52002XC0319(03)

Mededeling van de Commissie — Multisectorale kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2002) 315) (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. C 070 van 19/03/2002 blz. 0008 - 0020


Mededeling van de Commissie

Multisectorale kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2002) 315)

(2002/C 70/04)

(Voor de EER relevante tekst)

1. INLEIDING: DRAAGWIJDTE VAN DE MAATREGEL

1. Op 16 december 1997 heeft de Commissie de multisectorale kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten(1) aangenomen. Deze kaderregeling is op 1 september 1998 in werking getreden voor een aanvankelijke proefperiode van drie jaar. De geldigheidsduur van de regeling werd in 2001 verlengd tot 31 december 2002.

2. Overeenkomstig punt 4.1 van de multisectorale kaderregeling heeft de Commissie de regeling in 2001 onderzocht, waarbij zij tot de bevinding is gekomen dat een herziening ervan geboden was. De Commissie was tevens van oordeel dat de specifieke sectorale kaderregelingen in de nieuwe multisectorale kaderregeling dienen te worden opgenomen.

3. De onderhavige kaderregeling is uitsluitend van toepassing op regionale steun zoals omschreven in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen(2), d.w.z. op grond van artikel 87, lid 3, onder a) en c), van het Verdrag verleende steun die ten doel heeft initiële investeringen, met inbegrip van de daaruit voortvloeiende werkgelegenheidsschepping, te stimuleren. Zij is niet van invloed op de beoordeling van steunvoornemens uit hoofde van andere Verdragsbepalingen, zoals met name artikel 87, lid 3, onder b) en d). Wat de ijzer- en staalindustrie en de sector synthetische vezels betreft, is deze kaderregeling ook van toepassing op niet krachtens Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie(3) vrijgestelde gevallen van individuele verlening van aanzienlijke steun aan kleine en middelgrote ondernemingen(4). Deze kaderregeling geldt daarentegen niet voor gevallen van herstructureringssteun, die onder de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden blijven vallen. De kaderregeling laat tevens de toepassing onverlet van de bestaande horizontale kaderregelingen, zoals de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling(5) en de communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu(6).

4. De onderhavige kaderregeling doet niet af aan de geldigheid van de specifieke staatssteunregels voor de landbouw, de visserij, de vervoerssector en de kolenindustrie.

5. De steunintensiteit van regionale investeringssteun die niet krachtens een op grond van Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad(7) door de Commissie vastgestelde vrijstellingsverordening van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag is ontheven, zal worden beperkt op basis van de in de onderhavige kaderregeling vastgelegde criteria.

6. Op grond van de onderhavige kaderregeling is geen voorafgaande aanmelding van onder bepaalde drempels blijvende steun voor grote investeringsprojecten vereist, op voorwaarde dat de steun uit hoofde van een reeds door de Commissie goedgekeurde steunregeling wordt toegekend. Deze kaderregeling laat evenwel de verplichting van de lidstaten onverlet, nieuwe individuele (ad hoc-)steun aan te melden die niet krachtens een op grond van Verordening (EG) nr. 994/98 door de Commissie vastgestelde vrijstellingsverordening van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag is ontheven. Ook individuele (ad hoc-)steunmaatregelen zullen op basis van de in deze kaderregeling neergelegde regels worden onderzocht.

2. NOODZAAK VAN DE MAATREGEL

2.1. Redenen waarom behoefte bestaat aan een eenvoudig en doorzichtig instrument

7. De onderhavige kaderregeling is een veel minder gecompliceerd instrument dan de vorige multisectorale kaderregeling. De Commissie is immers de mening toegedaan dat regionale investeringssteun voor grote projecten op eenvoudige en doorzichtige wijze moet kunnen worden gecontroleerd. Op grond van de met de vorige multisectorale kaderregeling opgedane ervaring heeft zij dan ook tal van vereenvoudigingen, wijzigingen en verduidelijkingen aangebracht.

8. Ten eerste heeft de vorige multisectorale kaderregeling geen wezenlijke invloed op het niveau van de staatssteun voor grote investeringsprojecten in de Gemeenschap gehad. De Commissie acht het noodzakelijk ten aanzien van regionale steun voor grootschalige projecten een restrictieve aanpak te volgen en er tegelijkertijd op toe te zien dat achtergebleven regio's aantrekkelijk blijven. De laatste jaren wordt immers algemeen erkend dat een dergelijke restrictievere aanpak van de regionale steun ten behoeve van grootschalige, niet plaatsgebonden investeringsprojecten geboden is. Met de voltooiing van de interne markt is het meer dan ooit van belang een strenge controle op staatssteun ten gunste van dergelijke projecten te blijven uitoefenen, daar de mededingingsvervalsende gevolgen van de steun groter worden naarmate andere door de overheid veroorzaakte mededingingsvervalsingen uit de weg worden geruimd en de markten opener worden en sterker geïntegreerd zijn. Teneinde een passend evenwicht tussen de drie hoofddoelstellingen van het gemeenschapsbeleid, namelijk onvervalste mededinging op de interne markt, economische en sociale samenhang en een concurrerend bedrijfsleven, te bewerkstelligen, moeten bijgevolg strengere regels voor regionale steun ten behoeve van grootschalige projecten worden gehanteerd.

9. Ten tweede zou door de samenvoeging van verschillende kaderregelingen in één enkel instrument de bestaande wetgeving vereenvoudigd en de doelmatigheid en doorzichtigheid van de staatssteuncontrole kunnen worden verbeterd.

10. Ten derde zal het gebruik van een veel eenvoudiger instrument de administratieve lasten van de overheidsinstanties verlichten en de besluiten ten aanzien van de toelaatbare steunbedragen voor zowel investeerders als overheidsinstanties voorspelbaarder maken.

11. Ten vierde kunnen ernstige mededingingsverstoringen worden tegengegaan doordat de kaderregeling voorziet in strengere regels voor sectoren die met structurele problemen te kampen hebben.

2.2. Noodzaak van een systematischere controle op regionale steun ten behoeve van grootschalige, niet plaatsgebonden investeringsprojecten

12. De steunplafonds die de Commissie voor alle voor regionale steun in aanmerking komende streken heeft vastgesteld, zijn over het algemeen zodanig gekozen dat zij voldoende impulsen geven aan de ontwikkeling van deze steungebieden. Aangezien er evenwel telkens slechts één plafond geldt, zijn deze plafonds, wanneer zij op grootschalige projecten worden toegepast, doorgaans te hoog in verhouding tot de regionale handicaps. De onderhavige kaderregeling heeft ten doel de beschikbare ruimte voor het stimuleren van grote projecten tot een zodanig niveau te beperken dat onnodige mededingingsvervalsingen zoveel mogelijk worden vermeden.

13. Grote investeringen kunnen daadwerkelijk bijdragen tot de regionale ontwikkeling, niet alleen doordat zij onder meer andere ondernemingen naar het gebied lokken en tot de invoering van geavanceerde technologieën leiden, maar ook doordat zij tot een betere opleiding van de arbeidskrachten bijdragen. Dergelijke investeringen hebben evenwel minder te lijden onder de ernstige problemen die eigen zijn aan achtergebleven gebieden. Ten eerste kunnen grote investeringen tot schaalvoordelen aanleiding geven, hetgeen in een vermindering van de lokatiegebonden initiële kosten resulteert. Ten tweede zijn zij in vele opzichten niet afhankelijk van het gebied waarin de materiële investering wordt gedaan. Voor grote investeringsprojecten kan immers gemakkelijk kapitaal en krediet op de wereldmarkten worden opgenomen. Dergelijke projecten ondervinden voorts ook geen hinder van het beperktere aanbod van financiële diensten in een bepaald achtergebleven gebied. Bovendien kunnen ondernemingen die grote investeringen verrichten, een beroep doen op een geografisch grotere groep arbeidskrachten en gemakkelijker geschoolde werknemers naar de gekozen lokatie overplaatsen.

14. Indien grote investeringsprojecten veel staatssteun ontvangen omdat zij van het volledige regionale plafond profiteren, neemt ook het gevaar toe dat de handel ongunstig wordt beïnvloed en dat het verstorende effect ten opzichte van concurrenten in andere lidstaten wordt versterkt. De kans is immers groter dat de begunstigde van de steun een zeer belangrijke partij op de betrokken markt is, en dus dat de investering waarvoor de steun werd toegekend, de concurrentieverhoudingen op die markt verandert.

15. Daarenboven beschikken ondernemingen die grote investeringen doen, gewoonlijk over een aanzienlijke onderhandelingsmacht ten opzichte van de steunverlenende instanties. Investeerders in grote projecten overwegen immers vaak alternatieve lokaties in verschillende lidstaten, wat tot een spiraal van steeds genereuzere steuntoezeggingen kan leiden waarbij soms veel meer steun wordt toegekend dan nodig is om de regionale handicaps te compenseren.

16. Een dergelijk subsidieopbod kan tot gevolg hebben dat voor grote investeringsprojecten hogere steunintensiteiten worden toegestaan dan nodig is om de extra kosten te ondervangen die voortvloeien uit de keuze om in een achtergebleven gebied te investeren.

17. Een steunbedrag dat hoger is dan het noodzakelijke minimum om de regionale handicaps te compenseren, resulteert veelal in negatieve effecten (inefficiënte lokatiekeuzes), een grotere concurrentievervalsing en een nettodaling van de welvaart aangezien steun te beschouwen is als een dure overdracht van de belastingbetalers naar degene die steun ontvangt.

18. De recente ervaring heeft geleerd dat grote investeringsprojecten die regionale investeringssteun genieten, kapitaalintensiever zijn dan kleinere investeringsprojecten. Een gunstiger behandeling van kleinere investeringsprojecten komt derhalve neer op een gunstiger behandeling van arbeidsintensievere projecten in steungebieden, hetgeen bijdraagt tot de schepping van arbeidsplaatsen en het terugdringen van de werkloosheid.

19. Bij sommige categorieën investeringen is de kans op een ernstige verstoring van de mededinging groter en het gunstige effect op de betrokken regio twijfelachtig. Dat geldt in het bijzonder voor investeringen in sectoren waar één enkel bedrijf een groot marktaandeel bezit, of waar de bestaande sectorale productiecapaciteit een aanzienlijke stijging vertoont zonder dat daar een overeenkomstige toename van de vraag naar de betrokken producten tegenover staat. Meer algemeen is het gevaar van mededingingsvervalsing groter in sectoren die met structurele problemen te kampen hebben, waar de bestaande productiecapaciteit reeds de marktvraag naar de producten overtreft, of waar de vraag naar de betrokken producten gestaag afneemt.

20. Overeenkomstig artikel 159 van het EG-Verdrag moet worden toegezien op de consistentie tussen de krachtens deze kaderregeling vastgestelde steunmaatregelen en het optreden van de Structuurfondsen ter versterking van de economische en sociale samenhang in de Gemeenschap, in het bijzonder hun acties die ten doel hebben de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's te verkleinen. De door de Structuurfondsen medegefinancierde projecten dragen immers op doelmatige wijze bij tot de economische en sociale samenhang binnen de Gemeenschap en moeten dan ook naar behoren in aanmerking worden genomen.

3. VERLAGING VAN HET STEUNNIVEAU VOOR GROTE INVESTERINGSPROJECTEN

21. Onverminderd de verenigbaarheidscriteria die in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen en in Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 zijn neergelegd, en onverminderd de aanmeldingsverplichting van punt 24 en de overgangsbepalingen van afdeling 8, wordt regionale investeringssteun voor investeringen waarmee voor steun in aanmerking komende uitgaven(8) van de hieronder vermelde orde van grootte zijn gemoeid, op basis van de volgende schaal aan een lager regionaal steunplafond onderworpen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

22. Het toelaatbare steunbedrag voor een project van meer dan 50 miljoen EUR moet bijgevolg worden berekend volgens de volgende formule: maximaal steunbedrag = R × (50 + 0,50 B + 0,34 C), waarbij R overeenstemt met het niet-aangepaste regionale plafond, B met de voor steun in aanmerking komende uitgaven tussen 50 miljoen EUR en 100 miljoen EUR, en, in voorkomend geval, C met de voor steun in aanmerking komende uitgaven boven 100 miljoen EUR(9).

23. Wanneer een grote onderneming bijvoorbeeld 80 miljoen EUR investeert in een steungebied waarvoor het niet-aangepaste regionale steunplafond gelijk is aan 25 % NSE, zou het maximaal toelaatbare steunbedrag 16,25 miljoen EUR NSE belopen, hetgeen overeenstemt met een steunintensiteit van 20,3 % NSE. Voor een grote onderneming die 160 miljoen EUR in hetzelfde gebied investeert, zou het maximaal toelaatbare steunbedrag 23,85 miljoen EUR NSE belopen, hetgeen overeenstemt met een steunintensiteit van 14,9 % NSE.

24. De lidstaten zijn evenwel verplicht elk geval van regionale investeringssteun aan te melden indien de voorgenomen steun hoger is dan het maximaal toelaatbare steunbedrag voor een investering van 100 miljoen EUR dat volgens de schaal en de regels van punt 21 is berekend(10). Afzonderlijk aan te melden projecten komen in de volgende twee gevallen niet voor investeringssteun in aanmerking:

a) de begunstigde van de steun neemt vóór de investering meer dan 25 % van de afzet van het betrokken product voor zijn rekening of zal naar verwachting na de investering zijn afzet wellicht tot meer dan 25 % zien oplopen; of

b) de door het project ontstane capaciteit is groter dan 5 % van de omvang van de markt, welke wordt gemeten aan de hand van gegevens over het schijnbare verbruik van het betrokken product, tenzij het gemiddelde jaarlijkse groeipercentage van het schijnbare verbruik over de laatste vijf jaar hoger lag dan de gemiddelde jaarlijkse groei van het BBP van de EER.

Het is aan de lidstaat te bewijzen dat de onder a) en b) bedoelde situaties niet bestaan(11). Voor de toepassing van de punten a) en b) wordt het schijnbaar verbruik bepaald op het passende niveau van de Prodcom-nomenclatuur(12) in de EER, of, indien dergelijke gegevens niet beschikbaar zijn, volgens een andere, algemeen aanvaarde marktsegmentatie voor de betrokken producten waarvoor dadelijk beschikbare statistische gegevens voorhanden zijn.

25. De maximaal toelaatbare steunintensiteit die een aan te melden project overeenkomstig punt 24 kan ontvangen, kan worden verhoogd door vermenigvuldiging met een factor 1,15 indien het project wordt aangemerkt als een groot project in de zin van artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen(13) en overeenkomstig het bepaalde in artikel 26 van die verordening met middelen van de Structuurfondsen wordt medegefinancierd. Het medefinancieringspercentage moet gelijk zijn aan ten minste 10 % van de totale overheidsuitgaven indien het project plaatsvindt in een gebied dat uit hoofde van artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag voor steun in aanmerking komt, en ten minste 25 % van de totale overheidsuitgaven indien het project plaatsvindt in een streek die uit hoofde van artikel 87, lid 3, onder a), van het EG-Verdrag voor steun in aanmerking komt.

26. De uit punt 25 voortvloeiende toename van de steun mag echter niet resulteren in een steunintensiteit die hoger is dan de maximaal toelaatbare steunintensiteit voor een investering van 100 miljoen EUR, namelijk 75 % van het niet-aangepaste regionale steunplafond.

4. VERBOD OP STEUN VOOR INVESTERINGSPROJECTEN IN DE IJZER- EN STAALINDUSTRIE

27. Wat de ijzer- en staalindustrie zoals omschreven in bijlage B bij deze kaderregeling(14) betreft, merkt de Commissie op dat onder het EGKS-Verdrag vallende ijzer- en staalbedrijven gedurende vrij lange tijd hebben gefunctioneerd zonder een beroep te kunnen doen op investeringssteun, die voor andere industriesectoren wel beschikbaar was. De ijzer- en staalbedrijven zijn deze situatie gewend en hebben hun strategieën daaraan aangepast. Gelet op de specifieke kenmerken van de ijzer- en staalsector (in het bijzonder de structuur ervan, de bestaande overcapaciteit op Europees en wereldniveau, het bijzonder kapitaalintensieve karakter van de sector, de ligging van het merendeel van de ijzer- en staalfabriekinstallaties in voor regionale steun in aanmerking komende gebieden en de aanzienlijke hoeveelheden overheidsmiddelen die voor de herstructurering van de ijzer- en staalsector en de omschakeling van de ijzer- en staalgebieden zijn uitgetrokken) en gezien de ervaring die in het verleden met de toepassing van minder strenge staatssteunregels is opgedaan, lijkt het gerechtvaardigd investeringssteun aan deze sector te blijven verbieden, ongeacht de omvang van de investering. De Commissie acht regionale steun aan de ijzer- en staalindustrie dan ook niet met de gemeenschappelijke markt verenigbaar. Deze onverenigbaarheid geldt ook voor de individuele verlening van aanzienlijke steun aan kleine en middelgrote ondernemingen zoals bedoeld in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 70/2001, die krachtens die verordening niet is vrijgesteld.

5. INVESTERINGSPROJECTEN IN ANDERE SECTOREN DAN DE IJZER- EN STAALINDUSTRIE DIE MET STRUCTURELE PROBLEMEN TE KAMPEN HEBBEN

28. De Commissie is in het verleden steeds van mening geweest dat investeringen in sectoren die met ernstige overcapaciteit of een gestage daling van de vraag worden of dreigen te worden geconfronteerd, het risico op een vervalsing van de mededinging vergroten zonder dat deze investeringen de noodzakelijke compenserende voordelen voor het betrokken gebied meebrengen. Omdat deze investeringen uit regionaal oogpunt minder voordelig zijn, is het aangewezen investeringssteun voor projecten in sectoren waar structurele problemen heersen, terug te schroeven tot een lager niveau dan datgene dat voor andere sectoren is toegestaan.

29. Tot dusver golden voor diverse gevoelige industriële sectoren specifieke, striktere staatssteunregels(15). In punt 1.3 van de vorige multisectorale kaderregeling is bepaald dat deze specifieke sectorale regels van toepassing bleven.

30. Een van de doelstellingen van de vorige multisectorale kaderregeling was te voorzien in de mogelijkheid de bestaande sectorale regels door één enkel instrument te vervangen. De Commissie wil deze herziening aangrijpen om bovenbedoelde gevoelige industriesectoren onder het toepassingsgebied van de multisectorale kaderregeling te brengen, onder voorbehoud van de in afdeling 8 vervatte overgangsbepalingen.

31. Tegen 31 december 2003 zullen de sectoren die met ernstige structurele problemen te kampen hebben, in een aan deze kaderregeling gehechte lijst van sectoren worden gespecificeerd. In deze sectoren zal dan geen regionale investeringssteun meer toegelaten zijn, behoudens het bepaalde in deze afdeling.

32. Met het oog op de opstelling van deze lijst van sectoren zullen de ernstige structurele problemen in beginsel worden gemeten aan de hand van gegevens over het schijnbaar verbruik op het passende niveau van de CPA-nomenclatuur(16) in de EER, of, indien dergelijke informatie niet beschikbaar is, volgens een andere, algemeen aanvaarde marktsegmentatie voor de betrokken producten waarvoor dadelijk beschikbare statistische gegevens voorhanden zijn. Er zal worden aangenomen dat er ernstige structurele problemen bestaan wanneer de betrokken sector krimpt(17). De lijst van sectoren zal regelmatig worden geactualiseerd. Hoe vaak deze actualiseringen moeten geschieden, zal bij de opstelling van de lijst van sectoren worden vastgesteld.

33. Voor de sectoren die in de lijst van sectoren met ernstige structurele problemen zijn opgenomen, moeten vanaf 1 januari 2004 alle gevallen van regionale investeringssteun voor investeringsprojecten waarmee voor steun in aanmerking komende uitgaven zijn gemoeid die een door de Commissie bij de opstelling van de lijst van sectoren vast te stellen bedrag(18) overschrijden, afzonderlijk bij de Commissie worden aangemeld, onverminderd het bepaalde in Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie. De Commissie zal deze aanmeldingen onderzoeken op grond van de volgende regels: in de eerste plaats moet het ondersteunde project voldoen aan de algemene beoordelingscriteria die in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen zijn neergelegd; ten tweede zullen de voor steun in aanmerking komende uitgaven zoals omschreven in punt 50 die een door de Commissie bij de opstelling van de lijst van sectoren vast te stellen bedrag overtreffen, niet voor investeringssteun in aanmerking komen, behalve in de in punt 34 bedoelde gevallen.

34. In afwijking van punt 33 kan de Commissie toestaan dat aan in de lijst van sectorenopgenomen sectoren investeringssteun wordt toegekend op grond van de in afdeling 3 van deze kaderregeling vastgestelde steunintensiteiten, mits de betrokken lidstaat aantoont dat, hoewel de sector vermoedelijk krimpt, de markt voor het betrokken product een snelle groei doormaakt(19).

6. CONTROLE ACHTERAF

35. Bij de opstelling van deze kaderregeling heeft de Commissie ernaar gestreefd dat de regeling zo duidelijk, ondubbelzinnig, voorspelbaar en doelmatig mogelijk is en zo weinig mogelijk bijkomende administratieve lasten meebrengt.

36. Teneinde de doorzichtigheid en een efficiënte controle te garanderen, is het aangewezen een standaardformulier op te stellen met behulp waarvan de lidstaten de Commissie beknopte informatie in de in bijlage A voorgeschreven vorm kunnen verstrekken wanneer op grond van de onderhavige kaderregeling steun voor investeringen van meer dan 50 miljoen EUR wordt verleend. Wanneer een onder deze kaderregeling vallende steunmaatregel ten uitvoer wordt gelegd, dient de betrokken lidstaat deze beknopte informatie binnen 20 werkdagen vanaf het tijdstip dat de bevoegde autoriteit de steun heeft toegekend, aan de Commissie mede te delen. De Commissie zal deze informatie via haar website aan het publiek ter beschikking stellen (http://europa.eu.int/comm/competition/).

37. De lidstaten dienen gedetailleerde dossiers over de op grond van deze kaderregeling verleende individuele steun bij te houden. Deze dossiers moeten alle informatie bevatten die noodzakelijk is om te kunnen nagaan of de overeenkomstig deze kaderregeling vastgestelde maximale steunintensiteit in acht is genomen. De lidstaten dienen elk dossier betreffende een individuele steunmaatregel te bewaren gedurende een periode van tien jaar, te rekenen vanaf de datum van toekenning van de steun. De betrokken lidstaat verstrekt de Commissie op haar schriftelijk verzoek binnen 20 werkdagen, of binnen de langere termijn die de Commissie in haar verzoek vaststelt, alle gegevensdie zij nodig acht om te kunnen nagaan of het bepaalde in deze kaderregeling is nageleefd.

7. GELDIGHEIDSDUUR VAN DE KADERREGELING

38. Deze kaderregeling zal van toepassing zijn tot en met 31 december 2009. De Commissie zal de kaderregeling vóór die datum beoordelen. Zij kan deze kaderregeling vóór 31 december 2009 wijzigen om gewichtige redenen die met het mededingingsbeleid verband houden, of om met andere communautaire beleidsterreinen of internationale verplichtingen rekening te houden. Een dergelijke herziening zal evenwel het verbod op investeringssteun aan de ijzer- en staalindustrie onverlet laten.

39. Wat de ijzer- en staalindustrie zoals omschreven in bijlage B betreft, zal het bepaalde in deze kaderregeling met ingang van 24 juli 2002 van toepassing zijn. De bestaande specifieke sectorale regels voor bepaalde niet onder het EGKS-Verdrag vallende ijzer- en staalsectoren(20) vervallen met ingang van die datum. Wat de automobielindustrie zoals omschreven in bijlage C en de sector synthetische vezels zoals omschreven in bijlage D betreft, zal het bepaalde in deze kaderregeling met ingang van 1 januari 2003 van toepassing zijn. De bestaande specifieke sectorale regels voor de automobielindustrie, de sector synthetische vezels zullen met ingang van deze datum vervallen.

40. Voor de andere sectoren dan die welke in punt 39 zijn vermeld, zal het bepaalde in de kaderregeling met ingang van 1 januari 2004 van toepassing zijn. De vorige multisectorale kaderregeling zal tot en met 31 december 2003 van toepassing blijven. Echter voor 1 januari 2004 ingeschreven aanmeldingen zullen worden onderzocht in het licht van de ten tijde van de aanmelding geldende criteria.

41. De Commissie zal de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van alle zonder haar toestemming toegekende investeringssteun onderzoeken:

a) op de grondslag van de in deze kaderregeling vastgestelde criteria:

- op of na 24 juli 2002, voor investeringssteun aan de ijzer- en staalindustrie;

- op of na 1 januari 2003, voor investeringssteun aan de automobielindustrie, en aan de sector synthetische vezels;

- op of na 1 januari 2004, toegekende voor investeringssteun aan alle onder deze kaderregeling vallende sectoren;

b) op de grondslag van de ten tijde van de toekenning van de steun geldende criteria in alle andere gevallen.

8. OVERGANGSBEPALINGEN

42. Tot de toepassingsdatum van de in punt 31 bedoelde lijst van sectoren en onverminderd Verordening (EG) nr. 70/2001

a) zal de maximale steunintensiteit voor regionale investeringssteun aan de automobielindustrie zoals omschreven in bijlage C die uit hoofde van een goedgekeurde regeling is toegekend voor projecten waarmee ofwel voor steun in aanmerking komende uitgaven van meer dan 50 miljoen EUR, ofwel een in brutosubsidie-equivalent uitgedrukt steunbedrag van meer dan 5 miljoen EUR is gemoeid, gelijk zijn aan 30% van het overeenkomstige regionale steunplafond(21);

b) zullen uitgaven in het kader van investeringsprojecten in de sector synthetische vezels zoals omschreven in bijlage D niet voor investeringssteun in aanmerking komen.

43. Vóór de toepassingsdatum van de in punt 31 bedoelde lijst van sectoren zal de Commissie beslissen of en in hoeverre de automobielindustrie zoals omschreven in bijlage C en de sector synthetische vezels zoals omschreven in bijlage D in de lijst van sectoren moeten worden opgenomen.

44. Wat de scheepsbouw betreft, zullen de bestaande regels op grond van Verordening (EG) nr. 1540/98 van de Raad tot 31 december 2003 van kracht blijven. De Commissie zal vóór deze datum onderzoeken of de steunverlening aan de scheepsbouw onder de onderhavige kaderregeling dient te vallen en deze bedrijfstak in de lijst van sectoren moet worden opgenomen.

9. DIENSTIGE MAATREGELEN

45. Teneinde de toepassing van de in deze kaderregeling neergelegde regels te waarborgen, zal de Commissie dienstige maatregelen in de zin van artikel 88, lid 1, van het Verdrag voorstellen. Deze dienstige maatregelen behelzen onder meer het volgende:

a) de wijziging van de bestaande regionale-steunkaart door

- de huidige regionale steunplafonds vanaf 24 juli 2002 aan te passen aan de steunintensiteiten die uit de in de afdeling 4 van de onderhavige kaderregeling neergelegde regels voortvloeien;

- de huidige regionale steunplafonds vanaf 1 januari 2003 aan te passen aan de steunintensiteiten die uit de in de afdeling 8 neergelegde regels voortvloeien;

- de huidige regionale steunplafonds vanaf 1 januari 2004 aan te passen aan de steunintensiteiten die uit de in de afdeling 3 neergelegde regels voortvloeien;

b) de aanpassing van alle bestaande regionale steunregelingen zoals gedefinieerd in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen, met inbegrip van die welke uit hoofde van een groepsvrijstellingsverordening van aanmelding zijn vrijgesteld, om ervoor te zorgen dat voor regionale investeringssteun:

i) zij vanaf 1 januari 2004 ten aanzien van de andere dan de in punt 39 genoemde sectoren in overeenstemming zijn met de regionale steunplafonds die zijn vastgesteld in de regionale-steunkaarten zoals gewijzigd overeenkomstig punt a);

ii) zij vanaf 1 januari 2004 voorschrijven dat regionale investeringssteunmaatregelen waarbij het steunbedrag hoger ligt dan de maximumsteun die volgens de in punt 21 van deze kaderregeling vervatte schaal voor een investering van 100 miljoen EUR kan worden verleend, afzonderlijk moeten worden aangemeld;

iii) steun ten behoeve van de ijzer- en staalindustrie vanaf 24 juli 2002 van hun toepassingsgebied is uitgesloten;

iv) steun ten behoeve van de sector synthetische vezels vanaf 1 januari 2003 tot de toepassingsdatum van de lijst van sectoren, van hun toepassingsgebied is uitgesloten;

v) zij vanaf 1 januari 2003 tot de toepassingsdatum van de lijst van sectoren, regionale investeringssteun aan de automobielindustrie, zoals omschreven in bijlage C, ten gunste van projecten waarmee ofwel voor steun in aanmerking komende uitgaven van meer dan 50 miljoen EUR, ofwel een in brutosubsidie-equivalent uitgedrukt steunbedrag van meer dan 5 miljoen EUR is gemoeid, beperken tot 30 % van het overeenkomstige regionale steunplafond;

c) er wordt voor gezorgd dat de in punt 36 bedoelde formulieren vanaf de datum van toepassing van de onderhavige kaderregeling aan de Commissie worden toegezonden;

d) er wordt voor gezorgd dat de in punt 37 bedoelde dossiers vanaf de datum van toepassing van de onderhavige kaderregeling worden bijgehouden;

e) tot 31 december 2003 wordt voldaan aan de regels van de vroegere multisectorale kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten, en met name aan de daarin neergelegde aanmeldingsvereisten.

46. De lidstaten moeten uiterlijk op 31 december 2003 alle nodige wijzigingen hebben verricht, behalve wat de maatregelen betreft ten aanzien van de ijzer- en staalindustrie, waarvoor de wijzigingen vóór 24 juli 2002 moeten zijn doorgevoerd, en ten aanzien van de sector synthetische vezels en de automobielindustrie, waarvoor de wijzigingen vóór 1 januari 2003 moeten zijn doorgevoerd. De lidstaten wordt verzocht binnen 20 werkdagen vanaf de datum waarop het schrijven aan hen wordt medegedeeld, uitdrukkelijk met de voorgestelde dienstige maatregelen in te stemmen. Bij ontstentenis van een antwoord, zal de Commissie aannemen dat de betrokken lidstaat niet met de voorgestelde maatregelen instemt.

10. AANMELDINGEN OP GROND VAN DE ONDERHAVIGE KADERREGELING

47. De lidstaten wordt verzocht voor de aanmelding van steunvoornemens op grond van de onderhavige kaderregeling van het aan deze kaderregeling gehechte aanmeldingsformulier (bijlage E) gebruik te maken.

11. DEFINITIE VAN GEBRUIKTE TERMEN

48. De in deze kaderregeling gebruikte termen worden als volgt gedefinieerd:

11.1. Investeringsproject

49. Onder "investeringsproject" wordt verstaan een initiële investering in de zin van afdeling 4 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen. Een investeringsproject mag niet op kunstmatige wijze in onderprojecten worden verdeeld om aan het bepaalde in deze kaderregeling te ontkomen. Voor de toepassing van deze kaderregeling omvat een investeringsproject alle investeringen in vaste activa die door één of meer ondernemingen in een periode van drie jaar in een productie-installatie worden verricht. Een productie-installatie in de zin van deze kaderregeling is een geheel van economisch onscheidbare vaste activa die een welomlijnde technische functie vervullen, waartussen een materiële of functionele band bestaat en die op duidelijk omschreven doelstellingen zijn gericht, zoals de vervaardiging van een bepaald product. Wanneer twee of meer producten uit dezelfde grondstoffen worden vervaardigd, worden de productie-eenheden van deze producten als een en dezelfde productie-installatie aangemerkt.

11.2. Voor steun in aanmerking komende uitgaven

50. De voor steun in aanmerking komende uitgaven moeten worden vastgesteld overeenkomstig de daartoe in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen vastgelegde regels.

11.3. Regionaal steunplafond

51. Onder regionaal steunplafond wordt de maximale steunintensiteit verstaan die in het betrokken steungebied op het tijdstip van de steunverlening voor grote ondernemingen is toegestaan. De maximale steunintensiteiten worden overeenkomstig de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen vastgesteld op grond van de door de Commissie goedgekeurde regionale-steunkaart.

11.4. Betrokken product

52. Een betrokken product is een product waarop het investeringsproject betrekking heeft, alsmede, in voorkomend geval, een product dat als vervanging daarvoor wordt beschouwd, hetzij door de consument (wegens de kenmerken van de producten, hun prijs en het gebruik waarvoor zij zijn bestemd), hetzij door de producent (ten gevolge van flexibiliteit van de productie-installaties). Wanneer het project betrekking heeft op een tussenproduct waarvoor geen markt bestaat, worden ook van dit product afgeleide producten als betrokken product aangemerkt.

11.5. Schijnbaar verbruik

53. Het schijnbare verbruik van het betrokken product is de productie vermeerderd met de invoer en verminderd met de uitvoer.

54. Wanneer de Commissie overeenkomstig deze kaderregeling het gemiddelde jaarlijkse groeipercentage van het schijnbare verbruik van een betrokken product vaststelt, zal zij, waar zulks passend is, rekening houden met aanmerkelijke veranderingen in de tendens.

55. Wanneer het investeringsproject op een dienstensector betrekking heeft, zal de Commissie zich voor de vaststelling van de omvang en de ontwikkeling van de markt niet op het schijnbare verbruik baseren, maar in plaats daarvan uitgaan van de op het gebied van de betrokken diensten behaalde omzet volgens de algemeen aanvaarde marktsegmentatie voor de betrokken diensten waarvoor dadelijk beschikbare statistische gegevens voorhanden zijn.

(1) PB C 107 van 7.4.1998, blz. 7.

(2) PB C 74 van 10.3.1998, blz. 9.

(3) PB L 10 van 13.1.2001, blz. 33.

(4) PB C 288 van 9.10.1999, blz. 2.

(5) PB C 45 van 17.2.1996, blz. 5.

(6) PB C 37 van 3.2.2001, blz. 3.

(7) PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1.

(8) In de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen zijn de voor regionale investeringssteun in aanmerking komende uitgaven gedefinieerd ofwel door het bepaalde in de punten 4.5 en 4.6 (optie 1), ofwel door het bepaalde in punt 4.13 (optie 2). Overeenkomstig punt 4.19 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen kan op grond van optie 1 berekende steun ("investeringssteun") met op grond van optie 2 berekende steun ("werkgelegenheidssteun") worden gecumuleerd, mits het gecumuleerde steunbedrag binnen de grenzen blijft van het regionale steunplafond, vermenigvuldigd met het hoogste bedrag van de mogelijke twee uitgaven die voor steun in aanmerking komen. Overeenkomstig deze regel en voor de toepassing van de onderhavige kaderregeling worden de voor steun in aanmerking komende uitgaven van een specifiek investeringsproject vastgesteld op basis van de optie die het hoogste bedrag oplevert. Het bedrag van de voor steun in aanmerking komende uitgaven wordt derhalve op zodanige wijze bepaald dat het niet hoger ligt dan het hoogste investeringsbedrag dat wordt verkregen door toepassing van de berekeningsmethode voor de werkgelegenheidssteun en de berekeningsmethode voor de steun voor initiële investeringen, met inachtneming van het voor de regio geldende steunplafond.

(9) In de onderstaande tabel wordt voor specifieke bedragen van de voor steun in aanmerking komende uitgaven en voor specifieke regionale plafonds aangegeven welke steunintensiteiten volgens de reductieschaal kunnen worden toegestaan.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(10) Elk voornemen om ad hoc-steun toe te kennen, moet hoe dan ook worden aangemeld en zal worden beoordeeld op grond van de in afdeling 3 van de kaderregeling vastgestelde regels en de in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen neergelegde algemene beoordelingscriteria.

(11) Wanneer de lidstaat aantoont dat de begunstigde van de steun door daadwerkelijke innovatie een nieuwe productmarkt tot stand brengt, behoeven de onder a) en b) bedoelde tests niet te worden uitgevoerd en wordt de steun toegestaan volgens de in punt 21 vastgestelde schaal.

(12) Verordening (EEG) nr. 3924/91 van de Raad van 19 december 1991 betreffende de totstandbrenging van een communautaire enquête naar de industriële productie (PB L 374 van 31.12.1991, blz. 1).

(13) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1.

(14) Deze bedrijfstak omvat de ijzer- en staalsectoren die thans onder het EGKS-Verdrag vallen, alsook de subsectoren buizen en grote gelaste buizen, waarop het EGKS-Verdrag momenteel niet van toepassing is, maar die deel uitmaken van een geïntegreerd productieproces en die kenmerken vertonen die vergelijkbaar zijn met die van de ijzer- en staalsectoren die wel onder het EGKS-Verdrag vallen.

(15) Kaderregeling voor steunmaatregelen in de sector synthetische vezels (PB C 94 van 30.3.1996, blz. 11); communautaire kaderregeling inzake staatssteun aan de automobielindustrie (PB C 279 van 15.9.1997, blz. 1); de steun aan de scheepsbouw valt onder Verordening (EG) nr. 1540/98 van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw (PB L 202 van 18.7.1998, blz. 1).

(16) Verordening (EEG) nr. 3696/93 van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende statistische classificatie van producten, gekoppeld aan de economische activiteiten in de Europese Economische Gemeenschap (PB L 342 van 31.12.1993, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 204/2002 (PB L 36 van 6.2.2002, blz. 1).

(17) Er kan een sterk vermoeden rijzen dat er een krimpende sector is, wanneer het gemiddelde jaarlijkse groeipercentage voor het schijnbare verbruik in de EER de laatste vijf jaar negatief is geweest.

(18) Dit bedrag kan in beginsel worden vastgesteld op 25 miljoen EUR, maar kan van sector tot sector uiteenlopen.

(19) De markt voor het betrokken product zal als een snelgroeiende markt worden aangemerkt wanneer het schijnbaar verbruik over de laatste vijf jaar op het passende niveau van de Prodcom-nomenclatuur in de EER, of, indien dergelijke informatie niet beschikbaar is, volgens een andere, algemeen aanvaarde marktsegmentatie voor de betrokken producten waarvoor dadelijk beschikbare statistische gegevens voorhanden zijn, in waarde groeit in een gemiddeld tempo dat gelijk is aan of hoger ligt dan het gemiddelde groeipercentage van het BBP van de EER.

(20) PB C 320 van 13.12.1988, blz. 3.

(21) Voornemens om ad hoc-steun toe te kennen, moeten hoe dan ook worden aangemeld en zullen worden beoordeeld op grond van deze regel en de in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen neergelegde algemene beoordelingscriteria.

BIJLAGE A

FORMULIER VOOR DE CONTROLE ACHTERAF

- Titel van de regeling (indien het om ad hoc-steun gaat, gelieve dit aan te geven).

- Overheidsinstantie die steun verleent.

- Indien de rechtsgrondslag wordt gevormd door een reeds door de Commissie goedgekeurde steunregeling, geef de datum van de goedkeuring en het staatssteunreferentienummer.

- Specificeer de regio en de gemeente.

- Vermeld de naam van de onderneming, geef aan of het om een kleine of middelgrote, dan wel om een grote onderneming gaat, en vermeld ook, in voorkomend geval, de naam van de moederondernemingen.

- Vermeld de aard van het project en specificeer of het gaat om een nieuwe vestiging, een capaciteitsuitbreiding of een ander project.

- Specificeer de totale kostprijs en de voor steun in aanmerking komende kosten van de kapitaaluitgaven die over de levensduur van het project worden geïnvesteerd.

- Nominaal bedrag van de steun en zijn bruto- en nettosubsidie-equivalent.

- Vermeld de eventuele voorwaarden waaraan de betaling van de voorgenomen steun is verbonden.

- Betrokken producten of diensten en hun Prodcom-code of CPA-code voor projecten in de dienstensectoren.

BIJLAGE B

DEFINITIE VAN DE IJZER- EN STAALINDUSTRIE VOOR DE TOEPASSING VAN DE MULTISECTORALE KADERREGELING

Voor de toepassing van de multisectorale kaderregeling behelst de ijzer- en staalindustrie de ondernemingen die de onderstaande ijzer- en staalproducten vervaardigen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE C

DEFINITIE VAN DE AUTOMOBIELINDUSTRIE VOOR DE TOEPASSING VAN DE MULTISECTORALE KADERREGELING

Onder "automobielindustrie" moet worden verstaan de ontwikkeling, fabricage en assemblage van "automobielen", "automotoren" en "modules of subsystemen" voor deze voertuigen of motoren, door een constructeur of door een "eersterangsleverancier", in het laatste geval alleen in het kader van een "algemeen project".

a) Automobielen Het begrip "automobiel" omvat personenauto's, bedrijfsvoertuigen, bestelwagens, vrachtauto's, trekkers, bussen, autocars en andere commerciële voertuigen. Uitgesloten zijn raceauto's, auto's die niet aan het verkeer deelnemen (bijvoorbeeld sneeuw- en golfauto's), motorrijwielen, aanhangwagens, landbouwtrekkers en bosbouwtractoren, caravans, vrachtauto's voor speciale doeleinden (bijvoorbeeld brandweerauto's, mobiele werkplaatsen), stortkarren, werktrucks (bijvoorbeeld vorkheftrucks, loopwagens, platformtrucks) en voor het leger bestemde militaire voertuigen.

b) Automotoren Onder "automotoren" wordt verstaan compressie-, ontstekings- en vonkontstekingsmotoren, alsmede elektro-, turbine-, gas-, hybride- of andere motoren voor "automobielen".

c) Modules en subsystemen Een "module" of "subsysteem" is een geheel van primaire componenten voor een automobiel of een motor, dat door een eersterangsleverancier is gefabriceerd, geassembleerd of gemonteerd, en door een computergesteunde bestelling of in "lean"-productie wordt geleverd.De logistieke bevoorradings- en opslagdiensten alsook de toeleverantie van met de productie samenhangende werkzaamheden (bijvoorbeeld het lakken van onderdelen) dienen eveneens als module of subsysteem te worden behandeld.

d) Eersterangsleveranciers Onder "eersterangsleverancier" moet worden verstaan een al dan niet van de constructeur afhankelijke toeleverancier die de verantwoordelijkheid voor de studie en ontwikkeling deelt, en die subsystemen of modules ten behoeve van een industriële onderneming uit de automobielsector produceert, monteert en/of levert in de fabricage- of montagefasen. Deze industriële partner is vaak met de bouwer verbonden door een contract met een looptijd die overeenkomt met de levensduur van het model (bijvoorbeeld tot een nieuwe design wordt ontwikkeld). Een eersterangsleverancier kan ook diensten leveren, vooral van logistieke aard, zoals het beheer van een bevoorradingscentrum.

e) Algemeen project Een bouwer kan op de plaats van de investering zelf, of op één of meer industrieterreinen binnen een zekere geografische nabijheid (13), één of meer projecten van eersterangsleveranciers integreren, teneinde de levering te garanderen van modules of subsystemen voor de voertuigen of motoren die bestemd zijn voor zijn project. Onder "algemeen project" wordt het geheel van projecten verstaan. Een algemeen project heeft dezelfde duur als het investeringsproject van de autobouwer. Opdat de investering van een eersterangsleverancier past in de definitie van een algemeen project, dient op zijn minst de helft van de productie die het gevolg is van deze investering te worden geleverd aan de betrokken constructeur in de betrokken fabriek.

BIJLAGE D

DEFINITIE VAN DE SECTOR SYNTHETISCHE VEZELS VOOR DE TOEPASSING VAN DE MULTISECTORALE KADERREGELING

Voor de toepassing van de multisectorale kaderregeling wordt de sector synthetische vezels als volgt gedefinieerd:

- de extrusie/texturizering van alle algemene soorten vezels en garens op basis van polyester, polyamide, acryl of polypropyleen, ongeacht het eindgebruik ervan, of

- polymerisatie (met inbegrip van polycondensatie), wanneer deze wordt geïntegreerd met extrusie wat de gebruikte machines betreft, of

- elk nevenprocédé dat verband houdt met de gelijktijdige installatie van extrusie-/texturizeringscapaciteit door de potentiële begunstigde onderneming of door een andere onderneming van het concern waartoe deze behoort en die in de betrokken specifieke bedrijfsactiviteit normaal van een dergelijke capaciteit, wat de gebruikte machines betreft, deel uitmaakt.

BIJLAGE E

AANMELDINGSFORMULIER(1)

AFDELING 1 - LIDSTAAT

1.1. Inlichtingen betreffende de aanmeldende overheidsinstantie

1.1.1. Naam en adres van de aanmeldende instantie.

1.1.2. Naam, telefoonnummer, faxnummer en e-mailadres, alsook de functie van de perso(o)n(en) die moet(en) worden gecontacteerd indien aanvullende inlichtingen worden verlangd.

1.2. Inlichtingen betreffende de te contacteren persoon in de Permanente Vertegenwoordiging

1.2.1. Naam, telefoonnummer, faxnummer en e-mailadres alsook de functie van de persoon die moet worden gecontacteerd indien aanvullende inlichtingen worden verlangd.

AFDELING 2 - ONTVANGER VAN DE STEUN

2.1. Structuur van de onderneming of ondernemingen die in het project investeren

2.1.1. Identiteit van de ontvanger van de steun.

2.1.2. Indien de juridische identiteit van de ontvanger van de steun verschillend is van de onderneming(en) die het project financier(t)(en) of die de steun ontvang(t)(en), gelieve die verschillen ook te omschrijven.

2.1.3. Identificeer het moederconcern van de ontvanger van de steun, omschrijf de structuur van het concern en de eigendomsstructuur van elke moederonderneming.

2.2. Gelieve de volgende gegevens over de laatste drie boekjaren te verschaffen voor de onderneming of ondernemingen die in het project investeren:

2.2.1. Wereldwijde omzet, EER-omzet en omzet in de betrokken lidstaat.

2.2.2. Winst na belastingen en kasstroom (op geconsolideerde basis).

2.2.3. Aantal arbeidsplaatsen in de wereld, op EER-niveau en in de betrokken lidstaat.

2.2.4. Uitsplitsing per markt van de omzet in de betrokken lidstaat, in de rest van de EER en buiten de EER.

2.2.5. Gecontroleerde jaarrekeningen en jaarverslagen van de laatste drie jaar.

2.3. Indien de investering in een bestaande industriële vestiging plaatsvindt, gelieve voor de laatste drie boekjaren van die entiteit de volgende gegevens te verschaffen:

2.3.1. Totale omzet.

2.3.2. Winst na belastingen en kasstroom.

2.3.3. Aantal arbeidsplaatsen.

2.3.4. Uitsplitsing per markt van de omzet in de betrokken lidstaat, in de rest van de EER en buiten de EER.

AFDELING 3 - STAATSSTEUN

Verschaf de volgende gegevens voor elke voorgenomen staatssteunmaatregel:

3.1. Details

3.1.1. Titel van de regeling (indien het om ad hoc-steun gaat, gelieve dit aan te geven).

3.1.2. Rechtsgrondslag (wet, decreet enz.).

3.1.3. Overheidsinstantie die steun verleent.

3.1.4. Indien de rechtsgrondslag wordt gevormd door een reeds door de Commissie goedgekeurde steunregeling, geef de datum van de goedkeuring en het staatssteunreferentienummer.

3.2. Vorm van de voorgenomen steunmaatregel

3.2.1. Is de voorgenomen steunmaatregel een subsidie, een rentesubsidie, een verlaging van de socialezekerheidsbijdragen, een belastingkrediet(vermindering), een participatie in het aandelenkapitaal, een omzetting van schuld of een afschrijving van schulden, een zachte lening, een uitgestelde belastingheffing, een bedrag dat onder een garantieregeling valt enz.

3.2.2. Geef de voorwaarden waaraan de uitbetaling van de voorgenomen steun is verbonden.

3.3. Bedrag van de voorgenomen steun

3.3.1. Nominaal bedrag van de steun en zijn bruto- en nettosubsidie-equivalent.

3.3.2. Is de steunmaatregel onderworpen aan vennootschapsbelasting (of enigerlei andere directe belasting)? Indien slechts gedeeltelijk, in welke mate?

3.3.3. Geef een volledig betalingsschema voor de voorgenomen steun. Gelieve voor het pakket van voorgenomen staatssteunmaatregelen de volgende gegevens te vermelden:

3.4. De kenmerken van de steunmaatregelen

3.4.1. Is een of meer van de steunmaatregelen nog niet omschreven? Zo ja, specificeer.

3.4.2. Geef aan welke van de voornoemde maatregelen geen staatssteun vormen en om welke reden(en).

3.5. Financiering uit communautaire bronnen (EIB, EGKS-instrumenten, Sociaal Fonds, Regionaal Fonds, overige)

3.5.1. Moeten sommige van de voornoemde maatregelen door communautaire fondsen worden medegefinancierd? Leg uit.

3.5.2. Wordt voor hetzelfde project aanvullende ondersteuning gevraagd van andere Europese of internationale financieringsinstellingen? Zo ja, voor welke bedragen?

3.6. Cumulatie van staatssteunmaatregelen

3.6.1. Raming van het brutosubsidie-equivalent (vóór belastingen) van de gecombineerde steunmaatregelen.

3.6.2. Raming van het nettosubsidie-equivalent (na belastingen) van de gecombineerde steunmaatregelen.

AFDELING 4 - ONDERSTEUND PROJECT

4.1. Plaats van het project

4.1.1. Specificeer de regio en de gemeente, alsmede het adres.

4.2. Duur van het project

4.2.1. Specificeer de aanvangsdatum van het investeringsproject en de datum van voltooiing van de investering.

4.2.2. Specificeer de geplande aanvangsdatum van de nieuwe productie en het jaar waarin volledige productie kan worden bereikt.

4.3. Beschrijving van het project

4.3.1. Vermeld de aard van het project en specificeer of het gaat om een nieuwe vestiging, een capaciteitsuitbreiding of een ander project.

4.3.2. Geef een korte algemene beschrijving van het project.

4.4. Uitsplitsing van de projectkosten

4.4.1. Specificeer de totale kostprijs van de kapitaaluitgaven die worden geïnvesteerd en afgeschreven over de levensduur van het project.

4.4.2. Geef een gedetailleerd overzicht van de kapitaaluitgaven en van de overige uitgaven die met het investeringsproject verband houden.

4.5. Financiering van de totale projectkosten

4.5.1. Vermeld de financiering van de totale kostprijs van het investeringsproject.

AFDELING 5 - PRODUCT- EN MARKTKENMERKEN

5.1. Kenmerken van de met het project beoogde product(en)

5.1.1. Specificeer het product of de producten die in de ondersteunde vestiging zullen worden vervaardigd na de voltooiing van de investering, alsmede de relevante (sub)sector(en) waartoe het (de) product(en) behoren (vermeld de Prodcom-code of CPA-code voor projecten in de dienstensector).

5.1.2. Welk(e) product(en) word(t)(en) vervangen? Indien deze vervangen producten niet in dezelfde vestiging worden vervaardigd, vermeld waar zij thans worden geproduceerd.

5.1.3. Welke overige product(en) kunnen met dezelfde nieuwe faciliteiten worden vervaardigd tegen weinig of geen extra kosten?

5.2. Capaciteitsgegevens

5.2.1. Kwantificeer het effect van het project op de totale levensvatbare capaciteit van de ontvanger van de steun in de EER (eveneens voor het concern) en zulks voor alle betrokken producten (in eenheden per jaar voor het jaar voorafgaand aan het aanvangsjaar en bij de voltooiing van het project).

5.2.2. Geef voor elk van de betrokken producten een raming van de totale capaciteit van alle EER-producenten.

5.3. Marktgegevens

5.3.1. Verschaf voor elk van de laatste zes boekjaren gegevens over het schijnbaar verbruik van het (de) betrokken product(en). Voeg ter illustratie van het antwoord statistieken bij die door andere bronnen zijn samengesteld, zo deze beschikbaar zijn.

5.3.2. Geef voor de volgende drie boekjaren een prognose van de ontwikkeling van het schijnbaar verbruik van het (de) betrokken product(en). Voeg ter illustratie van het antwoord statistieken bij die door onafhankelijke bronnen zijn samengesteld, zo deze beschikbaar zijn.

5.3.3. Is de relevante markt een krimpende markt en om welke redenen?

5.3.4. Geef een raming van het marktaandeel (in waarde) van de ontvanger van de steun of van het concern waartoe deze behoort voor het jaar voorafgaand aan het aanvangsjaar en bij de voltooiing van het project.

(1) Voor steunverlening die niet onder reeds goedgekeurde regelingen valt, moet de lidstaat informatie verschaffen over het gunstige effect van de steunmaatregel op het betrokken steungebied.