52003PC0451

Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van maatregelen betreffende de incidentele vangsten van walvisachtigen bij de visserij en tot wijziging van Verordening (EG) Nr. 88/98 /* COM/2003/0451 def. - CNS 2003/0163 */


Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling van maatregelen betreffende de incidentele vangsten van walvisachtigen bij de visserij en tot wijziging van Verordening (EG) Nr. 88/98

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

Het bij toeval vangen en doden van kleine walvisachtigen bij visserijactiviteiten wordt beschouwd als een van de grootste bedreigingen voor de instandhouding van de populaties van deze dieren.

Walvisachtigen zijn strikt beschermd door de communautaire milieuwetgeving, namelijk de habitatsrichtlijn (92/43/EEG), teneinde deze soorten in een gunstige staat van instandhouding te houden of te brengen. Artikel 11 van deze richtlijn schrijft voor dat de lidstaten moeten toezien op hun instandhouding en artikel 12 bepaalt bovendien dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten treffen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van deze dieren, en met name van een systeem van toezicht op het bij toeval vangen en doden ervan, met het oog op verdere onderzoekwerkzaamheden of instandhoudingmaatregelen, indien deze nodig blijken.

Wat de visserijwetgeving betreft heeft de Raad in 1997, bij Verordening (EG) Nr. 894/97, de zogenoemde "drijfnetbeperkingen" vastgesteld (in 1998 gewijzigd bij Verordening Nr. 1239/98), onder meer omdat dergelijke vistuigen populaties van sommige als bijvangst gevangen vissoorten in gevaar konden brengen.

Op basis van de thans beschikbare wetenschappelijke informatie is de Commissie evenwel tot de conclusie gekomen dat de tot dusver getroffen maatregelen niet volstaan of onvoldoende zijn gecoördineerd. De Gemeenschap moet aanvullende maatregelen treffen in de visserijsector om de maatregelen voor de bescherming van kleine walvisachtigen consequent en op basis van samenwerking te verbeteren. Dit strookt volledig met de verplichtingen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid om het effect van visserijactiviteiten op de mariene ecosystemen, waarin inzonderheid is voorzien bij artikel 2 van Verordening (EG) Nr. 2371/2002, zo gering mogelijk te houden.

De Commissie heeft de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) verzocht een overzicht te verstrekken van de visserijtakken die een significant effect hebben op kleine walvisachtigen, alsmede een evaluatie van het risico dat de visserij voor de diverse vispopulaties inhoudt en, tenslotte, adviezen over mogelijke maatregelen om de nadelige gevolgen van de visserij te beperken. Voorts heeft zij het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) verzocht om inzonderheid in de subgroep Visserij en Milieu, de door de ICES verstrekte informatie te bestuderen om er eventuele aanvullende informatie over de bijvangst van walvisachtigen bij de Europese visserij (inzonderheid de visserij die buiten de werkingssfeer van de ICES valt) aan toe te voegen en de Commissie eventueel adviezen voor het beheer te verstrekken [1].

[1] Verslag van het Adviescomité Ecosystemen 2002 (beschikbaar op http://www.ices.dk/committe/ace/2002/ Section-2.pdf), en het verslag over de incidentele vangst van kleine walvisachtigen van de subgroep Visserij en milieu (SEC(2002)1134), in november 2002 herzien en van aantekeningen voorzien door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) (SEC(2003)550).

Volgens de verslagen van deze wetenschappelijke instanties worden met de meeste van de in Europa normaal gebruikte vistuigen walvisachtigen als bijvangst gevangen, hoewel het grootste deel ervan voor rekening komt van kieuwnetten en pelagische trawlnetten. Om een idee te krijgen van de omvang van de bijvangst van walvisachtigen, kan worden vermeld dat het aantal bruinvissen dat elk jaar in op de bodem geankerde kieuwnetten in de Noordzee wordt gevangen, geraamd wordt op ettelijke duizenden. Hoewel gegevens over de bijvangst van andere walvisachtigen, zoals dolfijnen, zeer onvolledig is, blijkt duidelijk uit door sommige lidstaten uitgevoerde vangstproeven dat de bijvangsten van deze soorten soms zeer hoog kunnen zijn (nadere bijzonderheden zijn te vinden in de eerder genoemde verslagen).

De wetenschappers zijn van oordeel dat de bijvangst van walvisachtigen in de eerste plaats kan worden beperkt door een algemene verlaging van de visserijdruk, gekoppeld aan enkele aanvullende maatregelen van technische aard. Om betere adviezen te krijgen over verdere beperkende maatregelen, is ook een uitgebreide toezichtregeling, die een voldoende uitgestrekt geografisch gebied en tijdspanne bestrijkt, noodzakelijk. Tot dusver is slechts occasioneel en niet gecoördineerd toezicht uitgevoerd, zodat het niet mogelijk was een duidelijk beeld te krijgen van de spreiding van de bijvangsten in de ruimte en in de tijd.

Er wordt een algemene verlaging van de visserijdruk verwacht als gevolg van andere communautaire maatregelen om de duurzaamheid van de visserij te garanderen. Het onderhavige voorstel voor een verordening vormt een aanvulling op de naar aanleiding van de wetenschappelijke adviezen getroffen maatregelen, doordat het voorziet in extra maatregelen om de incidentele vangsten van walvisachtigen bij de visserij te beperken. Deze maatregelen omvatten:

(1) beperkingen op het gebruik van drijfnetten in de Oostzee (lengte maximaal 2,5 km, geleidelijke invoering van een verbod op het gebruik vóór 1 januari 2007),

(2) verplicht gebruik van akoestische afschrikmiddelen in bepaalde visserijtakken en

(3) gecoördineerd toezicht op de bijvangst van walvisachtigen via verplicht aan boord te nemen waarnemers in bepaalde visserijtakken.

Beperkingen op het gebruik van drijfnetten in de Oostzee

Het gebruik van drijfnetten is door de communautaire wetgeving streng beperkt, onder meer wegens het effect ervan op kleine walvisachtigen, maar deze beperkingen zijn niet van toepassing in de Oostzee [2].

[2] Zie Verordening (EEG) Nr. 894/97, gewijzigd bij Verordening (EG) Nr. 1239/98

Volgens de aanbeveling van de Subgroep voor Visserij en Milieu (SGFEN) zou de maximumlengte van drijfnetten voor de zalmvisserij moeten worden teruggebracht tot de lengte die geldt voor andere communautaire drijfnetvisserijen die nog zijn toegestaan, namelijk 2,5 km. Er zal ook een tijdschema moeten worden opgesteld voor de invoering van het verbod op het gebruik van deze drijfnetten.

De reden hiervoor is dat bruinvis (Phocoena phocoena), de enige walvisachtige waarvoor de vangsten bij de drijfnetvisserij met drijfnetten in de Oostzee worden geregistreerd, de meest bedreigde populatie van kleine walvisachtigen in Europa is. De zeer kleine overblijvende populatie betekent dat het zelden voorkomt dat deze dieren bij toeval worden gevangen, maar dat dit wel van grote betekenis is voor de instandhouding van deze populatie.

Daarom zou een algemene beperking van de lengte van drijfnetten tot 2,5 km onmiddellijk moeten ingaan in de Oostzee, gevolgd door een geleidelijk verbod op het gebruik ervan in dit gebied tot een volledig verbod vanaf 1 januari 2007. Hoewel deze maatregelen een ongunstig effect zullen hebben op de rendabiliteit van de betrokken zalmvisserij, moet het feit dat de Gemeenschap zich ertoe heeft verbonden de biologische diversiteit in stand te houden en het mogelijke uitsterven van de bruinvispopulatie in de Oostzee op korte tot middellange termijn te voorkomen, voldoende reden zijn om deze overwegingen terzijde te schuiven.

De voornoemde verbintenis brengt met zich dat ook een bijzonder toezicht zal moeten worden uitgeoefend op het gebruik van andere vistuigen waarvan bekend is dat ze een gevaar inhouden voor incidentele vangsten van bruinvissen, inzonderheid geankerde kieuwnetten (zie hierna).

Verplicht gebruik van akoestische afschrikmiddelen

Akoestische afschrikmiddelen (of pingers) zijn uitgebreid getest en worden toegepast bij verschillende kieuwnetvisserijen in de hele wereld, waar ze erin geslaagd zijn de bijvangsten van bepaalde kleine walvisachtigen, inzonderheid van gewone dolfijnen (Delphinus delphis), gestreepte dolfijnen (Stenella coeruleoalba) en bruinvissen te verminderen.

Het gebruik van akoestische afschrikmiddelen zou daarom verplicht moeten worden gesteld in alle visserijtakken die een significante bijvangst zouden kunnen opleveren en waarin een belangrijke vermindering van de incidentele vangsten van walvisachtigen kan worden verwacht. Dit geldt inzonderheid voor visserijtakken waarin gebruik wordt gemaakt van geankerde kieuwnetten in gebieden waar bruinvissen voorkomen (inzonderheid de Noordzee, het Kanaal en de Celtic Shelf).

Gezien het grote aandeel van kleine vissersvaartuigen in de totale visserijinspanning met geankerde kieuwnetten in deze gebieden en de verspreiding van bruinvissen dichtbij de kust, stelt de Commissie voor het gebruik ervan verplicht te stellen voor alle vaartuigen, ongeacht hun grootte of de totale lengte van de netten die zij uitzetten.

Gelet evenwel op het bezwaar dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijke negatieve gevolgen van dergelijke apparaten op de volledige populaties van de dieren die zij zouden moeten afschrikken, moet dit grootschalig gebruik van pingers zorgvuldig worden gecontroleerd.

Om dankzij een adequate controle te garanderen dat dergelijke maatregelen goed worden nageleefd, is het bovendien van zeer groot belang communautaire regels vast te stellen voor het merken en de identificatie van staande vistuigen. De Commissie is voornemens in de nabije toekomst uitvoeringsbepalingen vast te stellen overeenkomstig artikel 5, onder c), en artikel 20 bis, lid 3, van Verordening (EEG) Nr. 2847/93 van de Raad, volgens de in artikel 36 van die verordening bepaalde procedure.

Toezicht op de bijvangsten

De bovenvermelde beperkende maatregelen worden beschouwd als een eerste voorlopige stap in de oplossing van het bijvangstprobleem. De Commissie beseft dat hier uitgebreide en meer strategische maatregelen noodzakelijk zijn. Voor het ontwerpen van een dergelijke strategie dient men echter een beter inzicht in het probleem te krijgen door een passende controle op de visserijactiviteiten en een betere evaluatie van en toezicht op de populaties van walvisachtigen.

De uiteindelijke vorm die de beperkende maatregelen zullen aannemen zal voornamelijk afhangen van een algemene toezichtregeling die een voldoende uitgebreid geografisch gebied en een voldoende lange periode bestrijkt. Onafhankelijke en representatieve waarnemingen van de visserijactiviteiten zijn van essentieel belang om tot voldoende nauwkeurige ramingen van de bijvangsten te komen.

Daarom stelt de Commissie voor dat de lidstaten als prioriteit regelingen met waarnemers aan boord invoeren om het incidentele vangen en doden van walvisachtigen in diverse visserijtakken waarin gebruik wordt gemaakt van pelagische trawls of kieuwnetten en die een groot risico voor bijvangsten vormen, te controleren.

De Subgroep Visserij en Milieu heeft een aantal visserijtakken aangewezen waarvoor toezichtregelingen zouden moeten worden ingesteld en de meeste daarvan zijn in de voorgestelde verordening opgenomen. In het algemeen genomen zou het waarnemingsniveau afhankelijk moeten zijn van de de gewenste nauwkeurigheid van de ramingen van de bijvangsten en van de statistische eigenschappen van de bijvangstgebeurtenissen in een bepaalde visserijtak. Daar er niet voldoende gegevens zijn om te bepalen wat een statistisch betrouwbaar waarnemingsniveau is, heeft de SGFEN aanbevolen dat vijf tot tien procent van de totale inspanning zou moeten worden gecontroleerd; de Commissie heeft in de meeste gevallen het lagere cijfer aangehouden. Voorzover mogelijk zal voor de programma's voor de controle op de incidentele vangst van walvisachtigen gebruik moeten worden gemaakt van bestaande waarnemingsprogramma's die zijn ingesteld voor andere doeleinden (bijvoorbeeld verzameling van gegevens over de teruggooi).

Voor vaartuigen die geen extra persoon als waarnemer aan boord kunnen nemen (bijvoorbeeld omdat er onvoldoende plaats is of om veiligheidsredenen) zouden de lidstaten andere passende methodes voor een onafhankelijk toezicht op zee moeten vaststellen.

Follow-up en herziening van deze maatregelen

De voorgestelde maatregelen inzake het gebruik van pingers en programma's met waarnemers aan boord zullen zorgvuldig worden geverifieerd en geëvalueerd om ze in de volgende jaren zo nodig te kunnen aanpassen. De resultaten zouden regelmatig moeten worden gemeld op communautair niveau, om een algemene evaluatie van de behaalde resultaten mogelijk te maken en het WTECV in staat te stellen nieuwe aanbevelingen te doen.

De bij het toezicht op het gebruik van pingers verzamelde gegevens en die welke zijn verkregen via onafhankelijke waarnemersregelingen moeten worden aangevuld met andere relevante informatie, met name onderzoek over nieuwe beperkende maatregelen (bijvoorbeeld proeven met akoestische afschrikmiddelen in pelagische trawls of mogelijke alternatieve netmaterialen voor kieuwnetten).

De belasting die sommige van de voorgestelde maatregelen voor de visserijsector betekenen zal echter op lange termijn moeilijk te rechtvaardigen zijn indien deze maatregelen niet op passende wijze worden aangevuld met maatregelen om de algemene informatie en kennis over de instandhouding van walvisachtigen te verbeteren. Deze follow-up moet dus uitgaan van een alomvattend en adequaat toezicht door de lidstaten op de instandhoudingsstatus van walvisachtigen, zoals voorgeschreven in de habitatsrichtlijn. De uitwerking van een uitgebreide en betrouwbare strategie op lange termijn voor de instandhouding van deze soorten zal slechts mogelijk zijn indien aan al deze voorwaarden is voldaan.

2003/0163 (CNS)

Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling van maatregelen betreffende de incidentele vangsten van walvisachtigen bij de visserij en tot wijziging van Verordening (EG) Nr. 88/98

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie [3],

[3] PB C [...] van [...], blz.[...]

Gezien het advies van het Europees Parlement [4],

[4] PB C [...] van [...], blz.[...]

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Het doel van het gemeenschappelijk visserijbeleid, zoals omschreven in artikel 2 van Verordening (EG) Nr. 2371/2002 van de Raad [5], is een exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen te garanderen die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en sociaal gebied zorgt. Daartoe moet de Gemeenschap onder meer het effect van de visserijactiviteiten op de mariene ecosystemen zo gering mogelijk houden, en moet het gemeenschappelijk visserijbeleid in overeenstemming zijn met ander communautair beleid, inzonderheid het milieubeleid.

[5] PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(2) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna [6] verleent strikte beschermingsstatus aan walvisachtigen en bepaalt dat de lidstaten toezicht moeten uitoefenen op de staat van instandhouding van deze soorten. De lidstaten moeten ook een systeem invoeren om toezicht uit te oefenen op het incidenteel vangen en doden van deze soorten, aanvullende onderzoeks- en instandhoudingsmaatregelen nemen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het incidenteel vangen of doden geen significant effect heeft op de betrokken soort.

[6] PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/62/EG, PB L 305 van 8.11.1997, blz. 42.

(3) De beschikbare wetenschappelijke informatie en de technieken die zijn ontwikkeld om het incidenteel vangen en doden van walvisachtigen bij de visserij te verminderen, rechtvaardigen het nemen van aanvullende maatregelen om de instandhouding van kleine walvisachtigen op een consequente en coöperatieve manier te bevorderen op het niveau van de Gemeenschap.

(4) Er zijn bepaalde akoestische apparaten ontwikkeld om walvisachtigen weg te houden van vistuigen, en deze zijn doeltreffend gebleken om de bijvangst van walvisachtigen bij de visserij met staande netten te verminderen. Het gebruik van dergelijke apparaten zou derhalve verplicht moeten worden gesteld in de gebieden en visserijtakken waarvan bekend is of wordt verwacht dat grote aantallen kleine walvisachtigen als bijvangst zullen worden gevangen. Het is ook noodzakelijk de technische specificaties voor de doeltreffendheid van de in deze visserijtakken te gebruiken akoestische afschrikmiddelen vast te stellen.

(5) Deze verordening zou geen belemmering mogen vormen voor het wetenschappelijk en technisch onderzoek, inzonderheid naar nieuwe vormen van actieve afschrikmiddelen. Hoewel de lidstaten derhalve zou moeten worden toegestaan om, in het kader van deze verordening, het gebruik van nieuw ontwikkelde en doeltreffende types akoestische afschrikmiddelen die niet voldoen aan de in deze verordening bepaalde technische specificaties tijdelijk toe te staan, dient ook te worden bepaald dat de technische specificaties van akoestische afschrikmiddelen zo snel mogelijk moeten worden bijgewerkt overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [7].

[7] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(6) Onafhankelijke waarnemingen van visserijactiviteiten zijn van essentieel belang om betrouwbare ramingen van de incidentele vangst van walvisachtigen te kunnen opstellen en om een beter inzicht te krijgen in het effect van het gebruik van akoestische afschrikmiddelen wanneer deze op grote schaal worden gebruikt. Het is dan ook noodzakelijk toezichtregelingen met onafhankelijke waarnemers aan boord in te stellen en de visserijtakken aan te wijzen waar deze regelingen met voorrang zouden moeten worden gecoördineerd. Om representatieve gegevens over de betrokken visserijtakken te verkrijgen, zouden de lidstaten passende toezichtprogramma's moeten opstellen en toepassen voor de vaartuigen die hun vlag voeren en die in deze visserijtakken actief zijn. Voor kleinschalige visserijvaartuigen zou toezicht op zee op een andere wijze moeten worden georganiseerd. Er zouden ook gemeenschappelijke toezicht- en meldingstaken moeten worden vastgesteld.

(7) Om een regelmatige evaluatie op het niveau van de Gemeenschap en een grondige beoordeling op middellange termijn mogelijk te maken, zouden de lidstaten jaarlijks verslag moeten uitbrengen over het gebruik van pingers en de uitvoering van de programma's van aan boord geplaatste waarnemers, waarin tevens alle gegevens zouden moeten worden opgenomen die zij hebben verzameld over het bij toeval vangen en doden van walvisachtigen in de verschillende visserijtakken.

(8) Het risico van de drijfnetvisserij voor de populatie van bruinvissen in de Oostzee, die zich in een kritieke toestand bevindt, maakt het noodzakelijk een einde te maken aan het gebruik van drijfnetten in dit gebied. De lengte van de drijfnetten die een vaartuig aan boord mag hebben of mag gebruiken, moet onmiddellijk worden verminderd. Communautaire vaartuigen die in dit gebied met drijfnetten vissen zullen aan economische en technische verplichtingen moeten voldoen, die een periode van geleidelijke beperking van het gebruik van dit vistuig en een volledig verbod vanaf 1 januari 2007 zal omvatten. Verordening (EG) nr. 88/98 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Øresund [8] dient te worden gewijzigd om er deze maatregelen in op te nemen,

[8] PB L 9 van 15.1.1998 blz.1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) Nr. 48/99, PB L 103 van 18.1. 1999, blz. 1.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1 Onderwerp

Bij deze verordening worden maatregelen vastgesteld om de incidentele vangst van walvisachtigen door vaartuigen in de in de bijlagen I en III vermelde gebieden te verminderen.

Artikel 2 Gebruik van akoestische afschrikapparaten

1. Onverminderd andere communautaire bepalingen is het verboden de in bijlage I omschreven vistuigen in de in dezelfde bijlage vermelde gebieden en periodes aan boord te hebben, indien niet tegelijkertijd ook gebruik wordt gemaakt van akoestische afschrikapparaten.

2. De kapiteins van communautaire vissersvaartuigen moeten ervoor zorgen dat de akoestische afschrikapparaten volledig operationeel zijn wanneer zij het vistuig uitzetten.

3. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing voor visserijactiviteiten die uitsluitend plaatsvinden in het kader van wetenschappelijk onderzoek dat wordt uitgevoerd met toestemming en onder het gezag van de betrokken lidstaat of lidstaten en dat bedoeld is om nieuwe technische voorzieningen te ontwikkelen om het toevallig vangen of doden van walvisachtigen te verminderen.

Artikel 3 Technische specificaties van de akoestische apparaten en gebruiksvoorwaarden

1. De ter uitvoering van artikel 2, lid 1, gebruikte akoestische afschrikapparaten moeten voldoen aan een van de in bijlage II vermelde reeksen van technische specificaties en voorwaarden.

2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 mogen de lidstaten machtiging verlenen voor het tijdelijk gebruik van akoestische afschrikapparaten die niet voldoen aan de in bijlage II bepaalde technische specificaties of voorwaarden, op voorwaarde dat de effectiviteit ervan op de vermindering van incidentele bijvangsten van walvisachtigen voldoende is aangetoond. Een machtiging mag gelden voor ten hoogste twee jaar.

3. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de machtigingen die zij overeenkomstig het bepaalde in lid 2 hebben toegekend binnen twee maanden na de datum waarop de machtiging is verleend. Zij verstrekken de Commissie technische en wetenschappelijke informatie over het toegelaten akoestische afschrikapparaat en over het effect ervan op de incidentele vangst van walvisachtigen.

Artikel 4 Verplichte regelingen van waarnemers aan boord van vaartuigen

1. De lidstaten ontwerpen regelingen voor toezicht op de incidentele vangst van walvisachtigen, die gebruik maken van waarnemers aan boord van de vaartuigen die hun vlag voeren in de visserijtakken en op de voorwaarden die zijn bepaald in bijlage III, en leggen deze regelingen ten uitvoer. De toezichtregelingen moeten zo zijn ontworpen dat ze voor de betrokken visserijtakken representatieve gegevens opleveren.

2. Indien, om tot voor de betrokken visserijtak representatieve gegevens te komen, in de toezichtregeling kleinschalige vissersvaartuigen worden opgenomen waarop om technische of veiligheidsredenen geen waarnemer aan boord kan worden genomen, treffen de lidstaten de nodige maatregelen om onafhankelijke waarnemingen op zee uit te voeren, met name via begeleidende vaartuigen of specifieke controles op uitgezette netten door inspectievaartuigen.

Artikel 5 Waarnemers

1. Om te voldoen aan hun verplichting om waarnemers aan te wijzen, stellen de lidstaten onafhankelijk personeel met passende ervaring en opleiding aan. Om hun taken te kunnen uitvoeren moeten de aangestelde waarnemers over de volgende kwalificaties beschikken:

(a) voldoende ervaring om de verschillende soorten walvisachtigen en vangstmethoden te kunnen onderscheiden;

(b) basiskennis op het gebied van de zeevaart en de veiligheidsvoorschriften;

(c) de bekwaamheid om eenvoudige wetenschappelijke taken uit te voeren, bijvoorbeeld het nemen van monsters indien dat nodig blijkt en het uitvoeren van nauwkeurige waarnemingen en notities in dat verband;

(d) een bevredigende kennis van de taal van de vlaggenlidstaat van het vaartuig dat wordt waargenomen.

2. De hoofdtaak van de waarnemers is toezicht uit te oefenen op incidentele vangsten van walvisachtigen en de nodige gegevens te verzamelen om de waargenomen bijvangst te extrapoleren op de hele betrokken visserijtak. De aangewezen waarnemers dienen met name:

(a) toezicht uit te oefenen op de visserijactiviteiten van de betrokken vaartuigen en de passende gegevens betreffende de visserijinspanning (vistuig, plaats en tijd van het begin en het einde van de eigenlijke visserijactiviteit ....) te noteren;

(b) toezicht uit te oefenen op de incidentele vangsten van walvisachtigen;

(c) toezicht uit te oefenen op het gebruik van akoestische afschrikapparaten, wanneer de waarnemers aan boord zijn van een vissersvaartuig waarvoor de bij de artikelen 2 en 3 van deze verordening vastgestelde bepalingen gelden.

3. De waarnemer zendt een verslag met alle gegevens die hij heeft verzameld over de visserijinspanning en de incidentele vangsten van walvisachtigen, met inbegrip van een overzicht van zijn belangrijkste vaststellingen, aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken vlaggenlidstaat.

Dit verslag bevat met name de volgende gegevens voor de betrokken periode:

(a) de identiteit van het vaartuig;

(b) de naam van de waarnemer en de periode tijdens welke de waarnemer aan boord was;

(c) het type visserij (met inbegrip van de kenmerken van het vistuig, de gebieden als bedoeld in de bijlagen I en III en de doelsoorten);

(d) de duur van de visreis en de overeenkomstige visserijinspanning (uitgedrukt als totale netlengte maal aantal visuren voor staand vistuig en aantal visuren voor gesleept vistuig);

(e) het aantal per toeval gevangen walvisachtigen, met vermelding van de soorten en, indien mogelijk, aanvullende informatie over grootte of gewicht, geslacht, leeftijd en, eventueel aanduiding betreffende de dieren die bij het inhalen van de netten verloren zijn gegaan of die levend terug overboord zijn gezet;

(f) alle aanvullende informatie die de waarnemer dienstig acht in het licht van de doelstellingen van deze verordening, met name defecten van akoestische afschrikapparaten tijdens een visserijactiviteit, of aanvullende waarnemingen betreffende de biologie van walvisachtigen (zoals waarneming van walvisachtigen of bijzondere gedragingen in verband met de visserijactiviteit).

De kapitein van het vaartuig kan de waarnemer verzoeken hem een kopie van zijn verslag te verstrekken.

4. De vlaggenlidstaat bewaart de verslagen van de waarnemers tenminste vijf jaar na het einde van de betrokken verslagperiode.

Artikel 6 Jaarverslagen

1. De lidstaten zenden de Commissie elk jaar, uiterlijk op 1 juni, een algemeen jaarverslag over de uitvoering van de artikelen 2, 3, 4 en 5 in het afgelopen jaar. Het eerste verslag bestrijkt het resterende deel van het jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en het volledige daaropvolgende jaar.

2. Op basis van de overeenkomstig artikel 5, lid 3, door de waarnemers verstrekte verslagen en van alle andere passende gegevens, met inbegrip van die betreffende de visserijinspanning die zijn verzameld ter uitvoering van Verordening (EG) Nr. 1543/2000 [9], worden in het jaarverslag alle ramingen betreffende de totale incidentele vangsten van walvisachtigen in elk van de betrokken visserijtakken opgenomen. Dit verslag omvat een evaluatie van de conclusies van de waarnemersverslagen en alle andere passende informatie, met inbegrip van onderzoek dat in de lidstaten is uitgevoerd om de incidentele vangst van walvisachtigen bij de visserij te verminderen.

[9] PB L 176 van 15.7.2000, blz. 1.

Artikel 7 Algemene evaluatie en herziening

Uiterlijk een jaar na de indiening door de lidstaten van hun tweede jaarverslag, brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van deze verordening, op basis van de evaluatie van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij van de verslagen van de lidstaten.

Artikel 8 Aanpassing aan de technische vooruitgang en aanvullende technische richtsnoeren

1. Overeenkomstig de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) Nr. 2371/2002 bepaalde beheersprocedure worden vastgesteld:

(a) de operationele en technische richtsnoeren voor de in artikel 6 bepaalde taken van de waarnemers;

(b) nadere bepalingen betreffende in artikel 6 bedoelde verslagen.

2. Eventuele wijzigingen in bijlage II die noodzakelijk zijn om ze aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, worden vastgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure die is bepaald in artikel 30, lid 3, van Verordening (EG) Nr. 2371/2002.

Artikel 9 Wijziging van Verordening (EG) nr. 88/98

In Verordening (EG) nr. 88/98 worden de volgende artikelen 8 bis en 8 ter ingevoegd:

"Artikel 8 bis

Beperkingen voor drijfnetten

1. Vanaf 1 januari 2007 is het verboden drijfnetten aan boord te hebben of te gebruiken om te vissen.

2. Tot en met 31 december 2006 mag een vaartuig drijfnetten aan boord hebben of voor de visserij gebruiken waarvan de individuele of totale lengte niet meer dan 2,5 km bedraagt, indien het daartoe door de bevoegde autoriteiten van de vlaggenlidstaat is gemachtigd.

3. In 2005 en 2006 mag het maximumaantal vaartuigen dat door een lidstaat mag worden gemachtigd om drijfnetten aan boord te hebben of voor de visserij te gebruiken niet meer bedragen dan 60% van de vissersvaartuigen die in de periode 2001 tot en met 2003 drijfnetten hebben gebruikt.

4. De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op 30 april van elk jaar de lijst van vaartuigen mee die gemachtigd zijn met drijfnetten te vissen; voor 2004 moet deze informatie uiterlijk op 31 augustus 2004 worden meegedeeld.

Artikel 8 ter

Voorwaarden voor het gebruik van drijfnetten

1. Alle vissersvaartuigen die drijfnetten gebruiken moeten als volgt te werk gaan:

(a) tijdens de visserijactiviteit moet het vaartuig het net constant visueel observeren;

(b) drijvende boeien met radarreflectoren moeten worden verankerd aan beide uiteinden van het net, zodat de positie ervan te allen tijde kan worden bepaald. De boeien moeten permanent zijn gemerkt met de registratieletter(s) en het nummer van het vaartuig waartoe ze behoren.

2. De kapitein van een vissersvaartuig dat drijfnetten gebruikt moet een logboek bijhouden waarin hij op dagbasis de volgende gegevens noteert:

(a) de totale lengte van de netten aan boord;

(b) de totale lengte van de bij elke visserijactiviteit gebruikte netten;

(c) het aantal als bijvangst gevangen walvisachtigen;

(d) de datum en plaats van deze vangsten.

3. Alle vissersvaartuigen die drijfnetten gebruiken moeten de in artikel 8 bis, lid 2, bedoelde machtiging aan boord hebben.

Artikel 10 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2004.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De Voorzitter

BIJLAGE I

Visserijtakken waarvoor het gebruik van akoestische afschrikapparaten verplicht is.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

Technische beschrijving en voorwaarden voor het gebruik van akoestische afschrikapparaten

De ter uitvoering van artikel 2, lid 1, gebruikte akoestische afschrikapparaten moeten voldoen aan een van de volgende twee reeksen signaal- en gebruikskenmerken:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE III

Visserijtakken waarop toezicht moet worden uitgeoefend en minimumniveau van de visserijinspanning die door waarnemers aan boord moet worden gecontroleerd.

Er moet een toezichtregeling worden uitgewerkt en ten uitvoer gelegd om, op een representatieve wijze, toezicht uit te oefenen op:

a) tenminste 5% van de totale visserijinspanning in elke visserijtak die onder de toepassing van artikel 2, lid 1, valt en is omschreven in bijlage I,

en,

b) het minimumpercentage visserijinspanning in elke visserijtak dat in onderstaande tabel is aangegeven:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

EFFECTBEOORDELINGSFORMULIER

Titel van het voorstel

Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van maatregelen betreffende incidentele vangsten van walvisachtigen bij de visserij en tot wijziging van Verordening (EG) Nr. 88/98

Referentienummer van het document

Voorstel

1. Waarom is, gelet op het subsidiariteitsbeginsel, communautaire wetgeving noodzakelijk op dit gebied en wat zijn de voornaamste doelstellingen ervan?

In de communautaire wetgeving, namelijk Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (de zogenoemde habitatsrichtlijn) is reeds bepaald dat de lidstaten een regeling voor het toezicht op het bij toeval vangen en doden van walvisachtigen moeten instellen en dat ze, in het licht van de verkregen informatie, verder onderzoek moeten doen of instandhoudingsmaatregelen moeten vaststellen om ervoor te zorgen dat het bij toeval vangen of doden van walvisachtigen geen significant nadelig effect op de betrokken soort heeft. Bovendien is er een duidelijke politieke en wettelijke verbintenis om de milieu-eisen in het gemeenschappelijk visserijbeleid te integreren (zie Verordening (EG) Nr. 2371/2002 van de Raad, en met name artikel 2).

Er zijn verscheidene onderzoeken of proefonderzoeken over de incidentele vangst of onderzoek naar maatregelen tot vermindering van incidentele vangst uitgevoerd, maar meestal los van elkaar en zonder voorafgaand overleg tussen de lidstaten. Een lidstaat heeft aanvullende wettelijke maatregelen vastgesteld (voor vaartuigen die zijn vlag voeren) om de incidentele bijvangst van bruinvissen in de Noordzee te verminderen. Wat echter de incidentele vangsten van walvisachtigen bij de visserij in de wateren rond de Gemeenschap betreft, is het noodzakelijk de instandhoudingsmaatregelen voor deze soorten consequent en in onderlinge samenwerking op communautair niveau te versterken.

Om een goede wetenschappelijke en technische basis voor haar actie te hebben, heeft de Commissie de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICS) en het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) verzocht om informatie en adviezen over een aantal onderwerpen. Deze onderwerpen omvatten met name een overzicht van de visserijtakken die een belangrijke invloed hebben op kleine walvisachtigen, een evaluatie van het risico dat wordt gevormd door de visserij op welbepaalde populaties en, tenslotte, advies over eventuele maatregelen om het effect van de visserij te verminderen.

De reeds geldende beperkingen van de visserijinspanningen en de beperkingen die worden overwogen in het kader van het beheer en de duurzame exploitatie van commerciële visbestanden zullen vermoedelijk leiden tot een vermindering van de bijvangst van walvisachtigen en zullen derhalve een gunstig effect hebben. Dit is echter onvoldoende om de populaties van walvisachtigen de bescherming te geven die ze nodig hebben. Daarom voorziet de voorgestelde verordening in een aantal aanvullende maatregelen die op korte termijn zouden kunnen worden genomen om het probleem van de incidentele vangsten van walvisachtigen bij de visserij aan te pakken.

De voorgestelde maatregelen hebben tot doel:

a) voor de Oostzee, het gebruik van drijfnetten te beperken en geleidelijk volledig te verbieden. Bij de communautaire wetgeving zijn reeds soortgelijke maatregelen vastgesteld voor alle andere wateren. De voorgestelde beperkingen in de Oostzee omvatten een onmiddellijke beperking van de lengte van drijfnetten tot ten hoogste 2,5 km, in combinatie met een geleidelijk volledig verbod op het gebruik van dit vistuig in de Oostzee vanaf 1 januari 2007. Dergelijke maatregelen worden aanbevolen wegens de uitzonderlijk slechte toestand van de populatie Baltische bruinvissen en het feit dat zelfs een laag niveau van incidentele vangsten van deze walvisachtigen met dit vistuig niet verenigbaar is met een gunstige staat van instandhouding van deze populatie.

b) het gebruik van akoestische afschrikapparaten (pingers) verplicht te stellen in de visserijtakken waarvoor is vastgesteld dat deze apparaten doeltreffend zijn om de incidentele vangst van walvisachtigen te verminderen. Gezien het huidige ontwikkelingsstadium van pingers zullen deze bepalingen voornamelijk voorzien in het gebruik ervan voor staand vistuig, vooral om de bijvangst van bruinvissen te verminderen. Het specifieke gedrag van bruinvissen maakt dat ze vooral gevaar lopen zich te verstrikken in verankerde kieuwnetten, maar ook drijvende kieuwnetten zijn een probleem. Het verplicht stellen van pingers brengt ook met zich dat algemene bepalingen moeten worden vastgesteld voor de technische kenmerken van de pingers die mogen worden gebruikt, en ook voor het gebruik ervan en het toezicht.

c) toezichtprogramma's in te stellen die gebruik maken van onafhankelijke waarnemers voor het verzamelen van uitgebreide informatie over de bijvangst van walvisachtigen in talrijke visserijtakken met een hoog potentieel risico van incidentele vangsten van walvisachtigen. De betrokken visserijtakken zijn vooral die waarin wordt gevist met pelagische trawls of soortgelijke gesleepte netten, maar ook drijfnetten vormen een probleem. Daar bovendien de doeltreffendheid van pingers en het effect ervan op het gedrag en de verspreiding van walvisachtigen nog onzeker is, moet het gebruik van pingers worden gecontroleerd en worden geëvalueerd. De verplichting tot het aan boord nemen van waarnemers moet gepaard gaan met de vaststelling van algemene bepalingen waarin de taken, de verantwoordelijkheden van de vaartuigen (of de kapiteins van de vaartuigen) en de waarnemers duidelijk worden bepaald.

Voor de bovenvermelde reeks maatregelen moeten ook algemene bepalingen inzake de mededeling van gegevens en een algemene evaluatie worden vastgesteld, die de mogelijkheid moeten bieden de voorgestelde maatregelen eventueel achteraf te kunnen herzien.

Effect op het bedrijfsleven

2. Waarop is het voorstel van invloed?

- welke sectoren van het bedrijfsleven

De voorgestelde maatregelen hebben vooral betrekking op de visserijsector, en voornamelijk op de visvangstsector (vissers en reders). Er is geen reden om aan te nemen dat de verwerkende sector en de afzetsector er door zullen worden beïnvloed, behalve misschien in zeer geringe mate voor Oostzeezalm, afhankelijk van hoe de vissers reageren op de beperkingen inzake drijfnetten (omschakeling op andere vangsttechnieken, op andere vissoorten, enz.).

Ze zouden ook een invloed kunnen hebben op de fabrikanten en leveranciers van akoestische afschrikapparaten of pingers. Momenteel zijn er slechts enkele types pingers op de markt waarvan is bewezen dat ze de bijvangst van walvisachtigen verminderen. Ze worden op kleine schaal vervaardigd door slechts enkele bedrijven. Deze bedrijven hebben reeds laten weten dat ze hun productiecapaciteit kunnen opvoeren indien een eventuele verplichting om pingers te gebruiken de huidige afzet sterk zou doen groeien.

- welke bedrijfsomvang (welk aandeel van kleine en middelgrote ondernemingen)

De voorgestelde maatregelen zijn vooral gebaseerd op het gebruikte vistuigtype, in plaats van op de omvang van het betrokken bedrijf, gemeten aan de hand van de grootte of het aantal bemanningsleden van de betrokken vaartuigen. Het bedrijfsleven in de visserijsector omvat vooral kleine en middelgrote ondernemingen.

- zijn er bijzondere geografische gebieden van de Gemeenschap waar deze bedrijven voorkomen ?

De voorgestelde maatregelen zouden moeten worden uitgevoerd in bepaalde gebieden van de communautaire wateren of in aangrenzende wateren. De voorstellen betreffende het gebruik van drijfnetten in de Oostzee (en de Belten en de Sont) kunnen worden gezien als een uitbreiding tot dit gebied van beperkende maatregelen die reeds in alle andere wateren gelden voor het gebruik van dit vistuig. Het verplicht gebruik van pingers is vooral van toepassing langs de westkust van Europa in de Noordoost-Atlantische Oceaan (met inbegrip van de Noordzee en een klein zuidelijk deel van de Oostzee). De voorgestelde waarnemersregelingen bestrijken de meeste wateren langs de Europese kusten (Noordoost-Atlantische Oceaan, met inbegrip van de Noordzee en het zuidelijk deel van de Oostzee, en de Middellandse Zee).

3. Wat moet worden gedaan om aan de verordening te voldoen ?

- Wat moeten de bedrijven doen om aan de voorgestelde wetgeving te voldoen ?

Om aan de voorgestelde nieuwe technische maatregelen te voldoen, zullen de betrokken vissersvaartuigen hun vangstmethodes moeten aanpassen. In de Oostzee zullen de drijfnetvissers op tonijn inzonderheid de maximumlengte van hun vistuig moeten terugbrengen van rond 21 kilometer tot ten hoogste 2,5 kilometer en tegen eind 2006 volledig moeten afzien van het gebruik van dit vistuig.

Het aantal pingers dat de vissers zullen moeten kopen zal afhangen van de totale lengte van de netten die zij gebruiken en de vangstmethode die zij toepassen.

De visserijsector waarvoor de verplichting tot het aan boord nemen van waarnemers geldt, zou bij voorkeur moeten overleggen en samenwerken met de bevoegde nationale instanties om de meest geschikte manier voor een correcte toepassing van de regeling vast te stellen, daar slechts enkele van de in een gegeven visserijtak actieve vaartuigen waarnemers aan boord zullen moeten nemen.

- Wat zullen de nationale (of subnationale) administratieve diensten moeten doen om aan de voorgestelde wetgeving te voldoen ?

Hoewel de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ook moeten zorgen voor een correcte uitvoering van en de controle op deze maatregelen, met inbegrip van het bepalen van de sancties voor overtredingen, zal hun voornaamste taak toch bestaan uit het uitwerken en instellen van controleregelingen met waarnemers aan boord, waarbij een representatief percentage van de bij dit voorstel betrokken visserijtakken moet worden gecontroleerd. Wanneer het niet mogelijk is waarnemers aan boord te nemen (bv. omdat de vaartuigen te klein zijn), zullen de lidstaten een beroep moeten doen op andere middelen voor het toezicht op zee ("bv. door gebruik te maken van begeleidende vaartuigen). Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zullen de lidstaten daartoe de volledige vrijheid krijgen om deze regelingen vast te stellen op de wijze die op nationaal, of subnationaal niveau, het meest geschikt lijkt om de beoogde resultaten te bereiken. De criteria die zij voor het opstellen van dergelijke regelingen kunnen gebruiken omvatten hun uitvoerige kennis over de betrokken visserijtakken, de bestaande structuren en visserijorganisaties, reeds beschikbare waarnemersprogramma's, kosten, doeltreffendheid, enz.

In dit voorstel worden de visserijtakken aangewezen waarvoor gegevens over incidentele vangsten van walvisachtigen op een gecoördineerde manier op het niveau van de Gemeenschap moeten worden verzameld aan de hand van waarnemingen op zee. Het houdt geen beperking in van de wijze waarop de lidstaten hun algemene verplichtingen inzake de controle op het bij toeval vangen en doden van walvisachtigen of inzake het toezicht op de staat van instandhouding van deze soorten, waarin is voorzien in het ruimere kader van de habitatsrichtlijn 32/43/EEG, nakomen.

De bevoegde autoriteiten zullen tenslotte het inzamelen en de analyse van de gegevens en de mededeling ervan aan de Commissie moeten organiseren.

4. Welke economische gevolgen zal het voorstel waarschijnlijk hebben ?

a) Beperking van het gebruik van drijfnetten tot 2,5 kilometer per boot in de Oostzee en later volledig verbod op het gebruik van dit soort netten.

In de Oostzee worden drijfnetten vooral gebruikt voor het vangen van zalm. De zalmvisserij met drijfnetten is een seizoengebonden activiteit, met hoogtepunten in september-oktober en april-mei.

Volgens de beschikbare gegevens van de ICES [10] bestond de totale inspanning in de buitengaatse zalmvisserij de jongste jaren voor ongeveer de helft uit drijfnetvisserij en de helft uit visserij met beuglijnen [11].

[10] Met name het 2002 Report of the Baltic Salmon and Trout assessment Working group of ACFM (Riga, 3-12 april 2002).

[11] Zie inzonderheid hoofdstuk 3.3 en de tabellen 3.3.1en 3.3.2.

In 2001 was het aantal vaartuigen waarmee buitengaats op zalm werd gevist (233 EU en niet-EU-drijfnetvissers en beugvissers) met 24 % gedaald ten opzichte van 2000. Daarvan hebben 131 vaartuigen gevist gedurende minder dan 20 dagen (Finland: 35; Zweden: 33; Denemarken: 11) en 59 gedurende meer dan 40 dagen (Denemarken: 9 ; Finland: 8; Zweden: 7; Polen: 34). Het lijkt waarschijnlijk dat alleen vaartuigen die meer dan 40 dagen per jaar vissen meer dan 50 % van hun jaarinkomen uit dit soort visserij halen.

Uit de gegevens van de ICES blijkt ook een daling in de totale zalmvisserijinspanning in het voornaamste Oostzeebekken tussen begin 1990 en 1997 en een zekere stabilisatie in de drijfnetvisserijinspanning vanaf 1998, hoewel de drijfnetvisserij in 2001 met 11 % is gedaald, en een gelijktijdige stijging van de beuglijnvisserijinspanning met 25 %.

Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij had reeds enkele jaren geleden de gevolgen van een mogelijke beperking van de drijfnetvisserij in de Oostzee bestudeerd [12]. Hoewel de cijfers betreffende de drijfnetvisserij sindsdien lichte wijzigingen hebben ondergaan, blijkt uit de hiervoor beschreven algemene tendensen die door de ICES werden geconstateerd dat de volgende opmerkingen en algemene conclusies van het WTECV ook vandaag nog geldig blijven.

[12] WTECV-subgroep voor de drijfnetvisserij op zalmachtigen en andere soorten, doc. SEC(95)550, 31.3.1995.

In de Oostzee gebruiken de meeste beroepsvissers netten met een totale lengte die 15 tot 21 km kan bedragen. Een beperking tot 2,5 km per boot zou de drijfnetvisserij op zalm onrendabel maken gewoon omdat, indien de vangsten zouden dalen in verhouding tot de lengte van de netten (d.w.z. met maximaal 88%), ze ontoereikend zouden zijn om de bedrijfskosten en - voor de vaartuigen die voor hun inkomen in grote mate afhankelijk zijn van de buitengaatse drijfnetvisserij op zalm - ook de vaste kosten te dekken. Dit zou waarschijnlijk leiden tot een inkrimping van de visserijactiviteit van al deze vaartuigen en mogelijk tot werkloosheid, inzonderheid voor de vaartuigen die sterk afhankelijk zijn van buitengaatse drijfnetvisserij. Het voornaamste effect zou echter bestaan uit een verlegging van de visserijinspanning, hetzij naar alternatieve visbestanden (die reeds volledig of zelfs overbevist zijn) of alternatieve zalmvisserijactiviteiten zoals de beugvisserij op zalm (waarvoor seizoenbeperkingen gelden) of, indien mogelijk, zalmvisserij dichtbij de kust (bv. met vallen).

Voor de kosten van de technische aanpassing die nodig is als gevolg van de voorgestelde beperkingen inzake het gebruik van drijfnetten in de Oostzee, kan steun worden verleend door de Gemeenschap, met name in het kader van het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) (artikel 16, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2792/99), terwijl de lidstaten een financiële vergoeding kunnen toekennen aan de vissers en reders, indien een besluit van de Raad technische beperkingen inzake het gebruik van bepaalde vistuigen of vismethoden oplegt.

Het netto-economisch effect van de voorgestelde beperking van de drijfnetvisserij zou positief of negatief kunnen uitvallen, afhankelijk van :

- de voordelen die rechtstreeks voortvloeien uit de voorgestelde beperking van de lengte van de drijfnetten, met name een grotere waarde voor de sportvisserij op zalm en een grotere rendabiliteit van de commerciële zalmvisserij waarbij gebruik wordt gemaakt van andere vistuigen dan drijfnetten (bv. beuglijnen en vallen). Bovendien zouden er ook indirecte sociale voordelen kunnen zijn, inzonderheid die welke zouden voortvloeien uit de verwachte vermindering van de incidentele sterfte van kleine walvisachtigen;

- de kosten, met name het verlies van de met de drijfnetvisserij behaalde inkomsten en mogelijk ook van werkgelegenheid, althans voor de vaartuigen die niet kunnen omschakelen op alternatieve vistuigen, en de verminderde rendabiliteit van de visserij op andere soorten (door een verschuiving van de visserijinspanning naar andere vissoorten).

Een uitvoeriger evaluatie van al deze factoren en hun relatieve belang is in dit stadium echter niet mogelijk, daar ze een bepaalde kennis, of althans bepaalde aanwijzingen zou vereisen van hoe de individuele economische actoren, met name de schippers en reders, zich aan de voorgestelde maatregelen zullen aanpassen of erop zullen reageren, en ramingen van de indirecte voordelen of kosten van andere activiteiten (bv. sportvisserij op zalm, bescherming van kleine walvisachtigen en daarmee verbonden toeristische activiteiten, ...)

b) Verplicht gebruik van pingers

Volgens de beschikbare gegevens heeft het gebruik van pingers geen invloed op de doeltreffendheid van het vistuig, hoewel er bepaalde bezwaren zijn geuit met betrekking tot de extra handelingen die moeten worden uitgevoerd om ze aan de netten te bevestigen en misschien enkele praktische gevolgen, wanneer de netten te water worden gelaten of worden opgehaald. In het algemeen is echter bij het ontwerp van dergelijke apparaten met deze technische aspecten rekening gehouden.

De kosten om de netten te voorzien van pingers is vaak beschouwd als vermoedelijk de grootste last voor de visserijsector. Deze kosten zijn sterk afhankelijk van de aankoopprijs van pingers, van het totaal aantal pingers dat een vaartuig nodig heeft (dat rechtstreeks verband houdt met de totale lengte van de gebruikte netten) en de levensduur van de pingerbatterij (die zelf afhankelijk is van de technologische ontwikkeling en van het type signaal dat wordt uitgezonden). Terwijl enerzijds de fabrikanten hun productiecapaciteit zullen moeten aanpassen aan de toename in de vraag vanwege de vissers die aan de voorgestelde maatregelen moeten voldoen, zouden door de grotere concurrentie, de technologische ontwikkeling en de daling van de fabricagekosten per eenheid, de totale kosten om de netten uit te rusten kunnen dalen. De vermindering van beschadiging van het vistuig ten gevolge van incidentele vangsten van walvisachtigen is ook genoemd als een mogelijk voordeel van de maatregel.

Een deel van de aanvankelijke kosten voor de aankoop van pingers zou kunnen worden gefinancierd in het kader van het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV), aangezien dit voorziet in financiering om meer selectieve vangstmethoden te bevorderen.

Van de diverse types pingers die beschikbaar zijn en die geschikt geacht worden voor dit doel (d.w.z. in dit stadium voornamelijk een vermindering van de bijvangst van bruinvissen in kieuwnetten), kost het duurste apparaat ongeveer 100 euro, maar het heeft dan ook de langste levensduur (werkingsduur van ongeveer 10.000 uur, hetgeen overeenkomt met een gebruik van ongeveer 18 maand tot 2 jaar voordat het moet worden vernieuwd) [13]. De aanbevolen afstand tussen twee pingers is 200 meter.

[13] Zie het verslag over incidentele vangsten van kleine walvisachtigen van de subgroep visserij en milieu (SEC(2002)1134) van 22.10.2002, en het verslag 2002 van het ICES Adviescomité Ecosystemen.

In deze omstandigheden zou het uitrusten van een vaartuig met 5 tot 20 km netten theoretisch neerkomen op een aanvankelijke uitgave van ongeveer 2.500 à 10.000 EUR (of 0,05 EUR extra kosten per kilometer netten en per uur vissen). Hoewel dit 1.250 tot 6.700 EUR bijkomende variabele kosten per vaartuig per jaar zou betekenen, moet dit worden vergeleken met de totale variabele kosten per vaartuig per jaar. Ter indicatie worden hieronder enkele economische indicatoren vermeld voor Finse kieuwnetters die in 2000 en 2001 op zalm en kabeljauw hebben gevist [14]:

[14] Uittreksel uit het jaarverslag 2002 van project CA-2001-01502: Economische prestaties van geselecteerde Europese vissersvloten.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

c) Waarnemers aan boord

Zoals eerder vermeld wordt voorgesteld dat de waarnemersregelingen door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zouden worden ontworpen en toegepast op basis van de criteria die zij het meest geschikt achten. Daarom is het voor de diensten van de Commissie onmogelijk de diverse scenario's te evalueren die de bevoegde autoriteiten, op nationaal of subnationaal niveau, zouden kunnen overwegen en welk effect deze zullen hebben wanneer het ontwerp van de waarnemersregelingen wordt geoptimaliseerd om de in de voorgestelde verordening bepaalde doelstellingen te bereiken.

Er dient niettemin op te worden gewezen dat de bestaande regelingen van waarnemers aan boord doorgaans niet geacht worden een direct economisch effect op de visserijsector te hebben. Bovendien is het waarschijnlijk dat waarnemersregelingen voor incidentele vangsten van walvisachtigen zullen profiteren van bestaande waarnemersprogramma's, inzonderheid die welke zijn ingesteld op grond van Verordening (EG) nr. 1543/2000 tot instelling van een communautair kader voor het verzamelen en beheren van gegevens die essentieel zijn voor het gemeenschappelijk visserijbeleid. Dit zou het ook mogelijk maken een beroep te doen op communautaire financiering, die beschikbaar is in het kader van de tenuitvoerlegging van deze verordening.

Het lijkt onwaarschijnlijk dat de instelling van waarnemersregelingen door de lidstaten een direct effect zal hebben op de werkgelegenheid in de visvangstsector, of een significant effect zal hebben op de rendabiliteit van de visserij of op de mededinging in de visserijsector. Dergelijke regelingen zouden inderdaad een gunstig effect op de werkgelegenheid kunnen hebben, daar zij ten minste enkele arbeidsplaatsen zouden opleveren voor waarnemers aan boord.

Wat betreft de evaluatie van de totale financiële kosten van dergelijke waarnemersprogramma's maakt de op communautair niveau beschikbare informatie over de vloten en hun activiteiten het voor de diensten van de Commissie onmogelijk om betrouwbare ramingen op te stellen, daar in de gegevensbank van de Europese vissersvloot geen gegevens over het inspanningsniveau, de geografische of seizoenmatige spreiding ervan en het gebruikte vistuig worden opgenomen. De WTECV-subgroep heeft echter enkele betekenisvolle cijfers verstrekt [15]. Bv. als men ervan uitgaat dat een waarnemer per dag aan boord EUR 500 kost, zou toezicht op 10 % van de Franse pelagische trawlers die in ICES-gebieden VII, VIII en IX (visserijtakken die gericht vissen op zeebaars, witte tonijn of ansjovis) rond EUR 462.000 kosten. Toezicht op 10 % van de Britse schepen die in deze gebieden (vooral ICES-gebied VIII) met trawlnetten vissen, zou deze lidstaat in totaal EUR 75.000 kosten. Gezien het aantal visserijtakken dat in dit stadium geacht wordt bij voorrang voor toezicht in aanmerking te komen, zouden de totale kosten voor sommige lidstaten van een orde van grootte van 1 tot verscheidene miljoen EUR per jaar kunnen bedragen.

[15] SEC(2002)1134

Er dient op te worden gewezen dat deze economische last niet "ex novo" verschijnt als gevolg van dit voorstel voor een verordening, daar de eis om toezicht uit te oefenen op de incidentele vangsten van walvisachtigen reeds is opgenomen in de habitatsrichtlijn 92/43/EEG..

5. Bevat het voorstel maatregelen om rekening te houden met de bijzondere situatie van kleine en middelgrote bedrijven (minder zware of andere eisen enz.) ?

Het risico van incidentele vangsten van walvisachtigen is niet afhankelijk van de omvang van de visserijondernemingen, maar van de betrokken visserijtak (gebied, vistuig, seizoenen, doelsoorten, ...). Het voorstel bevat derhalve geen specifieke maatregelen voor kleine en middelgrote ondernemingen.

De drijfnetvissers in de Oostzee hebben gemiddeld een bemanning van 2-3 mensen, en grotere vaartuigen soms tot 5 bemanningsleden [16]. De visserij met geankerde kieuwnetten, waarvoor wordt voorgesteld het gebruik van pingers verplicht te stellen, bestaat voor een aanzienlijk deel uit een grote vloot van kleine vaartuigen. Deze vaartuigen kunnen een aanzienlijk deel van de visserijinspanning in bepaalde gebieden vertegenwoordigen, inzonderheid in kustgebieden waar er gewoonlijk een grote dichtheid van bruinvissen is. In de praktijk is het echter meestal onmogelijk om een waarnemer aan boord van een klein vissersvaartuig te plaatsen, omdat deze noch de capaciteit noch de nodige veiligheidsvoorzieningen hebben om extra mensen aan boord te nemen. Daarom voorziet het voorstel in specifieke bepalingen die de lidstaten verplichten verschillende systemen voor het toezicht op zee in te stellen, om het probleem van extra personen op kleine vaartuigen te regelen.

[16] Zie SEC(95)550

Raadpleging

6. Geef een overzicht van de organisaties die over het voorstel zijn geraadpleegd en zet hun standpunten in grote lijnen uiteen

Dit voorstel is gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke adviezen en aanbevelingen van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) en het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTCEV) [17] betreffende het effect van de visserij op kleine walvisachtigen.

[17] Verslag van het Adviescomité Ecosystemen 2002 (dat te vinden is op : http://www.ices.dk/committe/ace/2002/ Section-2.pdf), en het verslag over incidentele vangsten van kleine walvisachtigen van de subgroep Visserij en Milieu (SEC(2002)1134), herzien en van opmerkingen voorzien door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) in november 2002 (SEC(2003)550).

Deze aanbevelingen, en inzonderheid die welke deel uitmaken van dit wetgevingsvoorstel, zijn herhaaldelijk met de belanghebbenden besproken. Een eerste overlegvergadering (vergadering van deskundigen) is gehouden op 11 december 2002 om de mogelijke maatregelen te bespreken met vertegenwoordigers van de visserijsector, van niet-gouvernementele organisaties (NGO's) en van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en in overleg met bepaalde wetenschappers die bij de opstelling van de adviezen betrokken waren. Deze voorstellen zijn verder besproken in februari 2003 in het Adviescomité voor de Visserij en de Aquacultuur.

De standpunten van de diverse belanghebbenden, met name die behorend tot de organisaties die de visserijsector vertegenwoordigen, heeft geen consensus opgeleverd. Hoewel sommige beroepsverenigingen erkenden dat aanvullende maatregelen moesten worden genomen in verband met de bijvangst van walvisachtigen, inzonderheid om meer nauwkeurige gegevens over het probleem te verzamelen, en dat het gebruik van pingers in het kader van de reeds genomen maatregelen goede resultaten had opgeleverd, toonden zij zich allen bezorgd over de mogelijke gevolgen en de kosten van deze maatregelen voor de sector.

Hoewel ze de maatregelen in het algemeen gunstig ontvingen, waren de NGO's meestal van oordeel dat aanvullende maatregelen nodig waren, meer bepaald dat een strategie voor de lange termijn moest worden uitgewerkt om onmiddellijke en specifieke oplossingen te bieden voor bijvangstproblemen wanneer deze zich voordoen. De Commissie is het ermee eens dat een beheerskader moet worden vastgesteld, maar is van oordeel dat het niet mogelijk is in dit stadium een stevige alomvattende strategie op te stellen omdat nauwkeurige informatie over de bijvangstpatronen en een betrouwbare evaluatie en toezicht op de staat van instandhouding van de populaties van walvisachtigen ontbreken. De Commissie is van oordeel dat de in deze verordening voorgestelde maatregelen de vereiste informatie zullen opleveren voor het opstellen van een dergelijke strategie in de toekomst.