31996L0092

Richtlijn 96/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit

Publicatieblad Nr. L 027 van 30/01/1997 blz. 0020 - 0029


RICHTLIJN 96/92/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 57, lid 2, en de artikelen 66 en 100 A,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag (3),

(1) Overwegende dat het van belang is maatregelen vast te stellen om de goede werking van de interne markt te verzekeren; dat de interne markt een ruimte omvat zonder binnengrenzen waarin het vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd;

(2) Overwegende dat de voltooiing van een elektriciteitsmarkt met mededinging een belangrijke stap voorwaarts is op weg naar de voltooiing van de interne markt voor energie;

(3) Overwegende dat deze richtlijn de volledige toepassing van het EG-Verdrag, met name de bepalingen inzake de interne markt en mededinging onverlet laat;

(4) Overwegende dat de totstandbrenging van de interne markt voor elektriciteit van bijzonder belang is voor een grotere efficiëntie bij produktie, transmissie en distributie van elektriciteit en ten goede komt aan de continuïteit van de voorziening en het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven, met inachtneming van de milieubescherming;

(5) Overwegende dat de interne markt voor elektriciteit geleidelijk tot stand dient te worden gebracht, opdat de elektriciteitsindustrie zich op een soepele en geordende wijze aan haar nieuwe omgeving kan aanpassen en om rekening te houden met de huidige verschillen in de organisatie van de elektriciteitsnetten;

(6) Overwegende dat de totstandbrenging van de interne markt voor elektriciteit de onderlinge koppeling en de interoperabiliteit van de netten moet bevorderen;

(7) Overwegende dat met Richtlijn 90/547/EEG van de Raad van 29 oktober 1990 betreffende de doorvoer van elektriciteit via de hoofdnetten (4) en Richtlijn 90/377/EEG van de Raad van 29 juni 1990 betreffende een communautaire procedure inzake de doorzichtigheid van de prijzen van gas en elektriciteit voor industriële eindverbruikers (5), een eerste stap op weg naar de voltooiing van de interne markt voor elektriciteit is gezet;

(8) Overwegende dat thans verdere maatregelen dienen te worden genomen om de interne markt voor elektriciteit tot stand te brengen;

(9) Overwegende dat de elektriciteitsbedrijven in de interne markt, onverminderd hun openbare-dienstverplichtingen, moeten kunnen werken in het vooruitzicht van een elektriciteitsmarkt met mededinging;

(10) Overwegende dat er momenteel, op grond van structurele verschillen in de Lid-Staten, verschillende systemen voor de regulering van de elektriciteitssector bestaan;

(11) Overwegende dat er in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel algemene beginselen moeten worden vastgelegd waarmee een kader op Gemeenschapsniveau wordt geschapen, doch dat de nadere uitvoering daarvan dient te worden overgelaten aan de Lid-Staten, zodat iedere Lid-Staat de regeling kan kiezen die het beste past bij zijn eigen situatie;

(12) Overwegende dat de toegang tot het net, ongeacht de wijze waarop de bestaande markt is georganiseerd, mogelijk moet zijn overeenkomstig deze richtlijn en moet leiden tot economisch gelijkwaardige resultaten in de Lid-Staten en bijgevolg tot een rechtstreeks vergelijkbare mate van openstelling van de markten en tot een rechtstreeks vergelijkbare mate van toegang tot de elektriciteitsmarkten;

(13) Overwegende dat het opleggen van openbare-dienstverplichtingen voor sommige Lid-Staten noodzakelijk kan zijn voor het waarborgen van de continuïteit van de voorziening, de bescherming van de consument en de bescherming van het milieu, welke aspecten de vrije concurrentie op zich naar hun mening niet altijd kan waarborgen;

(14) Overwegende dat planning op lange termijn één van de middelen kan zijn om die openbare dienstverplichtingen uit te voeren;

(15) Overwegende dat in het Verdrag specifieke regels ten aanzien van beperkingen op het vrije verkeer van goederen en ten aanzien van de mededinging zijn vastgelegd;

(16) Overwegende dat de Lid-Staten krachtens artikel 90, lid 1, van het Verdrag met name verplicht zijn die regels na te leven met betrekking tot de openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten hebben verleend;

(17) Overwegende dat de ondernemingen die belast zijn met het beheer van diensten van algemeen economisch belang krachtens artikel 90, lid 2, van het Verdrag onder specifieke voorwaarden onder die regels vallen;

(18) Overwegende dat de tenuitvoerlegging van deze richtlijn gevolgen zal hebben voor de activiteiten van dergelijke ondernemingen;

(19) Overwegende dat de Lid-Staten, wanneer zij openbare-dienstverplichtingen aan de ondernemingen in de elektriciteitssector opleggen, de toepasselijke regels van het Verdrag, zoals die door het Hof van Justitie uitgelegd zijn, moeten naleven;

(20) Overwegende dat bij de totstandbrenging van de interne markt voor elektriciteit in ruime mate rekening dient te worden gehouden met de Gemeenschapsdoelstelling van economische en sociale samenhang, met name in sectoren zoals de nationale of intracommunautaire infrastructuur voor elektriciteitstransmissie;

(21) Overwegende dat Beschikking nr. 1254/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 1996 tot opstelling van richtsnoeren voor transeuropese netwerken in de energiesector (6) heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van een geïntegreerde infrastructuur voor de elektriciteitstransmissie;

(22) Overwegende dat daarom gemeenschappelijke regels dienen te worden vastgesteld voor de elektriciteitsproduktie en de exploitatie van de netten voor transmissie en distributie van elektriciteit;

(23) Overwegende dat de openstelling van de produktiemarkt kan plaatsvinden op basis van twee systemen, de vergunningsprocedure en de aanbestedingsprocedure, die volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria moeten werken;

(24) Overwegende dat de situatie van zelfopwekkers en onafhankelijke producenten binnen dat kader in aanmerking moet worden genomen;

(25) Overwegende dat elk transmissienet onder centraal beheer en centrale controle dient te staan, zodat de veiligheid, de betrouwbaarheid en de doelmatigheid van het net in het belang van producent en afnemer zijn gewaarborgd; dat derhalve een transmissienetbeheerder dient te worden aangewezen die zorgt voor de exploitatie, het onderhoud en zo nodig de ontwikkeling van dat net; dat de transmissienetbeheerder op een objectieve, transparante en niet-discriminerende wijze te werk dient te gaan;

(26) Overwegende dat de technische regels voor de werking van de transmissienetten en de directe lijnen transparant moeten zijn en de interoperabiliteit van de netten moeten waarborgen;

(27) Overwegende dat er objectieve en niet-discriminerende criteria moeten worden vastgesteld voor de inschakeling van de centrales;

(28) Overwegende dat uit milieubeschermingsoverwegingen voorrang kan worden gegeven aan de produktie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen;

(29) Overwegende dat er voor de distributie concessies kunnen worden verleend aan afnemers in een bepaald gebied en dat er voor de exploitatie, het onderhoud en eventueel de ontwikkeling van ieder distributienet een beheerder moet worden aangewezen;

(30) Overwegende dat de transmissiefunctie van verticaal geïntegreerde bedrijven met het oog op de gewenste transparantie en niet-discriminatie los van de overige activiteiten dient te worden beheerd;

(31) Overwegende dat het optreden van een exclusieve koper gescheiden moet zijn van de produktie- en distributieactiviteiten van verticaal geïntegreerde bedrijven en dat de informatiestroom tussen de activiteiten van exclusieve koper en die produktie- en distributieactiviteiten moet worden beperkt;

(32) Overwegende dat in de rekeningen van alle geïntegreerde elektriciteitsbedrijven naar een zo groot mogelijke transparantie dient te worden gestreefd, zodat met name mogelijke misbruiken van een machtspositie, zoals abnormaal hoge of lage tarieven, of discriminerende praktijken bij gelijkwaardige transacties, kunnen worden onderkend; dat daarom voor iedere activiteit een afzonderlijke boekhouding nodig is;

(33) Overwegende dat er verder voor moet worden gezorgd dat de bevoegde instanties toegang hebben tot de interne boekhouding van de bedrijven, met inachtneming van de vertrouwelijkheid;

(34) Overwegende dat er, in verband met de verscheidenheid van structuren en de specifieke kenmerken van de netten in de Lid-Staten, verschillende keuzemogelijkheden voor toegang tot het net moeten komen die volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria werken;

(35) Overwegende dat vergunningen moeten kunnen worden verleend voor aanleg en gebruik van directe lijnen;

(36) Overwegende dat in vrijwaringsbepalingen en in procedures voor de beslechting van geschillen dient te worden voorzien;

(37) Overwegende dat misbruik van machtspositie en marktondermijnende gedragingen voorkomen moeten worden;

(38) Overwegende dat het vanwege het dreigen van bijzondere aanpassingsproblemen in bepaalde Lid-Staten mogelijk moet zijn gebruik te maken van overgangsregelingen of ontheffingen, met name voor de werking van kleine geïsoleerde netten;

(39) Overwegende dat deze richtlijn een nieuwe fase van de liberalisatie vormt; dat er, wanneer zij van kracht is geworden, toch nog bepaalde belemmeringen met betrekking tot de handel in elektriciteit tussen de Lid-Staten zullen blijven bestaan; dat er derhalve in het licht van de opgedane ervaring voorstellen voor de verbetering van de werking van de interne elektriciteitsmarkt kunnen worden gedaan; dat de Commissie dus aan de Raad en het Europees Parlement verslag moet uitbrengen over de toepassing van deze richtlijn,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Werkingssfeer en definities

Artikel 1

Bij deze richtlijn worden gemeenschappelijke regels vastgesteld voor de produktie, de transmissie en de distributie van elektriciteit. De richtlijn regelt de wijze van organisatie en de werking van de elektriciteitssector, de toegang tot de markt, de criteria en procedures die gelden voor de aanbestedingen, de verlening van vergunningen en de exploitatie van de netten.

Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. "produktie": de produktie van elektriciteit;

2. "producent": een natuurlijke of rechtspersoon die elektriciteit produceert;

3. "zelfopwekker": een natuurlijke of rechtspersoon die hoofdzakelijk voor eigen gebruik elektriciteit produceert;

4. "onafhankelijke producent":

a) een producent die geen zorg draagt voor de functie van transmissie en distributie van elektriciteit op het grondgebied dat wordt bestreken door het net waarop hij aangesloten is;

b) in Lid-Staten waar geen verticaal geïntegreerde elektriciteitsbedrijven bestaan en waarin een aanbestedingsprocedure wordt toegepast, een producent, overeenkomstig de definitie onder a), die niet uitsluitend aan de economische rangorde van het koppelnet onderworpen hoeft te zijn;

5. "transmissie": het transport van elektriciteit langs het hoogspanningskoppelnet met het oog op de levering ervan aan eindafnemers of distributiemaatschappijen;

6. "distributie": het transport van elektriciteit langs midden- en laagspanningsdistributienetten met het oog op de levering aan afnemers;

7. "afnemers": groot- of eindafnemers van elektriciteit en distributiemaatschappijen;

8. "grootafnemer": mits door de Lid-Staten als zodanig erkend, elke natuurlijke of rechtspersoon die elektriciteit koopt of verkoopt en niet zorgt voor de functies transmissie, produktie of distributie binnen of buiten het net waarop hij aangesloten is;

9. "eindafnemer": een afnemer die elektriciteit koopt voor eigen verbruik;

10. "koppellijnen": uitrusting om elektriciteitsnetten onderling te koppelen;

11. "koppelnet": een aantal transmissie- en distributienetten die door middel van een of meer koppellijnen met elkaar zijn verbonden;

12. "directe lijn": een elektriciteitslijn ter aanvulling van het koppelnet;

13. "economische rangorde": een in overeenstemming met economische criteria aangenomen rangorde van bronnen voor de levering van elektriciteit;

14. "ondersteunende diensten": alle diensten die nodig zijn voor het doen werken van een transmissie- of distributienet;

15. "netgebruiker": elke natuurlijke of rechtspersoon die als leverancier of verbruiker op een transmissie- of distributienet is aangesloten;

16. "levering": de aflevering en/of verkoop van elektriciteit aan afnemers;

17. "geïntegreerd elektriciteitsbedrijf": een verticaal of horizontaal geïntegreerd bedrijf;

18. "verticaal geïntegreerd elektriciteitsbedrijf": een bedrijf dat voor twee of meer van de functies produktie, transmissie en distributie van elektriciteit zorg draagt;

19. "horizontaal geïntegreerd elektriciteitsbedrijf": een bedrijf dat zorg draagt voor tenminste één van de functies produktie voor de verkoop, transmissie en distributie van elektriciteit, alsmede voor een andere, niet-elektrische activiteit;

20. "aanbestedingsprocedure": de procedure waarmee in geplande nieuwe behoeften en vervangingscapaciteit wordt voorzien door leveringen uit nieuwe of bestaande produktie-installaties;

21. "planning op lange termijn": de planning van de behoeften aan investeringen in produktie- en transmissiecapaciteit op lange termijn, teneinde te voldoen aan de vraag naar elektriciteit van het net en de levering aan de afnemers te verzekeren;

22. "exclusieve koper": rechtspersoon die, binnen het net waarop hij aangesloten is, de verantwoordelijkheid draagt voor het centrale beheer van het transmissiesysteem en/of de gecentraliseerde aan- en verkoop van elektriciteit;

23. "klein geïsoleerd net": ieder net dat in het jaar 1996 minder dan 2 500 GWh verbruikt en voor minder dan 5 % van zijn jaarverbruik aan andere netten gekoppeld is.

HOOFDSTUK II

Algemene regels voor de organisatie van de sector

Artikel 3

1. De Lid-Staten dragen er, op basis van hun institutionele organisatie en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, zorg voor dat de elektriciteitsbedrijven, onverminderd lid 2, overeenkomstig de beginselen van deze richtlijn worden geëxploiteerd, teneinde een elektriciteitsmarkt met mededinging tot stand te brengen, en zij onthouden zich, wat rechten en plichten betreft, van discriminatie tussen die bedrijven. De twee in de artikelen 17 en 18 genoemde mogelijkheden om toegang tot het net te krijgen moeten leiden tot gelijkwaardige economische resultaten en daardoor tot een rechtstreeks vergelijkbaar niveau van openstelling van de markten en een rechtstreeks vergelijkbare mate van toegang tot de elekriciteitsmarkten.

2. Met volledige inachtneming van de toepasselijke bepalingen van het Verdrag, met name artikel 90, mogen de Lid-Staten de elektriciteitsbedrijven openbare-dienstverplichtingen in het algemeen economisch belang opleggen, die betrekking kunnen hebben op de veiligheid, met inbegrip van de continuïteit van de voorziening, regelmaat, kwaliteit en prijs van de leveringen alsmede de bescherming van het milieu. Deze verplichtingen, die duidelijk gedefinieerd, transparant, niet-discriminerend en controleerbaar moeten zijn, alsmede de eventuele herzieningen daarvan, worden door de Lid-Staten gepubliceerd en onverwijld aan de Commissie meegedeeld. Om de genoemde openbare-dienstverplichtingen ten uitvoer te brengen, kunnen de Lid-Staten die dat wensen een planning op lange termijn invoeren.

3. De Lid-Staten kunnen besluiten de bepalingen van de artikelen 5, 6, 17, 18 en 21 niet toe te passen, voor zover de toepassing van die bepalingen zou verhinderen dat de elektriciteitsmaatschappijen zich in feite of in rechte kwijten van de hun in het algemeen belang van de economie opgelegde verplichtingen en voor zover de ontwikkeling van het handelsverkeer niet beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Gemeenschap. Het belang van de Gemeenschap omvat onder meer het mededingen naar de in aanmerking komende afnemers overeenkomstig deze richtlijn en artikel 90 van het Verdrag.

HOOFDSTUK III

Produktie

Artikel 4

Voor de bouw van nieuwe produktie-installaties kunnen de Lid-Staten kiezen voor een vergunningsstelsel en/of een aanbestedingsstelsel. De vergunningen en aanbestedingen verlopen volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria.

Artikel 5

1. Wanneer de Lid-Staten voor het vergunningsstelsel kiezen, stellen zij de criteria vast voor de verlening van de bouwvergunningen voor produktie-installaties op hun grondgebied. Deze criteria kunnen betrekking hebben op:

a) de veiligheid en de bedrijfszekerheid van de elektriciteitsnetten, de installaties en de bijbehorende uitrusting;

b) de bescherming van het milieu;

c) ruimtelijke ordening en locatie;

d) gebruik van gronden met een openbare bestemming;

e) energie-efficiëntie;

f) de aard van de primaire energiebronnen;

g) de bijzondere kenmerken van de aanvrager, zoals technische, economische en financiële capaciteit;

h) de bepalingen van artikel 3.

2. De uitvoerig omschreven criteria en de procedures worden gepubliceerd.

3. De aanvragers moeten op de hoogte worden gesteld van de redenen voor weigering van een vergunning, die objectief en niet-discriminerend moeten zijn; zij moeten op goede gronden rusten, naar behoren gestaafd worden en ter informatie aan de Commissie worden meegedeeld. Beroep moet voor de aanvrager mogelijk zijn.

Artikel 6

1. Wanneer een Lid-Staat voor de aanbestedingsprocedure kiest, stelt hij, of een door de betrokken Lid-Staat aangewezen bevoegde instantie, een lijst op van de nieuwe produktiemiddelen, inclusief de vervangingscapaciteit, op basis van de in lid 2 bedoelde raming. In die lijst wordt ook rekening gehouden met de behoeften aan koppellijnen. De vereiste capaciteit wordt toegewezen door middel van een aanbestedingsprocedure overeenkomstig dit artikel.

2. De transmissienetbeheerder of een door de betrokken Lid-Staat aangewezen bevoegde autoriteit maakt en publiceert onder controle van de Staat regelmatig, doch ten minste om de twee jaar, een raming van de produktie- en transmissiecapaciteit die op het net kan worden aangesloten, van behoeften aan koppellijnen met andere netten en de potentiële transmissiecapaciteit, alsmede van de vraag naar elektriciteit. Deze raming bestrijkt een door elke Lid-Staat te bepalen periode.

3. De aanbestedingsprocedure voor produktiemiddelen wordt ten minste zes maanden vóór de sluitingsdatum voor inschrijvingen in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt.

Het bestek wordt ter beschikking gesteld van ieder geïnteresseerd elektriciteitsbedrijf dat gevestigd is op het grondgebied van een Lid-Staat, en wel zo dat het voldoende tijd heeft om in te schrijven.

Het bestek bevat een gedetailleerde beschrijving van de specificaties van het contract, de procedure die alle inschrijvers moeten volgen, alsmede een complete lijst van de criteria die bepalend zijn bij de selectie van de kandidaten en de gunning. De specificaties kunnen ook betrekking hebben op de gebieden, bedoeld in artikel 5, lid 1.

4. Wanneer de aanbesteding betrekking heeft op de vereiste produktie-installatie, moeten daarin ook de inschrijvingen in aanmerking worden genomen met lange-termijnwaarborgen voor de levering van elektriciteit uit bestaande produktie-eenheden, mits daarmee bijkomende behoeften kunnen worden gedekt.

5. De Lid-Staten wijzen een autoriteit of een openbare instantie, dan wel een van de elektriciteitsproduktie-, -transmissie- en -distributieactiviteiten onafhankelijke particuliere instantie aan, die verantwoordelijk is voor de organisatie van de aanbestedingsprocedure en het toezicht en de controle daarop. Die autoriteit of instantie treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de vertrouwelijkheid van de gegevens in de inschrijvingen gewaarborgd is.

6. In de Lid-Staten die gekozen hebben voor de aanbestedingsprocedure moeten de zelfopwekkers en de onafhankelijke producenten echter een vergunning kunnen krijgen op basis van objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria overeenkomstig de artikelen 4 en 5.

HOOFDSTUK IV

Transmissienetexploitatie

Artikel 7

1. De Lid-Staten wijzen een netbeheerder aan of verlangen van de elektriciteitsbedrijven die eigenaar van transmissienetten zijn, dat zij een netbeheerder aanwijzen, voor een op grond van doelmatigheid en economisch evenwicht door de Lid-Staten te bepalen periode, die in een bepaald gebied verantwoordelijk is voor de exploitatie, het onderhoud en, in voorkomend geval, de ontwikkeling van het transmissienet en de koppellijnen daarvan naar andere netten, om de continuïteit van de voorziening te waarborgen.

2. De Lid-Staten dragen zorg voor de opstelling en de bekendmaking van technische voorschriften met de minimumeisen voor technisch ontwerp en exploitatie op het gebied van de aansluiting op het net van produktie-installaties, distributienetten, uitrusting van direct aangesloten afnemers, koppellijnencircuits en directe lijnen. Die eisen moeten de interoperabiliteit van de netwerken garanderen en objectief en niet-discriminerend zijn. Zij worden aan de Commissie meegedeeld overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (7).

3. De netbeheerder heeft tot taak de energiestromen op het net te beheren, waarbij hij rekening moet houden met het elektriciteitsverkeer van en naar andere koppelnetten. Daartoe moet de transmissienetbeheerder zorgen voor een veilig, betrouwbaar en efficiënt elektriciteitsnet en er in dit verband op toezien dat de nodige ondersteunende diensten beschikbaar zijn.

4. De netbeheerder verschaft de beheerder van een ander net waaraan zijn net is gekoppeld, voldoende gegevens om een veilige en efficiënte exploitatie, een gecoördineerde ontwikkeling en de interoperabiliteit van het koppelnet te waarborgen.

5. De netbeheerder onthoudt zich van iedere vorm van discriminatie tussen gebruikers of categorieën gebruikers van het net, met name ten gunste van eigen dochterondernemingen of aandeelhouders.

6. Tenzij het transmissienet reeds onafhankelijk is van de produktie- en distributieactiviteiten, dient de netbeheerder, althans op het vlak van het beheer, onafhankelijk te zijn van de andere, niet met het transmissienet verbonden activiteiten.

Artikel 8

1. De transmissienetbeheerder is verantwoordelijk voor de inschakeling van de stroomproduktie-eenheden in zijn gebied en voor het gebruik van koppellijnen met andere netten.

2. Onverminderd de levering van elektriciteit op basis van contractuele verplichtingen, inclusief die welke voortvloeien uit de in aanbestedingen vervatte voorwaarden, geschiedt de inschakeling van de stroomproduktie-eenheden en het gebruik van de koppellijnen op basis van criteria die door de betrokken Lid-Staat kunnen worden goedgekeurd, en die objectief moeten zijn, bekendgemaakt moeten worden en op een niet-discriminerende wijze moeten worden toegepast om een goede werking van de interne markt voor elektriciteit te waarborgen. In de criteria wordt rekening gehouden met de economische rangorde van de elektriciteit uit beschikbare produktie-eenheden of uit koppellijnoverbrengingen en met de voor het net geldende technische beperkingen.

3. De Lid-Staat kan de transmissienetbeheerder verplichten, bij het inschakelen van stroomproduktie-eenheden prioriteit te geven aan produktie-installaties die gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen, afvalstoffen of warmte-krachtkoppeling.

4. Een Lid-Staat kan om redenen van continuïteit van de voorziening bepalen dat prioriteit wordt gegeven aan de inschakeling van stroomproduktie-eenheden die primaire brandstofenergiebronnen uit eigen land gebruiken, voor zover het hierbij gaat om hoeveelheden die per kalenderjaar niet meer bedragen dan 15 % van de totale primaire energie die nodig is voor de produktie van de in de betrokken Lid-Staat verbruikte elektriciteit.

Artikel 9

De transmissienetbeheerder eerbiedigt de vertrouwelijkheid van de commercieel gevoelige gegevens die hem bij de uitvoering van zijn taak ter kennis komen.

HOOFDSTUK V

Distributienetexploitatie

Artikel 10

1. De Lid-Staten kunnen distributiemaatschappijen verplichten te leveren aan in een bepaald gebied gevestigde afnemers. Er kan een tariefregeling voor dergelijke leveringen worden opgesteld, bij voorbeeld om gelijke behandeling van de betrokken afnemers te waarborgen.

2. De Lid-Staten wijzen een distributienetbeheerder aan, of verlangen van de elektriciteitsbedrijven die eigenaar zijn van of verantwoordelijk zijn voor distributienetten, dat zij een netbeheerder aanwijzen. De distributienetbeheerder is verplicht in een bepaald gebied het distributienet en de koppellijnen daarvan naar andere netten te exploiteren, te onderhouden en eventueel te ontwikkelen.

3. De Lid-Staten zien erop toe dat de distributienetbeheerder overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 11 en 12 handelt.

Artikel 11

1. De distributienetbeheerder draagt in zijn gebied, met inachtneming van het milieu, zorg voor een veilig, betrouwbaar en efficiënt elektriciteitsdistributienet.

2. Hij discrimineert in geen geval tussen gebruikers of categorieën gebruikers van het net, met name niet ten gunste van eigen dochterondernemingen of aandeelhouders.

3. De Lid-Staat kan de distributienetbeheerder verplichten bij het inschakelen van stroomproduktie-eenheden prioriteit te geven aan produktie-installaties die gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen, afvalstoffen of warmte-krachtkoppeling.

Artikel 12

De distributienetbeheerder eerbiedigt de vertrouwelijkheid van de commercieel gevoelige gegevens die hem bij de uitvoering van zijn taak ter kennis komen.

HOOFDSTUK VI

Opstelling van gescheiden rekeningen en transparantie van de rekeningen

Artikel 13

De Lid-Staten of de bevoegde instantie die zij aanwijzen, alsmede de in artikel 20, lid 3, bedoelde instantie voor geschillenregeling hebben toegang tot de boekhouding van de produktie-, transmissie- en distributiemaatschappijen, voor zover de raadpleging daarvan nodig is voor de door hen uit te voeren controles.

Artikel 14

1. De Lid-Staten zorgen ervoor dat de boekhouding van elektriciteitsbedrijven overeenkomstig de leden 2 tot en met 5 van dit artikel wordt gevoerd.

2. Ongeacht hun eigendomsregeling of rechtsvorm stellen elektriciteitsbedrijven hun jaarrekening op, leggen haar met het oog op accountantscontrole voor en publiceren haar volgens nationale voorschriften inzake de jaarrekening van kapitaalvennootschappen die zijn vastgesteld uit hoofde van Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (8). Bedrijven die niet bij wet verplicht zijn hun jaarrekening te publiceren, dienen op hun hoofdkantoor een kopie daarvan ter beschikking van het publiek te houden.

3. Geïntegreerde elektriciteitsbedrijven voeren intern een afzonderlijke boekhouding voor de produktie-, de transmissie-, en de distributieactiviteiten, en in voorkomend geval, op geconsolideerde basis, voor hun andere, niet-elektrische activiteiten, zoals zij zouden moeten doen indien die activiteiten door verschillende ondernemingen werden uitgevoerd, om discriminatie, kruissubsidies en concurrentievervalsing te voorkomen. Zij publiceren in de toelichting van de jaarrekening een balans en een winst- en verliesrekening voor elke activiteit.

4. De bedrijven specificeren in de toelichting van de jaarrekening de regels voor de toerekening van de activa en passiva en de lasten en baten, die zij bij de opstelling van de afzonderlijke rekeningen overeenkomstig lid 3 volgen. Die regels mogen slechts in uitzonderlijke gevallen worden gewijzigd. Zulke wijzigingen moeten in de toelichting worden vermeld en naar behoren worden gemotiveerd.

5. De bedrijven specificeren in de toelichting van de jaarrekening transacties van een zeker belang met verbonden ondernemingen in de zin van artikel 41 van Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (9), of met geassocieerde ondernemingen in de zin van artikel 33, lid 1, van de richtlijn, of met bedrijven die eigendom van dezelfde aandeelhouders zijn.

Artikel 15

1. De Lid-Staten die een verticaal geïntegreerd elektriciteitsbedrijf of een gedeelte van een verticaal geïntegreerd elektriciteitsbedrijf als exclusieve koper aanwijzen, bepalen dat het optreden van de exclusieve koper gescheiden moet zijn van de produktie- en distributieactiviteiten van het geïntegreerde bedrijf.

2. De Lid-Staten zorgen ervoor dat er tussen de activiteiten van verticaal geïntegreerde elektriciteitsbedrijven als exclusieve koper en hun produktie- en distributieactiviteiten geen informatiestromen bestaan, behoudens de informatie die noodzakelijk is om te voldoen aan de verantwoordelijkheden van exclusieve koper.

HOOFDSTUK VII

Organisatie van de toegang tot het net

Artikel 16

Voor de organisatie van de toegang tot het net kunnen de Lid-Staten kiezen voor het in artikel 17 en/of het in artikel 18 bedoelde systeem. Die systemen worden beheerd volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria.

Artikel 17

1. Bij toegang tot het net via onderhandelingen nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen opdat elektriciteitsproducenten en, voor zover de Lid-Staten het bestaan daarvan toestaan, bedrijven die elektriciteit leveren en in aanmerking komende afnemers binnen en buiten het door het net bestreken grondgebied, kunnen onderhandelen over toegang tot het net met het oog op het sluiten van leveringscontracten op basis van vrijwillige commerciële overeenkomsten.

2. Wanneer de in aanmerking komende afnemer wordt aangesloten op het distributienet, moet over de toegang tot het net worden onderhandeld met de betrokken distributienetbeheerder en, indien nodig, met de betrokken transmissienetbeheerder.

3. Om de transparantie te bevorderen en de onderhandelingen over de toegang tot het net te vergemakkelijken moeten de netbeheerders in het eerste jaar na de toepassing van deze richtlijn indicatieve prijzenmarges voor het gebruik van het transmissie- en het distributienet bekendmaken. In de volgende jaren moeten de bekendgemaakte indicatieve prijzen zoveel mogelijk gebaseerd zijn op het gemiddelde van de prijzen die in de voorgaande periode van twaalf maanden via onderhandelingen tot stand zijn gekomen.

4. De Lid-Staten kunnen tevens kiezen voor een systeem van gereguleerde toegang tot het net; daarin krijgen de in aanmerking komende afnemers op basis van de gepubliceerde tarieven voor het gebruik van het transmissie- en het distributienet een recht van toegang tot het net dat ten minste gelijkwaardig is met dat van de andere toegangssystemen, bedoeld in dit hoofdstuk.

5. De betrokken transmissie- of distributienetbeheerder kan de toegang weigeren wanneer hij niet over de nodige capaciteit beschikt. De weigering moet naar behoren met redenen worden omkleed, waarbij met name artikel 3 in acht wordt genomen.

Artikel 18

1. In het geval van het systeem van de exclusieve koper wijzen de Lid-Staten een rechtspersoon aan als exclusieve koper binnen het gebied dat onder de netbeheerder valt. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen opdat:

i) een niet-discriminerend tarief voor het gebruik van het transmissie- en het distributienet wordt bekendgemaakt;

ii) de in aanmerking komende afnemers vrij zijn leveringscontracten ter dekking van hun eigen behoefte te sluiten met producenten en, voor zover de Lid-Staten het bestaan daarvan toestaan, bedrijven die elektriciteit leveren buiten het door het net bestreken gebied;

iii) de in aanmerking komende afnemers vrij zijn leveringscontracten ter dekking van hun eigen behoefte te sluiten met producenten binnen het door het net bestreken gebied;

iv) de onafhankelijke producenten met de transmissienet- en de distributienetbeheerders onderhandelen over toegang tot het net met het oog op de sluiting van leveringscontracten met in aanmerking komende afnemers buiten het net, op basis van een vrijwillige commerciële overeenkomst.

2. De exclusieve koper kan verplicht worden elektriciteit, waarvoor een contract is gesloten tussen een in aanmerking komende afnemer en een producent binnen of buiten het door het net bestreken gebied, te kopen voor een prijs die gelijk is aan de door de exclusieve koper aan de in aanmerking komende afnemers aangeboden verkoopprijs, verminderd met de prijs van het in lid 1, onder i), bedoelde bekendgemaakte tarief.

3. Wanneer de exclusieve koper niet aan de in lid 2 bedoelde aankoopverplichting is onderworpen, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 1, onder ii) en iii), bedoelde leveringscontracten uitgevoerd worden via toegang tot het net op basis van het in lid 1, onder i), bedoelde bekendgemaakte tarief, dan wel via onderhandelde toegang tot het net onder de voorwaarden van artikel 17. In dit laatste geval is de exclusieve koper niet verplicht een niet-discriminerend tarief voor het gebruik van het transmissie- en het distributienet bekend te maken.

4. De exclusieve koper kan de toegang tot het net weigeren en kan weigeren elektriciteit van de in aanmerking komende afnemers te kopen wanneer hij niet over de nodige transmissie- of distributiecapaciteit beschikt. De weigering moet naar behoren met redenen worden omkleed waarbij met name artikel 3 in acht wordt genomen.

Artikel 19

1. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om hun elektriciteitsmarkten open te stellen, zodat op de voorwaarden van de artikelen 17 en 18 ten minste tot een niveau van betekenis contracten kunnen worden gesloten; dat niveau wordt aan de Commissie meegedeeld.

Het aandeel van de nationale markt wordt berekend op basis van het communautaire aandeel van de elektriciteit die verbruikt wordt door eindverbruikers die méér dan 40 GWh per jaar verbruiken (op basis van het verbruik op de locatie en met inbegrip van zelfopwekking).

Het gemiddelde communautaire aandeel wordt door de Commissie berekend op basis van de gegevens die haar door de Lid-Staten regelmatig worden verstrekt. De Commissie maakt dit gemiddelde communautaire aandeel, dat de mate van marktopenstelling bepaalt, vóór 1 november van elk jaar bekend in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, met alle gegevens die nodig zijn om de berekeningswijze te verduidelijken.

2. Het in lid 1 bedoelde aandeel van de nationale markt neemt gedurende een periode van zes jaar geleidelijk toe. Deze toename wordt berekend door de in lid 1 genoemde communautaire verbruiksdrempel van 40 GWh drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn tot een jaarlijks elektriciteitsverbruik van 20 GWh en zes jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn tot een jaarlijks elektriciteitsverbruik van 9 GWh te verlagen.

3. De Lid-Staten geven aan welke afnemers binnen hun grondgebied de in de leden 1 en 2 bedoelde aandelen vertegenwoordigen en de wettelijke bevoegdheid hebben om in overeenstemming met de artikelen 17 en 18 elektriciteit af te nemen, met dien verstande dat alle eindverbruikers die meer dan 100 GWh per jaar verbruiken (op basis van het verbruik op de locatie en met inbegrip van zelfopwekking) in bovengenoemde categorie moeten worden opgenomen.

De distributiemaatschappijen hebben, voor zover zij niet reeds uit hoofde van dit lid als in aanmerking komende afnemer zijn aangemerkt, rechtsbevoegdheid om op de in de artikelen 17 en 18 genoemde voorwaarden contracten af te sluiten voor de hoeveelheid elektriciteit die door hun binnen hun distributienet als in aanmerking komende aangemerkte afnemers wordt verbruikt, ten einde deze afnemers te bevoorraden.

4. De Lid-Staten maken vóór 31 januari van elk jaar de criteria bekend voor het bepalen van de in aanmerking komende afnemers die op de in de artikelen 17 en 18 genoemde voorwaarden contracten kunnen afsluiten. Die gegevens worden, samen met alle andere informatie die nodig is om de verwezenlijking van de in lid 1 bedoelde marktopenstelling te staven, aan de Commissie toegezonden met het oog op bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. De Commissie kan een Lid-Staat verzoeken zijn opgaven, als bedoeld in lid 3, te wijzigen, indien zij een juiste toepassing van deze richtlijn inzake de goede werking van de interne elektriciteitsmarkt verhinderen. Indien de betrokken Lid-Staat niet binnen een termijn van drie maanden gehoor geeft aan dit verzoek, wordt een definitief besluit genomen in overeenstemming met procedure I van artikel 2 van Besluit 87/373/EEG van de Raad van 13 juli 1987 tot vaststelling van de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (10).

5. Teneinde een verstoring van het evenwicht bij het openstellen van de elektriciteitsmarkten gedurende de periode bedoeld in artikel 26 te voorkomen:

a) mogen contracten voor de levering van elektriciteit op de in de artikelen 17 en 18 genoemde voorwaarden met een in aanmerking komende afnemer in het net van een andere Lid-Staat niet worden verboden indien de betrokken afnemer in beide netten als een in aanmerking komende afnemer wordt aangemerkt;

b) kan de Commissie, in gevallen waarin transacties als bedoeld onder a), worden geweigerd omdat de betrokken afnemer slechts in één van beide netten als in aanmerking komende afnemer wordt aangemerkt, rekening houdend met de marktsituatie en het gemeenschappelijke belang, de partij die tot die weigering heeft besloten, verplichten om de gevraagde elektriciteitslevering uit te voeren op verzoek van de Lid-Staat waar de in aanmerking komende afnemer is gevestigd.

Parallel met de procedure en het tijdschema van artikel 26 en uiterlijk halverwege de in dat artikel genoemde periode toetst de Commissie de toepassing van de eerste alinea, onder b), op basis van de marktontwikkelingen, rekening houdend met het gemeenschappelijke belang. De Commissie beoordeelt de situatie aan de hand van de ervaringen en brengt verslag uit over een eventuele verstoring van het evenwicht bij de openstelling van de elektriciteitsmarkten met betrekking tot deze alinea.

Artikel 20

1. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen opdat:

i) onafhankelijke producenten en zelfopwekkers kunnen onderhandelen over toegang tot het net met het oog op de bevoorrading van de in dezelfde of een andere Lid-Staat gevestigde eigen vestigingen en dochterondernemingen via het koppelnet;

ii) de producenten buiten het door het net bestreken grondgebied na een aanbesteding voor nieuwe produktie-installaties een leveringscontract kunnen sluiten, en voor de uitvoering van dat contract toegang hebben tot het net.

2. De Lid-Staten zien erop toe dat de partijen te goeder trouw onderhandelen en dat geen enkele partij van haar onderhandelingspositie misbruik maakt en de goede afloop van de onderhandelingen belemmert.

3. De Lid-Staten wijzen een van de partijen onafhankelijke bevoegde instantie aan die geschillen met betrekking tot de betrokken contracten en onderhandelingen moet beslechten. Deze instantie moet met name geschillen beslechten die betrekking hebben op contracten, onderhandelingen en weigering van toegang of aankoop.

4. In geval van een grensoverschrijdend geschil is tot beslechting bevoegd de instantie waaronder het net van de exclusieve koper of van de netbeheerder die het gebruik of de toegang tot het net weigert, ressorteert.

5. Een beroep op die instantie doet geen afbreuk aan de uitoefening van de beroepsmogelijkheden van het Gemeenschapsrecht.

Artikel 21

1. De Lid-Staten nemen volgens de systemen en rechten van de artikelen 17 en 18 de nodige maatregelen om het mogelijk te maken dat:

- alle op hun grondgebied gevestigde elektriciteitsproducenten en bedrijven die elektriciteit leveren, voor zover de Lid-Staten het bestaan daarvan toestaan, hun eigen vestigingen, dochterondernemingen en in aanmerking komende afnemers via een directe lijn kunnen bevoorraden;

- elke in aanmerking komende afnemer die op hun grondgebied gevestigd is, via een directe lijn kan worden bevoorraad door een producent en door een bedrijf dat elektriciteit levert, voor zover de Lid-Staten het bestaan daarvan toestaan.

2. De Lid-Staten stellen criteria vast voor de toekenning van vergunningen voor de aanleg van directe lijnen op hun grondgebied. Die criteria moeten objectief en niet-discriminerend zijn.

3. De mogelijkheid van bevoorrading via een directe lijn als bedoeld in lid 1 laat de mogelijkheid tot het sluiten van een leveringscontract overeenkomstig de artikelen 17 en 18 onverlet.

4. De Lid-Staten kunnen de vergunning voor de aanleg van een directe lijn afhankelijk stellen van een weigering van toegang tot het net op basis van - naar gelang van het geval - artikel 17, lid 5, of artikel 18, lid 4, dan wel de inleiding van een geschillenbeslechtingsprocedure overeenkomstig artikel 20.

5. De Lid-Staten kunnen de vergunning voor een directe lijn weigeren indien de verlening van een dergelijke vergunning de bepalingen van artikel 3 zou doorkruisen. De weigering moet naar behoren met redenen worden omkleed.

Artikel 22

De Lid-Staten creëren passende en doelmatige mechanismen voor regulering, controle en transparantie, teneinde misbruik van machtsposities, met name ten nadele van de verbruiker, en marktondermijnende praktijken te voorkomen. Die mechanismen houden rekening met de bepalingen van het Verdrag, in het bijzonder artikel 86.

HOOFDSTUK VIII

Slotbepalingen

Artikel 23

Bij een plotselinge crisis op de energiemarkt en wanneer de fysieke veiligheid van personen, de veiligheid of betrouwbaarheid van apparatuur of installaties of de integriteit van een net wordt bedreigd, kan een Lid-Staat tijdelijk de nodige beschermingsmaatregelen treffen.

Die maatregelen moeten zo weinig mogelijk verstoringen in de werking van de interne markt teweegbrengen en mogen niet verder reiken dan strikt noodzakelijk is om de plotseling opgetreden moeilijkheden te overwinnen.

De betrokken Lid-Staat stelt de overige Lid-Staten en de Commissie onverwijld van die maatregelen in kennis; de Commissie kan besluiten dat de betrokken Lid-Staat de maatregelen dient aan te passen of in te trekken, voor zover zij de concurrentie zodanig verstoren en het handelsverkeer dermate ongunstig beïnvloeden, dat dit strijdig is met het gemeenschappelijk belang.

Artikel 24

1. De Lid-Staten waar de vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn verleende vergunningen verplichtingen of garanties inzake werking inhouden die eventueel niet kunnen worden nagekomen vanwege de bepalingen van deze richtlijn, kunnen verzoeken in aanmerking te komen voor een overgangsregeling, die hun door de Commissie kan worden toegekend, waarbij onder andere de omvang van het betrokken net alsmede het niveau van koppeling van het net en de structuur van de elektriciteitsindustrie in aanmerking worden genomen. De Commissie stelt de Lid-Staten van dergelijke verzoeken in kennis alvorens een besluit te nemen, en houdt daarbij rekening met de eerbiediging van de vertrouwelijkheid. De besluiten worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt.

2. De overgangsregeling is van beperkte duur en gebonden aan de datum waarop de in lid 1 bedoelde verplichtingen of garanties verstrijken. De overgangsregeling kan betrekking hebben op ontheffingen van de hoofdstukken IV, VI en VII van deze richtlijn. Aanvragen om een overgangsregeling moeten uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn door de Lid-Staten aan de Commissie worden toegezonden.

3. De Lid-Staten die na de inwerkingtreding van deze richtlijn kunnen aantonen dat er zich wezenlijke problemen voordoen voor de werking van hun kleine geïsoleerde netten, kunnen om ontheffingen van de desbetreffende bepalingen van de hoofdstukken IV, V, VI en VII vragen die de Commissie hun kan verlenen. De Commissie stelt de Lid-Staten van dergelijke verzoeken in kennis alvorens een besluit te nemen, en houdt daarbij rekening met de eerbiediging van de vertrouwelijkheid. De besluiten worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Dit lid is ook van toepassing op Luxemburg.

Artikel 25

1. De Commissie legt voor het eind van het eerste jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn aan de Raad en aan het Europees Parlement een rapport voor over de harmonisatiebehoeften die niet in verband staan met de bepalingen van deze richtlijn. Zo nodig doet zij dat rapport vergezeld gaan van de harmonisatievoorstellen die nodig zijn voor de goede werking van de interne elektriciteitsmarkt.

2. De Raad en het Europees Parlement spreken zich over die voorstellen uit binnen twee jaar na de indiening.

Artikel 26

De Commissie toetst de toepassing van deze richtlijn en dient een verslag in over de ervaring die is opgedaan met de werking van de interne markt voor elektriciteit en de toepassing van de in artikel 3 bedoelde algemene regels, zodat het Europees Parlement en de Raad in het licht van de opgedane ervaring te gelegener tijd de mogelijkheid van een verdere openstelling van de markt kunnen beoordelen, die negen jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn effectief zou worden, in aanmerking genomen dat de beide in de artikelen 17 en 18 genoemde systemen naast elkaar bestaan.

Artikel 27

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 19 februari 1999 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2. België, Griekenland en Ierland kunnen in verband met de specifieke, technische kenmerken van hun elektriciteitssystemen een aanvullend uitstel van respectievelijk één jaar, twee jaren en één jaar krijgen voor de toepassing van de verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn. Wanneer deze Lid-Staten gebruik willen maken van deze optie, stellen zij de Commissie daarvan in kennis.

3. Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

Artikel 28

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 29

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 19 december 1996.

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

K. HÄNSCH

Voor de Raad

De Voorzitter

S. BARRETT

(1) PB nr. C 65 van 14. 3. 1992, blz. 4, en PB nr. C 123 van 4. 5. 1994, blz. 1.

(2) PB nr. C 73 van 15. 3. 1993, blz. 31.

(3) Advies van het Europees Parlement van 17 november 1993 (PB nr. C 329 van 6. 12. 1993, blz. 150), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 25 juli 1996 (PB nr. C 315 van 24. 10. 1996, blz. 18) en besluit van het Europees Parlement van 11 december 1996 (nog niet verschenen in het Publikatieblad). Besluit van de Raad van 19 december 1996.

(4) PB nr. L 313 van 13. 11. 1990, blz. 30. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Besluit 95/162/EG van de Commissie (PB nr. L 107 van 12. 5. 1995, blz. 53).

(5) PB nr. L 185 van 17. 7. 1990, blz. 16. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 93/87/EEG van de Commissie (PB nr. L 277 van 10. 11. 1993, blz. 32).

(6) PB nr. L 161 van 29. 6. 1996, blz. 147.

(7) PB nr. L 109 van 26. 4. 1983, blz. 8. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(8) PB nr. L 222 van 14. 8. 1978, blz. 11. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(9) PB nr. L 193 van 18. 7. 1983, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(10) PB nr. L 197 van 18. 7. 1987, blz. 33