudigd prospectus | Verplichting tot het verstrekken van een vereenvoudigd pros-pectus waarin de kenmerken van de belegging aan de belegger worden uitge-legd voordat deze op het fonds inschrijft. | Inhoud geharmoni-seerd (enige toegestane wijziging: vertaling) Beknopt en eenvoudig document Aansprakelijkheid verduidelijkt Mogelijkheid om langs elektronische weg toe te zenden | Sector: minder kosten Beleggers: betere bescherming, minder kosten Interne markt: sterkere integratie en meer concurrentie |

3.2. Herschikking en intrekking van bestaande wetgeving

Het voorstel neemt de vorm aan van een herschikking van de richtlijn van 1985 en de latere wijzigingen daarop[5]. Bij het voorstel wordt gebruikgemaakt van de "techniek van herschikking" (Interinstitutioneel Akkoord 2002/C 77/01) waardoor materiële wijzigingen in bestaande wetgeving kunnen worden aangebracht en andere bepalingen die inhoudelijk ongewijzigd zijn gebleven, tegelijkertijd worden gecodificeerd. Artikelen of delen van artikelen die achterhaald zijn, zijn geschrapt. Alle wijzigingen zijn duidelijk gemarkeerd in de tekst. Nieuwe en materiële wijzigingen in het icbe-regelgevingskader zijn duidelijk als zodanig aangegeven.

Als gevolg van de talrijke wijzigingen die in de Icbe-richtlijn van 1985 zijn aangebracht, is het icbe-regelgevingskader zeer complex geworden. Het huidige "acquis" bestaat uit 9 richtlijnen die ongeveer 100 bladzijden van het Publicatieblad beslaan.

Dit acquis maakt het weliswaar gemakkelijker voor icbe's om hun internemarktvrijheden uit te oefenen, maar legt hun ook diverse belangrijke verplichtingen op met betrekking tot met name informatieverschaffing aan beleggers en het soort beleggingen dat icbe's mogen verrichten. Het icbe-acquis brengt tevens aanzienlijke verplichtingen voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten met zich mee, met name wat vergunningsprocedures en het lopende toezicht op icbe's betreft. Het is derhalve van cruciaal belang dat het regelgevingskader actueel blijft en gemakkelijk toegankelijk en begrijpelijk is voor de belanghebbenden. In dit opzicht zal een herschikking van de Icbe-richtlijn een belangrijke stap voorwaarts betekenen.

4. RECHTSGRONDSLAG

Het voorstel is gebaseerd op artikel 47, lid 2, van het Verdrag. Deze bepaling vormt de rechtsgrondslag voor het vaststellen van communautaire maatregelen waarmee wordt beoogd een interne markt voor financiële diensten tot stand te brengen. Er is gekozen voor een richtlijn omdat dit het meest geschikte rechtsinstrument is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken en de lidstaten tegelijkertijd enige manoeuvreerruimte te laten. De voorgestelde nieuwe bepalingen gaan niet verder dan hetgeen nodig en evenredig is om de gestelde doelen te bereiken.

In overeenstemming met de Lamfalussy-benadering die krachtens Richtlijn 2005/1/EG[6] tot de Icbe-richtlijn is uitgebreid, worden door de onderhavige richtlijn uitgebreide uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie verleend. De reikwijdte van deze uitvoeringsbevoegdheden wordt in elk relevant artikel beschreven. Van deze bevoegdheden zal worden gebruikgemaakt om de in deze richtlijn neergelegde beginselen verder uit te werken teneinde de harmonisatie en de toezichtconvergentie te bevorderen.

Bij de uitoefening van deze uitvoeringsbevoegdheden zal de Commissie worden bijgestaan door het Europees Comité voor het effectenbedrijf. De door de Commissie vast te stellen maatregelen zullen worden onderworpen aan de regelgevingsprocedure en aan de regelgevingsprocedure met toetsing overeenkomstig artikel 5, artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG. Deze maatregelen zullen worden uitgewerkt op basis van door de Commissie aan het CESR[7] verleende mandaten.

5. NADERE UITLEG PER ARTIKEL

Hierna worden de inhoudelijke wijzigingen toegelicht die in het kader van de herschikking in de Icbe-richtlijn zijn aangebracht. De volgende bepalingen zijn inhoudelijk ongewijzigd gebleven: artikel 1, leden 1 en 2, artikel 1, lid 3, onder a), artikel 1, leden 4 tot en met 7, artikel 2, lid 1, onder a) tot en met d), artikel 2, lid 1, onder g) tot en met m), artikel 2, lid 1, onder o) en p), artikel 2, leden 2 tot en met 7, artikel 3, artikel 5, lid 1, artikel 5, leden 3, 4 en 5, de artikelen 6 tot en met 15, artikel 16, leden 1 tot en met 4, artikel 16, leden 6 en 7, de artikelen 17 en 18, artikel 19, lid 2, artikel 19, lid 3, onder b) en c), de artikelen 20 tot en met 33, artikel 45, lid 1, onder a) tot en met h), artikel 45, lid 2, de artikelen 46, 47 en 48, artikel 49, leden 1 en 2, artikel 50, artikel 51, lid 2, eerste alinea, onder a), b) en c), artikel 51, lid 2, tweede alinea, artikel 52, artikel 63, lid 2, artikel 65, lid 1, artikel 65, lid 4, de artikelen 68 en 71, artikel 78, lid 1, met uitzondering van artikel 78, lid 1, onder b), artikel 78, lid 2, onder a), met uitzondering van het tweede streepje, de artikelen 79, 80 en 82, artikel 83, lid 1, met uitzondering van artikel 83, lid 1, onder b), artikel 83, lid 2, artikel 84 met uitzondering van artikel 84, onder b), de artikelen 97, 98, 99, 100 en 101, artikel 102, leden 1 en 2, artikel 103, lid 2, de artikelen 104, 106, 107, 108 en 109, en de bijlagen II, III en IV. Teneinde een materiële fout in de Engelse en Nederlandse versie van de richtlijn te corrigeren en met artikel 1, lid 3, rekening te houden, dienen alle latere verwijzingen in beide talen naar "unit trusts" te worden vervangen door verwijzingen naar respectievelijk "common funds" en "beleggingsfondsen". Ook moeten wezenlijke fouten in de Letse, Bulgaarse, Franse, Spaanse en Italiaanse versie van de richtlijn worden verbeterd.

5.1. Nieuwe regels voor fusies

Het voorstel biedt icbe's de gelegenheid grotere schaalvoordelen te behalen door in de Icbe-richtlijn een rechtskader voor zowel binnenlandse als grensoverschrijdende fusies op te nemen. Er zullen verschillende soorten fusies mogelijk zijn die op de bestaande nationale voorschriften en praktijken zijn gebaseerd, met inbegrip van die welke bekend zijn in lidstaten met een "common law"-rechtsstelsel (amalgamation/arrangement).

5.1.1. Beginsel en goedkeuring (hoofdstuk VI, afdeling 1)

In artikel 35 is het basisbeginsel neergelegd dat alle icbe's (en beleggingscompartimenten daarvan), ongeacht hun rechtsvorm, mogen fuseren. Deze nieuwe fusieregeling, die ook voorziet in maatregelen ter bescherming van de beleggers, zal zowel grensoverschrijdende als binnenlandse fusies bestrijken (deze laatste kunnen immers gevolgen hebben voor beleggers uit andere lidstaten).

Artikel 36 voert het beginsel in dat de bevoegde autoriteiten van de fuserende icbe (d.w.z. de entiteit die ophoudt te bestaan) vooraf de fusie moeten goedkeuren (binnen de dertig dagen), dus nog voordat deze aan de deelnemers wordt meegedeeld. Tijdens dat proces moeten de bevoegde autoriteiten de mogelijke gevolgen van de fusie voor de deelnemers in zowel de fuserende icbe als de ontvangende icbe beoordelen. De bevoegde autoriteiten van de ontvangende icbe moeten van het terzake genomen besluit in kennis worden gesteld. Dit moet hen in staat stellen na te gaan of aan de beleggers in de ontvangende icbe de overeenkomstig de richtlijn te verschaffen informatie is verstrekt.

Indien bij de fusie meerdere fuserende icbe's zijn betrokken en die icbe's in verschillende lidstaten zijn gevestigd, moeten de bevoegde autoriteiten van elke fuserende icbe in nauw onderling overleg de fusie goedkeuren.

Krachtens artikel 37 moet een fusievoorstel (dat bepaalde minimuminformatie moet bevatten) worden opgesteld. Dit fusievoorstel moet voor alle bij de fusie betrokken icbe's in dezelfde bewoordingen luiden.

5.1.2. Controle door derden, verstrekking van informatie aan deelnemers en andere rechten van deelnemers (hoofdstuk VI, afdeling 2)

In artikel 38 is bepaald dat de bewaarders van de fuserende icbe('s) en van de ontvangende icbe moeten controleren of het gemeenschappelijke fusievoorstel in overeenstemming is met de relevante bepalingen van de richtlijn en met de oprichtingsdocumenten van de betrokken icbe's. Het is echter niet aan de bewaarders om te verifiëren of de voorgenomen fusie in het belang is van de beleggers.

Artikel 39 schrijft voor dat een onafhankelijke auditor de criteria moet valideren die worden gebruikt voor de waardering van de activa en passiva van de bij de fusie betrokken fondsen en voor de berekening van de ruilverhouding.

Overeenkomstig artikel 40 moet(en) de fuserende icbe('s) haar (hun) deelnemers correcte en nauwkeurige informatie over de voorgenomen fusie verstrekken zodat zij met kennis van zaken kunnen uitmaken welke gevolgen de voorgenomen fusie voor hun belegging zal hebben. Indien de bevoegde autoriteiten van de fuserende icbe('s) van oordeel zijn dat de voorgenomen fusie gevolgen kan hebben voor de deelnemers in de ontvangende icbe, dan zal deze laatste eveneens worden verzocht soortgelijke informatie aan haar deelnemers te verstrekken. In dit artikel worden ook de basisbeginselen voor de informatieverstrekking aan deelnemers in de fuserende icbe('s) en de ontvangende icbe neergelegd. Deze basisbeginselen zullen verder worden uitgewerkt door middel van uitvoeringsmaatregelen. Met het oog op de bescherming van de belegger is bepaald in welke taal de informatie moet worden verstrekt aan beleggers uit de lidstaten waar een icbe ervan in kennis is gesteld dat zij haar rechten van deelneming aldaar mag verhandelen.

Artikel 41 bevestigt dat de goedkeuring van de fusie door de deelnemers alleen verplicht is indien dat bij de nationale wetgeving is voorgeschreven. Wanneer dat het geval is, geldt een maximumdrempel/plafond van 75% van de door de deelnemers uitgebrachte stemmen.

Krachtens artikel 42 hebben deelnemers (in zowel de fuserende icbe('s) als de ontvangende icbe) het recht vóór de fusie te eisen dat hun rechten van deelneming of aandelen zonder kosten worden ingekocht. Dit recht gaat in zodra de deelnemers door de icbe's van de voorgenomen fusie in kennis zijn gesteld.

5.1.3. Kosten en ingaan van de fusie (hoofdstuk VI, afdeling 3)

Artikel 43 zorgt ervoor dat beleggers worden beschermd door te verduidelijken dat de kosten van de fusie niet voor rekening van de deelnemers in de fuserende icbe('s) en/of de ontvangende icbe mogen komen. Deze kosten moeten worden gedragen door de beheerders/promotoren van de fondsen.

In artikel 44 is bepaald dat een fusie ingaat zodra de overdracht van de activa en/of passiva (al naargelang de toegepaste fusietechniek) en de ruil van de rechten van deelneming hebben plaatsgevonden. Het bevestigt de rol van de bewaarders van zowel de fuserende icbe('s) als de ontvangende icbe bij en hun verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de feitelijke overdracht van de activa/passiva. Beleggers en andere derden moeten vervolgens in kennis worden gesteld van het ingaan van de fusie. De afronding van de fusie moet worden bekendgemaakt.

5.2. Nieuwe regels inzake master-feederconstructies (hoofdstuk VIII van de richtlijn)

Het feit dat in de Icbe-richtlijn voortaan de mogelijkheid zal worden geboden master-feederconstructies op te zetten, zal nieuwe zakelijke kansen scheppen voor icbe-beheerders. Deze mogelijkheid zal hen in staat stellen hun beleggingsbeleid te stroomlijnen en efficiënter te maken.

Een master-feederconstructie wordt gekenmerkt door het feit dat een feeder-icbe al of bijna al haar activa belegt in een andere icbe, de master-icbe. In artikel 53, lid 1, is bepaald dat ten minste 85% van de activa in een master-icbe moet worden belegd. Daardoor wordt ook belet dat feeder-icbe's in meer dan een (master)-icbe beleggen. Van de resterende 15% kan de feeder-icbe accessoire liquide middelen aanhouden. Een feeder-icbe mag geen andere activa aanhouden dan die welke in artikel 53, leden 1 en 2, zijn vermeld.

Een master-icbe is een icbe die overeenkomstig artikel 53, lid 3, ten minste één feeder-icbe als deelnemer heeft. Om ondoorzichtige cascadestructuren te vermijden, mag de master-icbe zelf geen feeder-icbe zijn en evenmin in een feeder-icbe beleggen.

In artikel 54, lid 1, is bepaald dat het specifieke beleggingsbeleid van een feeder-icbe moet worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de feeder-icbe. De goedkeuring is onderworpen aan de voorwaarden die in hoofdstuk VIII zijn vastgelegd. Er mogen geen aanvullende voorwaarden worden gesteld of documenten worden verlangd.

Krachtens artikel 55 moeten de feeder-icbe en de master-icbe een juridisch bindende overeenkomst aangaan. Deze overeenkomst moet de feeder-icbe in staat stellen haar plichten te vervullen.

De artikelen 56 en 57 schrijven voor dat indien de feeder-icbe en de master-icbe verschillende bewaarders[8] of auditors hebben, zij een overeenkomst tot uitwisseling van informatie moeten aangaan.

Artikel 58 zorgt ervoor dat zowel in het prospectus als in de essentiële beleggersinformatie van de feeder-icbe wordt vermeld dat de icbe een feeder van een bepaalde master is, en dat de bijzonderheden van deze tweelagige belegging worden toegelicht.

In artikel 59 zijn de voorwaarden voor een omzetting van een bestaande icbe in een feeder-icbe vastgelegd. Ter bescherming van de deelnemers moeten icbe's die zich tot een feeder-icbe willen omvormen, alle deelnemers van tevoren daarvan in kennis stellen. Alle deelnemers hebben het recht om binnen dertig dagen te eisen dat hun rechten van deelneming in de feeder-icbe zonder kosten worden ingekocht of terugbetaald.

Overeenkomstig artikel 60, lid 2, moet een feeder-icbe de belangen van haar deelnemers zo goed mogelijk behartigen. Daartoe moet de feeder-icbe de werkzaamheden van de master-icbe effectief in het oog houden.

Artikel 60, lid 3, heeft betrekking op retrocessieovereenkomsten en schrijft voor dat, in voorkomend geval, alle soorten provisies die van de master-icbe of de beheermaatschappij ervan worden ontvangen, in het vermogen van de feeder-icbe moeten worden gestort.

Artikel 61, lid 2, verbiedt de master-icbe de feeder-icbe inschrijvings- of aflossingskosten aan te rekenen.

5.3. Nieuwe regels inzake essentiële beleggersinformatie

Met deze nieuwe bepalingen wordt beoogd de inhoud van de informatie die aan potentiële beleggers in icbe's moet worden verstrekt, alsook de voorwaarden waaronder deze informatie moet worden verstrekt, te vereenvoudigen. Het is de bedoeling kleine beleggers in staat te stellen met kennis van zaken een beleggingsbeslissing te nemen. Te dien einde is in de richtlijn de oude verplichting om aan de inschrijvers vóór het aangaan van de overeenkomst kosteloos een vereenvoudigd prospectus aan te bieden, vervangen door het begrip "essentiële beleggersinformatie". Om de kosten te beperken, zorgen de nieuwe bepalingen er ook voor dat de essentiële beleggersinformatie op de gehele interne markt in ongewijzigde vorm kan worden gebruikt.

5.3.1. Algemene verbeteringen in de regels voor de informatieverstrekking en publicitaire mededelingen

In de artikelen 64 tot en met 70 zijn de regels vastgelegd die van toepassing zijn op de informatie die te allen tijde op verzoek aan beleggers moet worden verstrekt (prospectus, jaarverslagen en halfjaarlijkse verslagen).

In artikel 72 is het beginsel neergelegd dat de informatie die in publicitaire mededelingen is opgenomen, correct en duidelijk moet zijn en niet misleidend mag zijn. Deze informatie moet ook in overeenstemming zijn met de uit hoofde van de Icbe-richtlijn verplicht te verstrekken informatie (bv. de essentiële beleggersinformatie).

5.3.2. Essentiële beleggersinformatie (afdeling 3)

Artikel 73 schrijft voor dat een beleggingsmaatschappij of, in voorkomend geval, een beheermaatschappij een kort document met essentiële beleggersinformatie moet opstellen. Dit document zal in alle lidstaten geldig zijn. De regels voor de verstrekking van de essentiële beleggersinformatie zijn vastgelegd in artikel 75 (dat een onderscheid maakt tussen rechtstreekse en middellijke verhandeling).

Essentiële beleggersinformatie moet informatie bevatten over de essentiële kenmerken van de aangeboden belegging en vermelden hoe/waar beleggers aanvullende informatie over de aangeboden belegging kunnen verkrijgen, benevens een aantal praktische elementen. Met behulp van uitvoeringsmaatregelen zullen meer specifieke regels (bv. betreffende de vorm en inhoud van essentiële beleggersinformatie) worden vastgesteld.

Om kleine beleggers effectief te helpen bij het nemen van hun beslissing, moet de essentiële beleggersinformatie kort en bondig zijn, in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen zijn gesteld, en op een begrijpelijke wijze zijn gepresenteerd. De informatie dient correct, duidelijk en niet misleidend te zijn (artikel 74) en moet daarom in overeenstemming zijn met de relevante delen van het prospectus.

Artikel 74 verduidelijkt ook dat de essentiële beleggersinformatie louter precontractuele informatie is. Een persoon mag niet enkel op basis van deze informatie civielrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld, tenzij de informatie misleidend, onnauwkeurig of niet in overeenstemming met het prospectus is.

5.4. Vereenvoudiging en verbetering van de kennisgevingsregels

5.4.1. Verbeterde markttoegang voor icbe's

De huidige Icbe-richtlijn bevat gemeenschappelijke regels op grond waarvan een icbe die in een gegeven lidstaat is toegelaten en onder toezicht staat, haar rechten van deelneming in alle andere lidstaten mag verhandelen. Voordat een icbe tot de verhandeling van haar rechten mag overgaan, moet zij evenwel een kennisgevingsprocedure doorlopen. De huidige procedure is zwaar en tijdrovend geworden voor de promotoren van fondsen. Het feit dat momenteel heel wat tijd verstrijkt tussen het tijdstip van kennisgeving en de feitelijke verhandeling van de rechten van deelneming in de icbe vormt een ernstig nadeel in vergelijking met andere financiële producten voor kleine beleggers, waarvoor vaak minder strikte verplichtingen op het gebied van informatieverschaffing en beleggersbescherming gelden.

Om dat probleem te verhelpen, wordt in artikel 88 een nieuwe, gestroomlijnde procedure voorgesteld die is gebaseerd op onderlinge communicatie tussen de toezichthouders. Volgens de nieuwe regels zal een icbe die haar rechten van deelneming in een andere lidstaat wenst te verhandelen, een kennisgeving naar de bevoegde autoriteiten van haar lidstaat van herkomst moeten zenden. Deze kennisgeving zal een geharmoniseerde inhoud hebben en in hoofdzaak een beschrijving bevatten van de regelingen die zijn getroffen om de rechten van deelneming van de icbe in de betrokken lidstaat te verhandelen. Bij deze kennisgeving zullen diverse documenten moeten worden gevoegd (fondsreglement en essentiële beleggersinformatie). Nadat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zich ervan hebben vergewist dat het dossier volledig is, zenden zij dit automatisch door naar de autoriteit van de lidstaat van ontvangst, samen met een verklaring dat de icbe voldoet aan de in de richtlijn gestelde eisen. Het zal de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst niet toegestaan zijn de gegrondheid van de in de lidstaat van herkomst aan de icbe verleende toelating te heroverwegen, te betwisten of ter discussie te stellen.

5.4.2. Verduidelijking van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de bevoegde autoriteiten

De wijzigingen bevestigen het basisbeginsel dat de lidstaat van ontvangst niet kan betwisten dat de uitsluitende verantwoordelijkheid voor de onder de richtlijn vallende terreinen bij de lidstaat van herkomst berust.

Om de directe en onmiddellijke toegang tot de markt van een andere lidstaat te bevorderen, wordt doorlopend gecontroleerd of de wijze van verhandeling in overeenstemming is met de in de lidstaat van ontvangst toepasselijke voorschriften, maar dat gebeurt pas nadat de icbe haar rechten van deelneming op de markt van een lidstaat van ontvangst heeft geplaatst. Met de richtlijn wordt tevens beoogd een grotere transparantie van de plaatselijke verhandelingsregels te bewerkstelligen (de lidstaten worden ertoe verplicht alle toepasselijke verhandelingsregels op hun websites bekend te maken).

5.4.3. Betere communicatie en samenwerking tussen bevoegde autoriteiten

Opdat de nieuwe kennisgevingsprocedure succes heeft, moeten de bevoegde autoriteiten beter met elkaar communiceren. Daarom wordt voorzien in de elektronische doorzending van informatie over icbe's en over de getroffen verhandelingsvoorschriften. Dit moet de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in staat stellen zich beter voor te bereiden op de uitoefening van het doorlopende toezicht op de inachtneming van de verhandelingsregelingen. De icbe's zijn evenwel verplicht de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst rechtstreeks in kennis te stellen van alle wijzigingen in hun verhandelingsregelingen. Op dit terrein zullen diverse gedetailleerde voorschriften worden vastgesteld aan de hand van uitvoeringsmaatregelen.

5.4.4. Wijze van verspreiding van de in de lidstaten van ontvangst verplicht te verstrekken informatie

Arti kel 89 voert een nieuwe taalregeling in waarbij icbe's alleen de essentiële beleggersinformatie in de lokale taal moeten vertalen. Het is aan de icbe's om te beslissen of andere verplicht te verstrekken informatie in de taal van de lidstaat van ontvangst of in een taal die in de financiële wereld gebruikelijk is, wordt vertaald. De beleggers zullen weten in welke taal het prospectus, de jaarverslagen en de halfjaarlijkse verslagen beschikbaar zijn omdat dit in de essentiële beleggersinformatie zal worden vermeld. De beslissing of andere documenten dan de essentiële beleggersinformatie (onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van de icbe) in een taal van de lidstaat van ontvangst worden vertaald, zal derhalve van de markt afhangen (conform de taalregeling van de Prospectusrichtlijn).

5.5. Regels ter intensivering van de samenwerking tussen toezichthouders

De succesvolle toepassing van de nieuwe bepalingen waarin dit voorstel voorziet, mag evenwel geen afbreuk doen aan het hoge niveau van beleggersbescherming dat door de Icbe-richtlijn wordt geboden. Daarom worden de voorgestelde wijzigingen aangevuld met maatregelen tot versterking van de bestaande samenwerkingsmechanismen tussen toezichthouders en worden de toezichthouders tevens nieuwe instrumenten ter beschikking gesteld om hun taken op een efficiënte wijze te kunnen vervullen. Deze maatregelen zijn grotendeels geïnspireerd op reeds in andere financiëledienstenrichtlijnen voorkomende bepalingen.

ê 85/611/EEG (aangepast)

2008/0153 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN …/…/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van […]

tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 57 Ö 47 Õ, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag[9],

Overwegende hetgeen volgt:

ò nieuw

(1) Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's)[10] is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd[11]. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2) Richtlijn 85/611/EEG heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling en het succes van de Europese beleggingsfondsensector. Ondanks de verbeteringen die sinds de aanneming, en met name in 2001, in de richtlijn zijn aangebracht, werd het evenwel alsmaar duidelijker dat het icbe-regelgevingskader diende te worden gewijzigd om het aan de financiële markten van de 21ste eeuw aan te passen. Met het groenboek van de Commissie van 2005 over beleggingsfondsen[12] is de aanzet gegeven tot een publiek debat over de wijze waarop de richtlijn dient te worden aangepast om deze nieuwe uitdagingen aan te kunnen. Dit intensieve overleg heeft tot de algemeen gedeelde conclusie geleid dat ingrijpende wijzigingen noodzakelijk zijn.

ê 85/611/EEG overweging 1 (aangepast)

De wettelijke regelingen der lidstaten op het gebied van instellingen voor collectieve belegging lopen aanzienlijk uiteen, in het bijzonder ten aanzien van de verplichtingen en het toezicht waaraan zij worden onderworpen. Deze verschillen leiden tot verstoringen van de mededingingsverhoudingen tussen deze instellingen en bieden de deelnemers geen gelijkwaardige bescherming.

ê 85/611/EEG overwegingen 2 en 3 (aangepast)

(3) Een coördinatie van de nationale wettelijke regelingen voor instellingen voor collectieve belegging lijkt gewenst teneinde op Gemeenschapsniveau de mededingingsverhoudingen voor deze instellingen nader tot elkaar te brengen en aldaar een doeltreffender en meer uniforme bescherming van de deelnemers te verwezenlijken. Deze coördinatie zal de verhandeling van de rechten van deelneming in een zich in een lidstaat bevindende instelling voor collectieve belegging op het grondgebied van andere lidstaten vergemakkelijken. De verwezenlijking van deze doelstellingen vergemakkelijkt de opheffing van de beperkingen van het vrije verkeer op Gemeenschapsniveau van rechten van deelneming in Ö icbe's Õ instellingen voor collectieve belegging en draagt bij tot de totstandbrenging van een Europese kapitaalmarkt.

ê 85/611/EEG overweging 4 (aangepast)

(4) Gelet op de hierboven bedoelde doelstellingen, is het wenselijk voor de zich in de lidstaten bevindende Ö gevestigde icbe’s Õ instellingen voor collectieve belegging, Ö te voorzien in Õ gemeenschappelijke minimumregels vast te stellen met betrekking tot toelating, toezicht, inrichting, werkzaamheid en door hen te publiceren informatie.

ê 85/611/EEG overweging 5 (aangepast)

Toepassing van deze gemeenschappelijke regels vormt een voldoende waarborg om de in een lidstaat gevestigde instellingen voor collectieve belegging, behoudens de bepalingen ter zake van het kapitaalverkeer, toe te staan hun rechten van deelneming in de andere lidstaten te verhandelen zonder dat deze ten aanzien van deze instellingen of hun rechten van deelneming bepalingen van welke aard dan ook kunnen voorschrijven, behalve die welke in die lidstaten niet vallen onder de door deze richtlijn bestreken gebieden. Een bepaling is echter nodig dat, indien een instelling voor collectieve belegging haar rechten van deelneming verhandelt in een andere lidstaat dan die waar zij zich bevindt, zij aldaar alle nodige maatregelen moet treffen, opdat de deelnemers aldaar hun financiële rechten gemakkelijk kunnen uitoefenen en aldaar over de nodige informatie kunnen beschikken.

ê 85/611/EEG overweging 6 (aangepast) en 2001/108/EG overweging 2 (aangepast)

(5) De coördinatie van de wettelijke regelingen der lidstaten moet in een eerste fase worden beperkt tot Ö icbe's Õ instellingen voor collectieve belegging die niet van het closed-end-type zijn, Ö en Õ die hun rechten van deelneming aan het publiek in de Gemeenschap te koop aanbieden. en waarvan het uitsluitende doel is te beleggen in effecten (waarbij het hoofdzakelijk gaat om effecten die zijn genoteerd op officiële beurzen of op soortgelijke wijze gereglementeerde markten). De regelgeving voor instellingen voor collectieve belegging waarop de richtlijn niet van toepassing is, doet andere problemen rijzen waarvoor andersluidende bepalingen nodig zijn, en de coördinatie voor dergelijke instellingen zal derhalve in een later stadium plaatsvinden. In afwachting van deze coördinatie kan elke lidstaat met name vaststellen welke soorten instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) van het toepassingsgebied van deze richtlijn zijn uitgesloten op grond van hun beleid inzake beleggingen en het aangaan van leningen, en specifieke voorschriften vaststellen waaraan deze icbe's bij de uitoefening van hun werkzaamheden op zijn grondgebied zijn onderworpen. Gezien de marktontwikkelingen is hHet Ö is Õ wenselijk het beleggingsdoel van Ö dat Õ icbe's Ö in het kader van hun beleggingsdoel wordt toegestaan om Õ zodanig uit te breiden dat zij ook in andere financiële activa dan effecten mogen Ö te Õ beleggen, mits deze voldoende liquide zijn. De financiële instrumenten die de icbe's als beleggingen in hun activaportefeuille mogen opnemen, Ö dienen te Õ worden opgesomd in deze richtlijn. De belegging van een portefeuille volgens een index is een beheerstechniek.

ê 2001/107/EG overweging 3 (aangepast)

(6) De in de Ö haar Õ lidstaat van herkomst van Ö aan Õ de beheermaatschappij verleende vergunning moet de bescherming van de beleggers en de solvabiliteit van beheermaatschappijen garanderen, teneinde bij te dragen tot de stabiliteit van het financiële stelsel. Met de richtlijn wordt beoogd alleen de wezenlijke, noodzakelijke en voldoende harmonisatie tot stand te brengen om te komen tot een wederzijdse erkenning van de vergunningen en van de stelsels voor het prudentieel toezicht, waardoor één en dezelfde vergunning voor de gehele Europese Unie Ö Gemeenschap Õ geldig is en waarbij het toezicht door de lidstaat van herkomst wordt uitgeoefend.

ê 2001/107/EG overweging 4

(7) Het is noodzakelijk voor de bescherming van de belegger om de interne controle binnen elke beheermaatschappij te waarborgen, in het bijzonder door middel van een tweehoofdige bedrijfsleiding en door adequate interne controleprocedures.

ê 2001/107/EG overweging 5 (aangepast)

(8) Om te garanderen dat de beheermaatschappij aan de uit haar activiteiten voortvloeiende verplichtingen kan voldoen, en zodoende haar stabiliteit kan garanderen, zijn een aanvangskapitaal en een extra bedrag aan eigen vermogen vereist. Deze vereisten, met inbegrip van het gebruik van garanties, dienen binnen drie jaar opnieuw te worden bezien, om rekening te houden met ontwikkelingen, met name met betrekking tot de kapitaalvereisten in verband met operationele risico's, in de Ö Gemeenschap Õ Europese Unie en andere internationale fora.

ê 2001/107/EG overweging 6 (aangepast)

(9) Op grond van Ö het beginsel dat het toezicht door de lidstaat van herkomst wordt uitgeoefend, Õ de wederzijdse erkenning mogen beheermaatschappijen waaraan in de lidstaat van herkomst vergunning is verleend, de diensten waarvoor hun vergunning is verleend binnen de gehele Europese Unie Ö Gemeenschap Õ verrichten door middel van vestiging van een bijkantoor of door middel van het vrij verrichten van diensten.; de De goedkeuring van het fondsreglement van beleggingsfondsen/unit trusts valt onder de bevoegdheid van de lidstaat van herkomst van de beheermaatschappij.

ê 2001/107/EG overweging 7

(10) De aan een beheermaatschappij in haar lidstaat van herkomst verleende vergunning moet de beheermaatschappij in staat stellen in de lidstaten van ontvangst de volgende werkzaamheden in verband met het beheer van collectieve beleggingsportefeuilles (beheer van unit trusts/beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen) uit te oefenen: verhandelen van de rechten van deelneming in de geharmoniseerde unit trusts/beleggingsfondsen die door de beheermaatschappij in haar lidstaat van herkomst worden beheerd; verhandelen van de aandelen in de geharmoniseerde beleggingsmaatschappijen die door de beheermaatschappij worden beheerd; vervullen van alle overige taken die onder het beheer van collectieve beleggingsportefeuilles vallen; beheren van de activa van beleggingsmaatschappijen met statutaire zetel in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst van de beheermaatschappij; vervullen, in opdracht en voor rekening van beheermaatschappijen met statutaire zetel in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst van de betrokken beheermaatschappij, van de taken die tot het beheer van collectieve beleggingsportefeuilles behoren.

ê 2001/107/EG overweging 8 (aangepast)

(11) De beginselen van wederzijdse erkenning en Ö Het beginsel van Õ toezicht door de lidstaat van herkomst vereisen Ö vereist Õ dat de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat een vergunning weigeren of intrekken wanneer uit bepaalde gegevens en omstandigheden, zoals de inhoud van het programma van werkzaamheden, de geografische spreiding of de werkelijk uitgeoefende werkzaamheden, op ondubbelzinnige wijze blijkt dat een beheermaatschappij het rechtsstelsel van een lidstaat heeft gekozen om zich te onttrekken aan de strengere voorschriften van een andere lidstaat waar zij het grootste deel van haar werkzaamheden uitoefent of voornemens is uit te oefenen. Voor de toepassing van deze richtlijn moet aan een beheermaatschappij vergunning worden verleend in de lidstaat waar zij haar statutaire zetel heeft. Overeenkomstig het beginsel van het toezicht door het land van herkomst kan alleen de lidstaat waar de beheermaatschappij haar statutaire zetel heeft, als bevoegd worden aangemerkt om het fondsreglement van de door die beheermaatschappij opgerichte unit trusts/beleggingsfondsen en de keuze van de bewaarder goed te keuren. Om toezichtsarbitrage te voorkomen en het vertrouwen in de doeltreffendheid van het toezicht door de autoriteiten van de lidstaat van herkomst te bevorderen, dient een voorwaarde voor het verlenen van een vergunning aan een icbe te zijn dat het in de handel brengen van de rechten van deelneming ervan in de lidstaat van herkomst op generlei wijze juridisch wordt belemmerd. Dit doet geen afbreuk aan de vrijheid van de icbe om, wanneer zij een vergunning heeft verkregen, de lidstaat/lidstaten te kiezen waar haar rechten van deelneming overeenkomstig deze richtlijn zullen worden verhandeld.

ê 2001/107/EG overweging 9 (aangepast)

(12) Richtlijn 85/611/EEG beperkt Ö Gelet op Õ het werkterrein van beheermaatschappijen tot uitsluitend het beheren van unit trusts/beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen (beheer van collectieve beleggingsportefeuilles); een herziening van deze beperking is wenselijk Ö en Õ teneinde met recente ontwikkelingen in de nationale wetgevingen van de lidstaten rekening te houden, en teneinde Ö alsook om Õ beheermaatschappijen de gelegenheid te bieden aanzienlijke schaalvoordelen te behalen,; het is om die reden Ö is het Õ wenselijk beheermaatschappijen eveneens toe te staan zowel beleggingsportefeuilles per cliënt, met inbegrip van pensioenfondsen, te beheren (beheer van individuele beleggingsportefeuilles) als bepaalde specifieke nevenactiviteiten uit te oefenen die met het hoofdbedrijf verband houden.; een Ö Een Õ dergelijke uitbreiding van het werkterrein van de beheermaatschappij brengt de stabiliteit van dergelijke maatschappijen niet in het gedrang.; er Ö Er Õ moeten evenwel specifieke voorschriften worden ingevoerd Ö vastgesteld Õ om belangenconflicten te voorkomen wanneer aan beheermaatschappijen vergunning wordt verleend om zowel collectieve als individuele beleggingsportefeuilles te beheren.

ê 2001/107/EG overweging 10 (aangepast)

(13) Het beheer van Ö individuele Õ beleggingsportefeuilles is een beleggingsdienst die reeds onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad[13] 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten[14] valt. Het is voor de totstandbrenging van een uniform regelgevingskader op dit gebied wenselijk de beheermaatschappijen waarvan de vergunning eveneens op deze dienst betrekking heeft, aan de in die richtlijn vastgestelde voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening te onderwerpen.

ê 2001/107/EG overweging 11

(14) De lidstaat van herkomst kan in het algemeen strengere regels dan in deze richtlijn zijn vastgesteld, van toepassing verklaren, in het bijzonder met betrekking tot de vergunningsvoorwaarden, de voorschriften inzake prudentieel toezicht en de regels inzake informatieverstrekking en het volledige prospectus.

ê 2001/107/EG overweging 12 (aangepast)

(15) Het is wenselijk regels vast te stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder een beheermaatschappij, op basis van lastgevingen, specifieke taken aan derden mag delegeren om tot een efficiëntere bedrijfsvoering te komen. De lidstaten die een dergelijke delegatie van taken toestaan, moeten er voor de correcte toepassing van Ö het beginsel Õ de beginselen van wederzijdse erkenning van de vergunning en van toezicht door de lidstaat van herkomst op toezien dat de beheermaatschappijen waaraan zij vergunning hebben verleend, hun taken niet volledig aan één of meer derden delegeren zodanig dat zij een brievenbusmaatschappij worden, en dat het delegeren van taken een juiste uitoefening van het toezicht op de beheermaatschappij niet belemmert. Het feit dat de beheermaatschappij sommige van haar eigen taken heeft gedelegeerd laat de aansprakelijkheid van deze maatschappij en van de bewaarder jegens de deelnemers en de bevoegde autoriteiten geheel onverlet.

ê 2001/107/EG overweging 13

(16) Om de belangen van de aandeelhouders te vrijwaren en gelijke concurrentievoorwaarden te scheppen op de markt voor geharmoniseerde instellingen voor collectieve belegging is er voor beleggingsmaatschappijen een aanvangskapitaal vereist. Beleggingsmaatschappijen die een beheermaatschappij hebben aangewezen, zijn evenwel gedekt via het extra bedrag aan eigen vermogen van de beheermaatschappij.

ê 2001/107/EG overweging 14 (aangepast)

(17) Aan de artikelen Ö 13 Õ 5 octies en Ö 14 Õ 5 nonies moet te allen tijde worden voldaan door beleggingsmaatschappijen waaraan vergunning is verleend, hetzij direct door de maatschappij overeenkomstig artikel Ö 27 Õ 13 ter, hetzij indirect, omdat, indien een beleggingsmaatschappij met vergunning besluit een beheermaatschappij aan te wijzen, die beheermaatschappij over een vergunning moet beschikken overeenkomstig de Ö deze Õ richtlijn en dus verplicht is te voldoen aan de artikelen Ö 13 Õ 5 octies en Ö 14 Õ 5 nonies.

ò nieuw

(18) Hoewel consolidatie van icbe's noodzakelijk is, stuiten fusies van icbe's in de Gemeenschap nog op tal van moeilijkheden van wettelijke en bestuursrechtelijke aard. Met het oog op een betere werking van de interne markt is het daarom noodzakelijk communautaire voorschriften vast te stellen om fusies tussen icbe's (en beleggingscompartimenten daarvan) te vergemakkelijken. Hoewel sommige lidstaten alleen rechtens bij overeenkomst geregelde fondsen hebben toegelaten, zouden fusies tussen alle fondstypen (bij overeenkomst, als trust of bij statuten geregelde fondsen) door het recht van elke lidstaat moeten worden toegestaan en erkend. Deze richtlijn heeft betrekking op de fusietechnieken die het gebruikelijkst zijn in de lidstaten. Zij belet icbe's evenwel niet op binnenlands of grensoverschrijdend niveau van andere technieken gebruik te maken. Deze technieken zullen dan evenwel aan de desbetreffende voorschriften van het nationale recht onderworpen blijven.

(19) Ter bescherming van de belangen van beleggers dienen de lidstaten voor te schrijven dat voorgenomen fusies tussen icbe's binnen hun rechtsgebied of op grensoverschrijdend niveau door hun bevoegde autoriteiten moeten worden goedgekeurd. In het geval van grensoverschrijdende fusies dienen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe die zal ophouden te bestaan (de fuserende icbe), de fusie goed te keuren om te waarborgen dat de belangen van de deelnemers die effectief van fonds veranderen naar behoren worden beschermd. Indien bij de fusie meerdere fuserende icbe's zijn betrokken en deze icbe's in verschillende lidstaten zijn gevestigd, moeten de bevoegde autoriteiten van elke fuserende icbe in nauw overleg met elkaar de fusie goedkeuren. Daar ook de belangen van de deelnemers in de icbe die na de fusie blijft voortbestaan (de ontvangende icbe), op adequate wijze moeten worden beschermd, dient daarmee rekening te worden gehouden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de fuserende icbe's wanneer deze een grensoverschrijdende fusie goedkeuren.

(20) Er moet in een aanvullende controle van fusies door derden worden voorzien. De bewaarder van elke icbe die bij de fusie is betrokken, dient te controleren of het gemeenschappelijke fusievoorstel in overeenstemming is met de relevante bepalingen van deze richtlijn en met het fondsreglement van de betrokken icbe. Een onafhankelijke auditor dient ten behoeve van alle bij de fusie betrokken icbe's een verslag op te stellen waarin de methoden voor de waardering van de activa en passiva van deze icbe's en de berekeningsmethode voor de ruilverhouding zoals deze door het leidinggevende en/of bestuursorgaan van de betrokken icbe's in het gemeenschappelijke fusievoorstel zijn uiteengezet, worden gevalideerd. Met het oog op de beperking van de aan grensoverschrijdende fusies verbonden kosten dient het mogelijk te zijn één enkel verslag voor alle betrokken icbe's op te stellen. De wettelijke auditor van de fuserende icbe('s) en/of de ontvangende icbe dient daartoe te worden gemachtigd. Ter wille van de bescherming van de beleggers dient deelnemers de mogelijkheid te worden geboden kosteloos een afschrift van dit verslag te verkrijgen.

(21) Het is van bijzonder belang dat deelnemers afdoende worden geïnformeerd over de voorgenomen fusie en dat hun rechten voldoende beschermd zijn. Hoewel dit vooral geldt voor deelnemers in de fuserende icbe('s), dienen ook de belangen van deelnemers in de ontvangende icbe te worden beschermd, met name in de gevallen waarin de voorgenomen fusie aanmerkelijke gevolgen kan hebben voor hun belegging.

(22) De in deze richtlijn vervatte bepalingen met betrekking tot fusies laten de toepassing van de wetgeving betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, en met name Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties tussen ondernemingen (de "EG-concentratieverordening")[15], onverlet.

ê 85/611/EEG overweging 7 (aangepast)

(23) Het vrij verhandelen van de rechten van deelneming in icbe's die gemachtigd zijn om tot 100% van hun eigen activa te beleggen in effecten van eenzelfde uitgevende instelling (staat, territoriaal publiekrechtelijk lichaam enz.), mag rechtstreeks noch middellijk tot gevolg hebben dat de werking van de kapitaalmachrkten wordt verstoord, Ö of dat Õ de financiering van een lidstaat wordt bemoeilijkt. of dat er economische situaties ontstaan die analoog zijn aan die welke artikel 68, lid 3, van het Verdrag beoogt te voorkomen.

ê 85/611/EEG overweging 8 (aangepast)

Overwegende dat rekening moet worden gehouden met de bijzondere situatie van de kapitaalmarkt van de Helleense Republiek en de Portugese Republiek door deze landen een extra termijn toe te staan om aan deze richtlijn te voldoen,

ê 2001/108/EG overweging 3

(24) De in deze richtlijn opgenomen definitie van effecten is alleen geldig voor deze richtlijn en laat de diverse definities die in de nationale wetgevingen voor andere, zoals fiscale doeleinden, gehanteerd worden, geheel onverlet. Aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren die zijn uitgegeven door instellingen zoals "building societies" en "industrial and provident societies" en die in de praktijk alleen kunnen worden overgedragen door inkoop door de uitgevende instelling, worden bijgevolg niet door deze definitie bestreken.

ê 2001/108/EG overweging 4

(25) Onder geldmarktinstrumenten worden de categorieën verhandelbare instrumenten verstaan die gewoonlijk niet op gereglementeerde markten worden verhandeld maar waarin op de geldmarkt wordt gehandeld, zoals bijvoorbeeld schatkistcertificaten, kortlopend papier van lokale overheden, depositocertificaten, commercial paper, verhandelbaar papier over middellange termijn en bankaccepten.

ê 2001/108/EG overweging 5

(26) Het is dienstig dat het begrip gereglementeerde markten in deze richtlijn overeenstemt met dat in Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten[16] Richtlijn 2004/39/EG.

ê 2001/108/EG overweging 6

(27) Het is wenselijk een icbe toe te staan haar activa te beleggen in rechten van deelneming in icbe's en/of andere instellingen voor collectieve belegging van het open-end-type die eveneens met toepassing van het beginsel van de risicospreiding in de in deze richtlijn genoemde liquide financiële activa beleggen. De icbe's of andere instellingen voor collectieve belegging waarin een icbe belegt, moeten eveneens aan effectief toezicht onderworpen zijn.

ê 2001/108/EG overweging 7

(28) De mogelijkheden voor een icbe om te beleggen in icbe's en/of andere instellingen voor collectieve belegging moeten tot ontwikkeling kunnen komen. Daarom moet worden gegarandeerd dat die beleggingsactiviteiten geen afbreuk doen aan de bescherming van de belegger. Het verruimen van de mogelijkheden voor icbe's om te beleggen in de rechten van deelneming van andere icbe's en/of instellingen voor collectieve belegging vergt dat voorschriften worden opgenomen betreffende kwantitatieve begrenzingen, informatieverstrekking en het voorkomen van het cascadeverschijnsel.

ê 2001/108/EC overweging 8

(29) Gezien de ontwikkelingen op de markten en de voltooiing van de economische en monetaire unie is het wenselijk icbe's toe te staan in bankdeposito's te beleggen. Teneinde een adequate liquiditeit van beleggingen in deposito's te waarborgen, dienen deze deposito's onmiddellijk opeisbaar of opvraagbaar te zijn. Indien de deposito's worden aangehouden bij een kredietinstelling met statutaire zetel in een derde land, dient de kredietinstelling onderworpen te zijn aan bedrijfseconomische voorschriften gelijkwaardig aan die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld.

ê 2001/108/EG overweging 9

(30) Afgezien van het geval waarin een icbe overeenkomstig haar fondsreglement of statuten in bankdeposito's belegt, kan het noodzakelijk zijn alle icbe's toe te staan accessoir ook liquide middelen, zoals onmiddellijk opvraagbare bankdeposito's, te houden. Het accessoir houden van dergelijke liquide middelen kan in bijvoorbeeld de volgende gevallen gerechtvaardigd zijn: om lopende of onvoorziene betalingen te kunnen uitvoeren; bij verkopen, gedurende de termijn die noodzakelijk is om de liquide middelen te herbeleggen in effecten, geldmarktinstrumenten en/of andere in deze richtlijn bedoelde financiële activa; wanneer vanwege ongunstige marktomstandigheden, niet langer dan strikt noodzakelijk is, het verrichten van beleggingen in effecten, geldmarktinstrumenten en andere financiële activa dient te worden opgeschort.

ê 2001/108/EG overweging 10

(31) Om redenen in verband met het prudentieel toezicht moeten icbe's een buitensporige concentratie vermijden in beleggingen waardoor een tegenpartijrisico zou worden aangegaan jegens één en dezelfde instelling of jegens instellingen die tot dezelfde groep behoren.

ê 2001/108/EG overweging 11

(32) Het moet icbe's uitdrukkelijk worden toegestaan om, als onderdeel van hun algemene beleggingsbeleid en/of voor risicodekkingsdoeleinden, om een vooropgesteld financieel doel of het in het prospectus vermelde risicoprofiel te bereiken, in financiële derivaten te beleggen. Ter wille van de bescherming van de belegger is het noodzakelijk het maximale potentiële risico met betrekking tot afgeleide instrumenten zodanig te beperken dat dit risico de totale nettowaarde van de portefeuille van de icbe niet overschrijdt. Teneinde steeds zicht te hebben op de uit derivatentransacties voortvloeiende risico's en verplichtingen en de naleving van de beleggingsbegrenzingen te toetsen, moeten deze risico's en verplichtingen doorlopend worden geëvalueerd en bewaakt. Ten slotte moeten de icbe's, om bescherming van de belegger door middel van informatieverstrekking te garanderen, de strategieën, technieken en beleggingsbeperkingen met betrekking tot hun derivatentransacties beschrijven.

ê 2001/108/EG overweging 12 (aangepast)

(33) Ten aanzien van OTC-derivaten moeten aanvullende eisen worden gesteld wat betreft de kwaliteit van de tegenpartijen en instrumenten, alsook met betrekking tot de liquiditeit en de doorlopende evaluatie van de positie. Met deze aanvullende eisen wordt beoogd de bescherming van de belegger op een adequaat niveau te brengen, dat vrijwel evenwaardig is aan het beschermingsniveau dat beleggers genieten wanneer zij derivaten verwerven waarin op gereglementeerde markten wordt gehandeld.

ê 2001/108/EG overweging 13

(34) Derivatentransacties mogen in geen geval worden gebruikt om de in deze richtlijn neergelegde beginselen en voorschriften te omzeilen. Wat OTC-derivaten betreft, moeten aanvullende risicospreidingsregels gelden voor risico's jegens één en dezelfde tegenpartij of groep tegenpartijen.

ê 2001/108/EG overweging 14

(35) Sommige technieken voor portefeuillebeheer door instellingen voor collectieve belegging die overwegend in aandelen en/of in obligaties beleggen, zijn gebaseerd op het reconstrueren van aandelenindexen en/of obligatie-indexen. Het is wenselijk icbe's toe te staan welbekende en erkende aandelenindexen en/of obligatie-indexen te reconstrueren. Derhalve kan het noodzakelijk zijn soepeler risicospreidingsregels vast te stellen voor icbe's die met dat doel in aandelen en/of obligaties beleggen.

ê 2001/108/EG overweging 15

(36) Instellingen voor collectieve belegging die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor de collectieve belegging van uit het publiek aangetrokken gelden overeenkomstig de voorschriften van deze richtlijn. In de in deze richtlijn aangegeven gevallen is het een icbe alleen toegestaan dochterondernemingen te hebben wanneer deze nodig zijn om namens de icbe effectief bepaalde, eveneens in deze richtlijn omschreven werkzaamheden te verrichten. Het is nodig een effectief toezicht op icbe's te garanderen. Het mag een icbe derhalve alleen worden toegestaan een dochteronderneming in een derde land op te richten in de gevallen en onder de voorwaarden die in deze richtlijn zijn omschreven. De algemene verplichting om uitsluitend te handelen in het belang van de houders van rechten van deelneming, en met name het streven naar een grotere kostenefficiëntie, machtigen een icbe geenszins tot het nemen van maatregelen die een belemmering kunnen vormen voor een effectieve uitoefening van de toezichthoudende taken door de bevoegde autoriteiten.

ê 88/220/EEG overwegingen 4 en 5 (aangepast)

(37) Artikel 22, lid 3, van Richtlijn 85/611/EEG houdt een afwijking van het in de leden 1 en 2 van dit artikel bepaalde in Ö De oorspronkelijke versie van Richtlijn 85/611/EEG voorzag in een afwijking van de begrenzing van het percentage van haar activa dat een icbe in effecten van eenzelfde uitgevende instelling mag beleggen Õ in het geval van door een lidstaat uitgegeven of gegarandeerde obligaties en staat Ö stond Õ in dit kader de icbe's toe tot 35% van hun activa met name te beleggen in dergelijke obligaties. Een soortgelijke afwijking, maar met een meer beperkte draagwijdte, is gerechtvaardigd ten aanzien van de obligaties uit de particuliere sector, die zelfs bij het ontbreken van een garantie van staatswege niettemin bijzondere garanties voor de belegger bieden krachtens de daarop toepasselijke specifieke regelingen. Het is dientengevolge dienstig te voorzien in een soortgelijke afwijking voor al deze obligaties die voldoen aan gemeenschappelijk vastgestelde criteria, Ö en Õ het aan de lidstaten over te laten de lijst op te stellen van de obligaties waaraan zij voornemens zijn, in voorkomend geval, een afwijking te verlenen. en te voorzien in een procedure van informatie van de andere lidstaten gelijk aan die welke is voorzien in artikel 20 van Richtlijn 85/611/EEG,

ò nieuw

(38) Diverse lidstaten hebben bepalingen vastgesteld die niet-geharmoniseerde instellingen voor collectieve belegging in staat stellen hun activa te poolen in een zogeheten master-fonds. Om icbe's toe te staan van dergelijke constructies gebruik te maken, is het noodzakelijk "feeder-icbe's" die hun activa in een "master-icbe" willen poolen, vrij te stellen van het verbod om meer dan 10% of, al naargelang het geval, 20% in één beleggingsfonds te beleggen. Deze vrijstelling is gerechtvaardigd omdat de feeder-icbe al of vrijwel al haar activa belegt in de gediversifieerde portefeuille van de master-icbe, die zelf aan de voor icbe's geldende spreidingsregels is onderworpen.

(39) Teneinde de efficiënte werking van de interne markt te bevorderen en overal in de Gemeenschap eenzelfde niveau van beleggersbescherming te waarborgen, dienen zowel master-feederconstructies waarbij de master en de feeder in dezelfde lidstaat zijn gevestigd als master-feederconstructies waarbij deze in verschillende lidstaten zijn gevestigd, te zijn toegestaan. Om ervoor te zorgen dat beleggers een beter zicht hebben op master-feederconstructies en dat toezichthouders gemakkelijker toezicht op dergelijke constructies kunnen uitoefenen, met name in een grensoverschrijdende context, mag een feeder-icbe niet in meer dan één master kunnen beleggen. Teneinde overal in de Gemeenschap eenzelfde niveau van beleggersbescherming te waarborgen, dient de master zelf een toegelaten icbe te zijn.

(40) Ter bescherming van beleggers in feeder-icbe's dient de belegging van feeder-icbe's in een master-icbe vooraf te worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de feeder-icbe.

(41) Teneinde een feeder-icbe in staat te stellen de belangen van haar deelnemers optimaal te behartigen en haar in een zodanige positie te plaatsen dat zij van de master-icbe alle voor het vervullen van haar verplichtingen benodigde informatie en documenten kan verkrijgen, dienen de feeder-icbe en de master-icbe een bindende en afdwingbare overeenkomst aan te gaan. Evenzo dient een overeenkomst tot uitwisseling van informatie tussen de bewaarders of, respectievelijk, de auditors van de feeder-icbe en de master-icbe de doorstroming van de informatie en documenten te garanderen die de bewaarder of auditor van de feeder-icbe nodig hebben om hun taken te kunnen vervullen.

(42) Teneinde een hoog niveau van bescherming van de belangen van beleggers in een feeder-icbe te waarborgen, dienen het prospectus, de in artikel 73 bedoelde essentiële beleggersinformatie en alle publicitaire mededelingen aan de specifieke kenmerken van master-feederconstructies te zijn aangepast.

(43) Het voor master-icbe's geldende verbod op het aanrekenen van inschrijvings- of aflossingskosten aan feeder-icbe's zou deelnemers tegen het in rekening brengen van ongerechtvaardigde extra kosten moeten beschermen.

(44) De omzettingsregels dienen een bestaande icbe in staat te stellen zich tot een feeder-icbe om te vormen. Tegelijkertijd dienen deze regels de deelnemers afdoende te beschermen. Daar een dergelijke omvorming tot een fundamentele wijziging van het beleggingsbeleid leidt, dient de icbe die zich tot een feeder-icbe omvormt, ertoe te worden verplicht haar deelnemers voldoende informatie te verstrekken, zodat deze in staat zijn te beslissen of zij hun belegging al dan niet behouden.

(45) De lidstaten dienen een duidelijk onderscheid te maken tussen publicitaire mededelingen en de informatie die krachtens deze richtlijn aan beleggers moet worden verstrekt. De verplicht aan beleggers te verstrekken informatie omvat essentiële beleggersinformatie, het prospectus, jaarverslagen en halfjaarlijkse verslagen.

(46) Aan beleggers dient in een precontractueel stadium essentiële beleggersinformatie te worden verstrekt om hen te helpen met kennis van zaken beleggingsbeslissingen te nemen. Deze informatie mag alleen de essentiële elementen bevatten die noodzakelijk zijn om dergelijke beslissingen te nemen. De aard van de informatie die in de essentiële beleggersinformatie dient te worden opgenomen, moet zoveel mogelijk worden geharmoniseerd om een adequate beleggersbescherming en vergelijkbaarheid te garanderen. De essentiële beleggersinformatie dient in beknopte vorm te worden gepresenteerd. Eén enkel kort document, waarin de informatie in een welbepaalde volgorde is vermeld, is het meest geschikt om de voor kleine beleggers aangewezen duidelijkheid en eenvoud van presentatie te bereiken en zou tevens zinvolle vergelijkingen mogelijk maken.

(47) Voor alle icbe's dient essentiële beleggersinformatie te worden opgesteld. Beheermaatschappijen of, in voorkomend geval, beleggingsmaatschappijen dienen de essentiële beleggersinformatie aan de relevante entiteiten te verstrekken, al naargelang de toegepaste verkoopmethode (rechtstreekse verkoop of verkoop via intermediairs). De wijze waarop intermediairs op het verkooppunt van de essentiële beleggersinformatie gebruikmaken, dient te worden geregeld in de wetgeving die op dergelijke intermediairs betrekking heeft, zoals Richtlijn 2004/39/EG.

(48) Het recht van icbe's om hun rechten van deelneming in andere lidstaten te verkopen, dient afhankelijk te worden gesteld van een kennisgevingsprocedure die op een betere communicatie tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten is gebaseerd. Nadat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe het volledige kennisgevingsdossier hebben doorgezonden, mag de lidstaat van ontvangst van de icbe niet in staat zijn om zich tegen de toegang tot zijn markt door een in een andere lidstaat gevestigde icbe te verzetten, en evenmin om de door die andere lidstaat verleende toelating aan te vechten.

(49) Om de grensoverschrijdende verhandeling van rechten van deelneming in een icbe te bevorderen, dienen de voor de verhandeling van rechten van deelneming in de icbe getroffen regelingen doorlopend aan de in de lidstaat van ontvangst van de icbe van toepassing zijnde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen te worden getoetst nadat de icbe met de verhandeling van haar rechten van deelneming in deze lidstaat is begonnen. Deze toetsing kan met name betrekking hebben op de verplichting om publicitaire mededelingen op een correcte, duidelijke en niet-misleidende wijze te presenteren.

(50) Omwille van de rechtszekerheid moet ervoor worden gezorgd dat een icbe die haar rechten van deelneming op grensoverschrijdende basis verhandelt, vlot toegang heeft tot complete informatie, in de vorm van een elektronische publicatie, over de in de lidstaat van ontvangst van de icbe toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op de verhandeling van rechten van deelneming in icbe's betrekking hebben.

(51) Om de grensoverschrijdende verhandeling van rechten van deelneming in een icbe te bevorderen, mag enkel van een icbe worden verlangd dat zij de essentiële beleggersinformatie vertaalt in de officiële taal of een van de officiële talen van een lidstaat van ontvangst van de icbe, dan wel in een taal die door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat is goedgekeurd. In de essentiële beleggersinformatie dient (dienen) de ta(a)l(en) te worden vermeld waarin andere verplicht te verstrekken documenten en aanvullende informatie beschikbaar zijn.

(52) De convergentie van de bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten dient te worden versterkt om een eenvormige handhaving van de richtlijn in alle lidstaten te bewerkstelligen. Een gemeenschappelijk minimumpakket van bevoegdheden die aansluiten bij die welke krachtens andere communautaire wetgeving inzake financiële diensten aan de bevoegde autoriteiten zijn toegekend, moet de doelmatigheid van het toezicht garanderen.

(53) De bepalingen betreffende de uitwisseling van informatie tussen de nationale bevoegde autoriteiten en de wederzijdse bijstands- en samenwerkingsplicht dienen te worden versterkt.

ê 95/26/EG overweging 6 (aangepast)

è1 95/26/EG art. 1, vierde streepje

(54) Met "juiste uitoefening van de toezichthoudende taken door de autoriteiten" wordt ook gedoeld op het toezicht op geconsolideerde basis, dat op een è1 Ö icbe Õ instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) of een onderneming die bij haar bedrijf betrokken is ç dient te worden uitgeoefend wanneer de communautaire rechtsregels een dergelijk toezicht voorschrijven. In zulke gevallen moeten de autoriteiten waaraan om een vergunning is gevraagd, de autoriteiten kunnen identificeren die bevoegd zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis op deze è1 Ö icbe Õ instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) of een onderneming die bij haar bedrijf betrokken is ç.

ê 95/26/EG overweging 7 (aangepast)

è1 95/26/EG art. 1, vierde streepje

(55) De Het beginselen van wederzijdse erkenning en van toezicht door de lidstaat van herkomst vereisten dat de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat een vergunning weigeren of intrekken, wanneer uit bepaalde gegevens, zoals de inhoud van het programma van werkzaamheden, de plaats van vestiging of de werkelijk uitgeoefende werkzaamheden, op ondubbelzinnige wijze blijkt dat de è1 Ö icbe Õ instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) of een onderneming die bij haar bedrijf betrokken is ç het rechtsstelsel van een lidstaat heeft gekozen om zich te onttrekken aan de strengere voorschriften van een andere lidstaat, waar zij het grootste deel van haar werkzaamheden uitoefent of voornemens is uit te oefenen. Aan een è1 Ö icbe Õ instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) of een onderneming die bij haar bedrijf betrokken is ç die een rechtspersoon is, moet vergunning worden verleend in de lidstaat waar haar statutaire zetel is gelegen. Een è1 Ö icbe Õ instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) of een onderneming die bij haar bedrijf betrokken is ç die geen rechtspersoon is, moet een haar hoofdkantoor hebben in de lidstaat waar haar vergunning is verleend. De lidstaten moeten tevens eisen dat het hoofdbestuur Ö hoofdkantoor Õ van een è1 Ö icbe Õ instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) of Ö het hoofdkantoor van Õ een onderneming die bij haar bedrijf betrokken is ç zich steeds bevindt Ö gevestigd is Õ in haar lidstaat van herkomst en dat zij daar feitelijk werkzaam is.

ê 95/26/EG overweging 8

(56) Het is dienstig te voorzien in de mogelijkheid van uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten en autoriteiten of organen die uit hoofde van hun functie bijdragen tot de versterking van de stabiliteit van het financiële stelsel. Teneinde het vertrouwelijke karakter van de doorgegeven informatie te bewaren, moet de lijst van geadresseerden daarvan strikt beperkt blijven.

ê 95/26/EG overweging 9 (aangepast)

(57) Bepaalde praktijken zoals fraude en misbruik van voorkennis, ook al hebben zij betrekking op andere dan financiële ondernemingen, Ö dan icbe's of ondernemingen die bij hun bedrijf betrokken zijn, Õ kunnen toch de stabiliteit van het financiële stelsel alsmede de integriteit ervan aantasten.

ê 95/26/EG overweging 10

(58) Er moet bepaald worden onder welke voorwaarden de genoemde uitwisseling van informatie is toegestaan.

ê 95/26/EG overweging 11

(59) Wanneer bepaald is dat informatie alleen met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten mag worden doorgegeven, mogen deze autoriteiten aan hun instemming eventueel strikte voorwaarden verbinden.

ê 95/26/EG overweging 12

(60) Ook dient uitwisseling van informatie te worden toegestaan tussen enerzijds de bevoegde autoriteiten en anderzijds de centrale banken en andere instellingen met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit, en in voorkomend geval aan andere overheidsinstanties die belast zijn met het toezicht op de betalingssystemen.

ê 95/26/EG overweging 13 (aangepast)

(61) In Richtlijn 85/611/EEG Ö deze richtlijn Õ moet dezelfde regeling inzake het beroepsgeheim worden ingevoerd voor de autoriteiten die belast zijn met het verlenen van vergunning aan en het uitoefenen van toezicht op icbe's en bij hun bedrijf betrokken ondernemingen, alsook dezelfde mogelijkheden voor de uitwisseling van informatie, als die welke zijn bepaald voor de autoriteiten belast met het verlenen van vergunning aan en het uitoefenen van toezicht op kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en verzekeringsondernemingen.

ê 95/26/EG overweging 15 (aangepast)

è1 95/26/EG art. 1, vierde streepje

(62) Ter versterking van het bedrijfseconomische toezicht op è1 Ö icbe's Õ instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) of ondernemingen die bij hun bedrijf betrokken zijn ç en ter bescherming van de cliënten van è1 Ö icbe's Õ instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) of ondernemingen die bij hun bedrijf betrokken zijn ç, dient te worden voorgeschreven dat een met de wettelijke controle van de jaarrekening belast persoon de bevoegde autoriteiten snel in kennis moet stellen wanneer hij, in de in deze richtlijn bedoelde gevallen, in de uitvoering van zijn taken kennis krijgt van bepaalde feiten die van dien aard zijn dat zij de financiële positie of de administratieve en boekhoudkundige organisatie van een è1 Ö icbe Õ instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) of een onderneming die bij haar bedrijf betrokken is ç ernstig kunnen aantasten.

ê 95/26/EG overweging 16 (aangepast)

è1 95/26/EG art. 1, vierde streepje

(63) Het is gelet op het beoogde doel wenselijk dat de lidstaten bepalen dat deze verplichting in alle gevallen geldt wanneer dergelijke feiten door een met de wettelijke controle van de jaarrekening belast persoon worden geconstateerd in de uitvoering van zijn taken bij een onderneming die met een è1 Ö icbe Õ instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) of een onderneming die bij haar bedrijf betrokken is ç nauwe banden heeft.

ê 95/26/EG overweging 17 (aangepast)

è1 95/26/EG art. 1, vierde streepje

(64) De aan de met de wettelijke controle van de jaarrekening belaste personen opgelegde verplichting om in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten mededeling te doen van bepaalde feiten of besluiten met betrekking tot een è1 Ö icbe Õ instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) of een onderneming die bij haar bedrijf betrokken is ç, welke zij in de uitvoering van hun taken bij een Ö entiteit die noch een Õ niet-è1 Ö icbe is, Õ instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) of Ö noch Õ een onderneming die bij haar Ö het Õ bedrijf Ö van een icbe Õ betrokken is ç constateren, houdt op zich geen wijziging in van de aard van hun taken bij deze onderneming, noch van de wijze waarop zij zich van hun taak bij die onderneming dienen te kwijten.

ò nieuw

(65) De Commissie dient de bevoegdheid te krijgen de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn vast te stellen. Wat fusies betreft, zijn deze maatregelen bedoeld om het volgende te specificeren: de gedetailleerde inhoud van de desbetreffende informatie en de wijze waarop deze aan deelnemers moet worden verstrekt. Wat master-feederconstructies betreft, zijn deze maatregelen bedoeld om het volgende te specificeren: de gegevens die in de overeenkomst tussen master en feeder, hun bewaarders en hun auditors moeten worden opgenomen, de definitie van maatregelen die geschikt zijn om aan late handel verbonden risico's te voorkomen, de gevolgen van de fusie van de master voor de toelating van de feeder, de soorten bij de master geconstateerde onregelmatigheden die aan de feeder moeten worden meegedeeld, de wijze waarop en de vorm waarin de desbetreffende informatie aan deelnemers moet worden verstrekt in geval van de omzetting van een icbe in een feeder-icbe, de procedure voor de waardering en auditing van de overdracht van de activa van een feeder aan een master en de rol van de bewaarder van de feeder in dit proces. Wat de bepalingen inzake de informatieverstrekking betreft, zijn deze maatregelen bedoeld om het volgende te specificeren: de specifieke voorwaarden waaraan moet worden voldaan als het prospectus wordt verstrekt op een andere duurzame drager dan papier en via een website die geen duurzame drager vormt, de gedetailleerde inhoud, vorm en presentatie van essentiële beleggersinformatie rekening houdend met het verschillende karakter of de verschillende compartimenten van de betrokken icbe, en de specifieke voorwaarden voor de levering van essentiële beleggersinformatie op een andere duurzame drager dan papier en via een website die geen duurzame drager vormt. Wat de kennisgeving betreft, zijn deze maatregelen bedoeld om het volgende te specificeren: de vorm en de reikwijdte van de door de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst te publiceren informatie over de toepasselijke lokale voorschriften, de toepassing van de kennisgevingsprocedure op de verhandeling van rechten van deelneming in beleggingscompartimenten van icbe's en nieuwe categorieën van aandelen, en de technische bijzonderheden over de toegang door de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst tot de geactualiseerde fondsdocumenten die door de autoriteiten van de lidstaat van herkomst zijn opgeslagen. Deze maatregelen zijn tevens bedoeld om de definities te verduidelijken, alsook om de terminologie te kunnen gelijktrekken met en de definities te kunnen afstemmen op latere besluiten betreffende icbe's en aanverwante aangelegenheden. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn door deze met nieuwe niet-essentiële onderdelen aan te vullen, moeten zij volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG[17] vastgestelde regelgevingsprocedure met toetsing worden vastgesteld. Voor bevoegdheden die niet tot de bovenbedoelde categorie behoren, dient de in artikel 5 van hetzelfde besluit vastgestelde regelgevingsprocedure te gelden. Deze maatregelen zijn bedoeld om het volgende te specificeren: de vorm en inhoud van de gestandaardiseerde kennisgeving, het standaardmodel voor de verklaring, de procedure voor de uitwisseling van informatie en het gebruik van elektronische communicatie tijdens het kennisgevingsproces. Zij zijn ook bedoeld om de procedures voor verificaties en onderzoeken ter plaatse en de uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten nader te omschrijven.

ê 95/26/EG overweging 18 (aangepast)

(66) Ö Daar de doelstellingen van het overwogen optreden onvoldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, voor zover deze de vaststelling inhouden van voorschriften met gemeenschappelijke elementen die op grensoverschrijdend niveau toepasbaar zijn, en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van het optreden, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. Õ De aanneming van deze richtlijn vormt het meest geschikte middel om de nagestreefde doeleinden te verwezenlijken en met name om de bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten te versterken. Deze richtlijn blijft beperkt tot het minimum dat vereist is om deze doelstellingen te bereiken en gaat het hiertoe noodzakelijke niet te boven.

ò nieuw

(67) De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijn materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.

(68) Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage III, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

ê 85/611/EEG

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

ê

INHOUD

HOOFDSTUK I | ALGEMENE BEPALINGEN EN TOEPASSINGSGEBIED | artikelen 1 tot en met 4 |

HOOFDSTUK II | TOELATING VAN DE ICBE | artikel 5 |

HOOFDSTUK III | VERPLICHTINGEN BETREFFENDE BEHEERMAATSCHAPPIJEN |

AFDELING 1 | Voorwaarden voor toegang tot de werkzaamheden | artikelen 6, 7 en 8 |

AFDELING 2 | Betrekkingen met derde landen | artikel 9 |

AFDELING 3 | Uitoefeningsvoorwaarden | artikelen 10 tot en met 14 |

AFDELING 4 | Vrijheid van vestiging en vrij verrichten van diensten | artikelen 15 tot en met 18 |

HOOFDSTUK IV | VERPLICHTINGEN BETREFFENDE DE BEWAARDER | artikelen 19 tot en met 23 |

HOOFDSTUK V | VERPLICHTINGEN BETREFFENDE BELEGGINGSMAATSCHAPPIJEN |

AFDELING 1 | Voorwaarden voor toegang tot de werkzaamheden | artikelen 24, 25 en 26 |

AFDELING 2 | Uitoefeningsvoorwaarden | artikelen 27 en 28 |

AFDELING 3 | Verplichtingen betreffende de bewaarder | artikelen 29 tot en met 33 |

HOOFDSTUK VI | FUSIES VAN ICBE'S |

AFDELING 1 | Beginsel en goedkeuring | artikelen 34 tot en met 37 |

AFDELING 2 | Controle door derden, verstrekking van informatie aan deelnemers en andere rechten van deelnemers | artikelen 38 tot en met 42 |

AFDELING 3 | Kosten en ingaan van de fusie | artikelen 39 tot en met 44 |

HOOFDSTUK VII | VERPLICHTINGEN MET BETREKKING TOT HET BELEGGINGSBELEID VAN ICBE’S | artikelen 45 tot en met 52 |

HOOFDSTUK VIII | MASTER-FEEDERCONSTRUCTIES |

AFDELING 1 | Toepassingsgebied en goedkeuring | artikelen 53 en 54 |

AFDELING 2 | Gemeenschappelijke bepalingen voor feeder-icbe's en master-icbe's | artikel 55 |

AFDELING 3 | Bewaarders en auditors | artikelen 56 en 57 |

AFDELING 4 | Verplichtingen inzake informatieverstrekking en publicitaire mededelingen | artikel 58 |

AFDELING 5 | Omzetting van bestaande icbe's in feeder-icbe's | artikel 59 |

AFDELING 6 | Verplichtingen en bevoegde autoriteiten | artikelen 60, 61 en 62 |

HOOFDSTUK IX | VERPLICHTINGEN IN VERBAND MET DE AAN BELEGGERS TE VERSTREKKEN INFORMATIE |

AFDELING 1 | Openbaarmaking van een prospectus en van periodieke verslagen | artikelen 63 tot en met 70 |

AFDELING 2 | Openbaarmaking van andere informatie | artikelen 71 en 72 |

AFDELING 3 | Essentiële beleggersinformatie | artikelen 73 tot en met 77 |

HOOFDSTUK X | ALGEMENE VERPLICHTINGEN VAN DE ICBE | artikelen 78 tot en met 85 |

HOOFDSTUK XI | BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR ICBE’S DIE HUN RECHTEN VAN DEELNEMING VERHANDELEN IN ANDERE LIDSTATEN DAN DIE WAAR ZIJ GEVESTIGD ZIJN | artikelen 86 tot en met 91 |

HOOFDSTUK XII | BEPALINGEN BETREFFENDE DE AUTORITEITEN DIE MET HET VERSTREKKEN VAN TOELATINGEN EN MET HET TOEZICHT ZIJN BELAST | artikelen 92 tot en met 105 |

HOOFDSTUK XIII | EUROPEES COMITE VOOR HET EFFECTENBEDRIJF | artikelen 106 en 107 |

HOOFDSTUK XIV | UITZONDERINGS-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN |

AFDELING 1 | Uitzonderingsbepalingen | artikelen 108 en 109 |

AFDELING 2 | Overgangs- en slotbepalingen | artikelen 110 tot en met 113 |

BIJLAGE I | Schema’s A en B |

BIJLAGE II | Taken die deel uitmaken van het beheer van collectieve beleggingsportefeuilles |

BIJLAGE III |

Deel A | Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan |

Deel B | Termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing |

BIJLAGE IV | Concordantietabel |

ê 85/611/EEG (aangepast)

HOOFDSTUKAfdeling I

Algemene bepalingen en toepassingsgebied

Artikel 1

1. De lidstaten passen deze richtlijn toe op instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) die zich op hun grondgebied Ö zijn gevestigd Õ bevinden.

2. Voor de toepassing van deze richtlijn en behoudens artikel 2 Ö 3 Õ, wordt onder icbe's verstaan instellingen:

ê 2001/108/EG art. 1, punt 1 (aangepast)

Ö a) Õ waarvan het uitsluitende doel is de collectieve belegging in effecten en/of in andere in artikel Ö 45, lid 1, Õ 19, lid 1, bedoelde liquide financiële activa van uit het publiek aangetrokken kapitaal, met toepassing van het beginsel van risicospreiding; en

ê 85/611/EEG (aangepast)

Ö b) Õ waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de houders ten laste van de activa van deze instellingen direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald. Met dergelijke inkopen of terugbetalingen wordt gelijkgesteld ieder handelen van een icbe om te voorkomen dat de waarde van haar rechten van deelneming ter beurze aanzienlijk afwijkt van de intrinsieke waarde.

3. Ö De in lid 2 bedoelde Õ Deze instellingen kunnen rechtens geregeld zijn bij overeenkomst (beleggingsfondsen beheerd door een beheermaatschappij), als trust (unit trust) dan wel bij statuten (beleggingsmaatschappij).

In Ö Voor de toepassing van Õ deze richtlijn Ö omvatten: Õ wordt onder

a) "beleggingsfondsen" ook de unit trusts verstaan.;

ò nieuw

b) "rechten van deelneming" in icbe's ook aandelen van icbe's.

ê 85/611/EEG (aangepast)

4. Aan deze richtlijn zijn echter niet onderworpen beleggingsmaatschappijen waarvan de activa via dochterondernemingen voornamelijk worden belegd in andere waarden dan effecten.

ê 85/611/EEG

5. De lidstaten verbieden de icbe's die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, zich om te zetten in een instelling voor collectieve belegging die niet onder deze richtlijn valt.

ê 85/611/EEG (aangepast)

6. Indien icbe's uit een andere lidstaat hun rechten van deelneming verhandelen op het grondgebied van een lidstaat, mag deze lidstaat noch voor bedoelde icbe's noch voor de door hen uitgegeven rechten van deelneming, bepalingen voorschrijven op het door deze richtlijn bestreken gebied, zulks behoudens de bepalingen op het gebied van het kapitaalverkeer en die van de artikelen Ö 86 en 87 Õ 44 en 45 en van artikel Ö 103, lid 1, tweede alinea Õ 52, lid 2.

7. Onverminderd lid 6 kunnen die lidstaten de zich op hun grondgebied bevindende Ö gevestigde Õ icbe's onderwerpen aan strengere bepalingen dan die van de artikelen Ö 5 Õ en volgende, alsmede aan aanvullende bepalingen, mits deze algemeen gelden en niet strijdig zijn met deze richtlijn.

ê 2001/107/EG art. 1, punt 1 (aangepast)

ð nieuw

Artikel 2 1 bis

Ö 1. Õ Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

( 1 ) Ö a) Õ "bewaarder": een instelling die belast is met de in de artikelen Ö 19 en 29 Õ 7 en 14 omschreven taken en die onderworpen is aan de overige in Ö hoofdstuk IV en hoofdstuk V, afdeling 3, Õ de afdelingen III bis en IV bis vastgestelde bepalingen;

( 2 ) Ö b) Õ "beheermaatschappij": een maatschappij waarvan de normale werkzaamheden bestaan in het beheren van icbe's in de vorm van unit trusts/beleggingsfondsen en/of beleggingsmaatschappijen (beheer van collectieve beleggingsportefeuilles van icbe's), met inbegrip van de in bijlage II vermelde taken;

( 3 ) Ö c) Õ "lidstaat van herkomst van een beheermaatschappij": de lidstaat waar de Ö beheermaatschappij haar Õ statutaire zetel van de beheermaatschappij is gevestigd Ö heeft Õ;

( 4 ) Ö d) Õ "lidstaat van ontvangst van een beheermaatschappij": de lidstaat die niet de lidstaat van herkomst is en op het grondgebied waarvan een beheermaatschappij een bijkantoor heeft of diensten verricht;

( 5 ) Ö e) Õ "lidstaat van herkomst van een icbe":

a) ingeval de icbe een unit trust/beleggingsfonds is, de lidstaat waar de statutaire zetel van de beheermaatschappij is gevestigd,

b) ingeval de icbe een beleggingsmaatschappij is, de lidstaat waar de statutaire zetel van de beleggingsmaatschappij is gevestigd; ð de lidstaat waar de icbe overeenkomstig artikel 5 is toegelaten; ï

ò nieuw

f) "lidstaat van herkomst van een beleggingsmaatschappij": de lidstaat waar de beleggingsmaatschappij haar statutaire zetel heeft;

ê 2001/107/EG art. 1, punt 1 (aangepast)

( 6 ) Ö g) Õ "lidstaat van ontvangst van een icbe": de lidstaat die niet de lidstaat van herkomst van de icbe is en waar de rechten van deelneming in het beleggingsfonds/de unit trust of in de beleggingsmaatschappij worden aangeboden;

( 7 ) Ö h) Õ "bijkantoor": een bedrijfszetel die een onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid vormt van een beheermaatschappij en die de diensten verricht waarvoor de beheermaatschappij een vergunning heeft gekregen; verscheidene bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een beheermaatschappij met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden als één enkel bijkantoor beschouwd;

( 8 ) Ö i) Õ "bevoegde autoriteiten": de autoriteiten die elke lidstaat krachtens artikel Ö 92 Õ 49 van deze richtlijn aanwijst;

( 9 ) Ö j) Õ "nauwe banden": een situatie als omschreven in artikel 2, lid 1, van Richtlijn 95/26/EG[18];Ö waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door:

i) een deelneming, d.w.z. het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband in bezit hebben van ten minste 20% van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming, of

ii) een zeggenschapsband, d.w.z. de band die bestaat tussen een "moederonderneming" en een "dochteronderneming" als omschreven in de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG van de Raad[19] en in alle in artikel 1, leden 1 en 2, van Richtlijn 83/349/EEG bedoelde gevallen, of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;Õ

( 10 ) Ö k) Õ "gekwalificeerde deelneming": het rechtstreeks of middellijk bezitten van een deelneming in een beheermaatschappij van ten minste 10% van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel van een deelneming die de mogelijkheid inhoudt een invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de beheermaatschappij waarin wordt deelgenomen.;

Voor de toepassing van deze definitie worden de stemrechten, bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 88/627/EEG[20] in aanmerking genomen;

11 "RBD": Richtlijn 93/22/EEG van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten[21];

12 "moederonderneming": een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG[22];

13 "dochteronderneming": een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;

14Ö l) Õ "aanvangskapitaal": posten als omschreven in artikel Ö 57, onder a) en b), van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad Õ 34, lid 2, punten 1 en 2, van Richtlijn 2000/12/EG[23];

15Ö m) Õ "eigen vermogen": het eigen vermogen als omschreven in Richtlijn 2000/12/EG Ö 2006/48/EG Õ, titel V, hoofdstuk 2, afdeling 1; deze definitie kan echter worden gewijzigd onder de voorwaarden van bijlage V van Richtlijn 93/6/EEG[24].;

ò nieuw

n) "duurzame drager": elk hulpmiddel dat een belegger in staat stelt om persoonlijk aan hem gerichte informatie op zodanige wijze op te slaan dat deze gedurende een voor het doel van de informatie toereikende periode kan worden geraadpleegd en waarmee de opgeslagen informatie ongewijzigd kan worden gereproduceerd.

ê 2001/108/EG art. 1, punt 2 (aangepast)

Öo) Õ 8. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder "effecten" verstaan:

Ö i) Õ - aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren ("aandelen");

Ö ii) Õ - obligaties en andere schuldinstrumenten ("obligaties");

Ö iii) Õ - alle andere verhandelbare waardepapieren waarmee dergelijke effecten via inschrijving of omruiling kunnen worden verworven,;

met uitsluiting van de in artikel 21 bedoelde technieken en instrumenten.

Ö p) Õ 9. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder "geldmarktinstrumenten" verstaan: instrumenten die gewoonlijk op de geldmarkt verhandeld worden, liquide zijn en waarvan de waarde te allen tijde nauwkeurig kan worden vastgesteld.

ê 2001/107/EG art. 1, punt 1 (aangepast)

Ö 2. Voor de toepassing van lid 1, onder b), omvatten de normale werkzaamheden van een beheermaatschappij de in bijlage II vermelde taken.

3. Voor de toepassing van lid 1, onder h), worden verscheidene bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een beheermaatschappij met hoofdkantoor in een andere lidstaat als één enkel bijkantoor beschouwd.

4. Voor de toepassing van lid 1, onder j) ii), geldt het volgende:

a) elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;

b) een situatie waarin twee of meer natuurlijke of rechtspersonen personen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon, wordt ook als een nauwe band tussen deze personen beschouwd.

5. Voor de toepassing van lid 1, onder k), worden de stemrechten, bedoeld in artikel 92 van Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad[25], in aanmerking genomen.

6. Voor de toepassing van lid 1, onder m), zijn de artikelen 13 tot en met 16 van Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad[26] van overeenkomstige toepassing.

7. Voor de toepassing van lid 1, onder o), wordt onder effecten niet de in artikel 46 bedoelde technieken en instrumenten verstaan. Õ

ê 85/611/EEG (aangepast)

Artikel 3 2

1. Deze richtlijn is niet toepassing op Ö de volgende ondernemingen: Õ

Ö a) Õ icbe's van het closed-end-type;

Ö b) Õ icbe's die kapitaal aantrekken zonder de verkoop van hun rechten van deelneming bij het publiek in de Gemeenschap of in enig deel ervan te bevorderen;

Ö c) Õ icbe'cs waarvan de rechten van deelneming krachtens het fondsreglement dan wel de statuten van de beleggingsmaatschappij alleen aan het publiek van derde landen mogen worden verkocht;

Ö d) Õ soorten icbe's die zijn aangewezen bij of krachtens de wet van de lidstaat waar de icbe zich bevindt Ö is gevestigd Õ en waarvoor de in afdeling V Ö hoofdstuk VII Õ en in artikel 36 Ö 78 Õ bedoelde voorschriften, gezien hun beleid inzake beleggingen en het aangaan van leningen, niet geschikt zijn.

2. Na verloop van een termijn van vijf jaar nadat deze richtlijn ten uitvoer is gelegd, dient de Commissie bij de Raad een verslag in over de toepassing van lid 1, en met name het vierde streepje. Zij stelt zo nodig maatregelen voor om dit toepassingsgebied uit te breiden.

Artikel 4 3

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt een icbe geacht zich te bevinden Ö te zijn gevestigd Õ in de lidstaat waar de statutaire zetel van de beheermaatschappij van het beleggingsfonds of de statutaire zetel van de beleggingsmaatschappij is gelegen;. dDe lidstaten eisen dat het hoofdkantoor zich bevindt Ö is gevestigd Õ in dezelfde lidstaat als die waar de statutaire zetel is gevestigd.

HOOFDSTUKAFDELING II

Toelating van de icbe

Artikel 5 4

1. Een icbe moet, om haar werkzaamheden te kunnen uitoefenen, zijn toegelaten door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de icbe Ö is gevestigd Õ zich bevindt, hierna "bevoegde autoriteiten'' te noemen.

ê 85/611/EEG (aangepast)

Deze toelating geldt voor alle lidstaten.

2. Een beleggingsfonds wordt pas toegelaten nadat de bevoegde autoriteiten de beheermaatschappij, het fondsreglement en de keuze van de bewaarder hebben aanvaard. Een beleggingsmaatschappij wordt pas toegelaten nadat de bevoegde instanties Ö autoriteiten Õ de statuten en de keuze van de bewaarder hebben aanvaard.

ê 2001/107/EG art. 1, punt 2 (aangepast)

3. De bevoegde autoriteiten mogen een icbe niet toelaten wanneer de beheermaatschappij of de beleggingsmaatschappij niet voldoet aan de in Ö hoofdstuk Õ afdeling III, respectievelijk Ö hoofdstuk V Õ afdeling IV van deze richtlijn vastgestelde voorwaarden.

Voorts mogen de bevoegde autoriteiten een icbe niet toelaten wanneer de bestuurders van de bewaarder niet als voldoende betrouwbaar bekend staan of niet over voldoende ervaring beschikken, ook met betrekking tot het type icbe dat zij moeten beheren. Te dien einde moeten Ö worden Õ de identiteit van de bestuurders van de bewaarder, alsmede iedere vervanging van deze bestuurders onmiddellijk aan de bevoegde autoriteiten worden gemeld.

Onder bestuurders worden diegenen verstaan die krachtens de wet of de statuten de bewaarder vertegenwoordigen of in feite het beleid van de bewaarder bepalen.

Ö 4. Õ3 bis. De bevoegde autoriteiten geven geen toelating indien juridische beletselen (bijvoorbeeld een bepaling in het fondsreglement of in de statuten) verhinderen dat de icbe haar rechten van deelneming in de lidstaat van herkomst verhandelt.

ê 85/611/EEG (aangepast)

Ö 5. Õ 4. Voor iedere vervanging van de beheermaatschappij of van de bewaarder, alsmede voor alle wijzigingen van het fondsreglement of van de statuten van de beleggingsmaatschappij is goedkeuring van de bevoegde autoriteiten vereist.

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3 (aangepast)

HOOFDSTUKAFDELING III

Verplichtingen betreffende beheermaatschappijen

AFDELING 1TITEL A

VOORWAARDEN VOOR TOEGANG TOT DE WERKZAAMHEDEN

Artikel 6 5

1. De toegang tot de werkzaamheden van beheermaatschappijen wordt afhankelijk gesteld van een voorafgaande officiële vergunning die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst Ö van de icbe Õ wordt verleend. Een krachtens deze richtlijn aan een beheermaatschappij verleende vergunning is geldig in alle lidstaten.

2. De werkzaamheden van de beheermaatschappij moeten beperkt zijn tot het beheer van icbe's die overeenkomstig deze richtlijn zijn toegelaten. Dit sluit niet uit dat zij zich daarnaast kunnen bezighouden met het beheer van andere instellingen voor collectieve belegging die niet onder deze richtlijn vallen en waarvan de beheermaatschappij aan prudentieel toezicht is onderworpen maar waarvan de rechten van deelneming niet krachtens deze richtlijn in andere lidstaten kunnen worden verhandeld.

Voor de toepassing van deze richtlijn omvat het beheer van unit trust/beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen de in bijlage II genoemde taken. Deze lijst van taken is niet limitatief.

3. In afwijking van lid 2 kunnen de lidstaten beheermaatschappijen toestaan om naast het beheer van unit trusts/beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen, de volgende diensten te verrichten:

a) het per cliënt en op discretionaire basis beheren van beleggingsportefeuilles, met inbegrip van die van pensioenfondsen, op grond van een door de belegger gegeven opdracht, voor zover die portefeuilles één of meer van de in Ö deel C van bijlage I bij Richtlijn 2004/39/EG Õ deel B van de bijlage bij de RBD genoemde instrumenten bevatten;

b) als nevendiensten:

Ö i) Õ het verstrekken van beleggingsadvies met betrekking tot een of meer van de in Ö deel C van bijlage I bij Richtlijn 2004/39/EG Õ deel B van de bijlage bij de RBD genoemde instrumenten,

Ö ii) Õ bewaarneming en administratie van rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging.

Aan een beheermaatschappij mag onder geen beding een vergunning krachtens deze richtlijn worden verleend om alleen de in dit lid genoemde diensten te verrichten of om nevendiensten te verrichten zonder over een vergunning te beschikken voor het verrichten van de Ö in de eerste alinea, Õ onder a), genoemde dienst.

ê 2004/39/EG art. 66 (aangepast)

è1 Rectificatie 2004/39/EG (PB L 45 van 16.2.2005, blz. 18)

4. Artikel 2, lid 2, en de artikelen 12, 13 en 19 van è1 Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten[27] ç zijn van toepassing op het verrichten van de in lid 3 van dit artikel bedoelde diensten door beheermaatschappijen.

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3 (aangepast)

Artikel 7 5 bis

1. Onverminderd andere in het nationale recht vervatte algemeen toepasselijke voorwaarden, verlenen de bevoegde autoriteiten een beheermaatschappij slechts een vergunning indien Ö aan de volgende voorwaarden is voldaan Õ:

a) de beheermaatschappij Ö heeft Õ een aanvangskapitaal heeft van ten minste 125 000 EUR, Ö met inachtneming van het volgende Õ:

Ö i) Õ Wwanneer de waarde in portefeuille van de beheermaatschappij 250 000 000 EUR te boven gaat, is de beheermaatschappij gehouden te voorzien in een extra bedrag aan eigen vermogen. Dit extra bedrag aan eigen vermogen is gelijk aan 0,02% van het bedrag waarmee de waarde in portefeuille van de beheermaatschappij 250 000 000 EUR te boven gaat. Het totaal van het aanvangskapitaal en het extra bedrag behoeft evenwel 10 000 000 EUR niet te boven te gaan.;

Ö ii) Õ Vvoor de toepassing van dit lid worden de volgende portefeuilles geacht portefeuilles van de beheermaatschappij te zijn:

- i) unit trusts/beleggingsfondsen die door de beheermaatschappij worden beheerd, met inbegrip van portefeuilles waarvan zij het beheer heeft gedelegeerd maar met uitzondering van portefeuilles waarvan het beheer aan haar is gedelegeerd;

- ii) beleggingsmaatschappijen waarvoor de beheermaatschappij de aangewezen beheermaatschappij is;

- iii) andere ondernemingen Ö instellingen Õ voor collectieve belegging die door de beheermaatschappij worden beheerd, met inbegrip van portefeuilles waarvan zij het beheer heeft gedelegeerd maar met uitzondering van portefeuilles waarvan het beheer aan haar is gedelegeerd.;

Ö iii) Õ Oongeacht het bedrag van deze vereisten mag het eigen vermogen van de beheermaatschappij nooit minder bedragen dan het bedrag dat is voorgeschreven in Ö artikel 21 van Richtlijn 2006/49/EC Õ bijlage IV van Richtlijn 93/6/EEG.;

Ö iv) Õ Dde lidstaten kunnen beheermaatschappijen toestaan niet te voorzien in tot 50% van het in Ö punt i) Õ het eerste streepje bedoelde extra bedrag aan eigen vermogen indien zij voor hetzelfde bedrag een garantie van een kredietinstelling of een verzekeringsonderneming genieten. De statutaire zetel van de kredietinstelling of de verzekeringsonderneming moet in een lidstaat gevestigd zijn of moet, als de statutaire zetel in een derde land gevestigd is, onderworpen zijn aan prudentiële regels die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten gelijkwaardig zijn aan die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld.;

Uiterlijk 13 februari 2005 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van dit kapitaalvereiste, dat in voorkomend geval vergezeld gaat van voorstellen voor de herziening ervan.

b) de personen die het bedrijf van de beheermaatschappij feitelijk leiden, Ö staan Õ als voldoende betrouwbaar bekend staan en Ö beschikken Õ over voldoende ervaring beschikken, ook met betrekking tot het type icbe dat door de beheermaatschappij wordt beheerd. Te dien einde moeten de identiteit van deze personen, alsmede iedere vervanging van deze personen onmiddellijk aan de bevoegde autoriteiten worden gemeld. Over de bedrijfsleiding van een beheermaatschappij moet worden besloten door ten minste twee personen die aan deze voorwaarden voldoen;

c) de vergunningsaanvraag Ö gaat Õ vergezeld gaat van een programma van werkzaamheden waarin, onder andere, Ö ten minste Õ de organisatiestructuur van de beheermaatschappij wordt vermeld;

d) zowel het hoofdkantoor als de statutaire zetel van de beheermaatschappij Ö is Õ in dezelfde lidstaat zijn gevestigd.

2. Wanneer nauwe banden bestaan tussen de beheermaatschappij en andere natuurlijke of rechtspersonen, verlenen de bevoegde autoriteiten bovendien slechts vergunning indien deze Ö nauwe Õ banden de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken niet belemmeren.

De bevoegde autoriteiten weigeren ook de vergunning indien de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een derde land die van toepassing zijn op een of meer natuurlijke of rechtspersonen met wie de beheermaatschappij nauwe banden heeft, of moeilijkheden in verband met de toepassing van die bepalingen, een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken.

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3

De bevoegde autoriteiten verlangen van beheermaatschappijen dat zij hun de informatie verstrekken die zij nodig hebben om zich ervan te kunnen vergewissen dat doorlopend aan de in dit lid gestelde voorwaarden wordt voldaan.

3. De aanvrager wordt er binnen zes maanden na de indiening van een volledige aanvraag van in kennis gesteld of de vergunning toegekend dan wel geweigerd is. Weigering van een vergunning wordt met redenen omkleed.

4. Zodra de vergunning is verleend, mag de beheermaatschappij onmiddellijk haar werkzaamheden aanvangen.

5. De bevoegde autoriteiten mogen de vergunning die aan een onder deze richtlijn vallende beheermaatschappij is verleend, slechts intrekken indien deze maatschappij:

a) binnen een termijn van 12 maanden geen gebruik maakt van de vergunning, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik van de vergunning te zullen maken of de onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende werkzaamheid gedurende een periode van meer dan 6 maanden heeft gestaakt, tenzij de betrokken lidstaat voorschrijft dat in die gevallen de vergunning vervalt;

b) de vergunning heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

c) niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend;

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3 (aangepast)

d) niet meer voldoet aan Richtlijn 93/6/EEG Ö 2006/49/EG Õ indien de vergunning ook betrekking heeft op het in artikel 5 Ö 6 Õ, lid 3, onder a), van deze richtlijn bedoelde portefeuillebeheer op discretionaire basis;

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3

e) de bij deze richtlijn vastgestelde bepalingen in ernstige mate en/of systematisch heeft overtreden, of

f) in een van de overige gevallen verkeert waarvoor de nationale voorschriften in intrekking voorzien.

Artikel 8 5 ter

1. De bevoegde autoriteiten verlenen geen vergunning tot het uitoefenen van de werkzaamheden van een beheermaatschappij voordat zij in kennis zijn gesteld van de identiteit van de rechtstreekse of middellijke aandeelhouders of vennoten, natuurlijke of rechtspersonen, die daarin een gekwalificeerde deelneming bezitten, alsmede van het bedrag van die deelneming.

De bevoegde autoriteiten verlenen geen vergunning indien zij, gelet op de noodzaak een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de beheermaatschappij te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de genoemde aandeelhouders of vennoten.

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3 (aangepast)

2. De lidstaten passen op bijkantoren van beheermaatschappijen met statutaire zetel buiten de Ö Gemeenschap Õ Europese Unie, wanneer deze bijkantoren hun werkzaamheden aanvangen of reeds verrichten, geen bepalingen toe die leiden tot een gunstiger behandeling dan die welke geldt voor bijkantoren van beheermaatschappijen met statutaire zetel binnen de Ö Gemeenschap Õ Europese Unie.

3. De bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaat moeten Ö worden Õ vooraf worden geraadpleegd over het verlenen van een vergunning aan een beheermaatschappij die:

a) een dochteronderneming is van een andere beheermaatschappij, van een beleggingsonderneming, van een kredietinstelling of van een verzekeringsonderneming waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend;

b) een dochteronderneming is van de moederonderneming van een andere beheermaatschappij, een beleggingsonderneming, een kredietinstelling of een verzekeringsonderneming waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend; of

c) onder de zeggenschap staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen die de zeggenschap hebben over een andere beheermaatschappij, een beleggingsonderneming, een kredietinstelling of een verzekeringsonderneming waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend.

AFDELING 2TITEL B

BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN

Artikel 9 5 quater

1. De betrekkingen met derde landen worden geregeld overeenkomstig de in artikel Ö 15 van Richtlijn 2004/39/EG Õ 7 van de RBD ter zake vastgestelde regels.

Voor de toepassing van deze richtlijn worden de in artikel Ö 15 van Richtlijn 2004/39/EG Õ 7 van de RBD voorkomende termen "onderneming/beleggingsonderneming" en "beleggingsondernemingen" gelezen als respectievelijk "beheermaatschappij" en "beheermaatschappijen"; de zinsnede "het verrichten van beleggingsdiensten" in artikel Ö 15, lid 1, van Richtlijn 2004/39/EG Õ 7, lid 2, van de RBD wordt gelezen als het "verrichten van diensten".

2. De lidstaten stellen de Commissie tevens in kennis van de algemene moeilijkheden die de icbe's ondervinden bij het in de handel brengen van hun rechten van deelneming in enig derde land.

AFDELING 3TITEL C

UITOEFENINGSVOORWAARDEN

Artikel 10 5 quinquies

1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van een beheermaatschappij schrijven voor dat de beheermaatschappij waaraan zij vergunning hebben verleend, te allen tijde aan de in artikel 5 Ö 6 Õ en artikel 5 bis Ö 7 Õ, leden 1 en 2, gestelde voorwaarden moet voldoen.

Het eigen vermogen van een beheermaatschappij mag niet onder de in artikel 5 bis Ö 7 Õ, lid 1, eerste streepje Ö onder a) Õ, vermelde drempel zakken. Is dat toch het geval, dan kunnen de bevoegde autoriteiten, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, dergelijke ondernemingen een beperkte periode gunnen om hun situatie te herstellen of hun activiteiten te staken.

2. Het prudentieel toezicht op een beheermaatschappij berust bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst Ö van de beheermaatschappij Õ, ongeacht of de beheermaatschappij in een andere lidstaat een bijkantoor vestigt of daar diensten verricht, onverminderd de bepalingen van deze richtlijn welke een bevoegdheid van de Ö bevoegde Õ autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ inhouden.

Artikel 11 5 sexies

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3 (aangepast)

1. Gekwalificeerde deelnemingen in beheermaatschappijen zijn aan dezelfde regels onderworpen als die welke in artikel Ö 10 van Richtlijn 2004/39/EG Õ 9 van de RBD zijn vastgesteld.

2. Voor de toepassing van deze richtlijn worden de termen "beleggingsonderneming" en "beleggingsondernemingen" in artikel Ö 10 van Richtlijn 2004/39/EG Õ 9 van de RBD gelezen als respectievelijk "beheermaatschappij" en "beheermaatschappijen".

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3 (aangepast)

Artikel 12 5 septies

1. Iedere lidstaat van herkomst Ö van een beheermaatschappij Õ stelt prudentiële regels op die door de beheermaatschappijen doorlopend moeten worden nageleefd met betrekking tot het beheer van icbe's die overeenkomstig deze richtlijn zijn toegelaten.

Mede in het licht van de aard van de icbe's die door een beheermaatschappij worden beheerd, schrijven de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst Ö van de beheermaatschappij Õ met name voor dat een dergelijke maatschappij:

a) moet beschikken over een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle, controle- en beveiligingsvoorzieningen op het gebied van de elektronische informatieverwerking en adequate interne controleprocedures, met inbegrip van met name regels voor persoonlijke transacties van de eigen medewerkers en voor het aanhouden of beheren van beleggingen in financiële instrumenten met het oog op het beleggen van het eigen vermogen, die onder meer Ö ten minste Õ waarborgen dat elke transactie waarbij het fonds betrokken is, kan worden gereconstrueerd wat betreft de oorsprong ervan, de betrokken partijen, de aard ervan, de tijd en de plaats waar zij heeft plaatsgevonden, en dat de activa van de unit trusts/beleggingsfondsen of van de beleggingsmaatschappijen die de beheermaatschappij beheert, overeenkomstig het fondsreglement of de statuten en de vigerende wettelijke bepalingen worden belegd;

b) zodanig gestructureerd en georganiseerd is dat er een zo klein mogelijk risico is dat de belangen van icbe's of cliënten worden geschaad door belangenconflicten tussen de beheermaatschappij en haar cliënten, tussen haar cliënten onderling, tussen één van haar cliënten en een icbe of tussen twee icbe's. Niettemin mogen in geval van oprichting van een bijkantoor de organisatorische regelingen niet indruisen tegen de gedragsregels die de lidstaat van ontvangst Ö van de icbe Õ op het gebied van belangenconflicten heeft vastgesteld.

2. De beheermaatschappij waarvan de vergunning ook het in artikel 5 Ö 6 Õ, lid 3, onder a), genoemde portefeuillebeheer op discretionaire basis bestrijkt:

Ö a) Õ mag de portefeuille van een belegger niet geheel of gedeeltelijk beleggen in rechten van deelneming in door haar beheerde unit trusts/beleggingsfondsen of beleggingsmaatschappijen zonder de voorafgaandelijke algemene toestemming van de cliënt;

Ö b) Õ is, wat de in artikel 5 Ö 6 Õ, lid 3, bedoelde diensten betreft, onderworpen aan het bepaalde in Richtlijn 97/9/EG van Ö het Europees Parlement en Õ de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels[28].

Artikel 13 5 octies

1. Wanneer een lidstaat toestaat dat een beheermaatschappij met het oog op een efficiëntere bedrijfsvoering het voor haar rekening vervullen van één of meer van haar taken aan derden delegeert, moet aan de Ö alle Õ volgende voorwaarden worden voldaan:

a) de bevoegde autoriteit moet naar behoren worden ingelicht;

b) de lastgeving mag een doeltreffend toezicht op de beheermaatschappij niet belemmeren, en mag met name niet verhinderen dat de beheermaatschappij handelt, of dat de icbe's worden beheerd, in het beste belang van haar beleggers;

c) indien het delegeren het beheer van beleggingen betreft, mag de lastgeving alleen geschieden aan instellingen waaraan voor het beheer van activa vergunning of erkenning is verleend, en die aan prudentieel toezicht zijn onderworpen; het delegeren moet in overeenstemming zijn met de criteria voor beleggingsspreiding die periodiek door de beheermaatschappij worden vastgesteld;

d) indien de lastgeving het beheer van beleggingen betreft en geschiedt aan een instelling uit een derde land, moet samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten gewaarborgd zijn;

e) een lastgeving met betrekking tot de kernactiviteit, het beheer van beleggingen, mag niet geschieden aan de bewaarder noch aan enig andere instelling waarvan de belangen strijdig kunnen zijn met de belangen van de beheermaatschappij of van de deelnemers;

f) er dienen regelingen te worden getroffen die de met de bedrijfsleiding van de beheermaatschappij belaste personen te allen tijde in staat stellen de werkzaamheden van de instelling aan welke de lastgeving is geschied effectief in het oog te houden;

g) de lastgeving mag de met de bedrijfsleiding van de beheermaatschappij belaste personen niet verhinderen te allen tijde verdere instructies te geven aan de instelling aan welke taken zijn gedelegeerd, en de lastgeving te herroepen met onmiddellijke ingang indien dit in het belang van de beleggers is;

h) gelet op de aard van de te delegeren taken moet de instelling aan welke taken worden gedelegeerd, gekwalificeerd zijn en in staat zijn om de desbetreffende taken te vervullen;, en

i) in de prospectussen van de icbe's moet worden vermeld voor het delegeren van welke taken de beheermaatschappij toestemming heeft gekregen.

2. Het feit dat de beheermaatschappij taken aan derden heeft gedelegeerd, laat de aansprakelijkheid van de beheermaatschappij en de bewaarder geheel onverlet. Ook mag de beheermaatschappij haar taken niet in die mate delegeren dat zij een brievenbusmaatschappij wordt.

Artikel 14 5 nonies

Elke lidstaat stelt gedragsregels op die doorlopend moeten worden nageleefd door de beheermaatschappijen waaraan in die lidstaat vergunning is verleend. In die gedragsregels moet wordt minimaal uitvoering worden gegeven aan de in de onderstaande streepjes Ö onder a) tot en met e) Õ beschreven beginselen. Krachtens deze beginselen moet een beheermaatschappij:

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3

a) zich bij haar bedrijfsuitoefening op een loyale en billijke wijze inzetten voor de belangen van de door haar beheerde icbe's en de integriteit van de markt;

b) zich met de nodige bekwaamheid, zorgvuldigheid en toewijding inzetten voor de belangen van de door haar beheerde icbe's en de integriteit van de markt;

c) beschikken over en doeltreffend gebruik maken van de middelen en procedures die nodig zijn voor een deugdelijke bedrijfsuitoefening;

d) belangenconflicten trachten te voorkomen en, wanneer deze onvermijdelijk zijn, ervoor zorgen dat de door haar beheerde icbe's op billijke wijze worden behandeld; en

e) voldoen aan alle voor de uitoefening van haar werkzaamheden geldende voorschriften teneinde de belangen van haar beleggers optimaal te behartigen en de integriteit van de markt te bevorderen.

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3

AFDELING 4TITEL D

VRIJHEID VAN VESTIGING EN VRIJ VERRICHTEN VAN DIENSTEN

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3

Artikel 15 6

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat een beheermaatschappij waaraan de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn een vergunning hebben verleend, op hun grondgebied de onder deze vergunning vallende werkzaamheden zowel door middel van het vestigen van een bijkantoor als door middel van het vrij verrichten van diensten mag uitoefenen.

2. De lidstaten mogen de vestiging van een bijkantoor of het verrichten van diensten niet afhankelijk stellen van een vergunning en evenmin onderwerpen aan bijkomende verplichtingen ten aanzien van eigen kapitaal of aan maatregelen van gelijke werking.

Artikel 16 6 bis

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3 (aangepast)

1. Benevens de in de artikelen Ö 6 en 7 Õ 5 en 5 bis genoemde verplichtingen stelt een beheermaatschappij die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te vestigen, de bevoegde autoriteiten van de haar lidstaat van herkomst daarvan in kennis.

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3

2. De lidstaten verlangen dat iedere beheermaatschappij die een bijkantoor op het grondgebied van een andere lidstaat wenst te vestigen, de in lid 1 bedoelde kennisgeving vergezeld doet gaan van de volgende gegevens en documenten:

a) de lidstaat op het grondgebied waarvan de beheermaatschappij voornemens is een bijkantoor te vestigen;

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3 (aangepast)

b) een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen activiteiten en diensten overeenkomstig artikel 5 Ö 6 Õ, leden 2 en 3, alsmede de organisatiestructuur van het bijkantoor worden vermeld;

c) het adres in de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ waar documenten kunnen worden opgevraagd;

d) de namen van de bestuurders van het bijkantoor.

3. Tenzij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst Ö van de beheermaatschappij Õ, gelet op de voorgenomen activiteiten, redenen hebben om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de administratieve structuur of de financiële positie van de beheermaatschappij, doen zij binnen drie maanden na ontvangst van alle in lid 2 bedoelde gegevens, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ en stellen zij de betrokken beheermaatschappij hiervan in kennis. Tevens doen zij mededeling van gegevens betreffende eventuele garantiestelsels die gericht zijn op de bescherming van de belegger.

Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst Ö van de beheermaatschappij Õ weigeren de in lid 2 bedoelde gegevens mede te delen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ, delen zij de redenen van deze weigering binnen twee maanden na ontvangst van alle gegevens mede aan de betrokken beheermaatschappij. Tegen deze weigering of het uitblijven van een antwoord staat beroep open bij de rechter in de lidstaat van herkomst Ö van de beheermaatschappij Õ.

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3 (aangepast)

ð nieuw

4. Voordat het bijkantoor van een beheermaatschappij met zijn werkzaamheden aanvangt, beschikken de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ over twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in lid 2 bedoelde gegevens, om het toezicht op de beheermaatschappij voor te bereiden en om, in voorkomend geval, de voorwaarden – met inbegrip van de in de artikelen 44 en 45 Ö 86 en 87 Õ bedoelde bepalingen die in de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ van kracht zijn en de gedragsregels die bij het in artikel 5 Ö 6 Õ, lid 3, Ö onder a), Õ genoemde portefeuillebeheer, het verstrekken van beleggingsadviesdiensten en de bewaarneming in acht moeten worden genomen – aan te geven waaronder deze werkzaamheden om redenen van algemeen belang in de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ moeten worden uitgeoefend.

5. Zodra een mededeling van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ is binnengekomen of, wanneer deze niet reageren, zodra de in lid 4 bedoelde termijn is verstreken, kan het bijkantoor gevestigd worden en kan het zijn werkzaamheden aanvangen. Vanaf dat moment mag de beheermaatschappij eveneens overgaan tot het in de handel brengen van rechten van deelneming in de door haar beheerde en onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende unit trusts/beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen, ð onverminderd artikel 88 ï. tenzij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst vóór het verstrijken van de termijn van twee maanden in een met redenen omkleed besluit – dat aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst moet worden medegedeeld – constateren dat de beoogde wijze van verhandeling van rechten van deelneming niet in overeenstemming is met de in artikel 44, lid 1, en artikel 45.

6. In geval van wijziging van de inhoud van een van de overeenkomstig lid 2, onder b), c) of d), verstrekte gegevens, stelt de beheermaatschappij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst Ö van de beheermaatschappij Õ en van de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ schriftelijk van de desbetreffende wijziging in kennis, zulks ten minste één maand voor de toepassing van de wijziging, opdat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst Ö van de beheermaatschappij Õ zich overeenkomstig lid 3, en de bevoegde autoriteiten van het land van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ zich overeenkomstig lid 4, over de wijziging kunnen uitspreken.

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3 (aangepast)

7. Eventuele wijzigingen in de gegevens waarvan overeenkomstig lid 3, eerste alinea, mededeling is gedaan, worden door de autoriteiten van de lidstaat van herkomst Ö van de beheermaatschappij Õ aan de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ gemeld.

Artikel 17 6 ter

1. Elke beheermaatschappij die voor de eerste maal door middel van het vrij verrichten van diensten haar werkzaamheden op het grondgebied van een andere lidstaat wil uitoefenen, stelt de bevoegde autoriteiten van haar Ö de Õ lidstaat van herkomst Ö van de beheermaatschappij Õ in kennis van:

a) de lidstaat op het grondgebied waarvan de beheermaatschappij voornemens is werkzaamheden uit te oefenen;

b) een programma van werkzaamheden waarin de activiteiten en de diensten zoals bedoeld in artikel 5 Ö 6 Õ, leden 2 en 3, worden vermeld.

2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst Ö van de beheermaatschappij Õ doen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ mededeling van de in lid 1 bedoelde kennisgeving, zulks binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de ontvangst van de kennisgeving.

Tevens doen zij Ö de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de beheermaatschappij Õ mededeling van gegevens betreffende van toepassing zijnde garantiestelsels die gericht zijn op de bescherming van de belegger.

3. De beheermaatschappij kan dan met haar werkzaamheden in de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ aanvangen onverminderd artikel 46 Ö 88 Õ.

Ö 3. Õ De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ doen in voorkomend geval, zodra zij de in lid 1 bedoelde kennisgeving hebben ontvangen, aan de beheermaatschappij mededeling van de voorwaarden – met inbegrip van de gedragsregels die bij het in artikel 5 Ö 6 Õ, lid 3, Ö onder a), Õ genoemde portefeuillebeheer, het verstrekken van beleggingsadviesdiensten en de bewaarneming in acht moeten worden genomen – waaraan de beheermaatschappij om redenen van algemeen belang in de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ moet voldoen.

4. In geval van wijziging van de inhoud van de overeenkomstig lid 1, onder b), gemelde inlichtingen, geeft de beheermaatschappij aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst Ö van de beheermaatschappij Õ en van de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ schriftelijk kennis van deze wijziging voordat zij wordt doorgevoerd, opdat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ in voorkomend geval aan de beheermaatschappij mededeling kunnen doen van eventuele wijzigingen in of aanvullingen op de overeenkomstig lid 3 verstrekte gegevens.

5. Een beheermaatschappij is eveneens aan de in dit artikel Ö de leden 1 tot en met 4 Õ vastgestelde kennisgevingsprocedure onderworpen ingeval zij een derde opdracht geeft de rechten van deelneming in een lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ te verhandelen.

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3 (aangepast)

è1 2005/1/EG art. 9, punt 1, onder a)

Artikel 18 6 quater

1. De lidstaten van ontvangst Ö van een beheermaatschappij Õ kunnen voor statistische doeleinden verlangen dat elke beheermaatschappij die een bijkantoor op hun grondgebied heeft, aan hun bevoegde autoriteiten een periodiek verslag over de op hun grondgebied verrichte werkzaamheden doet toekomen.

2. Voor de uitoefening van de krachtens deze richtlijn op hen rustende verantwoordelijkheden mogen de lidstaten van ontvangst Ö van een beheermaatschappij Õ van de bijkantoren van beheermaatschappijen dezelfde gegevens verlangen als zij voor dat doel van hun eigen nationale beheermaatschappijen verlangen.

De lidstaten van ontvangst Ö van een beheermaatschappij Õ mogen van beheermaatschappijen die op hun grondgebied in het kader van vrije dienstverlening werkzaam zijn, de nodige gegevens verlangen voor het toezicht op de naleving door deze maatschappijen van de op hen van toepassing zijnde normen van de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ; van de beheermaatschappijen mogen echter niet méér gegevens worden verlangd dan deze lidstaten voor het toezicht op de naleving van diezelfde normen verlangen van de aldaar gevestigde beheermaatschappijen.

3. Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö van een beheermaatschappij Õ constateren dat een beheermaatschappij die op het grondgebied van hun lidstaat een bijkantoor heeft of diensten verricht, niet de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen naleeft welke in die lidstaat zijn vastgesteld ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn die een bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ inhouden, eisen zij dat de betrokken beheermaatschappij een eind maakt aan deze onregelmatige situatie.

4. Indien de betrokken beheermaatschappij niet het nodige doet Ö om aan de in lid 3 bedoelde onregelmatige situatie een einde te maken Õ, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst Ö van de beheermaatschappij Õ daarvan in kennis. Deze laatste Ö De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de beheermaatschappij Õ treffen zo spoedig mogelijk alle passende maatregelen om te bewerkstelligen dat de betrokken beheermaatschappij een eind maakt aan deze onregelmatige situatie. Van de strekking van deze maatregelen wordt mededeling gedaan aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ.

5. Indien de beheermaatschappij, in weerwil van de aldus door de lidstaat van herkomst Ö van de beheermaatschappij Õ getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn of de lidstaat geen maatregelen treft, inbreuk blijft plegen op de in lid 2 bedoelde, in de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, kan de lidstaat van ontvangst Ö van de beheermaatschappij Õ, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst Ö van de beheermaatschappij Õ daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen treffen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te bestraffen; indien nodig kan hij deze beheermaatschappij beletten op zijn grondgebied nieuwe transacties te verrichten. De lidstaten dragen er zorg voor dat de voor die maatregelen vereiste stukken op hun grondgebied aan de beheermaatschappijen kunnen worden betekend.

6. Bovenstaande bepalingen laten Ö Het bepaalde in de leden 3, 4 en 5 laat Õ de bevoegdheid van de lidstaten van ontvangst Ö van een beheermaatschappij Õ onverlet om passende maatregelen te treffen ter voorkoming of bestraffing van handelingen op hun grondgebied die in strijd zijn met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij om redenen van algemeen belang hebben vastgesteld. Onder andere kunnen zij een inbreukplegende beheermaatschappij beletten nieuwe transacties op hun grondgebied te verrichten.

7. Elke ter uitvoering van de leden 4, 5 of 6 genomen maatregel die sancties of beperkingen van de werkzaamheden van een beheermaatschappij behelst, moet wordt naar behoren met redenen worden omkleed en aan de betrokken beheermaatschappij worden medegedeeld. Tegen elke maatregel van die aard staat in de lidstaat die de maatregel heeft genomen, beroep open bij de rechter.

8. Alvorens de in de leden 3, 4 of 5 bedoelde procedure toe te passen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö van een beheermaatschappij Õ in spoedeisende gevallen de conservatoire maatregelen treffen die noodzakelijk zijn ter bescherming van de belangen van de beleggers en andere personen voor wie diensten worden verricht. De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de overige betrokken lidstaten moeten Ö worden Õ zo spoedig mogelijk van die maatregelen op de hoogte worden gesteld.

De Commissie kan, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de belanghebbende lidstaten, besluiten dat de betrokken lidstaat deze maatregelen moet wijzigen of intrekken.

9. Ingeval de vergunning wordt ingetrokken, worden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö van de betrokken beheermaatschappij Õ daarvan in kennis gesteld en nemen zij passende maatregelen om de betrokken beheermaatschappij te beletten op hun grondgebied nieuwe transacties te verrichten en om de belangen van de beleggers te vrijwaren.

è1 Om de twee jaar brengt de Commissie over deze gevallen verslag uit. ç

ê 2001/107/EG art. 1, punt 3 (aangepast)

è1 2005/1/EG art. 9, punt 1, onder b)

10. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin overeenkomstig artikel 6 bis Ö 16 Õ een weigering is uitgesproken of waarin overeenkomstig lid 5 Ö van dit artikel Õ maatregelen zijn genomen.

è1 Om de twee jaar brengt de Commissie over deze gevallen verslag uit. ç

ê 2001/107/EG art. 1, punt 4

AFDELING III bisHOOFDSTUK IV

Verplichtingen betreffende de bewaarder

ê 85/611/EEG

Artikel 19 7

1. De activa van een beleggingsfonds moeten in bewaring worden gegeven bij een bewaarder.

ê 85/611/EEG (aangepast)

2. De in artikel 9 Ö 21 Õ bedoelde aansprakelijkheid van de bewaarder blijft bestaan wanneer hij de bij hem in bewaring gegeven activa geheel of ten dele aan derden toevertrouwt.

3. De bewaarder is bovendien gehouden:

ê 85/611/EEG (aangepast)

a) zich ervan te vergewissen, dat de verkoop, uitgifte, inkoop, terugbetaling en intrekking van rechten van deelneming voor rekening van het fonds Ö beleggingsfonds Õ of door de beheermaatschappij, overeenkomstig de wet of het fondsreglement geschieden;

b) zich ervan te vergewissen dat de waarde van de rechten van deelneming wordt berekend overeenkomstig de wet of het fondsreglement;

c) de aanwijzingen van de beheermaatschappij uit te voeren, tenzij deze in strijd zijn met de wet of het fondsreglement;

d) zich ervan te vergewissen dat bij transacties met betrekking tot de activa van het fonds Ö beleggingsfonds Õ de tegenprestatie hem binnen de gebruikelijke termijnen wordt voldaan;

e) zich ervan te vergewissen dat de opbrengsten van het fonds Ö beleggingsfonds Õ een bestemming krijgen in overeenstemming met de wet of het fondsreglement.

ê 85/611/EEG (aangepast)

Artikel 20 8

1. De bewaarder moet Ö heeft Õ zijn statutaire zetel hebben in de lidstaat waar de beheermaatschappij haar statutaire zetel heeft, dan wel Ö of is Õ daar zijn gevestigd indien hij zijn statutaire zetel in een andere lidstaat heeft.

2. De bewaarder moet Ö is Õ een instelling zijn die onder overheidstoezicht staat. Hij moet Ö beschikt Õ over voldoende financiële waarborgen en vakbekwaamheid beschikken om de werkzaamheden die hij krachtens zijn taak van bewaarder moet verrichten, daadwerkelijk te kunnen uitvoeren en om de verplichtingen die uit de uitoefening van deze taak voortvloeien, na te komen.

3. De lidstaat bepaalt welke van de in lid 2 bedoelde soorten instellingen als bewaarder mogen worden gekozen.

Artikel 21 9

De bewaarder is volgens het nationale recht van de staat waar de statutaire zetel van de beheermaatschappij zich bevindt, Ö lidstaat van herkomst van de icbe Õ jegens de beheermaatschappij en de deelnemers aansprakelijk voor alle door hen geleden schade tengevolge van verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn verplichtingen.

Naar gelang van de rechtsbetrekking tussen de bewaarder, de beheermaatschappij en de deelnemers, kan de bewaarder ten behoeve van de deelnemers door dezen rechtstreeks, dan wel door tussenkomst van de beheermaatschappij indirect worden aangesproken.

Artikel 22 10

1. De taken van beheermaatschappij en bewaarder mogen niet door dezelfde maatschappij worden vervuld.

2. Bij de vervulling van hun respectieve taken moeten Ö treden Õ de beheermaatschappij en de bewaarder onafhankelijk en uitsluitend in het belang van de deelnemers optreden.

Artikel 23 11

De wet of het fondsreglement bepaalt onder welke voorwaarden de beheermaatschappij en de bewaarder worden vervangen en welke regels ter bescherming van de deelnemers bij deze vervanging gelden.

⎢2001/107/EG art. 1, punt 5 (aangepast)

HOOFDSTUK V AFDELING IV

Verplichtingen betreffende beleggingsmaatschappijen

AFDELING 1 TITEL A

VOORWAARDEN VOOR TOEGANG TOT DE WERKZAAMHEDEN

ARTIKEL 24 12

De toegang tot de werkzaamheden van beleggingsmaatschappijen wordt afhankelijk gesteld van een voorafgaande officiële vergunning die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst √ van de beleggingsmaatschappij ∏ wordt verleend.

De lidstaten bepalen welke rechtsvorm een beleggingsmaatschappij moet aannemen.

⎢85/611/EEG

Artikel 25 13

De beleggingsmaatschappij mag geen andere werkzaamheden uitoefenen dan de in artikel 1, lid 2, bedoelde.

⎢2001/107/EG art. 1, punt 6 (aangepast)

Artikel 26 13 bis

1. Onverminderd andere in het nationale recht vervatte algemeen toepasselijke voorwaarden, verlenen de bevoegde autoriteiten √ van de lidstaat van herkomst van de beleggingsmaatschappij ∏ geen vergunning aan een beleggingsmaatschappij die geen beheermaatschappij heeft aangewezen, tenzij de beleggingsmaatschappij beschikt over een toereikend aanvangskapitaal van ten minste 300 000 EUR.

Wanneer een beleggingsmaatschappij geen beheermaatschappij met een vergunning heeft aangewezen, is √ zijn ∏ bovendien krachtens deze richtlijn het volgende √ de volgende voorwaarden ∏ van toepassing:

√ a) ∏ de vergunning wordt niet verleend tenzij de vergunningsaanvraag vergezeld gaat van een programma van werkzaamheden waarin onder andere √ ten minste ∏ de organisatiestructuur van de beleggingsmaatschappij wordt vermeld;

√b) ∏ de bestuurders van de beleggingsmaatschappij staan als voldoende betrouwbaar bekend en beschikken over voldoende ervaring, ook met betrekking tot het type werkzaamheden dat door de beleggingsmaatschappij wordt verricht. Te dien einde moeten de identiteit van de bestuurders van de beleggingsmaatschappij, alsmede iedere vervanging van deze bestuurders onmiddellijk aan de bevoegde autoriteiten worden gemeld. Over het dagelijks beleid van een beleggingsmaatschappij moet worden besloten door ten minste twee personen die aan deze voorwaarden voldoen. Onder bestuurders worden degenen verstaan die krachtens de wet of statuten de beleggingsmaatschappij vertegenwoordigen of feitelijk het beleid van de beleggingsmaatschappij bepalen;

√c) ∏ wanneer nauwe banden bestaan tussen de beleggingsmaatschappij en andere natuurlijke of rechtspersonen, verlenen de bevoegde autoriteiten bovendien slechts vergunning indien deze √ nauwe ∏ banden de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken niet belemmeren.

De bevoegde autoriteiten √ van de lidstaat van herkomst van de beleggingsmaatschappij ∏ weigeren ook de vergunning indien de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een derde land die van toepassing zijn op een of meer natuurlijke of rechtspersonen met wie de beleggingsmaatschappij nauwe banden heeft, of moeilijkheden in verband met de toepassing van die bepalingen, een belemmering vormen voor de effectieve uitoefening van hun toezichthoudende taken.

De bevoegde autoriteiten √ van de lidstaat van herkomst van de beleggingsmaatschappij ∏ verlangen van beleggingsmaatschappijen dat zij hen de informatie verstrekken die zij nodig hebben.

2. De aanvrager wordt er binnen zes maanden na de indiening van een volledige aanvraag van in kennis gesteld of de vergunning toegekend dan wel geweigerd is. Weigering van een vergunning wordt met redenen omkleed.

3. Wanneer de vergunning wordt verleend, mag de beleggingsmaatschappij onmiddellijk haar werkzaamheden aanvangen.

4. De bevoegde autoriteiten √ van de lidstaat van herkomst van de beleggingsmaatschappij ∏ mogen de vergunning die aan een onder deze richtlijn vallende beleggingsmaatschappij is verleend, slechts intrekken indien deze maatschappij:

a) binnen een termijn van 12 maanden geen gebruik maakt van de vergunning, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik van de vergunning te zullen maken of de onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende activiteit gedurende een periode van meer dan 6 maanden heeft gestaakt, tenzij de betrokken lidstaat voorschrijft dat in die gevallen de vergunning vervalt;

b) de vergunning heeft verworven door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

c) niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend;

d) de bij deze richtlijn vastgestelde bepalingen in ernstige mate en/of systematisch heeft overtreden; of

e) in een van de overige gevallen verkeert waarvoor de nationale voorschriften in intrekking voorzien.

AFDELING 2TITEL B

UITOEFENINGSVOORWAARDEN

ARTIKEL 27 13 ter

De artikelen 5 octies en 5 nonies √ 13 en 14 ∏ zijn van √ overeenkomstige ∏ toepassing op beleggingsmaatschappijen die geen beheermaatschappij hebben aangewezen die beschikt over een krachtens deze richtlijn verleende vergunning.

Voor de toepassing van dit artikel wordt "beheermaatschappij" gelezen als "beleggingsmaatschappij".

Beleggingsmaatschappijen mogen alleen de activa van hun eigen portefeuille beheren en mogen in geen geval lastgevingen in ontvangst nemen om namens derden activa te beheren.

Artikel 28 13 quater

Elke lidstaat √ van herkomst van de beleggingsmaatschappij ∏ stelt prudentiële regels op die doorlopend moeten worden nageleefd door beleggingsmaatschappijen die geen beheermaatschappij hebben aangewezen welke beschikt over een krachtens deze richtlijn verleende vergunning.

Mede in het licht van de aard van de beleggingsmaatschappij schrijven de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst √ van de beleggingsmaatschappij ∏ met name voor dat de beleggingsmaatschappij moet beschikken over een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie, controle- en beveiligingsvoorzieningen op het gebied van de elektronische informatieverwerking en adequate interne controleprocedures, met inbegrip van met name regels voor persoonlijke transacties van de eigen medewerkers en voor het aanhouden of beheren van beleggingen in financiële instrumenten met het oog op het beleggen van het eigen vermogen, die onder meer √ ten minste ∏ waarborgen dat elke transactie waarbij het fonds betrokken is, kan worden gereconstrueerd wat betreft de oorsprong ervan, de betrokken partijen, de aard ervan, de tijd en de plaats waar die transactie heeft plaatsgevonden, en dat de activa van de beleggingsmaatschappij overeenkomstig het fondsreglement of de statuten en de vigerende wettelijke bepalingen worden belegd.

⎢2001/107/EG art. 1, punt 7

AFDELING IV BIS AFDELING 3

VERPLICHTINGEN BETREFFENDE DE BEWAARDER

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

Artikel 29 14

1. De activa van een beleggingsmaatschappij moeten √ worden ∏ in bewaring worden gegeven bij een bewaarder.

2. De in artikel 16 √ 31 ∏ bedoelde aansprakelijkheid van de bewaarder blijft bestaan wanneer hij de hem in bewaring gegeven activa geheel of ten dele aan derden toevertrouwt.

3. De bewaarder is bovendien gehouden √ vergewist zich ervan dat ∏ :

a) zich ervan te vergewissen dat de verkoop, uitgifte, inkoop, terugbetaling en intrekking van rechten van deelneming voor rekening van namens of door de beleggingsmaatschappij overeenkomstig de wet of de statuten van de beleggingsmaatschappij geschieden;

b) zich ervan te vergewissen dat bij de transacties met betrekking tot de activa van de maatschappij, de tegenwaarde hem binnen de gebruikelijke termijnen wordt voldaan;

c) zich ervan te vergewissen dat de opbrengsten van de maatschappij een bestemming krijgen in overeenstemming met de wet en de statuten.

4. Een Lid-Staat kan √ Lidstaten van herkomst van beleggingsmaatschappijen kunnen ∏ bepalen dat de zich op zijn grondgebied bevindende √ op hun grondgebied gevestigde ∏ beleggingsmaatschappijen die hun rechten van deelneming uitsluitend via één of meer effectenbeurzen verhandelen en die aldaar in de officiële notering zijn opgenomen, niet over een bewaarder in de zin van deze richtlijn behoeven te beschikken.

De artikelen 34, 37 en 38 √ 71, 79 en 80 ∏ zijn niet van toepassing op deze maatschappijen. De regels voor de waardering van de activa van deze maatschappijen moeten √ worden ∏ evenwel in de wet en/of hun statuten worden vermeld.

5. Een Lid-Staat kan √ Lidstaten van herkomst van beleggingsmaatschappijen kunnen ∏ bepalen dat de zich op zijn grondgebied bevindende √ op hun grondgebied gevestigde ∏ beleggingsmaatschappijen die ten minste 80% van hun rechten van deelneming via één of meer in de statuten aangewezen effectenbeurzen verhandelen, niet over een bewaarder in de zin van deze richtlijn behoeven te beschikken, op voorwaarde dat deze rechten van deelneming zijn toegelaten tot de officiële notering van de effectenbeurzen van de lidstatenLid-Staten op wier grondgebied de rechten van deelneming worden verhandeld en mits de door de beleggingsmaatschappij buiten de beurs om verrichte transacties alleen tegen beurskoers plaatsvinden.

√In de statuten van een ∏ de beleggingsmaatschappij moet √ wordt ∏ de beurs in het land van verhandeling worden vermeld waarvan de notering de prijs bepaalt van de transacties die in dat land door de beleggingsmaatschappij buiten de beurs om worden verricht.

Een Lid-Staat lidstaat maakt van de in de vorige √ eerste ∏ alinea bedoelde mogelijkheid √ afwijking ∏ slechts gebruik indien hij van oordeel is dat de deelnemers een bescherming genieten die gelijkwaardig is aan die welke wordt genoten door deelnemers in icbe's die wel een bewaarder in de zin van deze richtlijn hebben.

Deze √ Voor deze ∏ en de in lid 4 bedoelde maatschappijen moeten √ geldt ∏ in het bijzonder √ dat zij∏ :

a) wanneer de wet hieromtrent niets bepaalt, in hun statuten de methoden voor de berekening van de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming vermelden;

b) op de markt optreden om te voorkomen dat de waarde van hun rechten van deelneming ter beurze meer dan 5% afwijkt van hun intrinsieke waarde;

c) de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming vaststellen, ten minste tweemaal per week ter kennis van de bevoegde autoriteiten brengen en tweemaal per maand bekendmaken.

Een onafhankelijk controleur van de jaarrekening moet √ vergewist ∏ zich er ten minste tweemaal per maand van vergewissen dat de berekening van de waarde van de rechten van deelneming plaatsvindt overeenkomstig de wet en de statuten van de maatschappij.

Bij die gelegenheid moet √ gaat ∏ de controleur nagaan of de activa van de maatschappij volgens de wettelijke voorschriften en de statuten worden belegd.

6. De Lid-Staten lidstaten delen de Commissie de identiteit mede van de maatschappijen waarvoor de in de leden 4 en 5 bedoelde afwijkingen gelden.

Artikel 30 15

1. De bewaarder moet √ heeft ∏ zijn statutaire zetel hebben in de Lid-Staat lidstaat waar de beheermaatschappij haar statutaire zetel heeft, dan wel daar zijn gevestigd indien hij zijn statutaire zetel in een andere Lid-Staat lidstaat heeft.

2. De bewaarder moet √ is ∏ een instelling zijn die onder overheidstoezicht staat. Hij moet √ beschikt ∏ over voldoende financiële waarborgen en vakbekwaamheid beschikken om de werkzaamheden die hij krachtens zijn taak van bewaarder moet verrichten, daadwerkelijk te kunnen uitvoeren en om de verplichtingen die uit de uitoefening van deze taak voortvloeien, na te komen.

3. De Lid-Staat bepaalt √ lidstaten bepalen ∏ welke van de in lid 2 bedoelde soorten instellingen √ als bedoeld in lid 2 ∏ als bewaarder mogen worden gekozen.

Artikel 31 16

De bewaarder is volgens het nationale recht van de Staat waar de statutaire zetel van de beheermaatschappij zich bevindt, √ lidstaat van herkomst van de beleggingsmaatschappij ∏ jegens de beheermaatschappij en de deelnemers aansprakelijk voor alle door hen geleden schade tengevolge van verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn verplichtingen.

Artikel 32 17

1. De taken van beleggingsmaatschappij en bewaarder mogen √ worden ∏ niet door dezelfde maatschappij worden vervuld.

2. Bij de vervulling van zijn taken moet √ treedt ∏ de bewaarder uitsluitend in het belang van de deelnemers optreden.

Artikel 33 18

De wet of de statuten van de beleggingsmaatschappij bepalen onder welke voorwaarden de bewaarder wordt vervangen en welke regels ter bescherming van de deelnemers bij deze vervanging gelden.

ò nieuw

HOOFDSTUK VI

Fusies van icbe's

Afdeling 1

BEGINSEL EN GOEDKEURING

Artikel 34

Dit hoofdstuk is van toepassing op een van de volgende rechtshandelingen, hierna "fusies" te noemen:

a) de rechtshandeling waarbij een of meer icbe's of beleggingscompartimenten daarvan, de "fuserende icbe's", als gevolg en op het tijdstip van ontbinding zonder liquidatie al hun activa en passiva overdragen aan een andere, bestaande icbe of een beleggingscompartiment daarvan, de "ontvangende icbe", tegen uitgifte van rechten van deelneming in de ontvangende icbe, eventueel met een bijbetaling in geld welke niet meer mag bedragen dan 10% van de intrinsieke waarde van deze rechten van deelneming;

b) de rechtshandeling waarbij twee of meer icbe's of beleggingscompartimenten daarvan, de "fuserende icbe's", als gevolg en op het tijdstip van ontbinding zonder liquidatie al hun activa en passiva overdragen aan een door hen op te richten icbe of een beleggingscompartiment daarvan, de "ontvangende icbe", tegen uitgifte van rechten van deelneming in de ontvangende icbe, eventueel met een bijbetaling in geld welke niet meer mag bedragen dan 10% van de intrinsieke waarde van deze rechten van deelneming;

c) de rechtshandeling waarbij twee of meer icbe's of beleggingscompartimenten daarvan, de "fuserende icbe's", als gevolg en op het tijdstip van ontbinding zonder liquidatie, hun nettoactiva overdragen aan een andere, bestaande icbe of een beleggingscompartiment daarvan, de "ontvangende icbe", waarna de uitstaande schulden op een later tijdstip worden gekwijt.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden tot een icbe ook beleggingscompartimenten ervan gerekend.

Artikel 35

De lidstaten staan onder de voorwaarden die in dit hoofdstuk worden genoemd, en ongeacht de regeling van icbe's als bedoeld in artikel 1, lid 3, fusies toe tussen:

a) icbe's die op hun grondgebied zijn gevestigd;

b) icbe's die op hun grondgebied zijn gevestigd, en icbe's die op het grondgebied van andere lidstaten zijn gevestigd.

Artikel 36

1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de fuserende icbe('s) verlenen vooraf goedkeuring voor een fusie.

2. De fuserende icbe('s) verstrekt (verstrekken) de bevoegde autoriteiten van haar lidstaat van herkomst de volgende informatie:

a) het gemeenschappelijk fusievoorstel, naar behoren goedgekeurd door het bevoegde leidinggevend of bestuursorgaan van de fuserende icbe('s) en de ontvangende icbe;

b) een bijgewerkte versie van het prospectus en de in artikel 73 bedoelde essentiële beleggersinformatie van de ontvangende icbe, indien deze in een andere lidstaat gevestigd is;

c) een door de bewaarders van de fuserende icbe('s) en de ontvangende icbe afgegeven verklaring waarin wordt bevestigd dat zij zijn nagegaan of het fusievoorstel de onderhavige richtlijn en het fondsreglement of de statuten van hun icbe in acht neemt, en waarin zij hun bevindingen vermelden;

d) de informatie over de voorgenomen fusie die zij aan haar deelnemers wil verstrekken.

3. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de fuserende icbe('s) beoordelen de mogelijke gevolgen van de voorgenomen fusie voor de deelnemers van zowel de fuserende icbe('s) als de ontvangende icbe en winnen daarbij advies in bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de ontvangende icbe, tenzij zij van oordeel zijn dat de mogelijke gevolgen van de voorgenomen fusie voor de deelnemers van de ontvangende icbe verwaarloosbaar zijn.

Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de fuserende icbe('s) dit nodig achten, kunnen zij voorschrijven dat aan de deelnemers van de fuserende icbe('s) duidelijkere informatie moet worden verstrekt.

Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de fuserende icbe('s) besluiten dat de voorgenomen fusie aanmerkelijke gevolgen zou kunnen hebben voor de deelnemers van de ontvangende icbe, brengen zij dit ter kennis van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de ontvangende icbe, die voorschrijven dat de deelnemers van de ontvangende icbe correcte en nauwkeurige informatie over de voorgenomen fusie moet worden verstrekt.

4. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de fuserende icbe('s) keuren de voorgenomen fusie goed indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de voorgenomen fusie voldoet aan alle vereisten van de artikelen 36 tot en met 39;

b) de ontvangende icbe is overeenkomstig artikel 88 ervan in kennis gesteld dat zij haar rechten van deelneming mag verhandelen in alle lidstaten waarin de fuserende icbe('s) hetzij een vergunning heeft (hebben) hetzij overeenkomstig artikel 88 ervan in kennis is (zijn) gesteld dat zij haar (hun) rechten van deelneming mag (mogen) verhandelen;

c) nadat de bevoegde autoriteiten de mogelijke gevolgen van de voorgenomen fusie voor de deelnemers overeenkomstig lid 3 hebben beoordeeld, achten zij de aan de deelnemers van de fuserende icbe('s) en, indien van toepassing, van de ontvangende icbe te verstrekken informatie toereikend.

5. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de fuserende icbe('s) stellen de fuserende icbe('s) uiterlijk dertig dagen na indiening van een volledig dossier ervan in kennis of al dan niet goedkeuring wordt verleend voor de fusie.

Weigering van goedkeuring wordt met redenen omkleed.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de fuserende icbe('s) stellen tevens de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de ontvangende icbe van hun besluit in kennis.

Artikel 37

1. De lidstaten schrijven voor dat het leidinggevend of bestuursorgaan van de fuserende icbe('s) en van de ontvangende icbe een gemeenschappelijk fusievoorstel moet opstellen.

Het gemeenschappelijk fusievoorstel bevat de volgende informatie:

a) het soort fusie en de betrokken icbe's;

b) de achtergrond en redenen van de voorgenomen fusie;

c) de verwachte gevolgen van de voorgenomen fusie voor de deelnemers van zowel de fuserende icbe('s) als de ontvangende icbe;

d) de criteria die zijn vastgesteld voor de waardering van de activa en, indien van toepassing, de passiva op de beoogde ingangsdatum van de fusie;

e) de berekeningsmethode voor de ruilverhouding;

f) de beoogde ingangsdatum van de fusie;

g) het fondsreglement of de statuten van de ontvangende icbe.

2. De fuserende icbe('s) en de ontvangende icbe kunnen besluiten om verdere informatie in het gemeenschappelijk fusievoorstel op te nemen.

Afdeling 2

CONTROLE DOOR DERDEN, VERSTREKKING VAN INFORMATIE AAN DEELNEMERS EN ANDERE RECHTEN VAN DEELNEMERS

ARTIKEL 38

De lidstaten schrijven voor dat de bewaarders van de fuserende icbe('s) en van de ontvangende icbe moeten controleren of het gemeenschappelijk fusievoorstel in overeenstemming is met de onderhavige richtlijn en met het fondsreglement of de statuten van hun icbe.

Artikel 39

1. De lidstaten schrijven voor dat een onafhankelijke, overeenkomstig Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad[29] toegelaten auditor het volgende moet valideren:

a) de criteria die zijn vastgesteld voor de waardering van de activa en, indien van toepassing, de passiva op de beoogde ingangsdatum van de fusie;

b) de berekeningsmethode voor de ruilverhouding.

2. Voor de toepassing van lid 1 worden de wettelijke auditors van de fuserende icbe('s) of de ontvangende icbe geacht onafhankelijk te zijn.

3. Een afschrift van het verslag van de onafhankelijke auditor wordt desgewenst en kosteloos ter beschikking gesteld van de deelnemers van zowel de fuserende icbe('s) als de ontvangende icbe.

Artikel 40

1. De lidstaten schrijven voor dat de fuserende icbe('s) haar (hun) deelnemers correcte en nauwkeurige informatie over de voorgenomen fusie moet(en) verstrekken zodat de deelnemers met kennis van zaken een beslissing kunnen nemen met betrekking tot de gevolgen van het voorstel voor hun belegging.

2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van de ontvangende icbe schrijven voor dat de ontvangende icbe aan haar deelnemers correcte en nauwkeurige informatie over de voorgenomen fusie moet verstrekken indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van de fuserende icbe('s) dit overeenkomstig artikel 36, lid 3, eisen.

3. De informatie wordt pas aan de deelnemers verstrekt nadat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de fuserende icbe('s) de voorgenomen fusie overeenkomstig artikel 36 hebben goedgekeurd.

De informatie wordt ten minste dertig dagen vóór de datum van de in artikel 41 bedoelde algemene vergadering van deelnemers of, indien het nationale recht niet voorziet in een dergelijke algemene vergadering van deelnemers, ten minste dertig dagen voor de beoogde ingangsdatum van de fusie verstrekt.

4. De aan de deelnemers van de fuserende icbe('s) en, indien van toepassing, de ontvangende icbe te verstrekken informatie bevat correcte en nauwkeurige informatie over de voorgenomen fusie zodat zij met kennis van zaken een beslissing kunnen nemen met betrekking tot de mogelijke gevolgen ervan voor hun belegging en zij hun rechten uit hoofde van de artikelen 41 en 42 kunnen uitoefenen.

Daarin wordt ten minste het volgende vermeld:

a) de achtergrond en redenen van de voorgenomen fusie;

b) de mogelijke gevolgen van de voorgenomen fusie voor de deelnemers, waaronder in elk geval de wezenlijke verschillen in beleggingsbeleid en –strategie, de kosten, de verwachte resultaten, periodieke rapportage en mogelijke verwatering van de resultaten;

c) eventuele specifieke rechten die deelnemers bij de voorgenomen fusie hebben, waaronder in elk geval het recht op aanvullende informatie, op een afschrift van het verslag van de onafhankelijke auditor indien dit wordt opgevraagd, en het recht om te eisen dat hun rechten van deelneming zonder kosten worden ingekocht of terugbetaald, als beschreven in artikel 42;

d) de relevante procedurele aspecten en de beoogde ingangsdatum van de fusie;

e) een afschrift van de in artikel 73 bedoelde essentiële beleggersinformatie van de ontvangende icbe.

5. Als de fuserende icbe('s) en, indien van toepassing, de ontvangende icbe overeenkomstig artikel 88 in kennis zijn gesteld, wordt de in lid 4 bedoelde informatie verstrekt in de officiële taal of in een van de officiële talen van de lidstaat van herkomst van de fuserende icbe('s) en, indien van toepassing, van de lidstaat van herkomst van de ontvangende icbe dan wel, in een taal die door hun bevoegde autoriteiten is goedgekeurd. De icbe die de informatie moet verstrekken, is verantwoordelijk voor de levering van de vertaling. De vertaling vormt een getrouwe weergave van het origineel.

6. De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen voor de inhoud, de vorm en de wijze waarop de in de leden 1, 2 en 4 bedoelde informatie wordt verstrekt.

Deze uitvoeringsmaatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 107, lid 2.

Artikel 41

Wanneer de nationale wetgeving van de lidstaten voorschrijft dat de deelnemers hun goedkeuring moeten hechten aan een fusie tussen icbe's, zorgen de lidstaten ervoor dat voor een dergelijke goedkeuring niet meer nodig is dan 75% van stemmen die daadwerkelijk worden uitgebracht door de deelnemers die aanwezig of vertegenwoordigd zijn op de algemene vergadering van deelnemers.

De eerste alinea doet geen afbreuk aan een eventueel in de nationaal wetgeving vastgelegd aanwezigheidsquorum.

Artikel 42

1. In de wetgeving van de lidstaten wordt vastgelegd dat deelnemers van zowel de fuserende icbe('s) als de ontvangende icbe mogen eisen dat hun rechten van deelneming zonder kosten worden ingekocht of terugbetaald of zo mogelijk worden omgezet in rechten van deelneming in een andere icbe met een soortgelijk beleggingsbeleid. Dit recht gaat in zodra de deelnemers van de fuserende icbe('s) en, indien van toepassing, van de ontvangende icbe in kennis zijn gesteld van de voorgenomen fusie. Het recht vervalt op de ingangsdatum van de fusie.

2. Bij fusies tussen icbe's kunnen de lidstaten in afwijking van artikel 79, lid 1, de bevoegde autoriteiten toestaan te eisen of toe te staan dat de inkoop of terugbetaling van de rechten van deelneming tijdelijk wordt opgeschort, wanneer een dergelijke opschorting nodig wordt geacht om de deelnemers te beschermen.

AFDELING 3

KOSTEN EN INGAAN VAN DE FUSIE

ARTIKEL 43

De lidstaten zorgen ervoor dat juridische, administratieve of advieskosten in verband met de voorbereiding en de afronding van de fusie niet rechtstreeks of onrechtstreeks in rekening worden gebracht bij de fuserende icbe('s), de ontvangende icbe of hun deelnemers.

Artikel 44

1. De lidstaten schrijven voor dat de fusie dient in te gaan zodra alle activa en, indien van toepassing, alle passiva door de fuserende icbe('s) aan de ontvangende icbe zijn overgedragen en de deelnemers van de fuserende icbe('s) rechten van deelneming in de ontvangende icbe hebben ontvangen in ruil voor hun rechten van deelneming in de fuserende icbe('s).

2. De bewaarders van de fuserende icbe('s) en de ontvangende icbe zijn verantwoordelijk voor de feitelijke overdracht van de activa van de fuserende icbe('s)'s aan de ontvangende icbe.

3. Het ingaan van de fusie wordt met alle passende middelen bekendgemaakt overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van herkomst van de ontvangende icbe.

4. De lidstaten zorgen er ook voor dat het ingaan van de fusie bekendgemaakt wordt op de website van zowel de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de fuserende icbe('s) als de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de ontvangende icbe.

5. Zodra een fusie overeenkomstig lid 1 is ingegaan, kan deze niet meer nietig worden verklaard.

ê 85/611/EEG (aangepast)

HOOFDSTUK VII AFDELING V

Verplichtingen met betrekking tot het beleggingsbeleid van icbe's

Artikel 45 19

1. De beleggingen van een beleggingsfonds en van een beleggingsmaatschappij √ bestaan ∏ mogen uitsluitend bestaan uit √ een of meer van de volgende vermogensbestanddelen ∏ :

⎢2001/108/EG art. 1, punt 3 (aangepast)

a) effecten en geldmarktinstrumenten die zijn toegelaten tot of worden verhandeld op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 1, lid 13, √ artikel 4, lid 1, punt 14, van Richtlijn 2004/39/EG∏ van Richtlijn 93/22/EEG; en/of

ê 85/611/EEC

è1 2001/108/EG art. 1, punt 4

b) op een andere gereglementeerde, regelmatig functionerende, erkende en open markt van een lidstaat verhandelde effecten ⎝1 en geldmarktinstrumenten ⎜;

c) tot de officiële notering van een effectenbeurs van een derde land toegelaten of op een andere gereglementeerde, regelmatig functionerende, erkende en open markt van een derde land verhandelde effecten ⎝1 en geldmarktinstrumenten ⎜, mits de keuze van de beurs of de markt door de bevoegde autoriteiten is goedgekeurd dan wel de wet en/of het fondsreglement of de statuten van de beleggingsmaatschappij daarin voorzien;

d) nieuw uitgegeven effecten, onder voorbehoud dat:

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

⎝1 2001/108/EG art. 1, punt 5

√i) ∏ de emissievoorwaarden de verplichting inhouden dat toelating tot de officiële notering op een effectenbeurs of op een andere gereglementeerde, regelmatig functionerende, erkende en open markt wordt aangevraagd, en mits de keuze van de beurs of de markt door de bevoegde autoriteiten is goedgekeurd dan wel de wet en/of het fondsreglement of de statuten van de beleggingsmaatschappij daarin voorzien;

√ ii) ∏ de √ in punt i) bedoelde ∏ toelating uiterlijk binnen een jaar na de uitgifte wordt verkregen; ⎝1 en/of ⎜

⎢2001/108/EG art. 1, punt 5 (aangepast)

e) rechten van deelneming van overeenkomstig deze richtlijn toegelaten icbe's en/of andere instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 1, lid 2, eerste en tweede streepje, √ onder a) en b), ∏ ongeacht of die al dan niet in een lidstaat gevestigd zijn, mits:

√i) ∏ die andere instellingen voor collectieve belegging zijn toegelaten overeenkomstig wetten waardoor zij worden onderworpen aan toezicht dat naar het oordeel van de voor de icbe's bevoegde autoriteiten √ van de lidstaat van herkomst van de icbe ∏ gelijkwaardig is aan het toezicht waarin het Gemeenschapsrecht voorziet, en mits de samenwerking tussen de autoriteiten genoegzaam is gewaarborgd;

√ii) ∏ het niveau van bescherming van de deelnemers in de andere instellingen voor collectieve belegging gelijkwaardig is aan dat van deelnemers in een icbe, en in het bijzonder mits de regels inzake scheiding van de activa, opnemen en verstrekken van leningen en verkopen van effecten en geldmarktinstrumenten vanuit een ongedekte positie gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van deze richtlijn;

√iii) ∏ over de activiteiten van de andere instellingen voor collectieve belegging halfjaarlijks en jaarlijks wordt gerapporteerd, zodat een evaluatie kan worden gemaakt van activa en passiva, inkomsten en bedrijfsvoering tijdens de verslagperiode;

√ iv) ∏ de icbe of de andere instellingen voor collectieve belegging, waarvan de verwerving wordt overwogen, volgens hun reglement of statuten in totaal maximaal 10% van hun eigen activa mogen beleggen in rechten van deelneming van andere icbe's of andere instellingen voor collectieve belegging; en/of

f) deposito's bij kredietinstellingen die onmiddellijk opeisbaar zijn of kunnen worden opgevraagd, en die binnen een periode van ten hoogste twaalf maanden vervallen, mits de statutaire zetel van de kredietinstelling in een lidstaat gevestigd is, of, indien de statutaire zetel van de kredietinstelling in een derde land √ gevestigd ∏ gelegen is, mits deze instelling onderworpen is aan bedrijfseconomische voorschriften die naar het oordeel van de voor de icbe bevoegde autoriteiten √ van de lidstaat van herkomst van de icbe ∏ gelijkwaardig zijn aan die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld; en/of

g) financiële derivaten, met inbegrip van gelijkwaardige instrumenten die aanleiding geven tot afwikkeling in contanten, die op een onder a), b) of c) bedoelde gereglementeerde markt worden verhandeld; en/of financiële derivaten die buiten de beurs (over-the-counter) worden verhandeld ("OTC-derivaten"), mits:

√ i) ∏ de onderliggende activa bestaan uit onder dit lid vallende instrumenten, financiële indexen, rentetarieven, wisselkoersen of valuta's, waarin de icbe krachtens de in haar fondsreglement of statuten omschreven beleggingsdoelstellingen gemachtigd is te beleggen;

√ ii) ∏ de wederpartijen bij transacties in OTC-derivaten aan prudentieel toezicht onderworpen instellingen zijn en behoren tot de categorieën die door de voor de icbe's bevoegde autoriteiten √ van de lidstaat van herkomst van de icbe ∏ zijn erkend,; en

√ iii) ∏ de OTC-derivaten onderworpen zijn aan betrouwbare en verifieerbare dagelijkse waardering en te allen tijde tegen hun waarde in het economisch verkeer op initiatief van de icbe's kunnen worden verkocht, te gelde gemaakt of afgesloten door een compenserende transactie; en/of

h) geldmarktinstrumenten die niet op een gereglementeerde markt worden verhandeld en die vallen onder artikel 1, lid 9, √ 2, lid 1, onder p), ∏ indien de emissie of de emittent van deze instrumenten zelf aan regelgeving is onderworpen met het oog op de bescherming van beleggers en spaargelden, en op voorwaarde dat zij:

√i) ∏ worden uitgegeven of gegarandeerd door een centrale, regionale of plaatselijke overheid, de centrale bank van een lidstaat, de Europese Centrale Bank, de Europese Unie √ Gemeenschap ∏ of de Europese Investeringsbank, een derde land staat of, bij een federale staat, door een van de deelstaten van de federatie, dan wel door een internationale publiekrechtelijke instelling waarin een of meer lidstaten deelnemen; of

√ ii) ∏ worden uitgegeven door ondernemingen waarvan effecten worden verhandeld op gereglementeerde markten als bedoeld onder a), b) of c); of

√ iii) ∏ worden uitgegeven of gegarandeerd door een instelling die aan bedrijfseconomisch toezicht is onderworpen volgens criteria die door het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld, of door een instelling die onderworpen is en voldoet aan bedrijfseconomische voorschriften die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten ten minste even stringent zijn als die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld; of

√iv) ∏ worden uitgegeven door andere instellingen die behoren tot de categorieën die door de voor de icbe bevoegde autoriteiten √ van de lidstaat van herkomst van de icbe ∏ zijn goedgekeurd, mits voor de beleggingen in die instrumenten een gelijkwaardige bescherming van de belegger geldt als is vastgelegd in het eerste, tweede en derde streepje √ punt i), ii) of iii), ∏ en mits de uitgevende instelling een onderneming is waarvan het kapitaal en de reserves ten minste 10 miljoen EUR bedragen en die haar jaarrekeningen presenteert en publiceert overeenkomstig Richtlijn 78/660/EEG √ van de Raad ∏[30], een lichaam is dat binnen een groep ondernemingen waartoe een of meer ter beurze genoteerde ondernemingen behoren, specifiek gericht is op de financiering van de groep, of een lichaam is specifiek gericht op de financiering van effectiseringsinstrumenten waarvoor een bankliquiditeitenlijn bestaat.

⎢85/611/EEG

⎝1 2001/108/EG art. 1, punt 6

2. Niettemin:

a) mag een icbe ten hoogste 10% van haar activa beleggen in andere effecten ⎝1 en geldmarktinstrumenten ⎜ dan de in lid 1 bedoelde;

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

√ b ∏ c) mag een beleggingsmaatschappij roerende en onroerende goederen verwerven die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar werkzaamheid;

√ c ∏ d) mag een icbe geen edele metalen of certificaten die dergelijke metalen vertegenwoordigen, verwerven.

√ 3 ∏ 4. Beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen mogen accessoir ook liquide middelen houden.

⎢2001/108/EG art. 1, punt 9 (aangepast)

Artikel 46 21

1. De beheer- of beleggingsmaatschappij moet √ volgt ∏ een risicobeheerprocedure volgen waarmee zij te allen tijde het werkelijke risico van de posities en het aandeel daarvan in het totale risicoprofiel van de portefeuille kan bewaken en meten;.

zZij moet √ volgt ∏ een procedure volgen voor de een accurate en onafhankelijke evaluatie van de waarde van OTC-derivaten.

Zij moet √ doet ∏ de bevoegde autoriteiten regelmatig en volgens de door deze te bepalen voorschriften voor elke door haar beheerde icbe mededeling doen van de soorten financiële derivaten, de onderliggende risico's, de kwantitatieve begrenzingen en de methodes die zijn gekozen om de aan derivatentransacties verbonden risico's te ramen.

2. De lidstaten kunnen icbe's toestaan technieken en instrumenten met betrekking tot effecten en geldmarktinstrumenten toe te passen, onder de voorwaarden en binnen de grenzen die zij stellen, mits deze technieken en instrumenten worden gebezigd met het oog op een goed portefeuillebeheer.

Wanneer dit het gebruik van derivaten omvat, moeten genoemde voorwaarden en grenzen in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze richtlijn.

De bedoelde technieken en instrumenten mogen er in geen geval toe leiden dat de icbe afwijkt van haar beleggingsdoelstellingen als vastgelegd in haar fondsreglement, statuten of prospectus.

3. Een icbe zorgt ervoor dat haar totale risico in derivaten de totale nettowaarde van haar portefeuille niet overschrijdt.

Voor de berekening van het risico worden de dagwaarde van de onderliggende activa, het tegenpartijrisico, toekomstige marktbewegingen en de voor de liquidatie van de posities beschikbare tijd in aanmerking genomen. Dit geldt ook met betrekking tot de volgende alinea's √ de derde en vierde alinea ∏ .

Een icbe mag in het kader van haar beleggingsbeleid en binnen de in artikel 22 √ 47 ∏, lid 5, gestelde begrenzingen beleggen in financiële derivaten, mits het risico met betrekking tot de onderliggende activa in totaal niet de in artikel 22 √ 47 ∏ gestelde beleggingsbegrenzingen overschrijdt. De lidstaten mogen toestaan dat, indien een icbe in op een index gebaseerde derivaten belegt, die beleggingen niet voor de toepassing van de in artikel 22 √ 47 ∏ bepaalde bovengrens behoeven te worden samengeteld.

Wanneer een effect of een geldmarktinstrument een derivaat omvat, moet dat √ wordt het ∏ derivaat in aanmerking worden genomen voor de naleving van de in dit artikel gestelde eisen.

⎢2001/108/EG art. 1, punt 9 (aangepast)

⎝1 2005/1/EG art. 9, punt 3

4. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 13 februari 2004 volledig in kennis van hun regelgeving en alle latere wijzigingen daarvan betreffende de methodes voor de berekening van de risico's als bedoeld in lid 3, met inbegrip van het tegenpartijrisico bij transacties met OTC-derivaten. De Commissie stelt de overige lidstaten in kennis van deze gegevens. ⎝1 Over deze gegevens wordt in het Europees Comité voor het effectenbedrijf van gedachten gewisseld. ⎜

⎢2001/108/EG art. 1, punt 10

Artikel 47 22

1. Een icbe mag niet meer dan 5% van de waarde van haar eigen activa beleggen in effecten of geldmarktinstrumenten, die door eenzelfde uitgevende instelling worden uitgegeven.

Een icbe mag niet meer dan 20% van de waarde van haar eigen activa beleggen in deposito's bij één en dezelfde instelling.

⎢2001/108/EG art. 1, punt 10 (aangepast)

Het wederpartijrisico tegenpartijrisico van de icbe bij een transactie met OTC-derivaten mag niet meer bedragen dan een van de volgende waardes:

√a) ∏ 10% van de waarde van haar eigen activa, wanneer de tegenpartij een kredietinstelling is als bedoeld in artikel √ 45 ∏ 19, lid 1, onder f); of

√ b) ∏ 5% van de waarde van haar eigen activa, in de overige gevallen.

2. De lidstaten kunnen de in de eerste zin van lid 1√ , eerste alinea, ∏ gestelde begrenzing van 5% verhogen tot ten hoogste 10%. De totale waarde van de effecten en geldmarktinstrumenten die de icbe houdt in uitgevende instellingen waarin zij elk voor meer dan 5% van de waarde van haar eigen activa belegt, mag evenwel niet meer bedragen dan 40% van de waarde van de activa van de icbe. Deze begrenzing is niet van toepassing op deposito's en transacties met OTC-derivaten met financiële instellingen die aan prudentieel toezicht onderworpen zijn.

Onverminderd de in lid 1 bepaalde individuele begrenzingen, mag een icbe met betrekking tot één en dezelfde instelling ten hoogste 20% van haar eigen activa beleggen in een combinatie met:

√a) ∏ effecten of geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven door die instelling;,

√b) ∏ deposito's bij die instelling;, en/of

√ c) ∏ risico's uit transacties in OTC-derivaten met betrekking tot die instelling.

3. De lidstaten mogen de in de eerste zin √ alinea ∏ van lid 1 gestelde begrenzing van 5% verhogen tot ten hoogste 35% indien de effecten of geldmarktinstrumenten worden uitgegeven of gegarandeerd door een lidstaat, zijn territoriale publiekrechtelijke lichamen door een derde landstaat of een internationale publiekrechtelijke instelling waarin een of meer lidstaten deelnemen.

4. De lidstaten mogen de in de eerste zin √ alinea ∏ van lid 1 gestelde begrenzing van 5% tot ten hoogste 25% verhogen in geval van bepaalde obligaties die worden uitgegeven door een kredietinstelling waarvan de statutaire zetel in een lidstaat gevestigd is en die wettelijk is onderworpen aan speciaal overheidstoezicht ter bescherming van obligatiehouders. Met name moeten √ worden ∏ de uit de uitgifte van die obligaties verkregen bedragen overeenkomstig de wet worden belegd in activa die, gedurende de gehele looptijd van de obligaties, de aan de obligaties verbonden vorderingen kunnen dekken en die, in geval de uitgevende instelling in gebreke blijft, bij voorrang zullen worden gebruikt voor de aflossing van de hoofdsom en de betaling van de lopende rente.

Wanneer een icbe meer dan 5% van haar activa belegt in de in de eerste alinea bedoelde obligaties en die obligaties door één en dezelfde uitgevende instelling zijn uitgegeven, mag √ bedraagt ∏ de totale waarde van die beleggingen niet meer dan 80% van de waarde van de activa van de icbe bedragen.

⎢2001/108/EG art. 1, punt 10 (aangepast)

⎝1 2005/1/EG art. 9, punt 4

De lidstaten delen de Commissie de lijst mede van de categorieën van √ de in de eerste alinea bedoelde ∏ bovenbedoelde obligaties, samen met een lijst van de categorieën uitgevende instellingen die krachtens de wet en de in de eerste √ die ∏ alinea genoemde voorschriften inzake toezicht, bevoegd zijn obligaties uit te geven die aan de bovengenoemde criteria voldoen. Bij deze lijsten wordt een nota gevoegd waarin de juridische aard van de geboden garanties wordt toegelicht. De Commissie stelt de overige lidstaten onmiddellijk in kennis van deze gegevens, zo nodig voorzien van haar opmerkingen, en stelt de gegevens ter beschikking van het publiek. ⎝1 Over deze mededeling kan in het Europees Comité voor het effectenbedrijf van gedachten worden gewisseld. ⎜

5. De in de leden 3 en 4 bedoelde effecten en geldmarktinstrumenten worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van de in lid 2 bedoelde begrenzing van 40%.

De in de leden 1, 2, 3 en √ tot en met ∏ 4 gestelde begrenzingen mogen niet worden gecumuleerd; bijgevolg mogen de, overeenkomstig de leden 1, 2, 3 en √ tot en met ∏ 4 verrichte beleggingen in door één en dezelfde instelling uitgegeven effecten of geldmarktinstrumenten, dan wel in deposito's bij of derivaten van die instelling, in geen geval samen meer dan 35% van de activa van de icbe bedragen.

Voor de berekening van de in dit artikel gestelde begrenzingen worden ondernemingen die tot één groep worden gerekend voor de opstelling van geconsolideerde jaarrekeningen, overeenkomstig Richtlijn 83/349/EEG[31] of andere erkende internationale financiële verslagleggingsregels, voor de berekening van de in dit artikel gestelde begrenzing als één en dezelfde instelling beschouwd.

⎢2001/108/EG art. 1, punt 10

De lidstaten mogen toestaan dat beleggingen in effecten en geldmarktinstrumenten bij één en dezelfde groep worden gecumuleerd tot ten hoogste 20%.

⎢2001/108/EG art. 1, punt 11 (aangepast)

Artikel 48 22 bis

1. Onverminderd de in artikel 25 √ 51 ∏ gestelde begrenzingen kunnen de lidstaten de in artikel 22 √ 47 ∏ vastgestelde begrenzingen voor beleggingen in aandelen en/of obligaties van één en dezelfde uitgevende instelling verhogen tot ten hoogste 20% wanneer in het fondsreglement of de statuten van de icbe is bepaald dat het beleggingsbeleid van de icbe erop gericht is de samenstelling van een bepaalde aandelen- of obligatie-index te volgen, mits deze index door de voor de icbe's bevoegde autoriteiten is erkend op de volgende gronden:

√a) ∏ de samenstelling van de index is voldoende gediversifieerd;

√ b) ∏ de index is voldoende representatief voor de markt waarop hij betrekking heeft;

√ c) ∏ de index wordt op passende wijze bekendgemaakt.

2. De lidstaten kunnen de in lid 1 gestelde begrenzing verhogen tot ten hoogste 35% indien dat door uitzonderlijke marktomstandigheden gerechtvaardigd blijkt, met name op gereglementeerde markten waar bepaalde effecten of geldmarktinstrumenten een sterk overheersende positie innemen. Tot die bovengrens mag slechts worden belegd in de effecten van één uitgevende instelling.

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

⎝1 2001/108/EG art. 1, punt 12

Artikel 49 23

1. In afwijking van artikel 22, √ 47 ∏ en onverminderd artikel 68, lid 3, van het Verdrag, kunnen de Lid-Staten lidstaten icbe's machtigen om volgens het beginsel van risicospreiding tot 100% van hun activa te beleggen in verschillende emissies van effecten ⎝1en geldmarktinstrumenten ⎜ die worden uitgegeven of gegarandeerd door een lidstaat Lid-Staat, zijn territoriale publiekrechtelijke lichamen, door een derde landstaat of door internationale publiekrechtelijke instellingen waarin een of meer Lid-Staten lidstaten deelnemen.

De √ voor de icbe ∏ bevoegde autoriteiten verlenen deze ontheffing slechts wanneer naar hun oordeel de deelnemers in de icbe een bescherming genieten die gelijkwaardig is aan die welke de deelnemers wordt geboden in een icbe die de begrenzingen van artikel 22 √ 47 ∏ wel in acht neemt.

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

? nieuw

Deze icbe's moeten √ hebben ∏ effecten van ten minste zes verschillende emissies in portefeuille hebben, terwijl de effecten van eenzelfde emissie niet meer dan 30% mogen uitmaken van het totale bedrag van hun activa.

2. De in lid 1 bedoelde icbe's moeten √ vermelden ∏ in het fondsreglement of de statuten van de beleggingsmaatschappij uitdrukkelijk de √ lidstaten ∏ staten, territoriale publiekrechtelijke lichamen of internationale publiekrechtelijke instellingen vermelden die de effecten waarin zij voor meer dan 35 % van de waarde van hun eigen activa willen beleggen, uitgeven of garanderen;.

dDit reglement of deze statuten moeten √ worden ∏ door de bevoegde autoriteiten worden goedgekeurd.

3. Voorts moeten de √ neemt elke ∏ in lid 1 bedoelde icbe's in hun haar prospectus en in hun reclame ? publicitaire mededelingen ⎪ een opvallend geplaatste zin opnemen waarin de aandacht op deze ontheffing wordt gevestigd en de staten en/of de territoriale publiekrechtelijke lichamen alsmede de internationale publiekrechtelijke instellingen worden genoemd in de effecten waarvan zij voor meer dan 35% van hun activa willen wil beleggen of hebben heeft belegd.

⎢2001/108/EG art. 1, punt 13 (aangepast)

Artikel 50 24

1. Een icbe mag rechten van deelneming in icbe's en/of andere in artikel √ 45 ∏ 19, lid 1, onder e), genoemde instellingen voor collectieve belegging verwerven, mits niet voor meer dan 10% van de waarde van haar activa in rechten van deelneming in één en dezelfde icbe of andere instelling voor collectieve belegging wordt belegd. De lidstaten kunnen de begrenzing verhogen tot ten hoogste 20%.

⎢2001/108/EG art. 1, punt 13

2. De beleggingen in rechten van deelneming in andere instellingen voor collectieve belegging dan icbe's mogen in totaal niet meer bedragen dan 30% van de activa van de icbe.

⎢2001/108/EG art. 1, punt 13 (aangepast)

De lidstaten kunnen toestaan dat indien een icbe rechten van deelneming heeft verworven in icbe's en/of andere instellingen voor collectieve belegging, de activa van de desbetreffende icbe's of andere instellingen voor collectieve belegging niet behoeven te worden gecombineerd met de in artikel 22 √ 47 ∏ vastgestelde bovengrenzen.

3. Indien een icbe belegt in rechten van deelneming in andere icbe's en/of andere instellingen voor collectieve belegging die rechtstreeks of door machtiging beheerd worden door dezelfde beheermaatschappij of door een onderneming waarmee de beheermaatschappij via gemeenschappelijke bedrijfsvoering of gemeenschappelijke zeggenschapsuitoefening of door een aanmerkelijke rechtstreekse of middellijke deelneming verbonden is, mag de beheermaatschappij of de andere onderneming geen kosten in rekening brengen voor inschrijving of aflossing ten aanzien van beleggingen van de icbe in rechten van deelneming in die andere icbe's en/of andere instellingen voor collectieve belegging.

Een icbe die een aanmerkelijk deel van haar activa belegt in andere icbe's en/of andere instellingen voor collectieve belegging, moet in haar prospectus vermelden wat het maximumniveau is van de beheersprovisies die gedragen worden door de betrokken icbe en de andere icbe's en/of instellingen voor collectieve belegging waarin zij voornemens is te beleggen. Zij vermeldt in haar jaarverslag het maximumpercentage van de beheerskosten voor zowel de icbe zelf als de icbe's en/of andere instellingen voor collectieve belegging waarin ze belegt.

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

Artikel 51 25

1. Een beleggingsmaatschappij of een beheermaatschappij mag √ verwerft ∏, voor het geheel der door haar beheerde en onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende beleggingsfondsen, niet zoveel aandelen met stemrecht verwerven dat zij daardoor invloed van betekenis kan uitoefenen op het bestuur van een uitgevende instelling.

Tot een latere coördinatie moeten de Lid-Staten lidstaten rekening houden met de in de wetgevingen van de andere Lid-Staten lidstaten bestaande voorschriften waarin het in lid 1 bedoelde beginsel is omschreven.

2. Voorts mag een beleggingsmaatschappij of beleggingsfonds niet meer verwerven dan:

√ a) ∏ 10% aandelen zonder stemrecht van eenzelfde uitgevende instelling;

√ b) ∏ 10% obligaties van eenzelfde uitgevende instelling;

⎢2001/108/EG art. 1, punt 15, punt 1 (aangepast)

√ c) ∏ 25% van de rechten van deelneming in eenzelfde icbe en/of andere instelling voor collectieve belegging in de zin van artikel 1, lid 2, √ onder a) en b) ∏ eerste en tweede streepje;

⎢2001/108/EG art. 2, punt 15, punt 2 (aangepast)

√ d) ∏ 10% van de geldmarktinstrumenten van eenzelfde uitgevende instelling.

⎢2001/108/EG art. 1, punt 16 (aangepast)

De in het tweede, derde en vierde streepje √ onder b), c) en d) ∏ genoemde begrenzingen behoeven niet in acht te worden genomen indien het brutobedrag van de obligaties of de geldmarktinstrumenten, of het nettobedrag van de uitgegeven effecten op het tijdstip van verwerving niet kan worden berekend.

ê 85/611/EEG

⎝1 2001/108/EG art. 1, punt 17

3. De Lid-Staten lidstaten kunnen afzien van de toepassing van de leden 1 en 2 met betrekking tot:

a) door een Lid-Staat lidstaat of zijn territoriale publiekrechtelijke lichamen uitgegeven of gegarandeerde effecten ⎝1 en geldmarktinstrumenten ⎜;

b) door een derde landstaat uitgegeven of gegarandeerde effecten ⎝1 en geldmarktinstrumenten ⎜;

⎢85/611/EEG

⎝1 2001/108/EG art. 1, punt 17

c) effecten ⎝1 en geldmarktinstrumenten ⎜ uitgegeven door internationale publiekrechtelijke instellingen waarin een of meer Lid-Staten lidstaten deelnemen;

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

d) aandelen welke een icbe houdt in het kapitaal van een maatschappij van een derde landStaat, die haar activa in hoofdzaak belegt in effecten van uitgevende instellingen uit die Staatdat land, wanneer een dergelijke deelneming krachtens de wetgeving van die Staat dat land voor de icbe de enige mogelijkheid is om in effecten van uitgevende instellingen van die Staat dat land te beleggen. Deze afwijking is echter slechts van toepassing indien de maatschappij van de derde Staat het derde land bij haar beleggingsbeleid de in artikelen 22 en 24 en artikel 25, leden 1 en 2, √ de artikelen 47 en 50 en in de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel ∏ gestelde begrenzingen in acht neemt. In geval van overschrijding van de in de artikelen 22 en 24 √ 47 en 50 ∏ gestelde begrenzingen is artikel 26 √ 52 ∏ mutatis mutandis van overeenkomstige toepassing;

⎢2001/108/EG art. 1, punt 18

e) aandelen gehouden door een beleggingsmaatschappij, of door beleggingsmaatschappijen, in het kapitaal van dochterondernemingen die uitsluitend te haren of te hunnen behoeve enkel bepaalde beheers-, advies- of verhandelingswerkzaamheden verrichten in het land waar de dochteronderneming is gevestigd, met het oog op de inkoop van rechten van deelneming op verzoek van houders.

⎢85/611/EEG

Artikel 52 26

⎢2001/108/EG art. 1, punt 19 (aangepast)

1. De in deze afdeling √ dit hoofdstuk ∏ gestelde begrenzingen behoeven door de icbe's niet te worden nageleefd bij de uitoefening van voorkeurrechten die verbonden zijn aan effecten of geldmarktinstrumenten die deel uitmaken van hun activa.

Mits zij erop toezien dat het beginsel van de risicospreiding in acht wordt genomen, kunnen de lidstaten aan recent toegelaten icbe's toestaan van het bepaalde in de artikelen 22, 22 bis, 23 en 24 √ 47 tot en met 50 ∏ af te wijken gedurende een periode van zes maanden volgende op de datum waarop zij zijn toegelaten.

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

2. Indien de in lid 1 bedoelde begrenzingen buiten de wil van de icbe, of ten gevolge van de uitoefening van voorkeurrechten worden overschreden, moet √ streeft ∏ de icbe er bij haar verkooptransacties bij voorrang naar streven deze overschrijding ongedaan te maken, rekening houdend met de belangen van de deelnemers.

ò nieuw

HOOFDSTUK VIII

Master-feederconstructies

Afdeling 1

TOEPASSINGSGEBIED EN GOEDKEURING

Artikel 53

1. Een feeder-icbe is een icbe die in afwijking van artikel 1, lid 2, onder a), artikel 45, artikel 47, artikel 50 en artikel 51, lid 2, onder c), ten minste 85% van haar activa belegt in rechten van deelneming van een andere icbe (de "master-icbe") of een beleggingscompartiment daarvan.

2. Een feeder-icbe mag maximaal 15% van haar activa aanhouden in een of meer van de volgende vermogensbestanddelen:

a) accessoire liquide middelen overeenkomstig artikel 45, lid 3;

b) financiële derivaten overeenkomstig artikel 45, lid 1, onder g), en artikel 46, leden 2 en 3;

c) roerende en onroerende goederen die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar werkzaamheid indien de feeder-icbe een beleggingsmaatschappij is.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder b), wordt bij de berekening van het risico van de feeder-icbe met betrekking tot de onderliggende activa, als bedoeld in artikel 46, lid 3, derde alinea, ook rekening gehouden met de beleggingen van de master-icbe, waaronder de beleggingen van de master-icbe in financiële derivaten en de onderliggende waardes ervan, en wel naar rata van de belegging van de feeder-icbe in de master-icbe.

3. Een master-icbe is een icbe die

a) ten minste één feeder-icbe als deelnemer moet hebben;

b) zelf geen feeder-icbe mag zijn;

c) geen rechten van deelneming van een feeder-icbe mag bezitten.

4. In afwijking van artikel 1, lid 2, onder a) en artikel 3, onder b), is een master-icbe die ten minste twee feeder-icbe's heeft, niet verplicht om kapitaal van andere beleggers aan te trekken.

Indien een master-icbe alleen kapitaal aantrekt van een of meer feeder-icbe's in een andere lidstaat dan die waarin zij is gevestigd, zijn hoofdstuk XI en artikel 103, lid 1, niet van toepassing.

Artikel 54

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de belegging van een feeder-icbe in een bepaalde master-icbe vooraf door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de feeder-icbe wordt goedgekeurd.

2. Indien de feeder-icbe al werkzaamheden heeft uitgeoefend als icbe, waaronder ook als feeder-icbe van een andere master-icbe, wordt de feeder-icbe binnen ten hoogste vijftien werkdagen na de indiening van een volledig dossier ervan in kennis gesteld of de bevoegde autoriteiten de belegging van de feeder-icbe in de master-icbe al dan niet hebben goedgekeurd.

3. Ingeval de feeder-icbe en de master-icbe in dezelfde lidstaat zijn gevestigd, verlenen de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat goedkeuring indien de feeder-icbe, haar bewaarder en haar auditor en de master-icbe aan alle voorschriften van dit hoofdstuk voldoen. Daartoe dient de feeder-icbe bij de bevoegde autoriteiten van haar lidstaat van herkomst de volgende documenten in:

a) het fondsreglement of de statuten van de feeder-icbe en de master-icbe;

b) het prospectus en de essentiële beleggersinformatie als bedoeld in artikel 73, van de feeder-icbe en de master-icbe;

c) de in artikel 55, lid 1, bedoelde overeenkomst tussen de feeder-icbe en de master-icbe;

d) indien van toepassing, de aan de deelnemers te verstrekken informatie als bedoeld in artikel 59, lid 1;

e) een verklaring van de master-icbe dat zij geen rechten van deelneming heeft van een feeder-icbe;

f) ingeval de master-icbe en de feeder-icbe verschillende bewaarders hebben: de in artikel 56, lid 1, bedoelde overeenkomst tussen hun bewaarders;

g) ingeval de master-icbe en de feeder-icbe verschillende auditors hebben: de in artikel 57, lid 1, bedoelde overeenkomst tussen hun auditors;

4. Wanneer de feeder-icbe in een andere lidstaat is gevestigd dan de master-icbe, verlenen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de feeder-icbe goedkeuring als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de feeder-icbe, haar bewaarder en haar auditor voldoen aan alle voorschriften van dit hoofdstuk en de feeder-icbe dient te dien einde de in lid 3 bedoelde documenten in;

b) de feeder-icbe toont aan dat de master-icbe een vergunning heeft als icbe, niet zelf een feeder-icbe is en geen rechten van deelneming van een feeder-icbe heeft.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de feeder-icbe stellen de voor de master-icbe bevoegde autoriteiten onmiddellijk in kennis van de verlening of intrekking van de goedkeuring.

Afdeling 2

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN VOOR FEEDER-ICBE'S EN MASTER-ICBE'S

Artikel 55

1. De lidstaten schrijven voor dat de feeder-icbe met de betrokken master-icbe een overeenkomst moet aangaan die de feeder-icbe in staat stelt aan de vereisten van deze richtlijn te voldoen.

Deze overeenkomst bevat onder meer het volgende:

a) de voornaamste kenmerken van de beleggingsdoelstelling en het beleggingsbeleid van de master-icbe;

b) de regels die gelden voor een eventuele wijziging van de beleggingsdoelstelling en het beleggingsbeleid van de master-icbe;

c) de rechten en plichten van de feeder-icbe en de master-icbe en van hun beheermaatschappijen;

De feeder-icbe belegt niet in rechten van deelneming van de master-icbe totdat de in de eerste alinea bedoelde overeenkomst in werking is getreden.

2. De master-icbe en de feeder-icbe nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat voor de desbetreffende werkdag geen rechten van deelneming van de master-icbe of de feeder-icbe kunnen worden uitgegeven, verkocht, ingekocht of terugbetaald, nadat de master-icbe of de feeder-icbe voor die dag de prijs van uitgifte, verkoop, inkoop of terugbetaling van haar rechten van deelneming bekend heeft gemaakt.

3. Als een master-icbe de inkoop of terugbetaling van haar rechten van deelneming hetzij op eigen initiatief hetzij op verzoek van haar bevoegde autoriteiten tijdelijk opschort, mag elke van haar feeder-icbe's de inkoop of terugbetaling van haar rechten van deelneming in dezelfde periode als die van de master-icbe, onverminderd de voorwaarden van artikel 79, lid 2, opschorten.

4. Als een master-icbe geliquideerd wordt, wordt de feeder-icbe ook geliquideerd, tenzij de bevoegde autoriteiten van haar lidstaat van herkomst goedkeuren dat:

a) ten minste 85% van de activa van de feeder-icbe wordt belegd in rechten van deelneming van een andere master-icbe, of

b) haar fondsreglement of statuten zodanig worden gewijzigd dat de feeder-icbe kan worden omgezet in een niet-feeder-icbe.

Een master-icbe mag pas worden geliquideerd drie maanden nadat de master-icbe al haar feeder-icbe's en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst van deze feeder-icbe's in kennis heeft gesteld van het bindende besluit tot liquidatie.

5. Indien een master-icbe met een andere icbe fuseert of in twee of meer icbe's wordt opgesplitst, wordt de feeder-icbe geliquideerd, tenzij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de feeder-icbe goedkeuren dat de feeder-icbe:

a) als gevolg van de fusie of opsplitsing een feeder-icbe blijft, of

b) ten minste 85% van haar activa belegt in rechten van deelneming van een andere master-icbe die niet uit de fusie of opsplitsing voortkomt, of

c) haar fondsreglement of statuten zodanig wijzigt dat zij wordt omgezet in een niet-feeder-icbe.

Een fusie of opsplitsing kan alleen ingaan als de master-icbe al haar feeder-icbe's en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst van deze feeder-icbe's ten minste zestig dagen voor de beoogde ingangsdatum alle in artikel 40 genoemde of daarmee vergelijkbare informatie heeft verstrekt.

Tenzij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de feeder-icbe ingevolge de eerste alinea, onder a), goedkeuring hebben verleend, worden alle rechten van deelneming in de master-icbe vóór ingang van de fusie of opsplitsing van de master-icbe ingekocht of terugbetaald door de feeder-icbe.

6. De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen voor:

a) de gegevens die moeten worden opgenomen in de in lid 1, eerste alinea, bedoelde overeenkomst;

b) de in lid 2 bedoelde maatregelen die passend worden geacht;

c) de procedures die moeten worden gevolgd voor de goedkeuringen die overeenkomstig de leden 4 en 5 bij een liquidatie, fusie of opsplitsing vereist zijn.

Deze uitvoeringsmaatregelen tot wijziging van deze richtlijn, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 107, lid 2.

Afdeling 3

BEWAARDERS EN AUDITORS

Artikel 56

1. De lidstaten schrijven voor dat als de master-icbe en de feeder-icbe verschillende bewaarders hebben, deze bewaarders een overeenkomst tot uitwisseling van informatie moeten aangaan, om ervoor te zorgen dat beide bewaarders hun plichten vervullen.

De feeder-icbe belegt niet in rechten van deelneming van de master-icbe totdat een dergelijke overeenkomst van kracht is geworden.

2. De bewaarder van de master-icbe stelt de feeder-icbe of, indien van toepassing, de beheermaatschappij en de bewaarder van de feeder-icbe in kennis van onregelmatigheden die zij bij de master-icbe constateert.

3. De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen voor:

a) de gegevens die moeten worden opgenomen in de in lid 1, eerste alinea, bedoelde overeenkomst;

b) de soorten onregelmatigheden als bedoeld in lid 2, die geacht worden een ongunstig effect te sorteren op de feeder-icbe.

Deze uitvoeringsmaatregelen tot wijziging van deze richtlijn, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 107, lid 2.

Artikel 57

1. De lidstaten schrijven voor dat als de master-icbe en de feeder-icbe verschillende auditors hebben, deze auditors een overeenkomst tot uitwisseling van informatie moeten aangaan, om ervoor te zorgen dat beide auditors hun plichten vervullen.

De feeder-icbe belegt niet in rechten van deelneming van de master-icbe totdat een dergelijke overeenkomst van kracht is geworden.

2. In zijn auditverslag houdt de auditor van de feeder-icbe rekening met het auditverslag van de master-icbe.

De auditor brengt met name verslag uit over de onregelmatigheden die in het auditverslag van de master-icbe zijn geconstateerd, en over de gevolgen ervan voor de feeder-icbe.

3. De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen voor de gegevens die moeten worden opgenomen in de in lid 1, eerste alinea, bedoelde overeenkomst.

Deze uitvoeringsmaatregelen tot wijziging van deze richtlijn, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 107, lid 2.

Afdeling 4

VERPLICHTINGEN INZAKE INFORMATIEVERSTREKKING EN PUBLICITAIRE MEDEDELINGEN

Artikel 58

1. De lidstaten schrijven voor dat het prospectus van de feeder-icbe naast de informatie die in bijlage I, schema A, is opgenomen, de volgende informatie moet bevatten:

a) een verklaring dat de feeder-icbe een feeder van een bepaalde master-icbe is en als zodanig steeds ten minste 85% van haar activa belegt in rechten van deelneming van deze master-icbe;

b) informatie over de beleggingen overeenkomstig artikel 53, lid 2;

c) een korte beschrijving van de master-icbe, haar structuur en haar beleggingsdoelstelling en –beleid, waaronder het risicoprofiel;

d) indien de feeder-icbe belegt in een bepaald beleggingscompartiment of een bepaalde categorie van rechten van deelneming of aandelen van de master-icbe: een korte beschrijving ervan;

e) een samenvatting van de overeenkomst tussen de feeder-icbe en de master-icbe, als bedoeld in artikel 55, lid 1;

f) de wijze waarop de deelnemers verdere informatie kunnen verkrijgen over de master-icbe en de overeenkomst tussen de feeder-icbe en de master-icbe ingevolge artikel 55, lid 1;

g) of de beleggingsdoelstelling en het beleggingsbeleid, waaronder het risicoprofiel en de resultaten van de feeder-icbe en de master-icbe, identiek zijn, dan wel in hoever en waarom zij van elkaar afwijken;

h) een beschrijving van alle vergoedingen en onkosten die de feeder-icbe op grond van haar belegging in rechten van deelneming van de master-icbe voor haar rekening moet nemen, alsmede de totale kosten van de feeder-icbe en de master-icbe;

i) een beschrijving van de fiscale gevolgen van de belegging in de master-icbe voor de feeder-icbe.

Het bijgewerkte prospectus van de master-icbe wordt gevoegd bij het prospectus van de feeder-icbe.

2. Naast de informatie die in bijlage I, schema B, is opgenomen, bevat het jaarverslag van de feeder-icbe een verklaring over de totale kosten van de feeder-icbe en de master-icbe.

De halfjaarlijkse en de jaarverslagen van de master-icbe wordt gevoegd bij respectievelijk de halfjaarlijkse en de jaarverslagen van de feeder-icbe.

3. Naast het bepaalde in de artikelen 69 en 77 zendt de feeder-icbe het prospectus, de in artikel 73 bedoelde essentiële beleggersinformatie en alle wijzigingen daarin, alsmede de jaar- en halfjaarlijkse verslagen van de master-icbe toe aan de bevoegde autoriteiten van haar lidstaat van herkomst.

4. Een feeder-icbe vermeldt in alle relevante publicitaire mededelingen dat zij een feeder-icbe van een bepaalde master-icbe is en als zodanig steeds ten minste 85% van haar activa belegt in rechten van deelneming van deze master-icbe.

Afdeling 5

OMZETTING VAN BESTAANDE ICBE'S IN FEEDER-ICBE'S

Artikel 59

1. De lidstaten schrijven voor dat als een feeder-icbe reeds werkzaamheden als icbe uitoefent, waaronder ook als feeder-icbe van een andere master-icbe, de feeder-icbe aan al haar deelnemers de volgende informatie moet verstrekken:

a) een verklaring dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de feeder-icbe de belegging van de feeder-icbe in rechten van deelneming van de master-icbe heeft goedgekeurd;

b) de essentiële beleggersinformatie als bedoeld in artikel 73, over de feeder-icbe en de master-icbe;

c) vanaf welke datum de feeder-icbe belegt in de master-icbe;

d) een verklaring dat de deelnemers het recht hebben om binnen dertig dagen te eisen dat hun rechten van deelneming zonder kosten worden ingekocht of terugbetaald. Dit recht gaat in zodra de feeder-icbe de in dit lid bedoelde informatie heeft verstrekt.

Deze informatie wordt ten minste dertig dagen vóór de datum van de belegging van de feeder-icbe in de master-icbe overeenkomstig de eerste alinea, onder c), verstrekt.

2. Indien de feeder-icbe overeenkomstig artikel 88 in kennis is gesteld, wordt de in lid 1 bedoelde informatie verstrekt in de officiële taal of in een van de officiële talen van de lidstaat van ontvangst van de feeder-icbe dan wel in een taal die door de bevoegde autoriteiten is goedgekeurd. De feeder-icbe is verantwoordelijk voor de levering van de vertaling, die een getrouwe weergave van het origineel vormt.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat de feeder-icbe niet vóór het verstrijken van de in lid 1, tweede alinea, genoemde periode van dertig dagen belegt in de rechten van deelneming van de desbetreffende master-icbe.

4. De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen voor:

a) de vorm waarin en de wijze waarop de in lid 1 genoemde informatie moet worden verstrekt;

b) de procedure die in het geval dat de activa van de feeder-icbe in hun geheel overgaan op de master-icbe in ruil voor rechten van deelneming, moet worden gevolgd voor de waardering en auditing van zo´n bijdrage in natura en de rol van de bewaarder van de feeder-icbe in deze procedure.

Deze uitvoeringsmaatregelen tot wijziging van deze richtlijn, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 107, lid 2.

Afdeling 6

VERPLICHTINGEN EN BEVOEGDE AUTORITEITEN

Artikel 60

1. De feeder-icbe zorgt ervoor dat haar belegging in een master-icbe geen nadelige invloed uitoefent op haar vermogen om haar rechten van deelneming in te kopen of terug te betalen wanneer de deelnemers daarom verzoeken of in andere gevallen waarin dit in het belang van haar deelnemers is.

2. De feeder-icbe en indien van toepassing, haar beheermaatschappij blijven verplicht om de belangen van de deelnemers van de feeder-icbe zo goed mogelijk te behartigen, en houdt daartoe de werkzaamheden van de master-icbe effectief in het oog. Bij de nakoming van deze verplichting kunnen de feeder-icbe en, indien van toepassing, haar beheermaatschappij vertrouwen op de informatie en documenten die van de master-icbe of, indien van toepassing, van haar beheermaatschappij, bewaarder en auditor worden ontvangen, tenzij er reden is om te twijfelen aan de juistheid ervan.

3. Wanneer de feeder-icbe, de beheermaatschappij van de feeder-icbe of een persoon die namens ofwel de feeder-icbe ofwel de beheermaatschappij van de feeder-icbe optreedt, uit hoofde van een belegging in de rechten van deelneming van de master-icbe een provisie ontvangt, wordt de provisie in het vermogen van de feeder-icbe gestort.

Artikel 61

1. De master-icbe stelt de bevoegde autoriteiten van haar lidstaat van herkomst onmiddellijk in kennis van de identiteit van elke feeder-icbe die in haar rechten van deelneming belegt. Indien de master-icbe en de feeder-icbe in verschillende lidstaten gevestigd zijn, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de master-icbe die van de lidstaat van herkomst van de feeder-icbe onmiddellijk in kennis van deze belegging.

2. De master-icbe brengt geen inschrijvings- of aflossingskosten in rekening voor de belegging van de feeder-icbe in haar rechten van deelneming of voor de vervreemding ervan.

3. De master-icbe zorgt ervoor dat alle uit hoofde van deze richtlijn, ander Gemeenschapsrecht, het toepasselijke nationale recht, het fondsreglement of de statuten vereiste informatie tijdig beschikbaar is voor de feeder-icbe of, indien van toepassing, haar beheermaatschappij en voor de bevoegde autoriteiten, de bewaarder en de auditor van de feeder-icbe.

Artikel 62

1. Indien de master-icbe en de feeder-icbe in dezelfde lidstaat zijn gevestigd, stellen de bevoegde autoriteiten de feeder-icbe onmiddellijk in kennis van alle besluiten, alle maatregelen, alle geconstateerde schendingen van de voorwaarden van het onderhavige hoofdstuk en alle ingevolge artikel 101, lid 1, gemelde informatie die betrekking hebben op de master-icbe of, indien van toepassing, haar beheermaatschappij, bewaarder of auditor.

2. Indien de master-icbe en de feeder-icbe in verschillende lidstaten zijn gevestigd, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de master-icbe de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de feeder-icbe onmiddellijk in kennis van alle besluiten, alle maatregelen, alle geconstateerde schendingen van de voorwaarden van het onderhavige hoofdstuk en alle ingevolge artikel 101, lid 1, gemelde informatie die betrekking hebben op de master-icbe of, indien van toepassing, haar beheermaatschappij, bewaarder of auditor. Vervolgens geven zij de informatie onmiddellijk door aan de feeder-icbe.

⎢85/611/EEG

HOOFDSTUK IX AFDELING VI

⎢85/611/EEG

? nieuw

Verplichtingen in verband met de voorlichting van de deelnemers ? aan beleggers te verstrekken informatie ⎪

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

AFDELING 1

A. OPENBAARMAKING VAN EEN PROSPECTUS EN VAN PERIODIEKE VERSLAGEN

ARTIKEL 63 27

⎢2001/107/EG art. 1, punt 8 (aangepast)

1. De beleggingsmaatschappij, en de beheermaatschappij voor elk door haar beheerd beleggingsfonds, is verplicht tot openbaarmaking van √ maakt de volgende informatie openbaar ∏ :

⎢2001/107/EG art. 1, punt 8 (nieuw)

een vereenvoudigd prospectus,

√ a) ∏ een volledig prospectus,,

√ b) ∏ een jaarverslag per boekjaar,;

√ c) ∏ en een halfjaarlijks verslag over de eerste zes maanden van het boekjaar.

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

2. Het jaarverslag en het halfjaarlijks verslag √ worden ∏ dienen na het einde van de verslagperiode openbaar te worden gemaakt binnen de volgende termijnen:

√ a) ∏ jaarverslag: 4 maanden,;

√ b) ∏ halfjaarlijks verslag: 2 maanden.

⎢2001/107/EG art. 1, punt 9 (aangepast)

? nieuw

Artikel 64 28

1. In zowel het vereenvoudigd als het volledig prospectus ? het prospectus ⎪ moeten √ zijn ∏ de gegevens zijn opgenomen die voor de beleggers noodzakelijk zijn om zich een verantwoord oordeel te kunnen vormen over de hun aangeboden belegging en vooral de daaraan verbonden risico's.

Het volledig prospectus moet √ bevat ∏ een duidelijke en gemakkelijk te begrijpen toelichting bevatten inzake het risicoprofiel van het fonds, ongeacht de instrumenten waarin wordt belegd.

⎢2001/107/EG art. 1, punt 9 (nieuw)

2. Het volledig prospectus bevat ten minste de gegevens die in bijlage I, schema A, bij deze richtlijn zijn opgenomen, voor zover deze informatie niet voorkomt in het fondsreglement of de statuten, die overeenkomstig artikel √ 66 ∏ 29, lid 1, bij het volledige prospectus dienen te worden gevoegd.

3. Het vereenvoudigd prospectus bevat, in beknopte vorm, de kerngegevens die in bijlage I, schema C, bij deze richtlijn zijn opgenomen. Het prospectus is zodanig vormgegeven en geschreven dat het door de gemiddelde belegger gemakkelijk te begrijpen is. De lidstaten kunnen toestaan dat het vereenvoudigd prospectus als verwijderbaar bijvoegsel aan het volledig prospectus is gehecht. Het vereenvoudigd prospectus kan als verkoopinstrument worden gebruikt dat bestemd is om in alle lidstaten zonder wijzigingen, afgezien van vertaling, te worden gebruikt. De lidstaten mogen derhalve niet verlangen dat andere bescheiden of aanvullende informatie worden overgelegd.

4. Het volledig en het vereenvoudigd prospectus kunnen de vorm aannemen van een schriftelijk document of van een andere door de bevoegde autoriteiten toegestane duurzame informatiedrager met een gelijkwaardige juridische status.

⎢2001/107/EG art. 1, punt 9 (aangepast)

5 √ 3 ∏ . Het jaarverslag moet √ bevat ∏ een balans of een vermogensstaat bevatten, een uitgesplitste rekening van de inkomsten en uitgaven van het boekjaar, een verslag over de activiteiten van het verstreken boekjaar en de overige informatie die in het bij deze richtlijn gevoegde √ bijlage I, ∏ schema B, wordt genoemdis opgenomen, alsmede alle van belang zijnde gegevens aan de hand waarvan de beleggers zich met kennis van zaken een oordeel kunnen vormen over de ontwikkeling van de werkzaamheden en over de resultaten van de icbe.

6 √ 4 ∏ . Het halfjaarlijks verslag moet √ bevat ∏ ten minste de gegevens bevatten die in de hoofdstukken I tot en met IV van het bij deze richtlijn gevoegde √ in bijlage I, schema B, afdelingen I tot en met IV ,∏ schema B worden genoemdzijn opgenomen. √Wanneer ∏ wanneer een icbe interim-dividend heeft uitgekeerd of voornemens is dat te doen, moeten in de kwantitatieve gegevens het resultaat na belasting over de verslagperiode en het uitgekeerde of voorgestelde interim-dividend worden vermeld.

⎢2001/108/EG art. 1, punt 14 (aangepast)

? nieuw

Artikel 65 24 bis

1. Het prospectus vermeldt de categorieën financiële activa waarin de icbe mag beleggen. Tevens vermeldt het of de icbe derivatentransacties mag verrichten; zo ja, dan wordt duidelijk vermeld of dat gebruik van derivaten mag dienen voor risicodekking dan wel ter verwezenlijking van beleggingsdoelstellingen, alsmede het mogelijke effect van het gebruik van derivaten op het risicoprofiel.

2. Belegt een icbe voornamelijk in een van de in artikel 19 √ 45 ∏ gedefinieerde categorieën activa, met uitzondering van effecten en geldmarktinstrumenten, of volgt zij een aandelen- of obligatie-index overeenkomstig artikel 22 bis √ 48 ∏, dan moet √ wordt ∏ in haar prospectus en indien nodig in ander reclamemateriaal ? haar publicitaire mededelingen ⎪ duidelijk de aandacht worden gevestigd op haar beleggingsbeleid.

3. Indien de liquidatiewaarde van een icbe als gevolg van de samenstelling van de portefeuille of de beheerstechnieken die gebruikt mogen worden, vermoedelijk een hoge volatiliteit zal hebben, wordt dat kenmerk van de icbe duidelijk vermeld in het haar prospectus en indien nodig in ander reclamemateriaal ? haar publicitaire mededelingen ⎪.

4. Op verzoek van een belegger moet √ verstrekt ∏ de beheermaatschappij ook aanvullende gegevens verstrekken betreffende de kwantitatieve begrenzingen die van toepassing zijn in het risicobeheer van de icbe, de daartoe gekozen methodes en de recente ontwikkeling van de risico's en rendementen van de voornaamste categorieën instrumenten.

⎢2001/107/EG art. 1, punt 10 (aangepast)

? nieuw

Artikel 66 29

1. Het fondsreglement of de statuten van de beleggingsmaatschappij maken een integrerend bestanddeel uit van het volledig prospectus waarbij zij moeten √ en ∏ worden √ bij dit prospectus ∏ gevoegd.

2. De in lid 1 bedoelde bescheiden behoeven echter niet bij het volledig prospectus te worden gevoegd indien de deelnemer ? belegger ⎪ ervan in kennis wordt gesteld dat hij op zijn verzoek die bescheiden kan verkrijgen, dan wel kan vernemen waar deze in elke lidstaat waar de rechten van deelneming worden aangeboden √ worden verhandeld ∏ , ter inzage liggen.

⎢2001/107/EG art. 1, punt 11 (aangepast)

? nieuw

Artikel 67 30

De in het vereenvoudigd en het volledig prospectus ? prospectus ⎪ opgenomen gegevens van wezenlijk belang moeten √ worden ∏ regelmatig worden bijgewerkt.

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

Artikel 68 31

De in het jaarverslag vermelde boekhoudkundige gegevens moeten worden gecontroleerd door één of meer personen die overeenkomstig Richtlijn √ 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad ∏[32] 84/253/EEG van 10 april 1984 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag inzake de toelating van personen, belast met de wettelijke controle van boekhoudbescheiden krachtens de wet bevoegd zijn om jaarrekeningen te controleren. De verklaring van deze personen en, in voorkomend geval hun voorbehouden, moeten integraal in elk jaarverslag worden opgenomen.

⎢2001/107/EG art. 1, punt 12 (aangepast)

ð nieuw

Artikel 69 32

De icbe's moeten √ zenden ∏ hun vereenvoudigde en volledige prospectussen ? prospectus ⎪ en de wijzigingen daarvan, almede hun jaar- en halfjaarlijkse verslagen aan de bevoegde autoriteiten toezenden.

⎢2001/107/EG art. 1, punt 13 (nieuw)

Artikel 70 33

1. Het vereenvoudigd prospectus moet vóór het aangaan van de overeenkomst kosteloos aan de inschrijvers worden aangeboden.

Bovendien moeten inschrijvers het volledig prospectus, alsmede het laatst gepubliceerde jaar- en halfjaarlijkse verslag, op verzoek kosteloos kunnen verkrijgen.

2. De jaar- en halfjaarlijkse verslagen worden op verzoek kosteloos aan de deelnemers verstrekt.

3. De jaar- en halfjaarlijkse verslagen moeten door het publiek kunnen worden ingezien op de plaatsen of met behulp van andere door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde middelen die in het volledig en het vereenvoudigd prospectus zijn vermeld.

∫ nieuw

1. Beleggers kunnen het prospectus en het laatst gepubliceerde jaar- en halfjaarlijkse verslag op verzoek kosteloos verkrijgen.

2. Het prospectus kan op een duurzame informatiedrager of in elektronische vorm worden verstrekt.

3. De jaar- en halfjaarlijkse verslagen zijn voor de beleggers beschikbaar op de wijze die in het prospectus en in de artikel 73 bedoelde essentiële beleggersinformatie wordt vermeld.

4. De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen waarin wordt aangegeven aan welke voorwaarden moet worden voldaan als het prospectus wordt verstrekt op een andere duurzame drager dan papier of via een website die geen duurzame drager vormt.

Deze uitvoeringsmaatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 107, lid 2.

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

AFDELING 2

B. OPENBAARMAKING VAN ANDERE INFORMATIE GEGEVENS

ARTIKEL 71 34

Telkens wanneer rechten van deelneming worden uitgegeven, verkocht, ingekocht of terugbetaald, en ten minste tweemaal per maand, moet √ maakt ∏ de icbe de emissiekoers, de verkoop- respectievelijk inkoopprijs en het bedrag van de terugbetaling op passende wijze bekendmaken.

De bevoegde autoriteiten kunnen evenwel aan een icbe toestaan zulks slechts eenmaal per maand te doen, mits de belangen van de deelnemers door deze afwijking niet worden geschaad.

⎢2001/107/EG art. 1, punt 14 (nieuw)

Artikel 7235

In alle reclame waarin rechten van deelneming in een icbe te koop worden aangeboden, moet het bestaan van prospectussen worden vermeld, alsmede de plaatsen waar zij voor het publiek verkrijgbaar zijn of de wijze waarop zij voor het publiek toegankelijk zijn.

∫ nieuw

Publicitaire mededelingen zijn duidelijk als zodanig herkenbaar. Ze zijn correct, duidelijk en niet misleidend en de informatie die daarin is opgenomen, is in overeenstemming met de informatie in het prospectus en met de in artikel 73 bedoelde essentiële beleggersinformatie. Ze vermelden het bestaan van een prospectus en van de in artikel 73 bedoelde essentiële beleggersinformatie, alsmede waar en in welke taal deze informatie of stukken voor beleggers of potentiële beleggers verkrijgbaar zijn of hoe deze voor hen toegankelijk zijn.

AFDELING 3

ESSENTIËLE BELEGGERSINFORMATIE

Artikel 73

1. De lidstaten schrijven voor dat de beleggingsmaatschappij, en de beheermaatschappij voor elk door haar beheerd beleggingsfonds, een kort document met de essentiële beleggersinformatie moet opstellen.

2. De essentiële beleggersinformatie biedt beleggers deugdelijke productinformatie over de voornaamste kenmerken van de icbe in kwestie zodat zij redelijkerwijs in staat zijn de aard en de risico's van het aangeboden beleggingsproduct te begrijpen en derhalve met kennis van zaken beleggingsbeslissingen te nemen.

3. De essentiële beleggersinformatie bevat informatie over ten minste de volgende essentiële elementen van de icbe in kwestie:

a) een korte beschrijving van haar beleggingsdoelstellingen en beleggingsbeleid;

b) een presentatie van de in het verleden behaalde resultaten;

c) kosten en bijbehorende lasten;

d) het risico-opbrengstprofiel van de belegging, waaronder voldoende toelichting op en waarschuwingen voor de risico's die aan beleggingen in de relevante icbe verbonden zijn.

4. De essentiële beleggersinformatie vermeldt duidelijk waar en hoe aanvullende informatie over de aangeboden belegging kan worden verkregen, en vermeldt in elk geval waar en hoe het prospectus en de jaar- en halfjaarlijkse verslagen te allen tijde kosteloos kunnen worden verkregen en in welke taal dergelijke informatie voor de beleggers beschikbaar is.

5. De essentiële beleggersinformatie wordt beknopt en in niet-technische bewoordingen beschreven. De informatie is opgesteld volgens een gemeenschappelijk model dat vergelijking mogelijk maakt en door de presentatie ervan te begrijpen voor kleine beleggers.

6. De essentiële beleggersinformatie wordt in alle lidstaten waarin de icbe overeenkomstig artikel 88 ervan in kennis is gesteld dat zij haar rechten van deelneming mag verhandelen, gebruikt zonder dat deze, afgezien van vertaling, wordt gewijzigd.

7. De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen voor het volgende:

a) de inhoud van de aan beleggers te verstrekken essentiële beleggersinformatie als bedoeld in de leden 2, 3 en 4;

b) de inhoud van de essentiële beleggersinformatie die in de volgende gevallen aan beleggers moet worden verstrekt:

i) voor icbe's met verschillende beleggingscompartimenten: de essentiële beleggersinformatie die moet worden verstrekt aan beleggers die op een bepaald beleggingscompartiment inschrijven, waaronder informatie over de wijze waarop van het ene naar het andere beleggingscompartiment kan worden overgestapt, en over de kosten die daaraan verbonden zijn;

ii) voor icbe's die verschillende categorieën van aandelen aanbieden: de essentiële beleggersinformatie die moet worden verstrekt aan beleggers die op een bepaalde aandelencategorie inschrijven;

iii) voor dakfondsconstructies: de essentiële beleggersinformatie die moet worden verstrekt aan beleggers die inschrijven op een icbe die zelf belegt in andere icbe's of andere instellingen voor collectieve belegging als bedoeld in artikel 45, lid 1, onder e);

iv) voor master-feederconstructies: de essentiële beleggersinformatie die moet worden verstrekt aan beleggers die op een feeder-icbe inschrijven;

v) voor ter beurze verhandelde icbe's: de essentiële beleggersinformatie die moet worden verstrekt aan beleggers die op een ter beurze verhandelde icbe inschrijven;

vi) voor gestructureerde icbe's, icbe's met kapitaalbescherming en andere vergelijkbare icbe's: de essentiële beleggersinformatie die moet worden verstrekt aan beleggers die inschrijven op gestructureerde icbe's, icbe's met kapitaalbescherming of andere vergelijkbare icbe's die over een bepaalde tijdshorizon een van tevoren vastgestelde uitbetaling bieden die volledig afhangt van bepaalde parameters zoals de ontwikkeling van een bepaalde index;

c) vorm en inhoud van de essentiële beleggersinformatie die overeenkomstig lid 5 aan beleggers moet worden verstrekt.

Deze uitvoeringsmaatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 107, lid 2.

Artikel 74

1. De essentiële beleggersinformatie is precontractuele informatie. De informatie is correct, duidelijk en niet-misleidend. De informatie is in overeenstemming met de relevante delen van het prospectus.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat een persoon niet enkel op basis van de essentiële beleggersinformatie of de vertaling daarvan civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld, tenzij deze misleidend, onnauwkeurig of niet in overeenstemming met de relevante delen van het prospectus is. De essentiële beleggersinformatie bevat een duidelijke waarschuwing ter zake.

Artikel 75

1. De lidstaten schrijven voor dat de beleggingsmaatschappij, en de beheermaatschappij voor elk door haar beheerd beleggingsfonds, die rechtstreeks of via een verbonden agent icbe's verkoopt, de beleggers geruime tijd voor hun voorgenomen inschrijving op de rechten van deelneming in deze icbe's de essentiële beleggersinformatie over deze icbe's moet verstrekken.

2. De lidstaten schrijven voor dat de beleggingsmaatschappij, en de beheermaatschappij voor elk door haar beheerd beleggingsfonds, die niet rechtstreeks of via een verbonden agent icbe's verkoopt, de essentiële beleggersinformatie moet verstrekken aan productontwikkelaars en intermediairs die beleggers icbe's of producten die posities in deze icbe's vertegenwoordigen, verkopen of advies verlenen over mogelijke beleggingen daarin, zodat zij hun cliënten of potentiële cliënten alle relevante informatie over de aangeboden belegging kunnen verstrekken overeenkomstig de informatievereisten die ingevolge het relevante communautaire en nationale recht voor hen gelden.

Artikel 76

1. De lidstaten staan de beleggingsmaatschappij, en de beheermaatschappij voor elk door haar beheerd beleggingsfonds, toe de essentiële beleggersinformatie op een duurzame informatiedrager of via een website te leveren.

2. De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen waarin wordt aangegeven aan welke voorwaarden moet worden voldaan als de essentiële beleggersinformatie wordt geleverd op een andere duurzame drager dan papier of via een website die geen duurzame drager vormt.

Deze uitvoeringsmaatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 107, lid 2.

Artikel 77

1. De icbe's zenden hun essentiële beleggersinformatie en wijzigingen daarin toe aan de bevoegde autoriteiten van hun lidstaat van herkomst.

2. De essentiële elementen van de essentiële beleggersinformatie worden regelmatig bijgewerkt.

ê 85/611/EEG

HOOFDSTUK XAFDELING VII

Algemene verplichtingen van de icbe

⎢85/611/EEG

Artikel 78 36

1. Geldleningen mogen niet worden aangegaan door:

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

√a) ∏ beleggingsmaatschappijen,

√b) ∏beheermaatschappijen of bewaarders die namens voor rekening van beleggingsfondsen handelen.

⎢85/611/EEG

Een icbe mag echter door middel van een "back-to-back"-lening deviezen verwerven.

2. In afwijking van lid 1 kunnen de Lid-Staten lidstaten aan icbe's toestaan leningen aan te gaan

a) tot 10%

- van de activa, ten aanzien van beleggingsmaatschappijen,

- van het fondsvermogen, ten aanzien van een beleggingsfonds,

mits het gaat om tijdelijke leningen;

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

b) tot 10% van de activa, ten aanzien van beleggingsmaatschappijen, mits het gaat om leningen voor de verwerving van onroerende goederen die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun werkzaamheden. In dat geval mogen deze en de onder a) bedoelde leningen gezamenlijk niet meer bedragen dan 15% van de activa.

Artikel 79 37

1. Een icbe is gehouden √ koopt ∏ op verzoek van een deelnemer haar rechten van deelneming in te kopen of terug te betalen √ betaalt deze terug op verzoek van een deelnemer∏ .

2. In afwijking van lid 1:

a) kan een icbe de inkoop of terugbetaling van haar rechten van deelneming voorlopig opschorten in de gevallen en volgens de regels bepaald door de wet, het fondsreglement of de statuten van een beleggingsmaatschappij. Opschorting is slechts mogelijk in uitzonderlijke gevallen, wanneer de omstandigheden zulks vergen en, wanneer opschorting gelet op de belangen van de deelnemers, verantwoord is;

b) kunnen de Lid-Staten lidstaten √ van herkomst van een icbe ∏ de hun bevoegde autoriteiten toestaan in het belang van de deelnemers of in het algemeen belang te eisen dat de inkoop of terugbetaling van de rechten van deelneming wordt opgeschort.

3. In de in lid 2, onder a), bedoelde gevallen moet deelt de icbe haar besluit onverwijld mededelen aan de bevoegde autoriteiten, en aan de autoriteiten van de andere lidstaten Lid-Staten indien de icbe aldaar haar rechten van deelneming verhandelt.

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

Artikel 80 38

De regels voor de waardering van de activa en voor de berekening van de koers van uitgifte, verkoop, inkoop of terugbetaling van de rechten van deelneming in een icbe , moeten zijn vastgelegd in de wet, het fondsreglement of de statuten van de beleggingsmaatschappij.

Artikel 81 39

De opbrengsten van het beleggingsfonds of van de beleggingsmaatschappij worden uitgekeerd of herbelegd overeenkomstig de wetgeving en het fondsreglement of de statuten van de beleggingsmaatschappij.

Artikel 82 40

Rechten van deelneming in een icbe mogen √ worden ∏ slechts worden uitgegeven mits de tegenwaarde van de netto-uitgifteprijs binnen de gebruikelijke termijnen in het vermogen van de icbe wordt gestort. Deze bepaling vormt geen beletsel voor het gratis verstrekken van rechten van deelneming.

Artikel 83 41

1. 1. Onverminderd de artikelen 19 en 21 √ 45 en 46 ∏ mag

√a) ∏ noch de beleggingsmaatschappij,

√b) ∏ noch de beheermaatschappij of de bewaarder, optredend namens voor rekening van beleggingsfondsen,

⎢85/611/EEG

voor rekening van namens derden kredieten verstrekken of zich garant stellen.

⎢2001/108/EG art. 1, punt 20 (aangepast)

2. Lid 1 belet bovengenoemde instellingen niet om niet volgestorte effecten, geldmarktinstrumenten of andere in artikel √ 45, ∏ 19, lid 1, onder e), g) en h), bedoelde financiële instrumenten te verwerven.

⎢2001/108/EG art. 1, punt 21 (aangepast)

Artikel 84 42

Verkopen vanuit een ongedekte positie met betrekking tot effecten, geldmarktinstrumenten of andere in artikel 19 Ö 45 Õ, lid 1, onder e), g) en h), bedoelde financiële instrumenten mogen niet worden verricht door:

⎢2001/108/EG art. 1, punt 21 (aangepast)

√a) ∏ beleggingsmaatschappijen,

√b) ∏beheermaatschappijen of bewaarder, optredend namens voor rekening van beleggingsfondsen.

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

? nieuw

Artikel 85 43

In de wet of het fondsreglement moeten √ worden ∏ de vergoedingen en uitgaven worden vermeld welke de beheermaatschappij ten laste van het beleggingsfonds mag inhouden, alsmede de wijze van berekening van deze vergoedingen.

In de wet of de statuten van de beleggingsmaatschappij moet √ wordt ∏ de aard van de voor rekening van de maatschappij komende kosten worden vermeld.

HOOFDSTUK XI AFDELINGVIII

Bijzondere bepalingen voor icbe's die hun rechten van deelneming verhandelen in andere Lid-Staten lidstaten dan die waar zij zich bevinden √ gevestigd zijn ∏

Artikel 86 44

1. Een icbe die haar rechten van deelneming in een andere Lid-Staat verhandelt, moet zich houden aan de in die Staat geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die geen betrekking hebben op de gebieden waarop deze richtlijn van toepassing is.

2. Een icbe mag reclame maken in de Lid-Staat van verhandeling. Zij moet de in die Staat geldende bepalingen inzake reclame naleven.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde bepalingen moeten op niet-discriminerende wijze worden toegepast.

∫ nieuw

1. De lidstaten van ontvangst van icbe's zorgen ervoor dat icbe's na de kennisgeving ingevolge artikel 88 hun rechten van deelneming op hun grondgebied kunnen verhandelen.

2. De lidstaten van ontvangst van icbe's leggen de in lid 1 bedoelde icbe's geen aanvullende verplichtingen of administratieve procedure op op de gebieden waarop deze richtlijn van toepassing is.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat alle informatie over de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die geen betrekking hebben op de gebieden waarop deze richtlijn van toepassing is, en die van belang zijn voor de verhandeling op hun grondgebied van rechten van deelneming van icbe's die in een andere lidstaat zijn gevestigd, op afstand en langs elektronische weg gemakkelijk toegankelijk is. De lidstaten zorgen ervoor dat deze informatie beschikbaar is in een taal die in de internationale financiële wereld gebruikelijk is, duidelijk en ondubbelzinnig is en regelmatig wordt bijgewerkt.

⎢ 85/611/EEG (nieuw)

Artikel 87 45

In het in artikel 44 bedoelde geval moet de icbe √ Icbe's treffen ∏, met inachtneming van de in de Lid-Staat lidstaat van verhandeling √ van ontvangst ∏ geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, onder meer de nodige maatregelen treffen opdat aldaar zorg wordt gedragen voor de uitkeringen aan de deelnemers, de inkoop van of terugbetaling op de rechten van deelneming alsmede de verspreiding van de informatie die icbe's de icbe moeten verstrekken, wordt zorg gedragen.

⎢2001/107/EG art. 1, punt 15 (aangepast)

? nieuw

Artikel 88 46

√ 1. ∏ Indien een icbe voornemens is haar rechten van deelneming te verhandelen in een andere lidstaat dan die waar zij gevestigd is, moet ? zendt ⎪ zij de bevoegde autoriteiten van die andere ? van haar ⎪ lidstaat ? van herkomst een kennisgeving.⎪ daarvan vooraf in kennis stellen. Aan deze autoriteiten moet zij tegelijkertijd de volgende stukken voorleggen:

De kennisgeving bevat informatie over de verhandelingsregeling voor de rechten van deelneming van de icbe in die lidstaat.

2. Een icbe voegt bij de in lid 1 bedoelde kennisgeving de meest recente versie van het volgende:

een verklaring van de bevoegde autoriteiten dat zij voldoet aan de in deze richtlijn gestelde voorwaarden,

a) haar fondsreglement of statuten, haar prospectus en in voorkomend geval haar meest recente jaarverslag en indien van toepassing het daaropvolgende halfjaarlijkse verslag, ? vertaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 89, lid 1, onder c) en d); ⎪

- nadere gegevens over de beoogde wijze van verhandeling van haar rechten van deelneming in deze andere lidstaat.

De beleggingsmaatschappij of beheermaatschappij kan twee maanden na deze mededeling overgaan tot de verhandeling van haar rechten van deelneming in deze andere lidstaat, tenzij de autoriteiten van de betrokken lidstaat vóór het verstrijken van de termijn van twee maanden in een met redenen omkleed besluit constateren dat de beoogde wijze van verhandeling van rechten van deelneming niet in overeenstemming is met de in artikel 44, lid 1, en artikel 45 bedoelde bepalingen.

∫ nieuw

b) haar in artikel 73 bedoelde essentiële beleggersinformatie, vertaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 89, lid 1, onder b) en d).

3. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe gaan na of de door de icbe overeenkomstig de leden 1 en 2 ingediende documentatie volledig is.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe zenden de volledige in de leden 1 en 2 bedoelde documentatie uiterlijk een maand na de datum van ontvangst van de kennisgeving door naar de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin de icbe haar rechten van deelneming wil verhandelen. Zij voegen bij de documentatie een verklaring dat de icbe voldoet aan de in deze richtlijn gestelde voorwaarden.

Na doorzending van de documentatie stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe de icbe onmiddellijk daarvan in kennis. De icbe kan vanaf de datum van deze kennisgeving onmiddellijk beginnen met de verhandeling van haar rechten van deelneming in de lidstaat van ontvangst.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde kennisgeving en de in lid 3 bedoelde verklaring zijn gesteld in een taal die in de internationale financiële wereld gebruikelijk is.

5. De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten er genoegen mee nemen dat de in lid 3 bedoelde documenten elektronisch worden doorgezonden en ingediend.

6. Voor de toepassing van de kennisgevingsprocedure van dit artikel eisen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin een icbe haar rechten van deelneming wil verhandelen, geen aanvullende documenten, verklaringen of andere informatie dan die waarin dit artikel voorziet.

7. De lidstaat van herkomst van de icbe zorgt ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van de icbe langs elektronische weg toegang hebben tot de in lid 2 bedoelde documenten en eventuele vertalingen ervan en dat deze documenten en vertalingen regelmatig worden bijgewerkt.

8. In geval van wijziging van de overeenkomstig lid 1 in de kennisgeving verstrekte informatie over de verhandelingsregeling stelt de icbe de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst schriftelijk van de desbetreffende wijziging in kennis, zulks ten minste een maand voordat de wijziging plaatsvindt.

⎢2001/107/EG art. 1, punt 16

Artikel 89 47

Indien een icbe haar rechten van deelneming verhandelt in een andere lidstaat dan die waarin zij gevestigd is, moet zij in die lidstaat volgens dezelfde regels als die welke in de lidstaat van herkomst gelden, het volledig en het vereenvoudigd prospectus, de jaar- en halfjaarlijkse verslagen en de overige in de artikelen 29 en 30 bedoelde gegevens verspreiden.

Deze bescheiden moeten verstrekt worden in de officiële taal of in één van de officiële talen van de lidstaat van ontvangst, dan wel in een taal die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst is goedgekeurd.

∫ nieuw

1. Indien een icbe haar rechten van deelneming in een lidstaat van ontvangst verhandelt, verstrekt zij de beleggers op het grondgebied van deze lidstaat alle informatie en documenten die zij ingevolge hoofdstuk IX aan de beleggers in haar lidstaat van herkomst moet verstrekken.

Deze informatie en documenten worden de beleggers overeenkomstig de volgende voorschriften verstrekt:

a) onverminderd de bepalingen van hoofdstuk IX worden de informatie/en of documenten op de in de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaat van ontvangst voorgeschreven wijze aan de beleggers verstrekt;

b) de in artikel 73 bedoelde essentiële beleggersinformatie wordt vertaald in de officiële taal of in een van de officiële talen van de lidstaat van ontvangst van de icbe dan wel in een taal die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van de icbe is goedgekeurd;

c) andere informatie of documenten dan de in artikel 73 bedoelde essentiële beleggersinformatie worden naar keuze van de icbe vertaald in de officiële taal of in een van de officiële talen van de lidstaat van ontvangst van de icbe dan wel in een taal die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van de icbe is goedgekeurd, of in de internationale financiële wereld gebruikelijk is;

d) De icbe is verantwoordelijk voor de levering van vertalingen van de informatie en/of documenten ingevolge b) en c). Deze vertalingen vormen een getrouwe weergave van het origineel.

2. De vereisten van lid 1 zijn ook van toepassing op de wijzigingen in de in dat lid bedoelde informatie en documenten.

3. De regelmaat waarmee de emissiekoers, de verkoop- respectievelijk inkoopprijs en het bedrag van de terugbetaling overeenkomstig artikel 71 bekend worden gemaakt, hangt af van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaat van ontvangst.

Artikel 90

1. De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen voor of met het oog op het volgende:

a) de vorm en het toepassingsgebied van de in artikel 86, lid 3, bedoelde informatie;

b) de toepassing van de procedure van artikel 88 op de verhandeling van rechten van deelneming van beleggingscompartimenten van icbe's wanneer van de verhandeling van rechten van deelneming van deze icbe's al overeenkomstig artikel 88 kennis is gegeven in de lidstaat van ontvangst van de icbe;

c) de toepassing van de procedure van artikel 88 op de verhandeling van nieuwe categorieën van aandelen van icbe's wanneer van de verhandeling van andere categorieën van aandelen van deze icbe's al overeenkomstig artikel 88 kennis is gegeven in de lidstaat van ontvangst van de icbe;

d) een vergemakkelijking van de op grond van artikel 88, lid 7, vereiste toegang van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst van icbe's tot de informatie en/of documenten als bedoeld in artikel 88, leden 1, 2 en 3.

Deze uitvoeringsmaatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 107, lid 2.

2. De Commissie kan ook uitvoeringsmaatregelen vaststellen voor het volgende:

a) vorm en inhoud van een door een icbe te gebruiken standaardmodel van de in artikel 88, lid 1, bedoelde kennisgeving;

b) vorm en inhoud van een door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te gebruiken standaardmodel van de in artikel 88, lid 3, bedoelde verklaring;

c) de procedure voor de uitwisseling van informatie en voor de gebruikmaking van elektronische communicatie tussen de bevoegde autoriteiten in verband met de kennisgeving ingevolge artikel 88.

Deze uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 107, lid 3.

⎢ 85/611/EEG (nieuw)

Artikel 91 48

Icbe's mogen voor √ Voor ∏ de uitoefening van hun werkzaamheden in de Gemeenschap √ mogen icbe's in hun benaming in hun lidstaat van ontvangst ∏ dezelfde soortnaam √ verwijzing naar hun rechtsvorm ∏, zoals beleggingsmaatschappij of beleggingsfonds, bezigen als die welke zij gebruiken in de Lid-Staat waar zij zich bevinden √ hun lidstaat van herkomst ∏. Indien gevaar voor verwarring bestaat kunnen de Lid-Staten van verhandeling ter verduidelijking eisen dat er aan de benaming een verklarende vermelding wordt toegevoegd.

HOOFDSTUK XII AFDELING IX

Bepalingen betreffende de autoriteiten die met het verstrekken van toelatingen en met het toezicht zijn belast

Artikel 92 49

1. De Lid-Staten lidstaten wijzen de autoriteiten aan die de in deze richtlijn vermelde taken moeten uitoefenen. Zij stellen de Commissie daarvan in kennis onder opgave van de eventuele verdeling van hun bevoegdheden.

2. De in lid 1 bedoelde √ bevoegde ∏ autoriteiten moeten √ zijn ∏ overheidslichamen of door de overheid aangewezen instanties zijn.

3. De autoriteiten van de Lid-Staat waar de icbe zich bevindt, √ lidstaat van herkomst van de icbe ∏ zijn bevoegd ter zake van het toezicht op de icbe. De autoriteiten van de Staat waar een icbe overeenkomstig artikel 44 haar rechten van deelneming verhandelt, √ lidstaat van ontvangst van de icbe ∏ zien evenwel toe op de naleving van de artikelen 87 en 89 en vanAfdeling VIII √ de bepalingen die geen betrekking hebben op de gebieden waarop deze richtlijn van toepassing is. ∏

4. Om hun taak naar behoren te kunnen vervullen dienen de autoriteiten over alle nodige bevoegdheden en controlemogelijkheden te beschikken.

∫ nieuw

Artikel 93

1. Aan de bevoegde autoriteiten worden alle controle- en onderzoekbevoegdheden verleend die nodig zijn voor de vervulling van hun taken. Deze bevoegdheden worden uitgeoefend op een van de volgende wijzen:

a) rechtstreeks;

b) in samenwerking met andere autoriteiten;

c) op hun verantwoordelijkheid middels delegatie aan entiteiten waaraan taken zijn gedelegeerd;

d) middels een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instanties.

2. De in lid 1 bedoelde bevoegdheden omvatten ten minste het recht om:

a) toegang te verkrijgen tot ieder document, in enigerlei vorm, en een afschrift daarvan te ontvangen;

b) aanvullende inlichtingen te verlangen van iedere persoon en zo nodig een persoon op te roepen en te ondervragen om inlichtingen te verkrijgen;

c) inspecties ter plaatse te verrichten;

d) bestaande overzichten van telefoon- en dataverkeer te verlangen;

e) te verlangen dat elke praktijk die in strijd is met de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen, wordt beëindigd;

f) de bevriezing van en/of beslaglegging op activa te eisen;

g) een tijdelijk verbod op beroepsuitoefening te eisen;

h) informatie te verlangen van vergunninghoudende beleggingsmaatschappijen, beheermaatschappijen en bewaarders;

i) elke maatregel te nemen om ervoor te zorgen dat beleggingsmaatschappijen, beheermaatschappijen en bewaarders zich aan de wettelijke voorschriften blijven houden;

j) in het belang van de deelnemers of in het algemeen belang de opschorting te verlangen van de inkoop of terugbetaling van rechten van deelneming van de deelnemers;

k) de aan een icbe, beheermaatschappij of bewaarder verleende vergunning in te trekken;

l) strafrechtelijke vervolgingsprocedures in te leiden;

m) toe te staan dat verificatie en onderzoek wordt verricht door een accountant of deskundige.

Artikel 94

1. De lidstaten stellen de voorschriften vast ten aanzien van de sancties die gelden voor overtredingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen van nationaal recht en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties ook worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Onverminderd de voorschriften ten aanzien van de sancties die gelden voor overtredingen van de andere ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen van nationaal recht, stellen de lidstaten in het bijzonder doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties vast met betrekking tot de in artikel 73, lid 5, neergelegde verplichting om essentiële beleggersinformatie op zodanige wijze te presenteren dat zij te begrijpen is voor kleine beleggers.

2. De lidstaten bepalen dat de bevoegde autoriteiten iedere maatregel of sanctie die wordt opgelegd voor schending van de bij deze richtlijn aangenomen bepalingen openbaar mogen maken, tenzij deze openbaarmaking de financiële markten ernstig in gevaar zou brengen of onevenredige schade zou toebrengen aan de betrokken partijen.

Artikel 95

1. De lidstaten zorgen ervoor dat efficiënte en doeltreffende klachten- en verhaalsprocedures worden ingevoerd voor de buitengerechtelijke beslechting van consumentengeschillen betreffende de werkzaamheden van icbe's, waarbij in voorkomend geval van bestaande organen gebruik wordt gemaakt.

2. De lidstaten dragen er zorg voor dat de doeltreffende samenwerking tussen de in lid 1 bedoelde organen bij de beslechting van grensoverschrijdende geschillen niet wordt gehinderd door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen.

⎢ 85/611/EEG (nieuw)

Artikel 96 50

1. De in artikel 49 bedoelde autoriteiten van de Lid-Staten werken nauw samen bij de vervulling van hun taak en verstrekken elkaar uitsluitend met het oog daarop alle vereiste inlichtingen.

∫ nieuw

1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten werken onderling samen wanneer dat nodig is voor de vervulling van hun taken uit hoofde van deze richtlijn of voor de uitoefening van hun bevoegdheden uit hoofde van deze richtlijn of het nationale recht.

De lidstaten nemen de nodige administratieve en organisatorische maatregelen om de in dit lid bedoelde samenwerking te vergemakkelijken.

De bevoegde autoriteiten wenden hun bevoegdheden ten behoeve van de samenwerking aan, zelfs in de gevallen waarin de onderzochte gedraging niet strijdig is met in de betrokken lidstaat van kracht zijnde regelgeving.

2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten voorzien elkaar onmiddellijk van alle gegevens die nodig zijn voor de uitoefening van hun taken uit hoofde van deze richtlijn.

3. De bevoegde autoriteiten van een lidstaat kunnen om de medewerking van de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat verzoeken bij toezichtactiviteiten of voor verificatie ter plaatse of bij een onderzoek op het grondgebied van laatstgenoemde autoriteiten in het kader van hun bevoegdheden uit hoofde van deze richtlijn. Wanneer een bevoegde autoriteit een verzoek met betrekking tot een verificatie ter plaatse of bij een onderzoek ontvangt, zal zij:

a) de verificatie of het onderzoek zelf verrichten,

b) de verzoekende autoriteiten toestemming verlenen om de verificatie of het onderzoek te verrichten, of

c) toestaan dat de verificatie of het onderzoek wordt verricht door een accountant of deskundige.

4. Indien de verificatie of het onderzoek op het grondgebied van een lidstaat wordt verricht door de bevoegde autoriteit van deze lidstaat zelf, kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat die om medewerking heeft verzocht, vragen dat leden van haar eigen personeel meegaan met het personeel dat de verificatie of het onderzoek verricht. De verificatie of het onderzoek wordt evenwel verricht onder de algemene verantwoordelijkheid van de lidstaat op wiens grondgebied de verificatie of het onderzoek plaatsvindt.

Indien de verificatie of het onderzoek op het grondgebied van een lidstaat wordt verricht door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat op wiens grondgebied de verificatie of het onderzoek plaatsvindt, verzoeken dat leden van haar eigen personeel meegaan met het personeel dat de verificatie of het onderzoek verricht.

5. De bevoegde autoriteiten kunnen alleen weigeren gegevens uit te wisselen overeenkomstig lid 2 of in te gaan op een verzoek om medewerking bij het verrichten van een onderzoek of verificatie ter plaatse overeenkomstig lid 3 wanneer:

a) dit onderzoek of deze verificatie ter plaatse of uitwisseling van gegevens gevaar zou kunnen opleveren voor de soevereiniteit, de veiligheid of de openbare orde van de aangezochte lidstaat;

b) voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen reeds een gerechtelijke procedure is ingeleid bij de autoriteiten van de aangezochte lidstaat;

c) tegen dezelfde personen en voor dezelfde feiten in de aangezochte lidstaat reeds een onherroepelijke uitspraak is gedaan.

6 De bevoegde autoriteiten stellen de verzoekende bevoegde autoriteiten in kennis van elke beslissing die op grond van lid 5 is genomen. Deze kennisgeving bevat informatie over de beweegredenen voor hun beslissing.

7. De bevoegde autoriteiten kunnen de volgende situaties onder de aandacht brengen van het Comité van Europese effectenregelgevers[33]:

a) situaties waarin een verzoek om uitwisseling van informatie overeenkomstig artikel 104 niet binnen een redelijke termijn is gehonoreerd, of is afgewezen;

b) situaties waarin een verzoek om een onderzoek of een verificatie overeenkomstig artikel 105 niet binnen een redelijke termijn is gehonoreerd, of is afgewezen;

c) situaties waarin een verzoek om toestemming dat hun eigen ambtenaren meegaan met de ambtenaren van de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat, niet binnen een redelijke termijn is gehonoreerd, of is afgewezen.

8. De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen voor de procedures voor onderzoeken en verificaties ter plaatse.

Deze uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 107, lid 3.

⎢95/26/EG art. 4, lid 7 (aangepast)

Artikel 97

2 √1 ∏. De Lid-Staten lidstaten bepalen dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten, alsmede accountants of deskundigen die in opdracht van de bevoegde autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn. Dit houdt in dat de vertrouwelijke gegevens waarvan zij beroepshalve kennis krijgen, aan geen enkele persoon of autoriteit mogen worden doorgegeven, behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat icbe's alsmede beheermaatschappijen en bewaarders (hierna genoemd "ondernemingen die bij hun bedrijf betrokken zijn" te noemen) niet individueel kunnen worden geïdentificeerd, zulks onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen.

Indien een icbe of een onderneming die bij haar bedrijf betrokken is, failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden geliquideerd, mogen echter vertrouwelijke gegevens die geen betrekking hebben op derden welke betrokken zijn bij pogingen om de onderneming te redden, in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures worden doorgegeven.

3 √ 2. ∏Lid 2 √ 1 ∏ belet niet dat tussen de bevoegde autoriteiten van de verschillende Lid-Staten lidstaten uitwisseling van gegevens plaatsvindt zoals bedoeld in deze richtlijn en in de andere richtlijnen die van toepassing zijn op icbe's of ondernemingen die bij hun bedrijf betrokken zijn. Deze gegevens vallen onder het in lid 2 √ 1 ∏ bedoelde beroepsgeheim.

⎢2000/64/EG art. 1 (aangepast)

4 √ 3. ∏De lidstaten mogen met de bevoegde autoriteiten van derde landen of met de autoriteiten of instanties van derde landen, zoals gedefinieerd in √ zoals genoemd in lid 5 van dit artikel en artikel 98, lid 1, ∏ de leden 6 en 7, alleen dan samenwerkingsovereenkomsten voor de uitwisseling van gegevens sluiten, als met betrekking tot de meegedeelde gegevens ten minste gelijkwaardige waarborgen inzake het beroepsgeheim gelden als de in dit artikel bedoelde. De uitwisseling van gegevens moet geschieden √ geschiedt ∏ ten behoeve van het uitoefenen van de toezichthoudende taak van de √ die ∏ genoemde autoriteiten of instanties.

Gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben meegedeeld en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten ingestemd hebben.

⎢95/26/EG art. 4, lid 6 (aangepast)

5 √ 4. ∏De bevoegde autoriteiten die uit hoofde van lid 2 of lid 3 √ de leden 1 of 2 ∏ vertrouwelijke gegevens ontvangen, mogen deze uitsluitend gebruiken voor √ in ∏ de uitoefening van hun taken √ gebruiken voor de volgende doeleinden ∏ :

√a) ∏ om te onderzoeken of wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toegang tot de werkzaamheden van icbe's of van ondernemingen die bij hun bedrijf betrokken zijn en ter vergemakkelijking van het toezicht op de voorwaarden waaronder de werkzaamheden worden uitgeoefend, de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle;, of

√(b) ∏ voor het opleggen van sancties; of

√c) ∏ in het kader van een administratief beroep tegen een besluit van de bevoegde autoriteiten,; of

√ d) ∏ bij rechtszaken die aanhangig zijn gemaakt overeenkomstig artikel √ 102 ∏ 51, lid 2.

6 √ 5. ∏De leden 2 en 5 √ 1 en 4 ∏ vormen geen belemmering voor de uitwisseling van gegevens √tussen de volgende bevoegde autoriteiten van één of meer lidstaten: ∏

a) binnen een Lid-Staat, wanneer daar verscheidene bevoegde autoriteiten zijn, of

b) binnen een zelfde Lid-Staat of tussen Lid-Staten, tussen de bevoegde autoriteiten en

√ i) ∏ de autoriteiten waaraan van overheidswege het toezicht op kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, verzekeringsondernemingen en andere financiële instellingen is opgedragen, alsmede de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële markten,;

√ii) ∏ de instanties die betrokken zijn bij liquidatie, faillissement en andere soortgelijke procedures betreffende icbe's en ondernemingen die bij hun bedrijf betrokken zijn,;

√ iii) ∏ de met de wettelijke controle van de jaarrekening van verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en andere financiële instellingen belaste personen,.

√ Met name vormen de leden 1 en 4 geen belemmering voor ∏ de vervulling √ door de bovengenoemde autoriteiten ∏ van hun toezichthoudende taak, en vormen evenmin een belemmering √ of ∏ voor de toezending aan de met het beheer van garantiestelsels belaste organen, van de gegevens die nodig zijn voor de vervulling van hun taak.

Deze gegevens √ De overeenkomstig de eerste alinea uitgewisselde informatie valt ∏ vallen onder het in lid 2 √ 1 ∏ bedoelde beroepsgeheim.

Artikel 98

7 √ 1 ∏ . Onverminderd de leden 2 tot en met 5 √ artikel 97, leden 1 tot en met 4, ∏ kunnen de Lid-Staten lidstaten toestaan dat uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen de bevoegde autoriteiten en

⎢95/26/EG art. 4, lid 7 (aangepast)

⎝1 95/26/EG art. 1, vierde streepje

√a) ∏de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe) ⎝1 √ icbe's ∏ of ondernemingen die bij haar bedrijf betrokken zijn ⎜ en andere soortgelijke procedures;, of

√b) ∏de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op personen die belast zijn met de wettelijke controle van de jaarrekening van verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en andere financiële instellingen.

√ 2. ∏ De Lid-Staten lidstaten die van de in de eerste alinea √ lid 1 ∏ vervatte √ afwijking ∏ mogelijkheid gebruikmaken, eisen dat minimaal aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

√a) ∏ de informatie is bestemd voor de uitoefening van de in de eerste alinea √ lid 1 ∏ bedoelde toezichthoudende taken;

√b) ∏ de in dit verband ontvangen informatie valt onder het in lid 2 √ artikel 97, lid 1, ∏ bedoelde beroepsgeheim;

√c) ∏ gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat Lid-Staat, mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben medegedeeld en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmede deze autoriteiten ingestemd hebben.

√ 3. ∏

De Lid-Staten lidstaten delen de Commissie en de overige Lid-Staten lidstaten de identiteit mede van de autoriteiten die op grond van dit lid √ lid 1 ∏ informatie mogen ontvangen.

8 √ 4 ∏ . Onverminderd de leden 2 tot en met 5 √ artikel 97, leden 1 tot en met 4, ∏ kunnen de Lid-Staten, lidstaten ter versterking van de stabiliteit van het financiële stelsel alsmede de integriteit ervan, toestaan dat uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten en instanties die wettelijk belast zijn met de opsporing en het onderzoek van inbreuken op het vennootschapsrecht.

√ 5. ∏ De Lid-Staten lidstaten die van de in de eerste alinea √ lid 4 ∏ vervatte √ afwijking ∏ mogelijkheid gebruikmaken, eisen dat minimaal aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

√a) ∏de informatie is bestemd voor de uitoefening van de in de eerste alinea √ lid 4 ∏ bedoelde taken;

√b) ∏de in dit verband ontvangen informatie valt onder het in lid 2 √ artikel 97, lid 1, ∏ bedoelde beroepsgeheim;

√c) ∏ gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat Lid-Staat, mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben medegedeeld en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmede deze autoriteiten ingestemd hebben.

√Voor de toepassing van punt c) delen de in lid 4 bedoelde autoriteiten of instanties aan de bevoegde autoriteiten die de informatie hebben verstrekt, de identiteit en de precieze opdracht mede van de personen aan wie deze informatie zal worden doorgegeven.∏

√ 6. ∏ Indien de in de eerste alinea √ lid 4 ∏ bedoelde autoriteiten of instanties in een Lid-Staat lidstaat bij de uitoefening van hun opsporings- of onderzoektaken een beroep doen op personen die op grond van hun specifieke deskundigheid met een opdracht worden belast en die geen openbaar ambt bekleden, kan de in de eerste alinea √ dat lid ∏ bedoelde mogelijkheid tot uitwisseling van informatie tot deze personen worden verruimd op de in de tweede alinea √ lid 5 ∏ genoemde voorwaarden.

Voor de toepassing van het laatste streepje van de tweede alinea delen de in de eerste alinea bedoelde autoriteiten of instanties aan de bevoegde autoriteiten die de informatie hebben verstrekt, de identiteit en de precieze opdracht mede van de personen aan wie deze informatie zal worden doorgegeven.

√ 7. ∏ De Lid-Staten lidstaten delen de Commissie en de overige Lid-Staten lidstaten de identiteit mede van de autoriteiten of instanties die op grond van dit lid √ lid 4 ∏ informatie mogen ontvangen.

De Commissie stelt vóór 31 december 2000 een verslag op over de toepassing van dit lid.

Artikel 99

9 √ 1 ∏ . Dit artikel houdt √ De artikelen 97 en 98 houden ∏ geen belemmering voor een bevoegde autoriteit in om aan de centrale banken en andere instanties met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit voor de uitoefening van hun taak dienstige gegevens mede te delen en houden voor deze autoriteiten of instanties evenmin een belemmering in om aan de bevoegde autoriteiten de gegevens toe te zenden die deze nodig hebben ter uitvoering van √ artikel 97, lid 4 ∏ lid 5. De in dit verband ontvangen gegevens vallen onder het in dit artikel √ 97, lid 1, ∏ bedoelde beroepsgeheim.

10 √ 2 ∏ . Dit artikel vormt √ De artikelen 97 en 98 vormen ∏ geen belemmering voor de bevoegde autoriteiten om de in de leden 2 tot en met 5 √ artikel 97, leden 1 tot en met 4, ∏ bedoelde gegevens mede te delen aan een clearinginstelling of een ander soortgelijk orgaan dat bij de nationale wetgeving is erkend voor het verstrekken van clearing- en afwikkelingsdiensten op een van de markten van hun lidstaat Lid-Staat, indien zij van oordeel zijn dat dit nodig is om de regelmatige werking van deze organen te garanderen in verband met het, zelfs potentiële, in gebreke blijven van een marktdeelnemer.

De in dit verband ontvangen gegevens vallen onder het in lid 2 √ artikel 97, lid 1, ∏ genoemde bedoelde beroepsgeheim.

De Lid-Staten lidstaten zien er evenwel op toe dat de uit hoofde van lid 3 √ artikel 97, lid 2, ∏ ontvangen gegevens in het in dit lid √ de eerste alinea van dit lid ∏ bedoelde geval niet kunnen worden doorgegeven, tenzij met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben verstrekt.

11 √ 3 ∏ . Bovendien √ Onverminderd artikel 97, leden 1 en 4,∏ mogen de lidstaten Lid-Staten, onverminderd de leden 2 en 5, op grond van wettelijke bepalingen de mededeling van bepaalde gegevens toestaan aan andere centrale overheidsdiensten die bevoegd zijn voor de wetgeving inzake het toezicht op icbe's en ondernemingen die bij hun bedrijf betrokken zijn, kredietinstellingen, financiële instellingen, beleggingsondernemingen en verzekeringsondernemingen, alsmede aan de inspecteurs die in opdracht van deze overheidsdiensten optreden.

Deze gegevens mogen echter alleen worden verstrekt wanneer zulks ter wille van het bedrijfseconomische toezicht nodig blijkt.

De Lid-Staten lidstaten bepalen echter dat de gegevens die op grond van de leden 3 en 6 √ artikel 97, leden 2 en 5, ∏ zijn ontvangen, in geen enkel geval op grond van dit lid mogen worden medegedeeld, tenzij met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben verstrekt.

∫ nieuw

Artikel 100

De Commissie kan uitvoeringsmaatregelen vaststellen voor de procedures voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten.

Deze uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 107, lid 3.

⎢95/26/EG art. 5 (aangepast)

⎝1 95/26/EG art. 1, vierde streepje

Artikel 101 50 bis

1. De Lid-Staten lidstaten bepalen minimaal

a) dat iedere persoon die is toegelaten in de zin van Richtlijn √ 2006/43/EG ∏ 84/253/EEG[34], en die bij een ⎝1 √ icbe ∏ instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) of een onderneming die bij haar bedrijf betrokken is ⎜ de taken √ wettelijke controle ∏ verricht zoals bedoeld in artikel 51 van Richtlijn 78/660/EEG[35], artikel 37 van Richtlijn 83/349/EEG of artikel 31 √ 68 ∏ van Richtlijn 85/611/EEG √ deze richtlijn ∏, dan wel een andere wettelijke taak, de verplichting heeft aan de bevoegde autoriteiten snel melding te doen van elk feit of besluit met betrekking tot deze onderneming, waarvan hij bij de uitvoering van die taken kennis heeft gekregen en dat van dien aard is √ een van de hieronder genoemde gevolgen kan hebben ∏ :

√i) ∏dat het een inbreuk ten gronde inhoudt op de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen tot vaststelling van de voorwaarden voor vergunning of van specifieke voorschriften betreffende de uitoefening van de werkzaamheden van ⎝1 √ icbe's ∏ instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe) of ondernemingen die bij haar bedrijf betrokken zijn ⎜ ;, of

√ ii) ∏dat het √ een aantasting van ∏ de bedrijfscontinuïteit van de instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) ⎝1 √ icbe ∏of een onderneming die bij haar bedrijf betrokken is ⎜ aantast, ;of

√iii) ∏dat het leidt tot √ een ∏ weigering van de goedkeuring van de jaarrekening of tot het uiten van voorbehouden;.

b) √dat Õ dezelfde √ de ∏ verplichting rust op deze √ de onder a) bedoelde ∏ persoon ten aanzien van feiten en besluiten waarvan hij kennis zou hebben gekregen bij de uitvoering van taken zoals beschreven onder a), bij een onderneming die uit een zeggenschapsband voortvloeiende nauwe banden heeft met de ⎝1 √ icbe ∏ instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) of een onderneming die bij haar bedrijf betrokken is ⎜ waar deze persoon de bovengenoemde √ die ∏ taken uitvoert.

2. Melding te goeder trouw aan de bevoegde autoriteiten door de personen die zijn toegelaten in de zin van Richtlijn √ 2006/43/EG ∏ 84/253/EEG van in lid 1 bedoelde feiten of besluiten vormt geen inbreuk op ongeacht welke op grond van een contract of van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking inzake de openbaarmaking van informatie, en leidt voor de betrokken personen tot geen enkele vorm van aansprakelijkheid.

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

Artikel 102 51

1. De √ bevoegde ∏ autoriteiten bedoeld in artikel 49 moeten √ omkleden ∏ iedere beslissing tot afwijzing van toelatingen en ieder negatief besluit, genomen krachtens de algemene maatregelen uit hoofde van deze richtlijn, met redenen omkleden en √ delen deze ∏ aan de verzoeker mededelen.

2. De Lid-Staten lidstaten bepalen dat tegen besluiten die jegens een icbe worden genomen uit hoofde van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld, beroep op de rechter mogelijk is; dit geldt eveneens voor het geval er binnen zes maanden na indiening geen beslissing is genomen over √ binnen zes maanden na indiening door de icbe van een ∏ een door een icbe ingediende aanvraag die alle krachtens de geldende bepalingen vereiste gegevens bevat.

∫ nieuw

3. De lidstaten bepalen dat één of meer van onderstaande, naar nationaal recht bepaalde instanties zich in het belang van de consument en overeenkomstig het nationale recht tot rechter of de bevoegde administratieve instanties kunnen wenden om de toepassing van de nationale bepalingen ter uitvoering van deze richtlijn af te dwingen:

a) overheidsinstanties of de vertegenwoordigers ervan;

b) consumentenorganisaties die een rechtmatig belang hebben bij de bescherming van de consument;

c) beroepsorganisaties die een rechtmatig belang hebben bij een optreden ter bescherming van de consument.

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

? nieuw

Artikel 103 52

1. In geval van schending van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of van de regels in het fondsreglement of de statuten van de beleggingsmaatschappij, zijn de autoriteiten van de Lid-Staat waar de icbe zich bevindt, √ lidstaat van herkomst van de icbe ∏ bij uitsluiting bevoegd maatregelen jegens deze icbe te nemen.

2. De autoriteiten van de Lid-Staat lidstaat √ van ontvangst van de icbe ∏ waar de rechten van deelneming in de icbe worden verhandeld, mogen evenwel maatregelen jegens deze icbe nemen, in geval van schending van de bepalingen van Afdeling VIII ? wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die op hun grondgebied van kracht zijn en geen betrekking hebben op de gebieden waarop deze richtlijn van toepassing is, of van de vereisten van de artikelen 87 en 89.⎪ .

3. √ 2. ∏ Ieder besluit tot intrekking van een vergunning toelating, alsmede iedere andere ernstige maatregel die jegens de icbe wordt genomen, of een haar opgelegde opschorting van inkoop of terugbetaling, moet √ wordt ∏ onverwijld door de autoriteiten van de Lid-Staat lidstaat √ van herkomst van de icbe∏ worden medegedeeld aan de autoriteiten van de andere Lid-Staten lidstaten √ van ontvangst van de icbe ∏ waar de rechten van deelneming in deze instelling worden verhandeld.

∫ nieuw

3. Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van een icbe duidelijke en aantoonbare redenen hebben om aan te nemen dat een icbe waarvan de rechten van deelneming op hun grondgebied worden verhandeld, de verplichtingen schendt die uit de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen voortvloeien waarbij aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van de icbe geen bevoegdheden worden verleend, delen zij deze bevindingen mede aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, die dan passende maatregelen nemen.

4. Indien de icbe, in weerwil van de aldus door de lidstaat van herkomst van de icbe getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn of omdat die lidstaat niet binnen een redelijke termijn maatregelen treft, blijft handelen op een wijze die de belangen van beleggers in de lidstaat van ontvangst van de icbe kennelijk schaadt, nemen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van de icbe een van de volgende maatregelen:

a) zij nemen, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe daarvan in kennis te hebben gesteld, de nodige maatregelen om de beleggers te beschermen en kunnen met name de betrokken icbe beletten door te gaan met de verhandeling van haar rechten van deelneming op hun grondgebied;

b) zij brengen de zaak onder de aandacht van het Comité van Europese effectenregelgevers.

De Commissie wordt onverwijld in kennis gesteld van de maatregelen die ingevolge de eerste alinea, onder a), zijn genomen.

5. De lidstaten dragen er zorg voor dat de stukken op hun grondgebied kunnen worden betekend die vereist zijn voor de maatregelen die de lidstaat van ontvangst van de icbe overeenkomstig de leden 2 tot en met 4 tegen icbe's kan nemen.

⎢2001/107/EG art. 1, punt 17 (aangepast)

? nieuw

Artikel 104 52 bis

1. Ingeval beheermaatschappijen via het verrichten van diensten of door vestiging van bijkantoren in een of meer lidstaten van ontvangst werkzaam zijn, werken de bevoegde lidstaten van alle betrokken lidstaten nauw samen.

Zij verstrekken elkaar op verzoek alle gegevens betreffende de bedrijfsleiding en de eigenaars van deze beheermaatschappijen welke het toezicht kunnen vergemakkelijken, alsmede alle informatie die de controle op deze maatschappijen kan ondersteunen. Met name werken de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst √ van de beheermaatschappij ∏ samen teneinde de ontvangst door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst √ van de beheermaatschappij ∏ van de in artikel 6 quater √ 18 ∏ , lid 2, bedoelde gegevens te waarborgen.

2. Voor zover zulks voor de uitoefening van hun toezichthoudende bevoegdheden noodzakelijk mocht blijken, wordt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst √ van de beheermaatschappij ∏ aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst √ van de beheermaatschappij ∏ mededeling gedaan van alle krachtens artikel 6 quater √ 18 ∏ , lid 6, door de lidstaat van ontvangst √ van de beheermaatschappij ∏ getroffen maatregelen die sancties jegens een beheermaatschappij of beperkingen van de activiteiten van een beheermaatschappij behelzen.

Artikel 105 52 ter

1. De lidstaten van ontvangst √ van de beheermaatschappij ∏ dragen er zorg voor dat, wanneer een beheermaatschappij waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, in de lidstaat van ontvangst haar werkzaamheden uitoefent door middel van een bijkantoor, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de beheermaatschappij, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst √ van de beheermaatschappij ∏ daarvan in kennis te hebben gesteld, zelf of via een gevolmachtigde de in artikel 52 bis √ 104 ∏ bedoelde gegevens ter plaatse kunnen verifiëren.

2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de beheermaatschappij kunnen ook de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van de beheermaatschappij verzoeken om deze verificatie uit te voeren. De autoriteiten die een zodanig verzoek hebben ontvangen, moeten hieraan binnen het kader van hun bevoegdheden gevolg geven, hetzij door de verificatie zelf te verrichten, hetzij door de verzoekende autoriteiten toestemming te verlenen om de verificatie te verrichten, hetzij door toe te staan dat de verificatie wordt verricht door een accountant of deskundige.

3 √ 2 ∏ . Dit artikel √ Lid 1 ∏ laat het recht onverlet van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst √ van de beheermaatschappij ∏ om op hun grondgebied gevestigde bijkantoren ter plaatse te verifiëren teneinde de verantwoordelijkheden uit te oefenen die uit hoofde van deze richtlijn op hen rusten.

⎢85/611/EEG

HOOFDSTUK XIIIAFDELING X

⎢2005/1/EG art. 9, punt 5

Europees Comité voor het effectenbedrijf

⎢ 2008/18/EG art. 1 (aangepast)

Artikel 106 53 bis

De Commissie stelt √ kan ∏ technische wijzigingen van deze richtlijn vast √ vaststellen ∏ op de hierna genoemde gebieden:

a) verduidelijking van de definities om overal in de Gemeenschap de eenvormige toepassing van de richtlijn te waarborgen,

b) aanpassing van de terminologie en formulering van de definities aan latere voorschriften inzake icbe's en aanverwante zaken.

Deze uitvoeringsmaatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 107 53 ter, lid 2.

Artikel 107 53 ter

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 2001/528/EG van de Commissie [36] ingestelde Europees Comité voor het effectenbedrijf.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

∫ nieuw

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt op drie maanden vastgesteld.

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

HOOFDSTUK XIVAFDELING XI

Overgangs-, uUitzonderings- √ , overgangs- ∏ en slotbepalingen

Afdeling 1

UITZONDERINGSBEPALINGEN

ARTIKEL 108 54

√ 1. ∏ Uitsluitend voor Deense icbe's worden de in Denemarken uitgegeven "pantebreve" gelijkgesteld met de in artikel 19 √ 45 ∏ , lid 1, onder b), bedoelde effecten.

Artikel 55

√ 2. ∏ In afwijking van artikel 7, lid 1, en artikel 14, lid 1, √ artikel 19, lid 1, en artikel 29, lid 1, ∏ kunnen de bevoegde autoriteiten icbe's die op de datum waarop deze richtlijn wordt aangenomen √ op 20 december 1985 ∏ overeenkomstig hun nationale wetgeving meer dan één bewaarder hadden, toestaan die aan te houden indien zij de zekerheid hebben dat de krachtens artikel 7, lid 3, en artikel 14, lid 3, √ artikel 19, lid 3, en artikel 29, lid 3, ∏ uit te oefenen taken daadwerkelijk worden vervuld.

Artikel 56

√ 3. ∏ 1. In afwijking van artikel 6 √ 15 ∏ kunnen de Lid-Staten lidstaten beheermaatschappijen machtigen certificaten aan toonder uit te geven van op naam gestelde effecten van andere vennootschappen.

2. De Lid-Staten kunnen beheermaatschappijen die op de datum waarop deze richtlijn wordt aangenomen andere werkzaamheden naast de in artikel 6 bedoelde verrichten, toestaan deze activiteiten gedurende vijf jaar na die datum voort te zetten.

Artikel 57

1. De Lid-Staten doen uiterlijk op 1 oktober 1989 de nodige maatregelen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2. De Lid-Staten kunnen icbe's die bestaan op de datum waarop deze richtlijn ten uitvoer wordt gelegd, een periode van ten hoogste 12 maanden, te rekenen vanaf die datum, toestaan om aan de nieuwe nationale bepalingen te voldoen.

3. De Helleense Republiek en de Portugese Republiek worden gemachtigd om de tenuitvoerlegging van deze richtlijn uit te stellen tot uiterlijk 1 april 1992.

De Commissie brengt de Raad een jaar voor laatstgenoemde datum verslag uit over de situatie in verband met de toepassing van deze richtlijn en over de eventuele moeilijkheden welke de Helleense Republiek en de Portugese Republiek zouden kunnen ondervinden bij het naleven van de in de eerste alinea bedoelde datum.

Zij stelt de Raad zo nodig voor een datum vast te stellen die ten hoogste vier jaar later ligt.

⎢2001/107/EG art. 2 (aangepast)

Artikel 109

1. Aan de in artikel 1, punt 2, van Richtlijn 93/22/EEG √ 4, lid 1, van Richtlijn 2004/39/EG ∏ bedoelde beleggingsondernemingen die uitsluitend een vergunning hebben gekregen om de in deel A, punt 3, en deel C, punten 1 en 6, √ deel A, punten 4 en 5, ∏ van de bijlage bij Richtlijn 93/22/EEG √ die richtlijn ∏ bedoelde diensten te verrichten, kan krachtens deze richtlijn vergunning worden verleend om unit trusts/beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen te beheren en de benaming "beheermaatschappij" te voeren. Deze beleggingsondernemingen moeten dan wel afstand doen van de krachtens Richtlijn 93/22/EEG √ 2004/39/EG ∏ verkregen vergunning

2. Beheermaatschappijen die reeds vóór 13 februari 2004 krachtens Richtlijn 85/611/EEG √ de onderhavige richtlijn ∏ over een toelating beschikten om in hun lidstaat van herkomst icbe's in de vorm van unit trusts/beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen te beheren, worden geacht over een vergunning krachtens deze richtlijn √ het onderhavige artikel ∏ te beschikken wanneer volgens de in deze lidstaat vigerende wetgeving de toegang tot werkzaamheden van deze aard onderworpen is aan voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die welke in de artikelen 5 bis en 5 ter √ 7 en 8 ∏ zijn vermeld.

3. Andere dan de in lid 2 bedoelde beheermaatschappijen die reeds vóór 13 februari 2004 over een toelating beschikten, mogen hun werkzaamheden voortzetten, mits zij vóór 13 februari 2007 op grond van de voorschriften van hun lidstaat van herkomst een vergunning verkrijgen tot voortzetting van deze werkzaamheden overeenkomstig de ter uitvoering van deze richtlijn aangenomen bepalingen.

Alleen de verlening van deze vergunning biedt deze beheermaatschappijen de mogelijkheid aanspraak te maken op toepassing van de bepalingen van deze richtlijn op het gebied van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten.

AFDELING 2

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

⎢2001/108/EG art. 2 (aangepast)

Artikel 105

1. Uiterlijk op 13 februari 2005 legt de Commissie de Raad en het Europees Parlement een verslag voor over de toepassing van de gewijzigde Richtlijn 85/611/EEG en zo nodig voorstellen tot wijziging ervan. Het verslag behandelt met name:

a) hoe de interne markt voor icbe's kan worden verdiept en verbreed, in het bijzonder met betrekking tot grensoverschrijdende marketing van icbe's (inclusief fondsen voor rekening van derden), het functioneren van het paspoort voor beheermaatschappijen, het functioneren van het vereenvoudigde prospectus als voorlichtings- en marketinginstrument, de herziening van de reikwijdte van nevenactiviteiten en de mogelijkheden voor een betere samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten in verband met de gezamenlijke interpretatie en toepassing van de richtlijn;

b) de mate waarin de richtlijn van toepassing is op verschillende soorten producten (zoals institutionele fondsen, onroerendgoedfondsen, master-feeder funds, hedge funds); met name wordt in de studie onderzocht wat de omvang van de markt voor dergelijke fondsen is, welke regelgeving in voorkomend geval van toepassing is in de lidstaten en of deze fondsen verder moeten worden geharmoniseerd;

c) hoe de fondsen zijn opgezet, inclusief de delegatieregels en -praktijken en de verhouding tussen fondsbeheerder en bewaarder;

d) de beleggingsregels voor icbe's, bijvoorbeeld het gebruik van derivaten en andere instrumenten en technieken in verband met beleggingen in effecten, de regelgeving inzake indexfondsen, de regelgeving inzake geldmarktinstrumenten, de regelgeving inzake "fonds-in-fonds"-beleggingen alsmede de diverse beleggingsbegrenzingen;

e) de concurrentieverhouding tussen fondsen die door een beheermaatschappij worden beheerd en beleggingsmaatschappijen onder "zelfbeheer".

Bij de voorbereiding van haar verslag raadpleegt de Commissie zoveel mogelijk de betrokken bedrijfstakken alsmede consumentenorganisaties en toezichthoudende instanties.

2. De lidstaten mogen de op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn bestaande icbe's geen langere termijn dan 60 maanden na de datum in kwestie toekennen om aan de nieuwe nationale wetgeving te voldoen.

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

Artikel 58

De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de voornaamste wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij op het door deze richtlijn bestreken gebied vaststellen.

Artikel 110

1. De lidstaten dienen uiterlijk op […] de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om te voldoen aan artikel 1, lid 3, onder b), artikel 2, lid 1, onder e), f) en n), artikel 4, artikel 5, lid 2, artikel 16, lid 5, artikel 19, lid 1, artikel 19, lid 3, onder a), d) en e), de artikelen 34 tot en met 44, artikel 45, lid 1, aanhef, artikel 45, lid 3, artikel 49, lid 3, artikel 51, lid 1, artikel 51, lid 2, eerste alinea, aanhef, de artikelen 53 tot en met 62, artikel 63, lid 1, artikel 64, artikel 65, leden 2 en 3, de artikelen 66, 67, 69, 70, 72 en 73 tot en met 77, artikel 78, lid 1, onder b), artikel 78, lid 2, onder a), tweede streepje, artikel 81, artikel 83, lid 1, onder b), artikel 84, onder b), artikel 85, de artikelen 86 tot en met 96, artikel 102, lid 3, artikel 103, lid 1, artikel 103, leden 3, 4 en 5, artikel 105, de artikelen 110, 111 en 112 en bijlage I. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen vanaf de in de eerste alinea genoemde datum toe.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen, gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 111

Richtlijn 85/611/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage III, deel A, genoemde richtlijnen, wordt met ingang van de datum genoemd in artikel 110, lid 1, ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage III, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV.

Artikel 112

1. Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Artikel 1, leden 1 en 2, artikel 1, lid 3, onder a), artikel 1, leden 4 tot en met 7, artikel 2, lid 1, onder a) tot en met d), artikel 2, lid 1, onder g) tot en met m), artikel 2, lid 1, onder o), artikel 2, lid 1, onder p), artikel 2, leden 2 tot en met 7, artikel 3, artikel 5, lid 1, artikel 5, leden 3, 4 en 5, de artikelen 6 tot en met 15, artikel 16, leden 1 tot en met 4, artikel 16, leden 6 en 7, de artikelen 17 en 18, artikel 19, lid 2, artikel 19, lid 3, onder b) en c), de artikelen 20 tot en met 33, artikel 45, lid 1, onder a) tot en met h), artikel 45, lid 2, de artikelen 46, 47 en 48, artikel 49, leden 1 en 2, artikel 50, artikel 51, lid 2, eerste alinea, onder a), b) en c), artikel 51, lid 2, tweede alinea, artikel 52, artikel 63, lid 2, artikel 65, lid 1, artikel 65, lid 4, de artikelen 68 en 71, artikel 78, lid 1, met uitzondering van artikel 78, lid 1, onder b), artikel 78, lid 2, onder a), met uitzondering van het tweede streepje, de artikelen 79, 80 en 82, artikel 83, lid 1, met uitzondering van artikel 83, lid 1, onder b) en artikel 83, lid 2, artikel 84, met uitzondering van artikel 84, onder b), de artikelen 97, 98, 99, 100 en 101, artikel 102, leden 1 en 2, artikel 103, lid 2, de artikelen 104, 106, 107, 108 en 109, en de bijlagen II, III en IV zijn van toepassing met ingang van de datum genoemd in artikel 110, lid 1, tweede alinea.

∫ nieuw

2. De lidstaten zorgen ervoor dat icbe's hun vereenvoudigd prospectus dat overeenkomstig Richtlijn 2001/107/EG is opgesteld, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twaalf maanden na de datum genoemd in artikel 110, lid 1, eerste alinea, vervangen door de essentiële beleggersinformatie die overeenkomstig artikel 73 is opgesteld. In deze periode blijven de bevoegde autoriteiten het vereenvoudigd prospectus accepteren voor icbe's die op hun grondgebied worden verhandeld.

Artikel 113

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

⎢ 85/611/EG (aangepast)

⎝1 2001/107/EG Art. 1 pt. 18

⎝2 2001/107/EG Art. 1 pt. 19(1)

⎝3 2001/107/EG Art. 1 pt. 19(2)

? nieuw

BIJLAGE ⎝1 I ⎜

SCHEMA A

1. Gegevens betreffende het ? beleggingsfonds ⎪ | 1. Gegevens betreffende de beheermaatschappij | 1. Gegevens betreffende de beleggingsmaatschappij |

1.1. Naam | 1.1. Naam, rechtsvorm,statutaire zetel en plaats van het hoofdkantoor indien afwijkend van de statutaire zetel. | 1.1. Naam, rechtsvorm, statutaire zetel en plaats van het hoofdkantoor indien afwijkend van de statutaire zetel |

1.2. Oprichtingsdatum van het fonds ? beleggingsfonds. ⎪ Duur, indien die niet onbepaald is | 1.2. Op-richtingsda-tum van de maatschappij. Duur, indien die niet onbepaald is | 1.2. Oprichtingsdatum van de maatschappij. Duur, indien die niet onbepaald is |

1.3. Indien de beheermaatschappij nog andere beleggingsfondsen beheert, deze vermelden | ⎝2 1.3. Indien het om een beleggingsmaatschappij met verschillende beleggingscompartimenten gaat, vermelding van de compartimenten ⎜ |

1.4. Plaats waar het fondsreglement, wanneer dit niet is bijgevoegd, en de periodieke verslagen verkrijgbaar zijn | 1.4. Plaats waar de statuten, wanneer deze niet zijn bijgevoegd, en de periodieke verslagen verkrijgbaar zijn |

1.5. Indien zulks van belang is voor de houders van rechten van deelneming: beknopte gegevens inzake het op het fonds ? beleggingsfonds ⎪ toepasselijke belastingstelsel. Te vermelden of bronbelasting wordt ingehouden op inkomsten en kapitaalwinsten welke door het ? beleggingsfonds ⎪ fonds aan houders van rechten van deelneming worden uitgekeerd | 1.5. Indien zulks van belang is voor de houders van rechten van deelneming: beknopte gegevens inzake het op de maatschappij toepasselijke belastingstelsel. Te vermelden of bronbelasting wordt ingehouden op inkomsten en kapitaalwinsten die door de maatschappij aan de houders van rechten van deelneming worden uitgekeerd |

1.6. Balansdatum en regelmaat van de uitkeringen | 1.6. Balansdatum en regelmaat van de uitkeringen |

1.7. Naam van de met de controle van in artikel 31 √ 68 ∏ bedoelde boekhoudkundige gegevens belaste personen | 1.7. Naam van de met de controle van in artikel 31 √ 68 ∏ bedoelde boekhoudkundige gegevens belaste personen |

1.8. Naam en in de beleggingsmaatschappij beklede functies van de leden van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen. Vermelding van de voornaamste door deze personen buiten de beleggingsmaatschappij uitgeoefende activiteiten, indien deze met betrekking tot de icbe's van belang zijn | 1.8. Naam en in de beleggingsmaatschappij beklede functies van de leden van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen. Vermelding van de voornaamste door deze personen buiten de beleggingsmaatschappij uitgeoefende activiteiten, indien deze met betrekking tot de icbe's van belang zijn |

1.9. Kapitaal: bedrag van het geplaatste kapitaal met vermelding van het volgestorte kapitaal | 1.9. Kapitaal |

1.10. Vermelding van de aard en de voornaamste kenmerken van de rechten van deelneming, in het bijzonder: aard (zakelijk recht, schuldvordering e.d.) van het recht van deelneming oorspronkelijke rechten of certificaten die deze rechten vertegenwoordigen, inschrijving in een register of boeking op rekening kenmerken van de rechten van deelneming: op naam of aan toonder; vermelding van de eventuele coupures in voorkomend geval beschrijving van het stemrecht der houders van de rechten van deelneming voorwaarden waaronder tot vereffening van het fonds ? beleggingsfonds ⎪ kan worden besloten en wijze waarop zulks moet geschieden, in het bijzonder ten aanzien van de rechten van de deelnemers | 1.10. Vermelding van de aard en de voornaamste kenmerken van de rechten van deelneming, in het bijzonder: oorspronkelijke rechten of certificaten die deze rechten vertegenwoordigen, inschrijving in een register of boeking op rekening kenmerken van de rechten van deelneming: op naam of aan toonder; vermelding van de eventuele coupures in voorkomend geval beschrijving van het stemrecht der houders van de rechten van deelneming voorwaarden waaronder tot vereffening van de beleggingsmaatschappij kan worden besloten en wijze waarop zulks moet geschieden, in het bijzonder ten aanzien van de rechten van de deelnemers |

1.11. In voorkomend geval vermelding van de beurzen of markten waar de rechten van deelneming worden genoteerd of verhandeld | 1.11. In voorkomend geval vermelding van de beurzen of markten waar de rechten van deelneming worden genoteerd of verhandeld |

1.12. Nadere regels voor de uitgifte of verkoop | 1.12. Nadere regels voor de uitgifte of verkoop |

1.13. Nadere regels voor de inkoop, respectievelijk terugbetaling en mogelijke gevallen van opschorting hiervan | 1.13. Nadere regels voor de inkoop, respectievelijk terugbetaling en mogelijke gevallen van opschorting hiervan. ⎝3 Indien het om een beleggingsmaatschappij met verschillende beleggingscompartimenten gaat, inlichtingen over de wijze waarop een deelnemer van het ene naar het andere compartiment kan overstappen en over de kosten die hiervoor in rekening worden gebracht ⎜ |

1.14. Regels omtrent de vaststelling en de bestemming van de inkomsten | 1.14. Regels omtrent de vaststelling en de bestemming van de inkomsten |

1.15. Beleggingsdoeleinden ? van het beleggingsfonds ⎪, met inbegrip van de financiële doelstellingen (bijvoorbeeld kapitaalgroei of inkomsten), het beleggingsbeleid (bijvoorbeeld specialisatie in geografische of industriële sectoren), aan het beleggingsbeleid gestelde grenzen en vermelding van technieken en instrumenten of van de bevoegdheid om leningen aan te gaan die bij het beheer van het beleggingsfonds kunnen worden gebruikt | 1.15. Beleggingsdoeleinden, met inbegrip van de financiële doelstellingen (bijvoorbeeld kapitaalgroei of inkomsten), het beleggingsbeleid (bijvoorbeeld specialisatie in geografische of industriële sectoren), aan het beleggingsbeleid gestelde grenzen en vermelding van technieken en instrumenten of van de bevoegdheid om leningen aan te gaan die bij het beheer van de maatschappij kunnen worden gebruikt |

1.16. Regels voor de waardering van de activa | 1.16. Regels voor de waardering van de activa |

1.17. Bepaling van de verkoop-, uitgifte- of inkoopprijs, alsmede van het bedrag bij terugbetaling van de rechten van deelneming, in het bijzonder wijze waarop en regelmaat waarmee deze prijzen worden berekend kosten in verband met verkoop, emissie, inkoop of terugbetaling van de rechten van deelneming hoe, waar en met welke regelmaat deze prijzen worden gepubliceerd | 1.17. Bepaling van de verkoop-, uitgifte- of inkoopprijs, alsmede van het bedrag bij terugbetaling van de rechten van deelneming, in het bijzonder wijze waarop en regelmaat waarmee deze prijzen worden berekend kosten in verband met verkoop, emissie, inkoop of terugbetaling van de rechten van deelneming hoe, waar en met welke regelmaat deze prijzen worden gepubliceerd1 |

1.18. Wijze, bedrag en berekening van ten laste van het beleggingsfonds komende vergoedingen voor de beheermaatschappij of de bewaarder, dan wel voor derden en door het fonds ? beleggingsfonds ⎪ aan de beheermaatschappij of bewaarder, dan wel aan derden te betalen onkosten | 1.18. Wijze, bedrag en berekening van door de beleggingsmaatschappij aan haar bestuurders, alsmede aan de leden van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen, aan de bewaarder, dan wel aan derden uitbetaalde vergoedingen en door de beleggingsmaatschappij aan haar bestuurders, de bewaarder dan wel aan derden, uitbetaalde onkosten |

1 De in artikel 14 √ 29 ∏, lid 5, bedoelde beleggingsmaatschappijen vermelden tevens: wijze waarop en regelmaat waarmee de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming wordt berekend; hoe, waar en met welke regelmaat deze waarde wordt gepubliceerd; beurs in het land van verhandeling waarvan de notering de prijs bepaalt voor de transacties die in dat land buiten de beurs om worden verricht. |

2. Gegevens betreffende de bewaarder:

2.1. Naam, rechtsvorm, statutaire zetel en plaats van het hoofdkantoor indien afwijkend van de statutaire zetel

2.2. Voornaamste werkzaamheid

3. Gegevens betreffende de adviesbureaus of externe beleggingsadviseurs voor zover het beroep op hun diensten bij overeenkomst is vastgelegd en wordt gefinancierd uit de activa van de icbe:

3.1. Identiteit of naam van het adviesbureau of naam van de adviseur

3.2. Gegevens betreffende de overeenkomst met de beheer- of beleggingsmaatschappijen welke van belang kunnen zijn voor de deelnemers, met uitzondering van gegevens over de vergoedingen

3.3. Andere werkzaamheden van belang

4. Gegevens betreffende de maatregelen welke zijn getroffen voor het verrichten van de uitkeringen aan de deelnemers, de inkoop van of de terugbetaling op de rechten van deelneming, alsmede voor de verspreiding van informatie over de icbe. Deze informatie moet in elk geval worden verstrekt in de Lid-Staat lidstaat waar de icbe zich bevindt √ waarin de icbe is gevestigd ∏ . Wanneer de rechten van deelneming in een andere Lid-Staat lidstaat worden verhandeld, wordt de hierboven bedoelde informatie bovendien met betrekking tot die lidstaat Lid-Staat verstrekt en is deze vervat in het prospectus dat aldaar wordt verspreid.

⎢ 2001/107/EG Art. 1 pt. 19(3) (aangepast)

5. Overige beleggingsgegevens:

5.1. in het verleden door de unit trust/het beleggingsfonds of de beleggingsmaatschappij behaald rendement (indien van toepassing) — deze informatie mag in het prospectus staan of als aanhangsel worden bijgevoegd

5.2. profiel van het type belegger tot wie de unit trust/het beleggingsfonds of de beleggingsmaatschappij zich richt

6. Bedrijfsgegevens:

⎢ 2001/107/EG Art. 1 pt. 19(3) (aangepast)

6.1. eventuele uitgaven of kosten die niet vallen onder de in punt 1.17 genoemde lasten, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen die welke ten laste komen van de deelnemer en die welke ten laste komen van het vermogen van de unit trust/het beleggingsfonds of de beleggingsmaatschappij

⎢ 85/611/EEG

SCHEMA B

In de periodieke verslagen op te nemen gegevens

I. Vermogenstoestand

- effecten

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

- vorderingen bedoeld in artikel 19, lid 2, onder b)

⎢ 85/611/EEG

- tegoeden bij banken

- andere activa

- totaal activa

- passiva

- totale intrinsieke waarde

II. Aantal in omloop zijnde rechten van deelneming

III. Intrinsieke waarde per recht van deelneming

IV. Effectenportefeuille, onderscheiden naar:

a) officieel genoteerde effecten;

b) op een andere gereglementeerde markt verhandelde effecten;

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

c) de in artikel 19 √ 45 ∏ , lid 1, onder d), bedoelde nieuw uitgegeven effecten;

d) de overige in artikel 19 √ 45 ∏ , lid 2, onder a), bedoelde effecten;

e) de overige krachtens artikel 19, lid 2, onder b), gelijkgestelde vorderingen,

⎢ 85/611/EEC (adapted)

? nieuw

uitgesplitst volgens maatstaven die het best passen bij het beleggingsbeleid van de icbe (bijvoorbeeld volgens economische of geografische criteria, naar valuta, enz.) en procentueel aandeel in de netto-activa; vermelding per bovenbedoeld effect van het aandeel daarvan in het totaal van de activa van de icbe.

Wijzigingen in de samenstelling van de effectenportefeuille tijdens de verslagperiode.

V. Wijzigingen in de verslagperiode van het nettovermogen van de icbe met inbegrip van:

- inkomsten uit beleggingen

- overige inkomsten

- kosten van beheer

- kosten van bewaring

- overige kosten en belastingen

- netto-inkomsten

- uitkeringen en herbelegde inkomsten

- vermeerdering of vermindering van de kapitaalrekening

- meer- of minderwaarde op beleggingen

- overige wijzigingen betreffende de activa en passiva van de icbe

- ? transactiekosten ⎪

VI. Vergelijkende tabel betreffende de laatste drie boekjaren met voor elk boekjaar:

- de totale intrinsieke waarde aan het eind van het boekjaar

- de intrinsieke waarde per recht van deelneming aan het eind van het boekjaar

⎢ 85/611/EEG (aangepast)

VII. Bedrag van de verplichtingen die voortvloeien uit de door de icbe in de verslagperiode gedane verrichtingen in de zin van artikel 21 √ 46 ∏ , onderscheiden naar soort.

⎢ 2001/107/EG Art. 1 pt. 20 en bijlage I (nieuw)

SCHEMA C

Inhoud van het vereenvoudigd prospectus

Korte voorstelling van de icbe

- oprichtingsdatum van de unit trust/het beleggingsfonds of de beleggingsmaatschappij en vermelding van de lidstaat waar de statutaire zetel van de unit trust/het beleggingsfonds of de beleggingsmaatschappij haar statutaire zetel heeft

- bij icbe's met verschillende beleggingscompartimenten, vermelding van deze omstandigheid

- beheermaatschappij (indien van toepassing)

- verwachte bestaansduur (indien van toepassing)

- bewaarder

- accountants

- financiële groep (bv. een bank) die de icbe aanbiedt.

Beleggingsgegevens

- korte omschrijving van het doel van de icbe

⎢ 2001/107/EG Art. 1 pt. 20 en Bijlage I (nieuw)

- het beleggingsbeleid van de unit trust/het beleggingsfonds of de beleggingsmaatschappij en een korte beoordeling van het risicoprofiel van het fonds (indien van toepassing, met inbegrip van informatie overeenkomstig artikel 24 bis en per beleggingscompartiment)

⎢ 2001/107/EG Art. 1 pt. 20 en Bijlage I (nieuw)

- in het verleden door de unit trust/het beleggingsfonds/beleggingsmaatschappij behaald rendement (indien van toepassing) en een waarschuwing dat dit geen indicator is voor het rendement in de toekomst - deze informatie mag in het prospectus staan of als aanhangsel worden bijgevoegd

- profiel van het type belegger tot wie de unit trust/het beleggingsfonds of de beleggingsmaatschappij zich richt.

Bedrijfsinformatie

- belastingregime

- toetredings- en uittredingsprovisies

- eventuele andere uitgaven of kosten, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen die welke ten laste komen van de deelnemer en die welke ten laste komen van het vermogen van de unit trust/het beleggingsfonds of de beleggingsmaatschappij.

Commerciële informatie

- hoe de rechten van deelneming kunnen worden verworven

- hoe de rechten van deelneming kunnen worden verkocht

- bij icbe's met verschillende beleggingscompartimenten, hoe van het ene naar het andere beleggingscompartiment kan worden overgestapt en welke kosten hiervoor worden aangerekend

- wanneer en hoe dividenden van rechten van deelneming of aandelen van icbe's (indien van toepassing) worden uitgekeerd

- met welke regelmaat, waar en hoe de prijzen worden bekendgemaakt of beschikbaar worden gesteld.

Aanvullende informatie

- verklaring dat het volledig prospectus, de jaar- en halfjaarlijkse verslagen op verzoek kosteloos verkrijgbaar zijn vóór en na het sluiten van de overeenkomst

- bevoegde autoriteit

- vermelding van een contactpunt (persoon/afdeling, wanneer bereikbaar enz.) waar indien nodig aanvullende inlichtingen kunnen worden ingewonnen

- datum van publicatie van het prospectus.

_____________

⎢ 2001/107/EG Art. 1 punt 21 en bijlage II

BIJLAGE II

Taken die deel uitmaken van het beheer van collectieve beleggingsportefeuilles:

- Beheer van beleggingen

- Administratie:

a) uitvoeren van de wettelijk verplichte en voor het fondsbeheer vereiste werkzaamheden op het gebied van de verslaglegging

b) verzoeken om inlichtingen van cliënten

c) waardering en prijsstelling (met inbegrip van belastingaangiften)

d) toezien op de naleving van de regelgeving

e) bijhouden van een deelnemersregister

f) bestemming van de inkomsten

g) uitgifte en inkoop van rechten van deelneming

h) afwikkeling van contracten (met inbegrip van de verzending van deelbewijzen)

i) bijhouden van bescheiden

- Verkoop

_____________

BIJLAGE III

Deel A

Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan(als bedoeld in artikel 106)

Richtlijn 85/611/EEG van de Raad (PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3) |

Richtlijn 88/220/EEG van de Raad (PB L 100 van 19.4.1988, blz. 31) |

Richtlijn 95/26/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 168 van 18.7.1995, blz. 7) | Artikel 1, vierde streepje, artikel 4, lid 7, en artikel 5, vijfde streepje |

Richtlijn 2000/64/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 290 van 17.11.2000, blz. 27) | Alleen artikel 1 |

Richtlijn 2001/107/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 41 van 13.2.2002, blz. 20) |

Richtlijn 2001/108/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 41 van 13.2.2002, blz. 35) |

Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1) | Alleen artikel 66 |

Richtlijn 2005/1/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 79 van 24.3.2005, blz. 9) | Alleen artikel 9 |

Richtlijn 2008/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 76 van 19.3.2008, blz. 42) |

Deel B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing(als bedoeld in artikel 78)

Richtlijn | Termijn voor omzetting | Datum van toepassing |

85/611/EEG | 1 oktober 1989 | - |

88/220/EEG | 1 oktober 1989 | - |

95/26/EG | 18 juli 1996 | - |

2000/64/EG | 17 november 2002 | - |

2001/107/EG | 13 augustus 2003 | 13 februari 2004 |

2001/108/EG | 13 augustus 2003 | 13 februari 2004 |

2004/39/EG | - | 30 april 2006 |

2005/1/EG | 13 mei 2005 | - |

_____________

BIJLAGE IV

Concordantietabel

Richtlijn 85/611/EEG | Deze richtlijn |

Artikel 1, lid 1. | Artikel 1, lid 1 |

Artikel 1, lid 2, aanhef | Artikel 1, lid 2, aanhef |

Artikel 1, lid 2, eerste en tweede streepje | Artikel 1, lid 2, onder a) en b) |

Artikel 1, leden 3 tot en met 7 | Artikel 1, leden 3 tot en met 7 |

Artikel 1, lid 8, aanhef | Artikel 2, lid 1, onder o), aanhef |

Artikel 1, lid 8, eerste, tweede en derde streepje | Artikel 2, lid 1, onder o), punten i), ii) en iii) |

Artikel 1, lid 8, laatste woorden | Artikel 2, lid 7. |

Artikel 1, lid 9 | Artikel 2, lid 1, onder p) |

Artikel 1 bis, aanhef | Artikel 2, lid 1, aanhef |

Artikel 1 bis, punt 1 | Artikel 2, lid 1, onder a) |

Artikel 1 bis, punt 2, eerste deel van de zin | Artikel 2, lid 1, onder b) |

Artikel 1 bis, punt 2, tweede deel van de zin | Artikel 2, lid 2 |

Artikel 1 bis, punten 3, 4 en 5 | Artikel 2, lid 1, onder c), d) en e) |

- | Artikel 2, lid 1, onder f) |

Artikel 1 bis, punt 6 | Artikel 2, lid 1, onder g) |

Artikel 1 bis, punt 7, eerste deel van de zin | Artikel 2, lid 1, onder h) |

Artikel 1 bis, punt 7, tweede deel van de zin | Artikel 2, lid 3 |

Artikel 1 bis, punten 8 en 9 | Artikel 2, lid 1, onder i) en j) |

Artikel 1 bis, punt 10, eerste alinea | Artikel 2, lid 1, onder k) |

Artikel 1 bis, punt 10, tweede alinea | Artikel 2, lid 4 |

Artikel 1 bis, punten 11, 12 en 13 | - |

Artikel 1 bis, punten 14 en 15 | Artikel 2, lid 1, onder l) en m) |

- | Artikel 2, lid 1, onder n) |

- | Artikel 2, leden 5 en 6 |

Artikel 2, lid 1, aanhef | Artikel 3, aanhef |

Artikel 2, lid 1, eerste tot en met vierde streepje | Artikel 3, onder a) tot en met d) |

Artikel 2, lid 2 | - |

Artikel 3 | Artikel 4 |

Artikel 4, leden 1, 2 en 3 | Artikel 5, leden 1, 2 en 3 |

Artikel 4, lid 3 bis | Artikel 5, lid 4 |

Artikel 4, lid 4 | Artikel 5, lid 5 |

Artikel 5, leden 1 en 2 | Artikel 6, leden 1 en 2 |

Artikel 5, lid 3, eerste alinea, aanhef | Artikel 6, lid 3, eerste alinea, aanhef |

Artikel 5, lid 3, eerste alinea, onder a) | Artikel 6, lid 3, eerste alinea, onder a) |

Artikel 5, lid 3, eerste alinea, onder b), aanhef | Artikel 6, lid 3, eerste alinea, onder b), aanhef |

Artikel 5, lid 3, eerste alinea, onder b), eerste en tweede streepje | Artikel 6, lid 3, eerste alinea, onder b), punten i) en ii) |

Artikel 5, lid 3, tweede alinea | Artikel 6, lid 3, tweede alinea |

Artikel 5, lid 4 | Artikel 6, lid 4 |

Artikel 5 bis, lid 1, aanhef | Artikel 7, lid 1, aanhef |

Artikel 5 bis, lid 1, onder a), aanhef | Artikel 7, lid 1, onder a), aanhef |

Artikel 5 bis, lid 1, onder a), eerste streepje | Artikel 7, lid 1, onder a), punt i) |

Artikel 5 bis, lid 1, onder a), tweede streepje, aanhef | Artikel 7, lid 1, onder a), punt ii), aanhef |

Artikel 5 bis, lid 1, onder a), tweede streepje, punten i), ii) en iii) | Artikel 7, lid 1, onder a), punt ii), eerste, tweede en derde streepje |

Artikel 5 bis, lid 1, onder a), derde en vierde streepje | Artikel 7, lid 1, onder a), punten iii) en iv) |

Artikel 5 bis, lid 1, onder a), vijfde streepje | - |

Artikel 5 bis, lid 1, onder b), c) en d) | Artikel 7, lid 1, onder b), c) en d) |

Artikel 5 bis, leden 2 tot en met 5 | Artikel 7, leden 2 tot en met 5 |

Artikel 5 ter | Artikel 8 |

Artikel 5 quater | Artikel 9 |

Artikel 5 quinquies | Artikel 10 |

Artikel 5 sexies | Artikel 11 |

Artikel 5 septies, lid 1. | Artikel 12, lid 1 |

Artikel 5 septies, lid 2, aanhef | Artikel 12, lid 2, aanhef |

Artikel 5 septies, lid 2, eerste en tweede streepje | Artikel 12, lid 2, onder a) en b) |

Artikel 5 octies | Artikel 13 |

Artikel 5 nonies | Artikel 14 |

Artikel 6 | Artikel 15 |

Artikel 6 bis | Artikel 16 |

Artikel 6 ter, lid 1 | Artikel 17, lid 1 |

Artikel 6 ter, lid 2 | Artikel 17, lid 2, eerste en tweede alinea |

Artikel 6 ter, lid 3, eerste alinea | Artikel 17, lid 2, derde alinea |

Artikel 6 ter, lid 3, tweede alinea | Artikel 17, lid 3 |

Artikel 6 ter, leden 4 en 5 | Artikel 17, leden 4 en 5 |

Artikel 6 quater | Artikel 18 |

Artikel 7 | Artikel 19 |

Artikel 8 | Artikel 20 |

Artikel 9 | Artikel 21 |

Artikel 10 | Artikel 22 |

Artikel 11 | Artikel 23 |

Artikel 12 | Artikel 24 |

Artikel 13 | Artikel 25 |

Artikel 13 bis, lid 1, eerste alinea | Artikel 26, lid 1, eerste alinea |

Artikel 13 bis, lid 1, tweede alinea, aanhef | Artikel 26, lid 1, tweede alinea, aanhef |

Artikel 13 bis, lid 1, tweede alinea, eerste, tweede en derde streepje | Artikel 26, lid 1, tweede alinea, onder a), b) en c) |

Artikel 13 bis, lid 1, derde en vierde alinea | Artikel 26, lid 1, derde en vierde alinea |

Artikel 13 bis, leden 2, 3 en 4 | Artikel 26, leden 2, 3 en 4 |

Artikel 13 ter | Artikel 27 |

Artikel 13 quater | Artikel 28 |

Artikel 14 | Artikel 29 |

Artikel 15 | Artikel 30 |

Artikel 16 | Artikel 31 |

Artikel 17 | Artikel 32 |

Artikel 18 | Artikel 33 |

- | Artikel 34 |

- | Artikel 35 |

- | Artikel 36 |

- | Artikel 37 |

- | Artikel 38 |

- | Artikel 39 |

- | Artikel 40 |

- | Artikel 41 |

- | Artikel 42 |

- | Artikel 43 |

- | Artikel 44 |

Artikel 19, lid 1, aanhef | Artikel 45, lid 1, aanhef |

Artikel 19, lid 1, onder a), b) en c) | Artikel 45, lid 1, onder a), b) en c) |

Artikel 19, lid 1, onder d), aanhef | Artikel 45, lid 1, onder d), aanhef |

Artikel 19, lid 1, onder d), eerste en tweede streepje | Artikel 45, lid 1, onder d), punten i) en ii) |

Artikel 19, lid 1, onder e), aanhef | Artikel 45, lid 1, onder e), aanhef |

Artikel 19, lid 1, onder e), eerste tot en met vierde streepje | Artikel 45, lid 1, onder e), punten i) tot en met iv) |

Artikel 19, lid 1, onder f) | Artikel 45, lid 1, onder f) |

Artikel 19, lid 1, onder g), aanhef | Artikel 45, lid 1, onder g), aanhef |

Artikel 19, lid 1, onder g), eerste, tweede en derde streepje | Artikel 45, lid 1, onder g), punten i), ii) en iii) |

Artikel 19, lid 1, onder h), aanhef | Artikel 45, lid 1, onder h), aanhef |

Artikel 19, lid 1, onder h), eerste tot en met vierde streepje | Artikel 45, lid 1, onder h), punten i) tot en met iv) |

Artikel 19, lid 2, aanhef | Artikel 45, lid 2, aanhef |

Artikel 19, lid 2, onder a) | Artikel 45, lid 2, onder a) |

Artikel 19, lid 2, onder c) | Artikel 45, lid 2, onder b) |

Artikel 19, lid 2, onder d) | Artikel 45, lid 2, onder c) |

Artikel 19, lid 4 | Artikel 45, lid 3 |

Artikel 21 | Artikel 46 |

Artikel 22, lid 1, eerste alinea | Artikel 47, lid 1, eerste alinea |

Artikel 22, lid 1, tweede alinea, aanhef | Artikel 47, lid 1, tweede alinea, aanhef |

Artikel 22, lid 1, tweede alinea, eerste en tweede streepje | Artikel 47, lid 1, tweede alinea, onder a) en b) |

Artikel 22, lid 2, eerste alinea | Artikel 47, lid 2, eerste alinea |

Artikel 22, lid 2, tweede alinea, aanhef | Artikel 47, lid 2, tweede alinea, aanhef |

Artikel 22, lid 2, tweede alinea, eerste, tweede en derde streepje | Artikel 47, lid 2, tweede alinea, onder a), b) en c) |

Artikel 22, leden 3, 4 en 5 | Artikel 47, leden 3, 4 en 5 |

Artikel 22 bis, lid 1, aanhef | Artikel 48, lid 1, aanhef |

Artikel 22 bis, lid 1, eerste, tweede en derde streepje | Artikel 48, lid 1, onder a), b) en c) |

Artikel 22 bis, lid 2 | Artikel 48, lid 2 |

Artikel 23 | Artikel 49 |

Artikel 24 | Artikel 50 |

Artikel 24 bis | Artikel 65 |

Artikel 25, lid 1 | Artikel 51, lid 1 |

Artikel 25, lid 2, eerste alinea, aanhef | Artikel 51, lid 2, eerste alinea, aanhef |

Artikel 25, lid 2, eerste alinea, eerste tot en met vierde streepje | Artikel 51, lid 2, eerste alinea, onder a) tot en met d) |

Artikel 25, lid 2, tweede alinea | Artikel 51, lid 2, tweede alinea |

Artikel 25, lid 3 | Artikel 51, lid 3 |

Artikel 26 | Artikel 52 |

- | Artikel 53 |

- | Artikel 54 |

- | Artikel 55 |

- | Artikel 56 |

- | Artikel 57 |

- | Artikel 58 |

- | Artikel 59 |

- | Artikel 60 |

- | Artikel 61 |

- | Artikel 62 |

Artikel 27, lid 1, aanhef | Artikel 63, lid 1, aanhef |

Artikel 27, lid 1, eerste streepje | - |

Artikel 27, lid 1, tweede, derde en vierde streepje | Artikel 63, lid 1, onder a), b) en c) |

Artikel 27, lid 2, aanhef | Artikel 63, lid 2, aanhef |

Artikel 27, lid 2, eerste en tweede streepje | Artikel 63, lid 2, onder a) en b) |

Artikel 28, leden 1 en 2 | Artikel 64, leden 1 en 2 |

Artikel 28, leden 3 en 4 | - |

Artikel 28, leden 5 en 6 | Artikel 64, leden 3 en 4 |

Artikel 29 | Artikel 66 |

Artikel 30 | Artikel 67 |

Artikel 31 | Artikel 68 |

Artikel 32 | Artikel 69 |

Artikel 33 | Artikel 70 |

Artikel 34 | Artikel 71 |

Artikel 35 | Artikel 72 |

- | Artikel 73 |

- | Artikel 74 |

- | Artikel 75 |

- | Artikel 76 |

- | Artikel 77 |

Artikel 36, lid 1, eerste alinea, aanhef | Artikel 78, lid 1, eerste alinea, aanhef |

Artikel 36, lid 1, eerste alinea, eerste en tweede streepje | Artikel 78, lid 1, eerste alinea, onder a) en b) |

Artikel 36, lid 1, eerste alinea, slotzin | Artikel 78, lid 1, eerste alinea, slotzin |

Artikel 36, lid 1, tweede alinea | Artikel 78, lid 1, tweede alinea |

Artikel 36, lid 2 | Artikel 78, lid 2 |

Artikel 37 | Artikel 79 |

Artikel 38 | Artikel 80 |

Artikel 39 | Artikel 81 |

Artikel 40 | Artikel 82 |

Artikel 41, lid 1, aanhef | Artikel 83, lid 1, aanhef |

Artikel 41, lid 1, eerste en tweede streepje | Artikel 83, lid 1, onder a) en b) |

Artikel 41, lid 1, laatste deel van de zin | Artikel 83, lid 1, laatste deel van de zin |

Artikel 41, lid 2 | Artikel 83, lid 2 |

Artikel 42, aanhef | Artikel 84, aanhef |

Artikel 42, eerste en tweede streepje | Artikel 84, onder a) en b) |

Artikel 43 | Artikel 85 |

Artikel 44, lid 1 | - |

Artikel 44, lid 2 | - |

- | Artikel 86, lid 1 |

- | Artikel 86, lid 2 |

Artikel 44, lid 3 | - |

- | Artikel 86, lid 3 |

Artikel 45 | Artikel 87 |

Artikel 46, eerste alinea, aanhef | Artikel 88, lid 1, eerste alinea |

- | Artikel 88, lid 1, tweede alinea |

Artikel 46, eerste alinea, eerste streepje | - |

Artikel 46, eerste alinea, tweede streepje | Artikel 88, lid 2, onder a) |

Artikel 46, eerste alinea, derde en vierde streepje | Artikel 88, lid 2, onder a) |

Artikel 46, eerste alinea, vijfde streepje | - |

Artikel 46, tweede alinea | - |

- | Artikel 88, leden 3 tot en met 8 |

Artikel 47 | Artikel 89 |

- | Artikel 90 |

Artikel 48 | Artikel 91 |

Artikel 49 | Artikel 92 |

- | Artikel 93 |

- | Artikel 94 |

- | Artikel 95 |

Artikel 50, lid 1 | Artikel 96, lid 1 |

- | Artikel 96, leden 2 tot en met 8 |

Artikel 50, leden 2, 3 en 4 | Artikel 97, leden 1, 2 en 3 |

Artikel 50, lid 5, aanhef | Artikel 97, lid 4, aanhef |

Artikel 50, lid 5, eerste tot en met vierde streepje | Artikel 97, lid 4, onder a) tot en met d) |

Artikel 50, lid 6, aanhef | Artikel 97, lid 5, eerste alinea, aanhef |

Artikel 50, lid 6, onder a) | Artikel 97, lid 5, eerste alinea |

Artikel 50, lid 6, onder b), aanhef | Artikel 97, lid 5, eerste alinea |

Artikel 50, lid 6, onder b), eerste, tweede en derde streepje | Artikel 97, lid 5, eerste alinea, punten i), ii) en iii) |

Artikel 50, lid 6, onder b), slotgedeelte | Artikel 97, lid 5, tweede en derde alinea |

Artikel 50, lid 7, eerste alinea, aanhef | Artikel 98, lid 1, onder a) en b) |

Artikel 50, lid 7, eerste alinea, eerste en tweede streepje | Artikel 98, lid 1, aanhef |

Artikel 50, lid 7, tweede alinea, aanhef | Artikel 98, lid 2, aanhef |

Artikel 50, lid 7, tweede alinea, eerste, tweede en derde streepje | Artikel 98, lid 2, onder a), b) en c) |

Artikel 50, lid 7, derde alinea | Artikel 98, lid 3 |

Artikel 50, lid 8, eerste alinea | Artikel 98, lid 4 |

Artikel 50, lid 8, tweede alinea, aanhef | Artikel 98, lid 5, aanhef |

Artikel 50, lid 8, tweede alinea, eerste, tweede en derde streepje | Artikel 98, lid 5, onder a), b) en c) |

Artikel 50, lid 8, derde alinea | Artikel 98, lid 6 |

Artikel 50, lid 8, vierde alinea | Artikel 98, lid 5, tweede alinea |

Artikel 50, lid 8, vijfde alinea | Artikel 98, lid 7 |

Artikel 50, lid 8, zesde alinea | - |

Artikel 50, leden 9, 10 en 11 | Artikel 99, leden 1, 2 en 3 |

Artikel 100 |

Artikel 50 bis, lid 1, aanhef | Artikel 101, lid 1, aanhef |

Artikel 50 bis, lid 1, onder a), aanhef | Artikel 101, lid 1, onder a), aanhef |

Artikel 50 bis, lid 1, onder a), eerste, tweede en derde streepje | Artikel 101, lid 1, onder a), punten i), ii) en iii) |

Artikel 50 bis, lid 1, onder b) | Artikel 101, lid 1, onder b) |

Artikel 50 bis, lid 2 | Artikel 101, lid 2 |

Artikel 51, leden 1 en 2 | Artikel 102, leden 1 en 2 |

- | Artikel 102, lid 3 |

Artikel 52, lid 1 | Artikel 103, lid 1 |

Artikel 52, lid 2 | Artikel 103, lid 1 |

Artikel 52, lid 3 | Artikel 103, lid 2 |

- | Artikel 103, leden 3, 4 en 5 |

Artikel 52 bis | Artikel 104 |

Artikel 52 ter, lid 1 | Artikel 105, lid 1 |

Artikel 52 ter, lid 2 | - |

Artikel 52 ter, lid 3 | Artikel 105, lid 2 |

Artikel 53 bis | Artikel 106 |

Artikel 53 ter | Artikel 107, leden 1 en 2 |

Artikel 107, lid 3 |

Artikel 54 | Artikel 108, lid 1 |

Artikel 55 | Artikel 108, lid 2 |

Artikel 56, lid 1 | Artikel 108, lid 3 |

Artikel 56, lid 2 | - |

Artikel 57 | - |

- | Artikel 109 |

Artikel 58 | Artikel 110 |

- | Artikel 111 |

- | Artikel 112 |

Artikel 59 | Artikel 113 |

Bijlage I, schema's A en B | Bijlage I, schema's A en B |

Bijlage I, schema C | - |

– | Bijlage III |

– | Bijlage IV |

_____________

FINANCIEEL MEMORANDUM

1. BENAMING VAN HET VOORSTEL

VOORSTEL VOOR EEN RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD TOT COÖRDINATIE VAN DE WETTELIJKE EN BESTUURSRECHTELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE BEPAALDE INSTELLINGEN VOOR COLLECTIEVE BELEGGING IN EFFECTEN (ICBE'S)

2. BEGROTINGSONDERDELEN

3. FINANCIËLE GEVOLGEN

Het voorstel heeft geen financiële gevolgen. In de vereiste personele en huishoudelijke middelen zal worden voorzien door middel van het budget dat aan het beherende DG is toegewezen in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure.

4. FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN

5. ANDERE OPMERKINGEN

[1] Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3, als gewijzigd) (zie voetnoot 5).

[2] Groenboek over de verbetering van het EU-kader voor beleggingsfondsen - COM(2005) 314.

[3] Witboek over de verbetering van het kader voor de interne markt voor beleggingsfondsen - COM(2006) 686.

[4] Werkdocument van de Commissie: Eerste voortgangsrapport inzake de strategie voor de vereenvoudiging van de regelgeving - COM(2006) 690.

[5] Richtlijn 85/611/EEG is gewijzigd bij de volgende besluiten: Richtlijn 95/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 1995 (PB L 168 van 18.7.1995, blz. 7), Richtlijn 2000/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 november 2000 (PB L 290 van 17.11.2000, blz. 27), Richtlijn 2001/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 januari 2002 (PB L 41 van 13.2.2002, blz. 20), Richtlijn 2001/108/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 januari 2002 (PB L 41 van 13.2.2002, blz. 35), Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2005 (PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1), Richtlijn 2005/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2005 tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 85/611/EEG, 91/675/EEG, 92/49/EEG en 93/6/EEG van de Raad en de Richtlijnen 94/19/EG, 98/78/EG, 2000/12/EG, 2001/34/EG, 2002/83/EG en 2002/87/EG met het oog op de instelling van een nieuwe comitéstructuur voor financiële diensten (PB L 79 van 24.3.2005, blz. 9) en Richtlijn 2008/18/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 85/611/EEG, wat de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden betreft (PB L 76 van 19.3.2008, blz. 42).

[6] Zie voetnoot 5.

[7] Ingesteld bij Besluit 2001/527/EG van de Commissie van 6 juni 2001 (PB L 191 van 13.7.2001, blz. 43).

[8] Overeenkomstig de Icbe-richtlijn mogen de feeder-icbe en de master-icbe enkel dezelfde bewaarder hebben als zij in dezelfde lidstaat gevestigd zijn.

[9] PB C […] van […], blz. […].

[10] PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2008/18/EG (PB L 76 van 19.3.2008, blz. 42).

[11] Zie bijlage, deel A.

[12] COM(2005) 314 definitief.

[13] PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2006/31/EG (PB L 114 van 27.4.2006, blz. 60).

[14] PB L 141 van 11.6.1993, blz. 27. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/64/EG.

[15] PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

[16] PB L 141 van 11.6.1993, blz. 27. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/64/EG.

[17] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

[18] PB L 168 van 18.7.1995, blz. 7.

[19] PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1.

[20] PB L 348 van 17.12.1988, blz. 62.

[21] PB L 141 van 11.6.1993, blz. 27. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/64/EG (PB L 290 van 17.11.2000, blz. 27).

[22] PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

[23] PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1.PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2000/28/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 275 van 27.10.2000, blz. 37).

[24] PB L 141 van 11.6.1993, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/33/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 204 van 21.7.1998, blz. 29).

[25] PB L 184 van 6.7.2001, blz. 1.

[26] PB L 177 van 30.6.2006, blz. 201.

[27] PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.

[28] PB L 84 van 26.3.1997, blz. 22.

[29] PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87.

[30] Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen(PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/60/EG (PB L 162 van 26.6.1999, blz. 65).

[31] Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Akte van toetreding van 1994.

[32] PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87.

[33] Ingesteld bij Besluit 2001/527/EG van de Commissie van 6 juni 2001, PB L 191 van 13 juli 2001, blz. 43.

[34] PB nr. L 126 van 12. 5. 1984, blz. 20.

[35] PB nr. L 222 van 14. 8. 1978, blz. 11. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 90/605/EEG (PB nr. L 317 van 16. 11. 1990, blz. 60).

[36] PB L 191 van 13.7.2001, blz. 45. Besluit gewijzigd bij Besluit 2004/8/EG (PB L 3 van 7.1.2004, blz. 33).