31996L0049(01)

Bijlage bij Richtlijn 96/49/EG van de Raad zoals aangekondigd in Richtlijn 96/87/EG van de Commissie van 13 december 1996 tot aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 96/49/EG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 294 van 31/10/1998 blz. 0001 - 0775


Bijlage bij Richtlijn 96/49/EG van de Raad () zoals aangekondigd in Richtlijn 96/87/EG van de Commissie van 13 december 1996 tot aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 96/49/EG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor () (Voor de EER relevante tekst)

() PB L 235 van 17.9.1996, blz. 25.

() PB L 335 van 24.12.1996, blz. 45.

INHOUDSOPGAVE

Deel I - Algemene voorschriften

Randnummer Bladzijde

Algemene voorschriften 1 e.v. 4

Deel II - Bijzondere voorschriften voor de onderscheiden klassen

Klasse 1 Ontplofbare stoffen en voorwerpen 100 e.v. 17

Klasse 2 Gassen 200 e.v. 62

Klasse 3 Brandbare vloeistoffen 300 e.v. 102

Klasse 4.1 Brandbare vaste stoffen 400 e.v. 126

Klasse 4.2 Voor zelfontbranding vatbare stoffen 430 e.v. 147

Klasse 4.3 Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen 470 e.v. 161

Klasse 5.1 Oxiderende stoffen 500 e.v. 175

Klasse 5.2 Organische peroxiden 550 e.v. 190

Klasse 6.1 Giftige stoffen 600 e.v. 205

Klasse 6.2 Infectueuze stoffen (besmettelijke stoffen) 650 e.v. 241

Klasse 7 Radioactieve stoffen 700 e.v. 251

Klasse 8 Bijtende stoffen 800 e.v. 298

Klasse 9 Diverse gevaarlijke stoffen en voorwerpen 900 e.v. 323

Deel III - Aanhangsels

Aanhangsel I A. Eisen betreffende de stabiliteit en de veiligheid van ontplofbare stoffen en voorwerpen, en van genitreerde cellulosemengsels 1100. e.v. 338

B. Glossarium van de benamingen in rn. 101 1170 341

Aanhangsel II A. Voorschriften betreffende de eigenschappen der uit aluminiumlegeringen vervaardigde houders voor bepaalde gassen van klasse 2 1200. e.v. 356

B. Voorschriften voor de materialen en de constructie van houders volgens rn. 206, bestemd voor het vervoer van sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen van klasse 2 1250. e.v. 358

C. Voorschriften voor de materialen en de constructie van reservoirs van reservoirwagens en tankcontainers, waarvoor een beproevingsdruk van ten minste 1 MPa (10 bar) is voorgeschreven, alsmede van reservoirs van reservoirwagens en tankcontainers, bestemd voor het vervoer van sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen van klasse 2 1270. e.v. 363

D. Voorschriften voor de beproeving van spuitbussen (aerosolen) en van houders, klein, met gas (gaspatronen) van cijfer 5 van klasse 2 1291. e.v. 367

Aanhangsel III A. Beproevingen betreffende brandbare vloeistoffen van de klassen 3, 6.1 en 8 1300. e.v. 368

B. Beproevingsmethode voor de bepaling van het vloeigedrag 1310 372

C. Beproevingen voor de bepaling van de ecotoxiciteit, de persistentie en de bioaccumulatie van stoffen in het aquatisch milieu voor de indeling in klasse 9 1320. e.v. 374

Aanhangsel IV (Gereserveerd) 1400. e.v. 376

Aanhangsel V Algemene verpakkingsvoorschriften, typen verpakkingen, eisen aan de verpakkingen en voorschriften voor de beproeving van de verpakkingen 1500. e.v. 377

Aanhangsel VI Algemene voorschriften voor het gebruik van grote verpakkingen (IBC's), typen IBC's, eisen aan de constructie van IBC's en voorschriften voor de beproevingen van IBC's 1600. e.v. 417

Aanhangsel VII Voorschriften betreffende radioactieve stoffen van klasse 7 1700. e.v. 443

Aanhangsel VIII Voorschriften betreffende de kenmerking en lijst van gevaarlijke stoffen (RID) 1800. e.v. 471

Aanhangsel IX 1. Voorschriften betreffende gevaarsetiketten 1900. e.v. 694

2. Verklaring der afbeeldingen - Gevaarsetiketten 1902 695

3. Kenmerk voor stoffen die in verwarmde toestand vervoerdworden 1910 697

Aanhangsel X Voorschriften betreffende het gebruik, de constructie en de beproeving van tankcontainers 700

Aanhangsel XI Voorschriften betreffende het gebruik, de constructie en de beproeving van reservoirwagens 737

DEEL I ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

1 (1) Deze Bijlage vormt het reglement voor het vervoer per spoor van gevaarlijke goederen, in overeenstemming met Richtlijn 96/49/EG van de Raad. Ze is ontleend aan het "Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen".

(2) De stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn zijn in de volgende klassen ingedeeld:

Klasse 1 Ontplofbare stoffen en voorwerpen.

Klasse 2 Gassen

Klasse 3 Brandbare vloeistoffen

Klasse 4.1 Brandbare vaste stoffen

Klasse 4.2 Voor zelfontbranding vatbare stoffen.

Klasse 4.3 Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen.

Klasse 5.1 Oxiderende stoffen.

Klasse 5.2 Organische peroxiden.

Klasse 6.1 Giftige stoffen.

Klasse 6.2 Infectueuze stoffen.

Klasse 7 Radioactieve stoffen.

Klasse 8 Bijtende stoffen.

Klasse 9 Diverse gevaarlijke stoffen en voorwerpen.

(3) De onder de omschrijving van de klassen 1 en 7 (gesloten klassen) vallende stoffen en voorwerpen zijn, behoudens de volgende uitzonderingen, van het vervoer uitgesloten. Tot het vervoer zijn toegelaten de in de randnummers (rn.) 101 en 701 genoemde stoffen en voorwerpen, onder voorwaarde, dat zij aan de in de verschillende klassen gegeven voorschriften voldoen.

(4) De stoffen en voorwerpen, genoemd in de rn. 201, 301, 401, 431, 471, 501, 551, 601, 651, 801 en 901 of vallende onder een verzamelaanduiding van deze randnummers van de klassen 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2, 8 en 9 (open klassen), worden slechts onder de in de verschillende klassen genoemde voorwaarden ten vervoer toegelaten. De andere onder de omschrijvingen van deze klassen vallende stoffen en voorwerpen zijn zonder bijzondere voorwaarden ten vervoer toegelaten.

(5) De stoffen en voorwerpen, die uitdrukkelijk op grond van de in de verschillende klassen ingevoegde opmerkingen van het vervoer zijn uitgesloten, worden niet tot het vervoer toegelaten.

(6) De algemene vervoersvoorwaarden zijn op stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn van toepassing tenzij deze Richtlijn andere voorschriften geeft.

2 (1) De voor iedere klasse, met uitzondering van de klasse 7, geldende vervoersvoorwaarden zijn verdeeld over de volgende hoofdstukken:

A. Colli:

1. Algemene verpakkingsvoorschriften;

2. Individuele verpakkingsvoorschriften;

3. Gezamenlijke verpakking;

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli.

B. Wijze van verzending, beperkende bepalingen betreffende de verzending

C. Aanduidingen in de vrachtbrief

D. Vervoermiddelen en technische hulpmiddelen:

1. Voorschriften betreffende de wagens en het laden;

2. Opschriften en gevaarsetiketten op de wagens, op de reservoirwagens, op de tankcontainers en op de kleine containers.

E. Verbod van samenlading

F. Lege verpakkingen

G. Verdere voorschriften.

De vervoersvoorwaarden die van toepassing zijn op klasse 7, zijn vermeld op bladen; daarbij is elk blad in de volgende rubrieken onderverdeeld:

1. Stoffen;

2. Verpakking/collo;

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau van de colli

4. Besmetting op colli, wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen;

5. Ontsmetting en gebruik van de wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan;

6. Gezamenlijke verpakking;

7. Samenlading;

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen;

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens;

10. Documenten voor het vervoer;

11. Opslag en wijze van verzending;

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen;

13. Overige voorschriften.

De Aanhangsels bevatten:

Aanhangsel I Eisen betreffende de stabiliteit en de veiligheid van ontplofbare stoffen en voorwerpen, en van genitreerde cellulosemengsels, alsmede het glossarium van de benamingen in rn. 101;

Aanhangsel II Voorschriften betreffende de eigenschappen der uit aluminiumlegeringen vervaardigde houders voor bepaalde gassen van klasse 2; Voorschriften voor de materialen en de constructie van houders volgens rn. 206, bestemd voor het vervoer van sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen van klasse 2; Voorschriften voor de materialen en de constructie van reservoirs van reservoirwagens en tankcontainers, waarvoor een beproevingsdruk van ten minste 1 Mpa (10 bar) is voorgeschreven, alsmede van reservoirs van reservoirwagens en tankcontainers, bestemd voor het vervoer van sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen van klasse 2; Voorschriften voor de beproeving van spuitbussen en houders, klein, met gas (gaspatronen) van cijfer 5 van klasse 2;

Aanhangsel III Beproevingen betreffende brandbare vloeistoffen van de klassen 3, 6.1 en 8; beproevingsmethode voor de bepaling van het vloeigedrag; beproevingen voor de bepaling van de ecotoxiciteit, de persistentie en de bioaccumulatie van stoffen in het aquatisch milieu voor de indeling in klasse 9;

Aanhangsel IV (gereserveerd);

Aanhangsel V algemene verpakkingsvoorschriften, typen verpakkingen, eisen aan de verpakkingen en voorschriften voor de beproeving van de verpakkingen;

Aanhangsel VI Algemene voorschriften voor het gebruik van grote verpakkingen (IBC's), typen IBC's, eisen aan de constructie van IBC's en voorschriften voor de beproevingen van IBC's;

Aanhangsel VII Voorschriften betreffende radioactieve stoffen van klasse 7;

Aanhangsel VIII Voorschriften betreffende de kenmerking en lijst van gevaarlijke stoffen;

Aanhangsel IX Voorschriften betreffende de gevaarsetiketten en de verklaring der afbeeldingen en kenmerk voor stoffen die in verwarmde toestand vervoerd worden;

Aanhangsel X Voorschriften betreffende het gebruik, de constructie en de beproeving van tankcontainers;

Aanhangsel XI Voorschriften betreffende het gebruik, de constructie en de beproeving van reservoirwagens.

(2) Voorts moeten in acht worden genomen de voorschriften betreffende de formaliteiten, geëist door douane en andere overheidsinstanties (zie artikel 25, § 1, van de Uniforme Regelen CIM).

In het bijzonder moeten, behalve de ingevolge deze Richtlijn voorgeschreven aantekeningen en verklaringen, in de vrachtbrief ook zijn vermeld de verklaringen, voorgeschreven door de ambtelijke autoriteiten; de door deze autoriteiten geëiste begeleidende bescheiden moeten bij de vrachtbrief zijn gevoegd.

(3) De stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn mogen overeenkomstig § 2 van het RIEx (Bijlage VI van de Uniforme Regelen CIM) slechts worden vervoerd als expresgoed, voor zover dit uitdrukkelijk volgens hoofdstuk B voor de verschillende klassen, met uitzondering van klasse 7, is toegestaan. Voor het vervoer van stoffen van klasse 7 als expresgoed, zie rn. 701 (4).

(4) Overeenkomstig artikel 18, letter e), van de Uniforme Regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van reizigers en bagage (CIV) zijn de stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn van het vervoer als bagage uitgesloten, tenzij de tarieven uitzonderingen toestaan.

(5) Voor vervoeren in de zin van artikel 3, § 3, van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) zijn naast de bepalingen van deze Richtlijn ook de bijzondere nationale of internationale voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg of over vaarwegen van toepassing, voor zover deze niet in strijd zijn met de voorschriften van deze Richtlijn.

3 (1) Een niet radioactieve stof [zie de definitie van radioactieve stoffen in de inleidende bepaling van rn. 700 (1)], die onder een verzamelaanduiding van één of andere klasse valt, is van het vervoer uitgesloten, indien hij tevens onder de omschrijving van een gesloten klasse valt en daarin niet is opgesomd.

(2) Een niet radioactieve stof [zie de definitie van radioactieve stoffen in de inleidende bepaling van rn. 700 (1)], die in geen enkele klasse met name is opgesomd doch onder twee of meer verzamelaanduidingen van verschillende klassen valt, is onderworpen aan de vervoersvoorwaarden:

a) van de gesloten klasse, indien één van de in aanmerking komende klassen een gesloten klasse is;

b) van de klasse die overeenkomt met het overheersende gevaar, dat de stof tijdens het vervoer oplevert, indien geen van de in aanmerking komende klassen een gesloten klasse is.

(3) Voor stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die in de stofopsommingen van de afzonderlijke klassen niet genoemd zijn, gelden de volgende bepalingen:

Opmerkingen: 1. Oplossingen en mengsels bestaan uit twee of meer componenten. Deze componenten kunnen ofwel stoffen van deze Richtlijn zijn, dan wel stoffen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. Oplossingen en mengsels met één of meer componenten uit een gesloten klasse zijn slechts ten vervoer toegelaten, indien deze componenten met name in de stofopsomming van de gesloten klasse zijn genoemd.

3. Oplossingen en mengsels waarvan de specifieke activiteit hoger is dan 70 kBq/kg (2 nCi/g), zijn stoffen van klasse 7 [zie rn. 700 (1)].

a) Een oplossing of een mengsel dat een in deze Richtlijn met name genoemde gevaarlijke stof bevat, alsmede één of meerdere niet gevaarlijke stoffen, moet worden beschouwd als de met name genoemde gevaarlijke stof, tenzij:

1. de oplossing of het mengsel elders in deze Richtlijn met name is genoemd; of

2. uit de aanduidingen onder het cijfer dat van toepassing is op deze gevaarlijke stof duidelijk blijkt dat dit cijfer uitsluitend van toepassing is op de zuivere of technisch zuivere stof; of

3. de klasse, de fysische toestand of de verpakkingsgroep van de oplossing of van het mengsel verschillend zijn van die van de gevaarlijke stof.

Bij dergelijke oplossingen en mengsels moet in de vrachtbrief het woord "oplossing" resp. "mengsel" als onderdeel van de benaming worden toegevoegd met het doel om de aanduiding te preciseren, b.v. "aceton, oplossing".

Indien de klasse, de fysische toestand of de verpakkingsgroep verschilt van die van de zuivere stof, moet de oplossing of het mengsel worden ingedeeld in een geschikte n.e.g.-positie overeenkomstig de gevarengraad.

b) Stoffen met verschillende gevaarseigenschappen alsmede oplossingen en mengsels met meerdere onder deze Richtlijn vallende componenten moeten op grond van hun gevaarseigenschappen onder een cijfer, resp. letter van de daarmee overeenkomende klasse worden ingedeeld. Deze indeling op grond van de gevaarseigenschappen moet als volgt worden uitgevoerd:

1.1. De fysische, chemische en fysiologische gegevens moeten door meting of berekening worden bepaald en indeling geschiedt volgens de criteria van de afzonderlijke klassen.

1.2. Indien deze bepaling slechts tegen onevenredig hoge kosten mogelijk is (bijvoorbeeld bij bepaalde afvalstoffen), dan moeten de oplossingen en mengsels worden ingedeeld in de klasse van de component met het overheersende gevaar.

2. Indien een stof meer dan één gevaarseigenschap vertoont, of indien een oplossing of een mengsel verschillende componenten bevat van de hierna genoemde klassen of groepen van stoffen, dan moet de stof, de oplossing of het mengsel worden ingedeeld in de klasse of in de groep van stoffen met het overheersende gevaar.

2.1. Indien er geen sprake is van een overheersend gevaar, dan moet de indeling worden uitgevoerd in de volgende volgorde van de overheersende gevaren:

stoffen en voorwerpen van klasse 1

stoffen en voorwerpen van klasse 2

voor ontleding gevoelige stoffen, stoffen verwant met voor ontleding gevoelige stoffen en ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand (bevochtigde of geflegmatiseerde ontplofbare stoffen) van klasse 4.1

pyrofore stoffen van klasse 4.2

stoffen van klasse 5.2

stoffen van klasse 6.1, die volgens de criteria van rn. 600 (3) zeer giftig zijn bij inademen [met uitzondering van de stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) die voldoen aan de criteria voor de indeling van klasse 8 en waarvan de giftigheid bij inademing van stof en nevels (LC50) overeenkomt met groep a), maar waarvan de giftigheid bij inslikken of bij opname door de huid slechts overeenkomt met groep c) of met een geringere giftigheid. Deze stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) moeten worden ingedeeld in klasse 8.]

infectueuze stoffen van klasse 6.2.

2.2. Indien de gevaarseigenschappen behoren tot verschillende klassen of groepen van stoffen die niet genoemd zijn in 2.1, moeten de stoffen, mengsels of oplossingen worden ingedeeld in de klasse of de groep van stoffen met het overheersende gevaar.

2.3. Indien er geen sprake is van een overheersend gevaar, dan moet de stof, de oplossing of het mengsel als volgt worden ingedeeld:

2.3.1. Bij de indeling in een klasse moet rekening worden gehouden met de verschillende gevaarseigenschappen resp. de verschillende componenten overeenkomstig de onderstaande tabel. Bij de klassen 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8 en 9 moet rekening worden gehouden met de mate van gevaarlijkheid aangeduid door de groepen a), b) of c) van de afzonderlijke cijfers [zie rn. 300 (3), 400 (3), 430 (3), 470 (3), 500 (3), 600 (3), 800 (3) en 900 (2)].

Opmerkingen: Voorbeeld voor de toepassing van de tabel:

Mengsel van een brandbare vloeistof, ingedeeld in klasse 3, letter c), een giftige stof, ingedeeld in klasse 6.1, letter b) en een bijtende stof ingedeeld in klasse 8, letter a).

Het snijpunt van de regel aangeduid met 3, c) met de kolom 6.1, b) leidt tot 6.1, b); het snijpunt van regel 6.1, b) met kolom 8, a) leidt tot 8, a). Dit mengsel moet derhalve in klasse 8 onder letter a) worden ingedeeld.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2.3.2. Indeling in een n.e.g.-positie van een cijfer van de volgens de procedure in 2.3.1 vastgestelde klasse, met inachtneming van de gevaarseigenschappen van de afzonderlijke componenten van de oplossing of van het mengsel. Indeling in een algemene n.e.g.-positie is slechts toegestaan indien een indeling in een specifieke n.e.g.-positie niet mogelijk is.

Opmerkingen: Voorbeelden van de indeling van mengsels en oplossingen in klassen en cijfers:

Een oplossing van fenol van klasse 6.1, cijfer 14b), in benzeen van klasse 3, cijfer 3b), moet worden ingedeeld in klasse 3, groep b); deze oplossing moet op grond van de giftigheid van fenol worden ingedeeld in de positie 1992 brandbare vloeistof, giftig, n.e.g. van klasse 3, cijfer 19b).

Een vast mengsel van natriumarsenaat van klasse 6.1, cijfer 51b), en natriumhydroxide van klasse 8, cijfer 41b), moet worden ingedeeld in de positie 3290 giftige anorganische vaste stof, bijtend, n.e.g. van klasse 6.1, cijfer 67b).

Een oplossing van naftaleen, ruw of geraffineerd, van klasse 4.1, cijfer 6c), in benzine van klasse 3, cijfer 3b), moet worden ingedeeld in de positie 3295 koolwaterstoffen, vloeibaar, n.e.g. van klasse 3, cijfer 3b).

Een mengsel van koolwaterstoffen van klasse 3, cijfer 31c), en van polychloorbifenylen (PCB) van klasse 9, cijfer 2b), moet worden ingedeeld in de positie 2315 polychloorbifenylen van klasse 9, cijfer 2b).

Een mengsel van propyleenimine van klasse 3, cijfer 12 en van polychloorbifenylen (PCB) van klasse 9, cijfer 2b) moet worden ingedeeld in de positie 1921 propyleenimine, gestabiliseerd, van klasse 3, cijfer 12.

(4) Afvalstoffen zijn stoffen, oplossingen, mengsels of voorwerpen, die niet bestemd zijn voor direct gebruik, maar die worden vervoerd om te worden opgewerkt, gestort of vernietigd door middel van verbranding of andere verwerkingsmethoden.

(5) Een radioactieve stof, waarvan de specifieke activiteit hoger is dan 70 kBq/kg (2 nCi/g) en die

a) voldoet aan de vervoerscriteria van blad 1 van klasse 7, en

b) gevaarlijke eigenschappen bezit, die onder de omschrijving van één of meerdere andere klassen vallen,

is van het vervoer uitgesloten indien deze tevens onder de omschrijving van een gesloten klasse valt en daarin niet wordt genoemd.

(6) Een radioactieve stof, waarvan de specifieke activiteit hoger is dan 70 kBq/kg (2 nCi/g) en die

a) voldoet aan de vervoerscriteria van blad 1 van klasse 7, en

b) gevaarlijke eigenschappen bezit, die onder de omschrijving van één of meerdere andere klassen vallen,

is, in aanvulling op de bepalingen van blad 1 van klasse 7, onderworpen aan de vervoersvoorwaarden

van de gesloten klasse, indien één van de in aanmerking komende klassen een gesloten klasse is en de stof daarin wordt genoemd, of

van de klasse die overeenkomt met het overheersende gevaar, dat de stof tijdens het vervoer oplevert, indien geen van de in aanmerking komende klassen een gesloten klasse is.

(7) Als stoffen die het aquatisch milieu verontreinigen in de zin van deze Richtlijn worden beschouwd:

Stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet kunnen worden ingedeeld in de klassen 1 t/m 8 of in klasse 9, cijfers 1 t/m 8, 13, 14, 20, 21 en 31 t/m 36, maar die op basis van de beproevingsmethoden en -criteria van Aanhangsel III, hoofdstuk C, rn. 1320 t/m 1326, kunnen worden ingedeeld in de cijfers 11 en 12 van klasse 9. Oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), waarvoor geen waarden beschikbaar zijn voor de indeling overeenkomstig de indelingscriteria, worden als verontreinigend voor het aquatisch milieu beschouwd indien de LC50-waarde (), berekend volgens de formule:

LC50 = >NUM>LC50 van de verontreinigende stof × 100

>DEN>concentratie van de verontreinigende stof in massa-%

gelijk aan of lager is dan

a) 1 mg/Ls

b) indien de stof niet gemakkelijk biologisch afbreekbaar is, of, indien deze afbreekbaar is, de log Pow ≥ 3,0.

Opmerking: Voor de stoffen van de klassen 1 t/m 8 en van klasse 9, cijfers 1 t/m 8, 13, 14, 20, 21 en 31 t/m 36, die volgens de criteria van Aanhangsel III, hoofdstuk C, rn. 1320 t/m 1326, het aquatisch milieu verontreinigen, zijn geen bijkomende vervoersvoorwaarden van toepassing.

4 (1) In deze Richtlijn zijn de volgende meeteenheden () van toepassing:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De decimale veelvouden van een eenheid kunnen worden gevormd met behulp van de volgende voorvoegsels of symbolen, die voor de naam of voor het symbool van de eenheid worden geplaatst:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(2) Indien in deze Richtlijn de massa van colli is vermeld, dan is daarmee de bruto massa bedoeld, tenzij anders is aangegeven.

(3) Tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven, betekent het teken " %" in deze Richtlijn:

a) voor mengsels van vaste stoffen of vloeistoffen, alsmede voor oplossingen of met een vloeistof bevochtigde vaste stoffen: het massapercentage ten opzichte van de totale massa van het mengsel, de oplossing of de bevochtigde stof;

b) voor mengsels van samengeperste gassen, indien zij onder druk worden gevuld, het volumepercentage ten opzichte van het totale volume van het gasmengsel, of, indien zij op massa worden gevuld, het massapercentage ten opzichte van de totale massa van het mengsel; voor vloeibaar gemaakte gasmengsels alsmede onder druk opgeloste gassen: het massapercentage ten opzichte van de totale massa van het mengsel.

(4) Onder een "n.e.g."-positie (niet elders genoemd) in de zin van deze Richtlijn wordt verstaan een verzamelaanduiding, waaronder stoffen, mengsels, oplossingen of voorwerpen kunnen worden ingedeeld, die

a) in de cijfers van de stofopsommingen niet met name zijn genoemd, en

b) chemische, fysische en/of gevaarseigenschappen bezitten, die overeenkomen met de klasse, het cijfer, de groep en de benaming van de n.e.g.-positie.

(5) Drukken van elke aard in verband met houders (bijvoorbeeld beproevingsdruk, inwendige druk, openingsdruk van veiligheidskleppen) worden steeds aangegeven als manometrische druk (overdruk ten opzichte van de atmosferische druk); de dampdruk daarentegen wordt steeds aangegeven als absolute druk.

(6) Indien deze Richtlijn voor houders een vullingsgraad voorschrijft, dan heeft deze steeds betrekking op een temperatuur van de stoffen van 15 °C, voor zover niet een andere temperatuur is aangegeven.

(7) Voor classificatiedoeleinden worden gevaarlijke stoffen met een smeltpunt of beginsmeltpunt van 20 °C of lager bij een druk van 101,3 kPa beschouwd als vloeistoffen. Een viskeuze stof, waarvoor een specifiek smeltpunt niet kan worden gedefinieerd, moet worden onderworpen aan de beproevingsmethode ASTM D 4359-90 of aan de in Aanhangsel III, rn. 1310 beschreven beproevingsmethode voor de bepaling van het vloeigedrag (penetrometermethode).

(8) Onder "Aanbevelingen voor het vervoer van gevaarlijke goederen" wordt verstaan, de negende herziene editie van de "Recommendations on the Transport of Dangerous Goods", gepubliceerd door de Verenigde Naties (ST/SG/AC.10/1/Rev.9).

Onder "Handboek beproevingen en criteria" wordt verstaan de tweede herziene editie van de "Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, Manual of Tests and Criteria", gepubliceerd door de Verenigde Naties (ST/SG/AC.10/11/Rev.2).

5 Indien houders van kunststof als verpakking toegelaten zijn, kan de spoorweg van het land van afzending het bewijs verlangen, dat de kunststof geschikt is voor het beoogde doel.

6 Een stof of voorwerp van deze Richtlijn mag slechts losgestort, in reservoirwagens, in tankcontainers of in kleine containers worden vervoerd, indien deze wijzen van vervoer in de betreffende klasse voor deze stof of dit voorwerp uitdrukkelijk zijn toegestaan.

7 (1) Als containers in de zin van deze Richtlijn worden die beschouwd, welke voldoen aan de voorschriften van dit Reglement, alsook aan de voorschriften van het RICo (Bijlage III van de Uniforme Regelen CIM), indien hun inhoud 1 m3 en meer bedraagt.

Opmerkingen: 1. Grote verpakkingen (IBC's) (zie Aanhangsel VI) worden niet beschouwd als containers in de zin van deze Richtlijn.

2. In de zin van deze Richtlijn worden wissellaadbakken en wissellaadtanks beschouwd als grote containers.

(2) Grote containers en tankcontainers, die onder de definitie "container" van de International Convention for Safe Containers (), zoals gewijzigd, of van de UIC-fiches 590 () (stand 1-1-1989) en 592-1 t/m 592-4 () (stand 1-7-1994) vallen, mogen slechts voor het vervoer van gevaarlijke stoffen worden gebruikt, indien de grote container of het raamwerk van de tankcontainer voldoet aan de bepalingen van CSC of van de UIC-fiches 590 en 592-1 t/m 592-4.

Grote containers mogen voor het vervoer slechts worden gebruikt, indien deze constructief geschikt zijn voor het gebruik.

a) Onder "constructief geschikt" wordt verstaan: een container die geen belangrijke gebreken vertoont, die van invloed zijn op de constructiedelen, zoals de langsliggers boven en onder, de dwarsliggers boven en onder, de deurdrempels en deurstijlen, de vloerliggers, de hoekstijlen en de hoekstukken. Onder "belangrijke gebreken" wordt verstaan: deuken en vervormingen van constructiedelen, die ongeacht de lengte van de deformatie, dieper zijn dan 19 mm; scheuren of breuken in constructiedelen; meer dan één lasverbinding, of de aanwezigheid van een ondeugdelijk uitgevoerde lasverbinding (bijvoorbeeld een overlappende verbinding) in de bovenste of onderste langsliggers, of een enkele verbinding in een drempel of in een hoekstijl; deurscharnieren en deurbeslag, dat zwaar loopt of verbogen, gebroken, buiten gebruik, manco is of anderszins niet goed functioneert; niet goed sluitende afdichtingen en sluitmechanismen; vervormingen van de gehele constructie, die zo groot zijn, dat de overslagapparatuur niet gepositioneerd kan worden en dat de plaatsing of borging op de draagconstructies of op de wagens niet mogelijk is.

b) Daarnaast zijn, ongeacht het gebruikte materiaal, beschadigingen van onderdelen van de container, zoals doorgeroeste plaatsen in de metalen wanden of gerafelde gedeelten in onderdelen van glasvezelplaat niet aanvaardbaar. Normale slijtage, met inbegrip van corrosie (roestvorming), kleine deuken en krassen en andere beschadigingen, die de bruikbaarheid of de weerbestendigheid niet verminderen, zijn evenwel aanvaardbaar.

c) De containers moeten vóór de belading worden onderzocht om zeker te stellen, dat ze geen resten van vorige ladingen bevatten en dat de bodem en de wanden aan de binnenzijde vrij zijn van uitstekende delen.

(3) Alle voorschriften van deze Richtlijn met betrekking tot vervoer in wagens zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op grote containers, met uitzondering van tankcontainers.

(4) De voorschriften van Aanhangsel X zijn van toepassing op het vervoer van vloeibare, poedervormige of korrelvormige stoffen in tankcontainers met een inhoud van meer dan 0,45 m3. Tankcontainers voor stoffen van klasse 2 hebben een inhoud groter dan 1 000 liter.

(5) Voor kleine containers die bestemd zijn voor het vervoer van losgestorte stoffen - met uitzondering van de tankcontainers aangeduid onder (3) - zijn van toepassing de voorschriften betreffende de houders, verzonden als colli, tenzij in de bijzondere voorschriften voor de verschillende klassen anders is bepaald.

8 (1) Indien volgens de voorschriften van hoofdstuk A.3 van de verschillende klassen of volgens de voorschriften van klasse 7 de gezamenlijke verpakking van verscheidene stoffen of voorwerpen met elkaar of met andere goederen is toegelaten, moeten de binnenverpakkingen die verschillende stoffen en voorwerpen bevatten, zorgvuldig en betrouwbaar van elkaar gescheiden in de gezamenlijke buitenverpakking verpakt worden, indien ten gevolge van beschadiging of vernietiging van de binnenverpakking gevaarlijke reacties, zoals gevaarlijke warmteontwikkeling, verbranding, vorming van voor wrijving of stoot gevoelige mengsels, ontwikkeling van brandbare of giftige gassen, kunnen optreden. Indien in dit lid of in de individuele voorschriften voor de verpakking van bepaalde stoffen niet anders is voorgeschreven, moeten vloeistoffen van klasse 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8 of 9, die onder a) of b) van de verschillende cijfers vallen en zich in houders van glas, porselein of aardewerk bevinden, zijn verpakt met gebruikmaking van een absorberend materiaal. Het absorberende materiaal mag niet gevaarlijk reageren met de vloeistof. Absorberend materiaal is niet nodig, indien de binnenverpakkingen zodanig beschermd zijn, dat in geval van breuk de inhoud onder normale vervoersomstandigheden niet uit de buitenverpakking naar buiten kan treden. Indien een absorberende stof is voorgeschreven en de buitenverpakking niet vloeistofdicht is, moet een dichte bekleding, een kunststof zak of een ander even werkzaam middel worden gebruikt, om de vloeistof in geval van lekkage tegen te houden [zie ook rn. 1500 (5)]. Voor gezamenlijke verpakking van stoffen van de klasse 7, zie rn. 1711 (1) van Aanhangsel VII.

(2) In geval van gezamenlijke verpakking zijn de voorschriften van deze Richtlijn met betrekking tot de aanduidingen in de vrachtbrief van toepassing op elk van de, in het verzamelcollo voorkomende gevaarlijke goederen met verschillende benamingen. Bovendien moet het verzamelcollo voorzien zijn van alle opschriften en gevaarsetiketten, die ingevolge de voorschriften van deze Richtlijn voor de daarin verpakte gevaarlijke goederen zijn voorgeschreven.

9 (1) Voor het vervoer van colli met gevaarlijke goederen mogen oververpakkingen worden gebruikt indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

Onder "oververpakking" wordt verstaan een omhulling die gebruikt wordt door één enkele afzender met het doel om één of meer dan één colli te bevatten en een eenheid te vormen die tijdens het vervoer gemakkelijker kan worden behandeld en gestuwd. Voorbeelden van oververpakkingen zijn:

a) laadplateaus, zoals pallets waarop meerdere colli worden geplaatst of gestapeld en die door banden van kunststof, krimp- of rekfolie of andere geschikte middelen worden vastgezet.

b) beschermende buitenverpakkingen zoals kisten of kratten.

Opmerking: Deze definitie is niet van toepassing op de oververpakkingen, zoals gedefinieerd in klasse 7 (zie rn. 700, definitie 13).

Een oververpakking moet voorzien zijn van de stofidentificatienummers, voorafgegaan door de letters "UN" en de gevaarsetiketten van alle colli die aanwezig zijn binnen de oververpakking, tenzij de identificatienummers en de gevaarsetiketten van alle gevaarlijke goederen die zich binnen de oververpakking bevinden, zichtbaar zijn.

Elk collo met gevaarlijke goederen dat zich bevindt in een oververpakking moet voldoen aan alle voorschriften die van kracht zijn. De functie van elke verpakking mag door de oververpakking niet worden aangetast.

De samenladingsverboden in de hoofdstukken E van de verschillende klassen zijn ook van toepassing op deze oververpakkingen.

(2) Beschadigde, defecte of lekkende colli met gevaarlijke goederen, of gevaarlijke goederen die zijn verspreid of vrijgekomen, mogen in speciale bergingsverpakkingen volgens rn. 1559 worden vervoerd. Deze mogelijkheid sluit niet het gebruik uit van verpakkingen van grotere afmetingen van een geschikt type en een geschikt beproevingsniveau, overeenkomstig de voorwaarden van rn. 1500 (14). Bij het vervoer van beschadigde colli in bergingsverpakkingen, moet deze bergingsverpakking voorzien zijn van het identificatienummer, voorafgegaan door de letters "UN" en van alle gevaarsetiketten van het beschadigde collo dat daarin aanwezig is, alsmede van het opschrift "BERGING".

Behalve de aanduidingen, voorgeschreven in de afzonderlijke klassen voor de vervoerde goederen, moet de afzender de aanduiding "bergingsverpakking" in de vrachtbrief vermelden.

10 De samenladingsverboden, voorgeschreven in hoofdstuk E van iedere klasse [uitgezonderd die van klasse 7, welke zijn voorgeschreven in rn. 703, rubriek 7] zijn gebaseerd op de gevaarsetiketten van Aanhangsel IX, die op de colli moeten zijn aangebracht volgens de voorschriften onder A.4 van de verschillende klassen. Voor de etikettering van colli met stoffen van de klasse 7, zie rn. 706.

11 (1) Voor zover voorschriften van de afzonderlijke klassen niet anders bepalen, mogen colli worden geladen:

a) in gesloten wagens, of

b) in open wagens afgedekt met dekzeilen, of

c) in open wagens (zonder dekzeilen).

(2) Colli waarvan de verpakkingen bestaan uit materialen die gevoelig zijn voor de inwerking van vocht, mogen slechts in gesloten of met dekzeilen afgedekte open wagens worden geladen.

(3) Colli, met inbegrip van grote verpakkingen (IBC's), alsmede ongereinigde lege verpakkingen met inbegrip van grote verpakkingen (IBC's), die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1 - met uitzondering van colli met stoffen van klasse 2 -, model nrs. 6.2 of 9, voor zover deze laatste stoffen van de cijfers 1, 2, 3 of 13 van klasse 9 bevatten, mogen in de wagens en op de laad-, los- of de overlaadplaatsen niet worden gestapeld op, of in de onmiddellijke nabijheid worden geladen van, colli waarvan bekend is dat zij levensmiddelen, genotmiddelen of voer voor dieren bevatten.

Indien zij toch in de onmiddellijke nabijheid worden geladen van colli waarvan bekend is dat zij levensmiddelen, genotmiddelen of voer voor dieren bevatten, dan moeten zij hiervan zijn gescheiden

a) door volwandige scheidingswanden, die even hoog moeten zijn als de colli, voorzien van de etiketten volgens model nrs. 6.1, 6.2 of 9, voor zover deze laatste stoffen van de cijfers 1, 2, 3 of 13 van klasse 9 bevatten, of

b) door colli die niet zijn voorzien van etiketten volgens model nrs. 6.1, 6.2 of 9 of door colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 9 maar die niet stoffen van de cijfers 1, 2, 3 of 13 van klasse 9 bevatten, of

c) door een afstand van ten minste 0,8 meter,

tenzij de colli met etiketten volgens model nrs. 6.1, 6.2 of 9, voor zover deze laatste stoffen van de cijfers 1, 2, 3 of 13 van klasse 9 bevatten, voorzien zijn van een aanvullende verpakking of volledige afgedekt zijn (bijvoorbeeld door een folie, bedekking van karton of andere maatregelen).

(4) De voor het station van afzending geldende voorschriften moeten bij het laden van de goederen in acht worden genomen, voor zover bijzondere voorschriften van de afzonderlijke klassen niet anders bepalen.

12 De stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn, met uitzondering van die welke als expresgoed worden vervoerd, mogen slechts met goederentreinen worden vervoerd.

13 Bij het vervoer van de in rn. 1802 van Aanhangsel VIII genoemde gevaarlijke goederen moet een kenmerking volgens de voorschriften van dit Aanhangsel zijn aangebracht op:

reservoirwagens,

batterijwagens,

wagens met afneembare reservoirs,

tankcontainers,

wagens voor losgestort goed,

kleine en grote containers voor losgestort goed.

Wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde gevaarlijke goed, genoemd in rn. 1802 van Aanhangsel VIII, bevatten, mogen voorzien zijn van een kenmerking overeenkomstig de bepalingen van dat Aanhangsel.

14 Colli, met inbegrip van grote verpakkingen (IBC's), grote en kleine containers en tankcontainers, - alsmede wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten - , die niet volledig voldoen aan de voorschriften van deze Richtlijn wat betreft de verpakking, etikettering, opschriften op de colli, gezamenlijke verpakking of kenmerking, doch die wel voldoen aan de voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen over zee of door de lucht (), mogen voorafgaand aan of aansluitend op een zee- of luchttraject, ook onder de volgende voorwaarden worden vervoerd:

a) de colli of grote verpakkingen (IBC's) moeten, voor zover de opschriften en gevaarsetiketten niet voldoen aan deze Richtlijn, volgens de voorschriften voor het zee- of luchtvervoer () van opschriften en gevaarsetiketten zijn voorzien;

b) op de gezamenlijke verpakking zijn de voorschriften voor het vervoer over zee of door de lucht () van toepassing;

c) alleen bij vervoer, voorafgaand aan of volgend op een zeetraject, moeten de grote en kleine containers en de tankcontainers, - alsmede de wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten -, voor zover zij niet van kenmerkingen en etiketten conform deze Richtlijn zijn voorzien, van kenmerkingen en etiketten conform de voorschriften voor het zeevervoer () zijn voorzien;

d) behalve de in deze Richtlijn voorgeschreven aanduidingen moet in de vrachtbrief zijn vermeld: "Vervoer volgens rn. 14 RID".

Deze afwijking geldt niet voor goederen die volgens het bepaalde in de klassen 1 t/m 8 van deze Richtlijn wel als gevaarlijk zijn ingedeeld, maar die volgens de voorschriften voor het zee- en luchtvervoer () niet als gevaarlijk worden beschouwd.

15 (1) Het vervoer van gevaarlijke stoffen is ook toegestaan in gecombineerd rail/wegvervoer, onder de navolgende voorwaarden.

Opmerkingen: 1. In de zin van deze Richtlijn wordt onder "gecombineerd rail/wegvervoer" verstaan het vervoer van wegvoertuigen op spoorwagens.

2. In de zin van deze Richtlijn

worden wissellaadbakken beschouwd als grote containers [zie rn. 7 (2)], en

worden wissellaadtanks beschouwd als tankcontainers (zie Aanhangsel X).

(2) De voor gecombineerd rail/wegvervoer aangeboden wegvoertuigen alsmede de inhoud daarvan moeten voldoen aan de bepalingen van de Richtlijn 94/55/EG van de Raad.

De volgende stoffen zijn echter niet toegelaten:

de ontplofbare stoffen van compatibiliteitsgroep A (klasse 1, rn. 2101, cijfer 01, classificatiecode 1.1 A van het ADR);

de zelfontledende stoffen, waarvoor temperatuurbeheersing is vereist (klasse 4.1, rn. 2401, cijfer 41 t/m 50, identificatienummers 3231 t/m 3240 van het ADR);

de organische peroxiden, waarvoor temperatuurbeheersing is vereist (klasse 5.2, rn. 2551, cijfer 11 t/m 20, identificatienummers 3111 t/m 3120 van het ADR);

1829 zwaveltrioxide met een zuiverheid van ten minste 99,95 %, zonder inhibitor, vervoerd in reservoirs [klasse 8, rn. 2801, cijfer 1a) van het ADR].

(3) Aan beide zijden van de draagwagens die voor het gecombineerd rail/wegvervoer gebruikt worden, moeten de gevaarsetiketten worden aangebracht, welke in deze Richtlijn voor de vervoerde goederen zijn voorgeschreven.

De gevaarsetikettering van de draagwagens is echter niet vereist:

a) bij gebruik van het "rollende Landstrasse"-systeem (het laden van vrachtauto's met of zonder aanhangwagen, alsmede van opleggers met trekker, op wagens die gebruikt worden voor dit vervoersysteem), behalve indien de spoorwegen die betrokken zijn bij een bepaalde vervoersrelatie, anders beslist hebben, en

b) bij het vervoer van (weg)tankwagens op andere wijze.

(4) De schriftelijke instructies, voorgeschreven in rn. 10.385 van het ADR, moeten bij de vrachtbrief worden gevoegd.

(5) Behalve de in de afzonderlijke klassen van deze Richtlijn voor de vervoerde stoffen voorgeschreven aanduidingen moet de afzender op de vrachtbrief in het voor de omschrijving van het goed bestemde vak vermelden: "Vervoer volgens rn. 15 RID".

Bij het vervoer van tanks, die volgens rn. 10.500 (2) t/m (5) van het ADR van borden moeten zijn voorzien, moeten in de vrachtbrief vóór de aanduiding van het goed bovendien het identificatienummer voor het gevaar en voor de stof zijn aangegeven.

16 Indien het vervoer van gevaarlijke goederen in een grote container voorafgaat aan een zeetraject, moet met de vrachtbrief een containerbeladingscertificaat overeenkomstig paragraaf 12.3.7 van de Algemene Inleiding van de IMDG-Code () worden afgegeven.

De functies van de vrachtbrief en het hierboven genoemde containerbeladingscertificaat kunnen door een enkel document worden vervuld; indien dit niet het geval is, moeten deze documenten aan elkaar zijn gehecht. Indien de functies van deze documenten door een enkel document worden vervuld, kan worden volstaan met een verklaring in de vrachtbrief, dat de belading van de container is uitgevoerd overeenkomstig de reglementen van de vervoerswijzen, die van toepassing zijn, alsmede de identificatie van de persoon die verantwoordelijk is voor het container-beladingscertificaat. Er kan gebruik gemaakt worden van elektronische gegevensverwerking of elektronische gegevensuitwisseling voor het invullen van documenten of als vervanging daarvan.

Opmerking: Het containerbeladingscertificaat is niet vereist voor tankcontainers.

17 De voorschriften van deze Richtlijn zijn niet van toepassing op:

a) vervoer van gevaarlijke goederen, verricht door particulieren, indien deze goederen zijn verpakt voor de verkoop in de detailhandel en zijn bestemd voor hun persoonlijk of huishoudelijk gebruik dan wel voor recreatie- of sportactiviteiten;

b) vervoer van in deze Richtlijn niet nader aangeduide machines of materieel die gevaarlijke stoffen bevatten in inwendige onderdelen of in voor de werking ervan benodigde onderdelen;

c) vervoer, uitgevoerd door of onder toezicht van hulpdiensten;

d) vervoer in noodgevallen, bedoeld om mensenlevens te redden of ter bescherming van het milieu, mits alle maatregelen zijn genomen om ervoor zorg te dragen dat dit vervoer volkomen veilig geschiedt.

18 Voor zover in de verschillende klassen niet anders is voorgeschreven, mogen stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn tot en met 30 juni 1997 worden vervoerd volgens de voorschriften van deze Richtlijn van toepassing tot en met 31 december 1996. In deze gevallen moet de volgende aanduiding in de vrachtbrief worden vermeld: "Vervoer overeenkomstig het vóór 1 januari 1997 geldende RID".

19-

99

DEEL II BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN VOOR DE ONDERSCHEIDEN KLASSEN

KLASSE 1 ONTPLOFBARE STOFFEN EN VOORWERPEN

1. Opsomming van de stoffen en voorwerpen

100 (1) Van de stoffen en voorwerpen, aangeduid in de titel van klasse 1 worden slechts ten vervoer toegelaten die, welke zijn opgesomd onder rn. 101 of zijn ingedeeld in een n.e.g.-positie of in de positie "0190 ontplofbare stof, monster" van rn. 101. Deze stoffen en voorwerpen zijn slechts ten vervoer toegelaten onder de in de rn. 100 (2) t/m 142 en in Aanhangsel I gegeven voorwaarden en zijn derhalve stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn.

(2) Stoffen en voorwerpen in de zin van klasse 1 zijn:

a) Ontplofbare stoffen: vaste of vloeibare stoffen (of mengsels van stoffen) die door een chemische reactie gassen kunnen ontwikkelen met een zodanige temperatuur en druk en met zulk een snelheid dat schade kan worden aangericht aan de omgeving.

Pyrotechnische stoffen: stoffen of mengsels van stoffen bestemd om als gevolg van niet-detonatieve, zichzelf onderhoudende exotherme chemische reacties een effect te veroorzaken in de vorm van warmte, licht, geluid, gas of rook of een combinatie daarvan.

Opmerkingen: 1. Ontplofbare stoffen die buitengewoon gevoelig zijn of onderhevig kunnen zijn aan een spontane reactie, zijn niet ten vervoer toegelaten.

2. Stoffen die zelf geen ontplofbare stoffen zijn, maar een ontplofbaar gas-, damp- of stofmengsel kunnen vormen, zijn geen stoffen van klasse 1.

3. Uitgezonderd zijn ook met water of alcohol bevochtigde ontplofbare stoffen, waarvan het water-of alcoholgehalte de in rn. 101 aangegeven grenswaarden overschrijdt, alsmede ontplofbare stoffen met plastificeermiddel - deze ontplofbare stoffen zijn ingedeeld in klasse 4.1, rn. 401, onder cijfer 21, 22 en 24 - alsmede ontplofbare stoffen die op grond van hun overheersende gevaarseigenschappen zijn ingedeeld in klasse 5.2.

b) Ontplofbare voorwerpen: voorwerpen die een of meer ontplofbare en/of pyrotechnische stoffen bevatten.

Opmerking: Niet onderworpen aan de voorschriften van klasse 1 zijn voorwerpen die ontplofbare en/of pyrotechnische stoffen bevatten in een zodanig geringe hoeveelheid of van zodanige aard, dat er geen merkbare gevolgen buiten het voorwerp zijn, zoals scherfwerking, vuur, rook, warmte of een hard geluid, wanneer ze gedurende het vervoer door onachtzaamheid of per ongeluk tot ontsteking komen.

c) Stoffen en voorwerpen, niet vermeld onder a) of b) en die zijn vervaardigd om een praktisch effect door explosie of een pyrotechnisch effect te veroorzaken.

(3) De ontplofbare stoffen en voorwerpen moeten overeenkomstig de beproevingsmethoden voor de bepaling van de explosieve eigenschappen en de classificatieprocedures, aangegeven in Aanhangsel I, onder één van de benamingen van rn. 101 zijn ingedeeld en voldoen aan de aan deze benaming verbonden voorwaarden, resp. zij moeten volgens deze beproevingsmethoden en classificatieprocedures zijn ingedeeld in een n.e.g.-positie van rn. 101.

Monsters van nieuwe of reeds bestaande ontplofbare stoffen of voorwerpen, met uitzondering van inleispringstoffen, die onder meer worden vervoerd voor doeleinden van beproeving, indeling, onderzoek en ontwikkeling, voor kwaliteitscontrole of als handelsmonster, mogen worden ingedeeld onder de positie "0190 ontplofbare stof, monster" van rn. 101, cijfer 51.

De indeling van niet met name genoemde stoffen en voorwerpen in een n.e.g.-positie of in de positie "0190 ontplofbare stof, monster" moet worden uitgevoerd door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst.

De stoffen en voorwerpen, die in een n.e.g.-positie of in de positie "0190 ontplofbare stof, monster" zijn ingedeeld, alsmede bepaalde stoffen, waarvan het vervoer op grond van een Opmerking in de opsomming van de stoffen en voorwerpen van rn. 101 is onderworpen aan een speciale toestemming van de bevoegde autoriteit, mogen slechts na toestemming van de bevoegde autoriteit van het land van herkomst worden vervoerd onder de voorwaarden vastgesteld door deze autoriteit.

Indien het land van herkomst geen Lid-Staat is, moeten de vastgestelde voorwaarden geldig worden verklaard door de bevoegde autoriteit van de eerste Lid-Staat van de COTIF, die bij de zending betrokken is.

De toestemming moet schriftelijk worden verleend.

(4) Stoffen en voorwerpen van klasse 1, met uitzondering van ongereinigde lege verpakkingen van cijfer 91, moeten zijn ingedeeld in een subklasse volgens lid (6) en een compatibiliteitsgroep volgens lid (7).

De subklasse moet op grond van de in Aanhangsel I aangegeven beproevingen en onder gebruikmaking van de definities in lid (6) zijn vastgesteld.

De compatibiliteitsgroep moet zijn vastgesteld volgens de definities in lid (7).

De classificatiecode bestaat uit het nummer van de subklasse en de letter van de compatibiliteitsgroep.

(5) Stoffen en voorwerpen van klasse 1 zijn ingedeeld in verpakkingsgroep II (zie Aanhangsel V).

(6) Definitie van de subklassen

1.1. Stoffen en voorwerpen met gevaar voor massa-explosie (een massa-explosie is een explosie die praktisch op hetzelfde ogenblik plaatsvindt in nagenoeg de gehele lading).

1.2. Stoffen en voorwerpen met gevaar voor scherfwerking, maar niet met gevaar voor massa-explosie.

1.3. Stoffen en voorwerpen met gevaar voor brand en met een gering gevaar voor luchtdruk- of scherfwerking of met gevaar voor beide, maar niet met gevaar voor massa-explosie,

a) waarvan de verbranding aanleiding geeft tot een aanzienlijke warmtestraling, of

b) die één voor één uitbranden, waarbij een geringe luchtdruk- of scherfwerking of beide optreden.

1.4. Stoffen en voorwerpen die slechts een gering explosiegevaar opleveren indien ze tijdens het vervoer tot ontsteking of inleiding komen. De gevolgen blijven in hoofdzaak beperkt tot het collo en leiden niet tot scherfwerking van enige omvang of reikwijdte. Een van buitenaf inwerkende brand mag niet leiden tot een explosie op praktisch hetzelfde ogenblik van vrijwel de gehele inhoud van het collo.

1.5. Zeer weinig gevoelige stoffen met gevaar voor massa-explosie, die zo weinig gevoelig zijn dat er onder normale vervoersomstandigheden een zeer geringe kans bestaat op inleiding of op de overgang van verbranding naar detonatie. Als minimum voorwaarde geldt dat ze niet mogen exploderen bij de (uitwendige) brandproef.

1.6. Extreem weinig gevoelige voorwerpen, zonder gevaar voor massa-explosie. Deze voorwerpen bevatten alleen extreem weinig gevoelige springstoffen en vertonen een verwaarloosbare kans op een onbedoelde inleiding of voortplanting.

Opmerking: Het gevaar dat uitgaat van de voorwerpen van subklasse 1.6 is beperkt tot de explosie van één enkel voorwerp.

(7) Definitie van de compatibiliteitsgroepen van de stoffen en voorwerpen

A Inleispringstof

B Voorwerp dat een inleispringstof bevat en niet voorzien is van ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen. Enkele voorwerpen, zoals slagpijpjes, samengestelde slagpijpjes en slaghoedjes zijn hieronder begrepen, zelfs indien zij geen inleispringstof bevatten.

C Voortdrijvende lading of andere deflagrerende ontplofbare stof, of voorwerp dat een dergelijke lading of stof bevat.

D Springstof of zwart buskruit of voorwerp dat springstof bevat, zonder inleimiddel en zonder voortdrijvende lading, of voorwerp dat een inleispringstof bevat en voorzien is van ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen.

E Voorwerp dat springstof bevat, zonder inleimiddel en met voortdrijvende lading (niet bestaande uit een brandbare vloeistof of brandbare gel of hypergolische vloeistoffen).

F Voorwerp dat springstof bevat, met het eigen inleimiddel, met voortdrijvende lading (niet bestaande uit een brandbare vloeistof of brandbare gel of hypergolische vloeistoffen) of zonder voortdrijvende lading.

G Pyrotechnische stof of voorwerp dat een pyrotechnische stof bevat, of voorwerp dat zowel een ontplofbare stof als een lichtverspreidende, brandstichtende, traanverwekkende of rook producerende stof bevat (met uitzondering van een door water te activeren voorwerp of een voorwerp dat witte fosfor, fosfiden, een pyrofore stof, een brandbare vloeistof of brandbare gel of hypergolische vloeistoffen bevat).

H Voorwerp dat zowel een ontplofbare stof als witte fosfor bevat.

J Voorwerp dat zowel een ontplofbare stof als een brandbare vloeistof of brandbare gel bevat.

K Voorwerp dat zowel een ontplofbare stof als een chemische stof met giftige werking bevat.

L Ontplofbare stof of voorwerp dat een ontplofbare stof bevat, welk(e) een bijzonder gevaar oplevert (b.v. vanwege de activering door water of vanwege de aanwezigheid van hypergolische vloeistoffen, fosfiden of een pyrofore stof), als gevolg waarvan elke soort gescheiden moet blijven.

N Voorwerp dat alleen extreem weinig gevoelige springstoffen bevat.

S Stof of voorwerp, zodanig verpakt of ontworpen dat alle gevaarlijke effecten ten gevolge van het onopzettelijk in werking treden beperkt blijven tot het inwendige van het collo, tenzij het collo is aangetast door brand. In dit laatste geval moeten alle effecten van luchtdruk of scherfwerking voldoende beperkt blijven, zodat ze de brandbestrijdings- of andere noodmaatregelen in de onmiddellijke omgeving van het collo niet aanmerkelijk hinderen of beletten.

Opmerkingen: 1. Elke stof of elk voorwerp in een specifieke verpakking kan slechts in één compatibiliteitsgroep worden ingedeeld. Aangezien het criterium voor de compatibiliteitsgroep S van empirische aard is, is de indeling in deze groep noodzakelijkerwijs gebonden aan de beproevingen voor de indeling in een classificatiecode.

2. Voorwerpen van de compatibiliteitsgroep D of E mogen zijn voorzien van of gezamenlijk worden verpakt met hun eigen inleimiddelen, onder voorwaarde dat deze middelen zijn voorzien van ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen die verhinderen dat de ontplofbare stof in het voorwerp ontstoken wordt in het geval dat het ontstekingsmechanisme van het inleimiddel onopzettelijk in werking treedt. Zodanige colli moeten in de compatibiliteitsgroep D of E worden ingedeeld.

3. Voorwerpen van de compatibiliteitsgroep D of E mogen gezamenlijk worden verpakt met hun eigen inleimiddelen die niet zijn voorzien van twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen (d.w.z. inleimiddelen die zijn ingedeeld in de compatibiliteitsgroep B), mits wordt voldaan aan de voorschriften van rn. 104 (6). Zodanige colli moeten in de compatibiliteitsgroep D of E worden ingedeeld.

4. Voorwerpen mogen zijn voorzien van of gezamenlijk worden verpakt met hun eigen (niet-detonerende) ontstekingsmiddelen, onder voorwaarde dat die ontstekingsmiddelen onder normale vervoersomstandigheden niet in werking kunnen treden.

5. Voorwerpen van de compatibiliteitsgroepen C, D en E mogen gezamenlijk worden verpakt. Zodanige colli moeten in de compatibiliteitsgroep E worden ingedeeld.

(8) Stoffen van de compatibiliteitsgroep A en voorwerpen van de compatibiliteitsgroep K, als bedoeld in lid (7), zijn niet ten vervoer toegelaten.

(9) In de zin van de voorschriften van deze klasse en in afwijking van rn. 1510 (3) omvat het begrip 'collo' ook een onverpakt voorwerp voor zover dat voorwerp onverpakt ten vervoer is toegelaten.

101 De stoffen en voorwerpen van klasse 1 die ten vervoer zijn toegelaten, zijn opgesomd in de hierna volgende Tabel 1:

Ontplofbare stoffen en voorwerpen die in rn. 1170 genoemd zijn, mogen alleen onder één van de in rn. 101 vermelde benamingen worden ingedeeld indien hun eigenschappen, samenstelling, constructie en gebruiksdoel overeenkomen met één van de in Aanhangsel I vermelde omschrijvingen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Vervoersvoorwaarden

A. Colli 1

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

102 (1) Alle ontplofbare stoffen en voorwerpen moeten in de verzendklare toestand overeenkomstig de in rn. 100 beschreven methoden worden ingedeeld.

(2) Alle verpakkingen voor de goederen van klasse 1 moeten zodanig zijn ontworpen en vervaardigd, dat:

a) de ontplofbare stoffen en voorwerpen worden beschermd en niet kunnen vrijkomen, en dat zij onder normale vervoersomstandigheden, met inbegrip van te verwachten veranderingen van temperatuur, vochtigheid of druk, geen verhoging van het risico van onbedoelde ontsteking of inleiding veroorzaken;

b) het volledige collo onder normale vervoersomstandigheden volkomen veilig kan worden behandeld;

c) de colli alle belastingen, waaraan zij tijdens het vervoer zouden kunnen worden onderworpen als gevolg van te verwachten stapeling, doorstaan, zonder dat de risico's samenhangend met de ontplofbare stoffen en voorwerpen worden vergroot, zonder dat het vermogen van de verpakking om de goederen te bevatten wordt verlaagd of zonder dat de colli zodanig worden vervormd dat hun stevigheid wordt verminderd of dat een stapel colli instabiel wordt.

(3) De colli moeten voldoen aan de voorschriften van de Aanhangsels V en VI, in het bijzonder aan de beproevingsvoorschriften van hoofdstuk IV van deze Aanhangsels, onder voorbehoud van de voorschriften van rn. 1500 (12) en 1512 (5).

(4) Overeenkomstig het bepaalde in de rn. 100 (5) alsmede 1511 (2) en 1611 (2) moeten voor stoffen en voorwerpen van klasse 1 verpakkingen of IBC's van de verpakkingsgroep II, gekenmerkt met de letter "Y", worden gebruikt.

(5) De sluitingsinrichting van de verpakkingen die vloeibare ontplofbare stoffen bevatten, moet een dubbele beveiliging tegen lekkage bieden.

(6) De sluitingsinrichting van de metalen vaten moet voorzien zijn van een geschikte pakking; indien de sluitingsinrichting voorzien is van schroefdraad, moet het binnendringen van ontplofbare stoffen in deze schroefdraad worden verhinderd.

(7) Ontplofbare stoffen die in water oplosbaar zijn, moeten verpakt zijn in waterbestendige verpakkingen. De verpakkingen voor gedesensibiliseerde of geflegmatiseerde stoffen moeten zodanig zijn gesloten, dat veranderingen van de concentratie tijdens het vervoer worden voorkomen.

(8) Spijkers, krammen en andere sluitingsinrichtingen van metaal, dat niet is voorzien van een beschermende laag, mogen niet doordringen tot de binnenkant van de buitenverpakking, tenzij de binnenverpakking de ontplofbare stoffen en voorwerpen op doelmatige wijze tegen contact met het metaal beschermt.

(9) De binnenverpakkingen, afstandhouders en opvulmiddelen alsmede de plaatsing van ontplofbare stoffen of voorwerpen in de colli moeten zodanig zijn dat de ontplofbare stof zich onder normale vervoersomstandigheden niet in de buitenverpakking kan verspreiden. De metalen delen van de voorwerpen mogen niet in contact komen met metalen verpakkingen. Voorwerpen, die ontplofbare stoffen bevatten, die niet in een uitwendige omhulling zijn ingesloten, moeten zodanig van elkaar zijn gescheiden, dat wrijving en schokken worden voorkomen. Voor dat doel mogen opvulmiddelen, trays, scheidingsschotten in de binnen- of buitenverpakking, geperste voorgevormde delen of houders worden gebruikt.

(10) De verpakkingen moeten zijn vervaardigd van materialen, die verenigbaar zijn met en ondoorlatend zijn voor de in de colli aanwezige ontplofbare stoffen, zodat noch de wisselwerking tussen de ontplofbare stoffen en de materialen van de verpakking, noch het vrijkomen buiten de verpakking van de ontplofbare stoffen en voorwerpen leidt tot een vermindering van de veiligheid van het vervoer of een wijziging van de subklasse of de compatibiliteitsgroep.

(11) Het binnendringen van ontplofbare stoffen in de tussenruimten van de verbindingen van gefelste metalen verpakkingen moet worden verhinderd.

(12) Bij kunststof verpakkingen mag geen gevaar bestaan van opwekking of opeenhoping van zulke hoeveelheden elektrostatische lading, dat een ontlading zou kunnen leiden tot ontbranding, ontsteking of tot inleiding van de verpakte ontplofbare stoffen of voorwerpen.

(13) Grote en robuuste ontplofbare voorwerpen, die gewoonlijk voor militair gebruik zijn bedoeld, en die geen inleimiddelen bevatten of waarvan de inleimiddelen zijn voorzien van ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen, mogen zonder verpakking worden vervoerd. Indien deze voorwerpen voortdrijvende ladingen bevatten of indien het zichzelf voortdrijvende voorwerpen betreft, moeten de ontstekingssystemen zijn beschermd tegen de belastingen die onder normale vervoersomstandigheden kunnen optreden. Een negatief resultaat in de testserie 4, uitgevoerd met een niet verpakt voorwerp, maakt het mogelijk het vervoer van het voorwerp zonder verpakking te overwegen. Dergelijke onverpakte voorwerpen mogen op sleden zijn bevestigd of in kratten of andere geëigende inrichtingen voor de hantering worden geplaatst.

(14) Ontplofbare stoffen mogen niet zijn verpakt in binnen- of buitenverpakkingen, waarin het verschil tussen de inwendige en uitwendige druk als gevolg van thermische of andere effecten kan leiden tot een explosie of een breuk van het collo.

(15) Indien de vrije ontplofbare stof of de ontplofbare stof van een onverpakt of gedeeltelijk verpakt voorwerp in contact kan komen met het binnenoppervlak van metalen verpakkingen (1A2, 1B2, 4A, 4B en metalen houders), moet de metalen verpakking voorzien zijn van een binnenzak of een binnenbekleding [zie rn. 1500 (2)].

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

103 (1) De stoffen en voorwerpen moeten zijn verpakt als aangegeven in rn. 101, Tabel 1, kolommen 4 en 5, en als gespecificeerd in lid (3), Tabel 2 en in lid (4), Tabel 3.

(2) Ongeacht de in rn. 101, Tabel 1, kolommen 4 en 5, en in lid (3), Tabel 2 beschreven verpakkingsmethoden voor ontplofbare stoffen en voorwerpen, mag de methode EP 01 worden gekozen voor alle ontplofbare stoffen en voorwerpen, onder voorwaarde dat het aldus verpakte product door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst of, indien het land van herkomst geen Lid-Staat is, door de bevoegde autoriteit van de eerste Lid-Staat van de COTIF die bij de zending betrokken is, beproefd is en als niet gevaarlijker is bevonden dan bij gebruik van een verpakkingsmethode genoemd in kolom 4 van Tabel 1.

(3) TABEL 2

Verpakkingsmethoden

Opmerkingen: 1. In Tabel 2 worden de volgende principes toegepast:

Verpakkingsmethode EP 01: bedoeld voor methoden, waarbij de goedkeuring van de bevoegde autoriteit vereist is;

Verpakkingsmethoden EP 11 t/m EP 29: bedoeld voor ontplofbare stoffen;

Verpakkingsmethoden EP 30 en volgende: bedoeld voor ontplofbare voorwerpen.

2. Indien in de Tabel is aangegeven "kisten van natuurlijk hout, gewone (4C1)", mogen in plaats daarvan "kisten van natuurlijk hout, met stofdichte wanden (4C2)" worden gebruikt.

3. Dichte verpakkingen moeten overeenkomen met een constructietype, dat aan de dichtheidsproef voor verpakkingsgroep II is onderworpen.

4. De term "houders", die in de kolommen van deze Tabel voor binnen- en tussenverpakkingen wordt gebruikt, omvat kisten of dozen, flessen, blikken, vaten, potten en tubes, met inbegrip van elk soort van afsluitinrichting.

5. Spoelen zijn inrichtingen van kunststof, hout, karton, metaal of van een ander geschikt materiaal, die bestaan uit een centrale spindel en eventuele zijwanden aan elk uiteinde van de spindel. De voorwerpen en de stoffen moeten kunnen worden opgerold op de spindel en vastgehouden door de zijwanden.

6. Trays zijn schalen van metaal, kunststof, karton of ander geschikt materiaal, die geplaatst zijn in de binnen-, tussen- of buitenverpakkingen en die een compacte stuwage in deze verpakkingen mogelijk maken. Het oppervlak van de trays mag zodanig zijn gevormd, dat de verpakkingen of de voorwerpen daarin ingezet, veilig vastgehouden en onderling gescheiden kunnen worden.

7. Bepaalde identificatienummers geven stoffen aan, die in droge of bevochtigde toestand kunnen worden vervoerd. In voorkomende gevallen geeft de titel van de verpakkingsmethode aan of deze methode geschikt is voor de stof in droge, poedervormige of bevochtigde toestand.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(4)

TABEL 3

Bijzondere verpakkingsvoorschriften

Opmerkingen: 1. Wat betreft de bijzondere verpakkingsvoorschriften, van toepassing op de afzonderlijke stoffen en voorwerpen, zie rn. 101, Tabel 1, kolom 5.

2. De nummers, toegekend aan de bijzondere voorschriften, zijn dezelfde als die van de overeenkomstige speciale bepalingen uit hoofdstuk 3 van de Aanbevelingen voor het vervoer van gevaarlijke goederen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Gezamenlijke verpakking

104 (1) Stoffen en voorwerpen die onder hetzelfde identificatienummer 6 () vallen, mogen - met uitzondering van de stoffen en voorwerpen van compatibiliteitsgroep L en de stoffen en voorwerpen die onder een n.e.g.-positie of de positie "0190 ontplofbare stof, monster" van cijfer 51 zijn ingedeeld - gezamenlijk worden verpakt. In dat geval moet de veiligste buitenverpakking worden gebruikt.

(2) Voor zover de onderstaande bijzondere voorwaarden niet anders bepalen, mogen stoffen en voorwerpen van verschillende identificatienummers niet gezamenlijk worden verpakt.

(3) Stoffen en voorwerpen van klasse 1 mogen niet gezamenlijk worden verpakt met stoffen van andere klassen of met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

(4) Voorwerpen van de compatibiliteitsgroepen C, D en E mogen gezamenlijk worden verpakt.

(5) Voorwerpen van de compatibiliteitsgroep D of E mogen gezamenlijk worden verpakt met hun eigen inleimiddelen, onder voorwaarde dat deze middelen zijn voorzien van ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen die verhinderen dat de ontplofbare stof in het voorwerp ontstoken wordt in het geval dat het ontstekingsmechanisme van het inleimiddel onopzettelijk in werking treedt.

(6) Voorwerpen van de compatibiliteitsgroep D of E mogen gezamenlijk worden verpakt met hun eigen inleimiddelen die niet zijn voorzien van twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen (d.w.z. inleimiddelen die zijn ingedeeld in de compatibiliteitsgroep B), mits naar de mening van de bevoegde autoriteit van het land van herkomst 7 () een onopzettelijke inwerkingtreding van het ontstekingsmechanisme van het inleimiddel onder normale vervoersomstandigheden niet de ontploffing van het voorwerp tot gevolg zal hebben.

(7) Stoffen en voorwerpen van compatibiliteitsgroep L mogen niet gezamenlijk worden verpakt met een ander type van stoffen of voorwerpen van deze compatibiliteitsgroep.

(8) Voorwerpen mogen gezamenlijk worden verpakt met hun eigen (niet-detonerende) ontstekingsmiddelen, onder voorwaarde dat die ontstekingsmiddelen onder normale vervoersomstandigheden niet in werking kunnen treden.

(9) Goederen met de in Tabel 4 genoemde identificatienummers mogen onder de aangegeven voorwaarden gezamenlijk in één collo worden verpakt.

(10) Bij gezamenlijke verpakking moet rekening worden gehouden met een mogelijke verandering van de classificatiecode van de colli overeenkomstig het bepaalde in rn. 100.

(11) Voor de aanduiding van het goed in de vrachtbrief bij gezamenlijke verpakking van stoffen en voorwerpen van klasse 1, zie rn. 115 (4).

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie Aanhangsel IX)

Opschriften

105 (1) Colli moeten zijn voorzien van het identificatienummer en van één van de cursief gedrukte benamingen van de stof of het voorwerp in rn. 101, Tabel 1, kolom 2. Voor stoffen en voorwerpen die in een n.e.g.-positie of de positie "0190 ontplofbare stof, monster" van cijfer 51 zijn ingedeeld, alsmede voor de andere voorwerpen van de cijfers 25 en 34, moet na de benaming van de n.e.g.-positie of de positie "0190 ontplofbare stof, monster" van cijfer 51 de technische benaming van het goed worden aangegeven. Voor stoffen van cijfer 4, identificatienummers 0081, 0082, 0083, 0084 en 0241, en van cijfer 48, identificatienummers 0331 en 0332, moet aanvullend op het type springstof ook de handelsbenaming van de springstof worden vermeld. Voor andere stoffen en voorwerpen mag de handels- of technische benaming worden toegevoegd. Het opschrift moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn gesteld in een officiële taal van het land van afzending en, indien deze taal geen Frans, Duits, Italiaans of Engels is, bovendien in het Frans, Duits, Italiaans of Engels, voor zover de internationale tarieven of overeenkomsten tussen spoorwegmaatschappijen niet anders voorschrijven.

In geval van militaire zendingen in de zin van rn. 143, die als wagenlading vervoerd worden, mogen de colli in plaats van de aanduidingen volgens rn. 101, Tabel 1, kolom 2, voorzien zijn van de door de bevoegde militaire autoriteit voorgeschreven benamingen.

Gevaarsetiketten

(2) Colli die stoffen en voorwerpen van de cijfers 1 tot en met 34 bevatten, moeten zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 1. Op de onderste helft van het etiket moet de classificatiecode volgens rn. 101, Tabel 1, kolom 3, zijn aangegeven.

Colli die stoffen en voorwerpen van de cijfers 35 tot en met 47 bevatten, moeten zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 1.4, colli die stoffen van cijfer 48 bevatten, van een etiket volgens model nr. 1.5, en colli die voorwerpen van cijfer 50 bevatten, van een etiket volgens model nr. 1.6. Op de onderste helft van het etiket moet de compatibiliteitsgroep volgens rn. 101, Tabel 1, kolom 3, zijn aangegeven.

(3) Colli die stoffen en voorwerpen bevatten van

cijfer 4, identificatienummers 0076 en 0143 (mengsels met minder dan 90 massa- % flegmatiseermiddel),

cijfer 21, identificatienummer 0018,

cijfer 26, identificatienummer 0077,

cijfer 30, identificatienummer 0019, en

cijfer 43, identificatienummer 0301,

moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 6.1.

Colli met voorwerpen, die één of meer stoffen bevatten die volgens de criteria van klasse 8 bijtend zijn, van

cijfer 21, identificatienummers 0015 () en 0018,

cijfer 30, identificatienummers 0016 () en 0019, en

cijfer 43, identificatienummers 0301 en 0303 (),

moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 8.

(4) Bij het vervoer van militaire zendingen in de zin van rn. 143 als wagenlading behoeven de colli niet te zijn voorzien van de in rn. 105 (2) en (3) voorgeschreven gevaarsetiketten, onder voorwaarde dat de in rn. 130 (1) en (2) voorgeschreven samenladingsverboden in acht worden genomen op grond van de in de vrachtbrief vermelde gegevens volgens rn. 115 (1).

106-

109

B. Wijze van verzending, beperkende bepalingen betreffende de verzending

110 (1) De stoffen en voorwerpen van compatibiliteitsgroep L mogen slechts worden vervoerd als wagenlading.

(2) Stoffen en voorwerpen van cijfer 43, identificatienummers 0066, 0336 en 0431, alsmede van cijfer 47 mogen ook als expresgoed worden verzonden. Een collo mag niet meer dan 40 kg wegen [zie ook rn. 121 (2)].

111-

114

C. Aanduidingen in de vrachtbrief

115 (1) De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet overeenkomen met één der cursief gedrukte identificatienummers en benamingen in rn. 101, Tabel 1, kolom 2. Voor stoffen en voorwerpen die in een n.e.g.-positie of de positie "0190 ontplofbare stof, monster" van cijfer 51 zijn ingedeeld, alsmede voor de andere voorwerpen van de cijfers 25 en 34, moet na de benaming van de n.e.g.-positie of de positie "0190 ontplofbare stof, monster" de technische benaming van het goed worden aangegeven. De aanduiding van het goed moet worden gevolgd door de vermelding van de classificatiecode en van het cijfer (rn. 101, Tabel 1, kolommen 3 en 1), en aangevuld met de netto massa ontplofbare stof in kg en de afkorting "RID" (b.v. "0160 rookzwak buskruit, 1.1 C, 2, 4 600 kg, RID"). In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

(2) Voor stoffen van cijfer 4, identificatienummers 0081, 0082, 0083, 0084 en 0241, en van cijfer 48, identificatienummers 0331 en 0332, moet aanvullend op het type springstof ook de handelsbenaming van de springstof worden vermeld. Voor andere stoffen en voorwerpen mag de handels- of technische benaming worden toegevoegd.

(3) Bij verzending als wagenlading moet in de vrachtbrief het aantal colli, de massa in kg van elk collo alsmede de totale netto massa ontplofbare stof in kg worden vermeld.

(4) Indien twee verschillende goederen gezamenlijk zijn verpakt, moeten als aanduiding van het goed in de vrachtbrief de in rn. 101, Tabel 1, kolom 2 cursief gedrukte identificatienummers en benamingen van beide stoffen of voorwerpen worden vermeld. Indien meer dan twee goederen conform rn. 104 gezamenlijk in één collo zijn verpakt, moeten in de vrachtbrief onder de aanduiding van het goed de identificatienummers van alle in het collo aanwezige stoffen en voorwerpen als volgt worden aangegeven: "Goederen van de identificatienummers ..".

(5) Bij het vervoer van stoffen en voorwerpen, die in een n.e.g.-positie of de positie "0190 ontplofbare stof, monster" van cijfer 51 zijn ingedeeld of die volgens de methode EP 01 verpakt zijn, moet bij de vrachtbrief een kopie worden gevoegd van de toestemming van de bevoegde autoriteit met de vervoersvoorwaarden volgens rn. 100 (3). Deze moet zijn gesteld in een officiële taal van het land van afzending en, indien deze taal geen Frans, Duits, Italiaans of Engels is, bovendien in het Frans, Duits, Italiaans of Engels, voor zover de internationale tarieven of overeenkomsten tussen de spoorwegmaatschappijen niet anders voorschrijven.

(6) Indien colli met stoffen en voorwerpen van de compatibiliteitsgroepen B en D volgens de voorschriften van rn. 130 (1) in één wagen worden samengeladen, moet het certificaat van toelating van de beschermende container of van het beschermende compartiment overeenkomstig rn. 130 (1), noot 1 bij de vrachtbrief worden gevoegd.

(7) Indien ontplofbare stoffen of voorwerpen in verpakkingen volgens methode EP 01 worden vervoerd, moet in de vrachtbrief de verklaring "Verpakking toegelaten door de bevoegde autoriteit van " zijn aangebracht (zie rn. 103, methode EP 01).

(8) In geval van militaire zendingen in de zin van rn. 143 mogen in plaats van de aanduidingen volgens rn. 101 tabel 1, kolom 2 de door de bevoegde militaire autoriteit voorgeschreven aanduidingen worden gebruikt.

Bij het vervoer van militaire zendingen, waarvoor de afwijkende voorwaarden volgens rn. 105 (1) en (4), 120 (1) en 125 (7) gelden, moet in de vrachtbrief de aanduiding "militaire zending" worden vermeld.

116-

119

D. Vervoermiddelen en technische hulpmiddelen

1. Voorschriften betreffende de wagens en het laden

a. Voor colli

120 (1) Stoffen en voorwerpen van klasse 1 moeten in gesloten wagens worden geladen. Er mogen zich in de wagens geen uitstekende metalen delen bevinden, die niet behoren tot de opbouw van de wagen. De afzender moet vóór het laden de vloer van de wagens zorgvuldig reinigen. Deuren en luiken (ventilatiekleppen) van de wagens moeten zijn gesloten. Voor het vervoer van stoffen en voorwerpen van de subklassen 1.1, 1.2, 1.3, 1.5 en 1.6, ook indien ze in grote containers zijn geladen, mogen slechts wagens worden gebruikt die zijn voorzien van vonkenschermplaten volgens voorschrift. Bij wagens met een brandbare vloer mogen de vonkenschermplaten niet rechtstreeks aan de vloer van de wagen bevestigd zijn.

Voorwerpen die in verband met hun afmetingen of massa niet in gesloten wagens kunnen worden geladen, mogen ook op open wagens worden vervoerd. Ze moeten met zeilen zijn afgedekt. Voor het vervoer van stoffen van de cijfers 2, 4, 8, 26 en 29 alsmede van vuurwerk van de cijfers 9, 21 en 30 mag de bodem van de wagen geen metalen oppervlak of bedekking hebben.

Militaire zendingen in de zin van rn. 143 met stoffen en voorwerpen van klasse 1, die tot de uitrusting of inrichting van militair materieel behoren, mogen onder de volgende voorwaarden ook op open wagens worden verladen:

de zendingen moeten door of vanwege de bevoegde militaire autoriteit worden begeleid;

de inleimiddelen, die niet zijn voorzien van ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen, moeten zijn verwijderd, tenzij de stoffen en voorwerpen zijn geplaatst in afgesloten militaire voertuigen.

(2) Wat betreft de scheiding tussen colli met etiketten volgens model nr. 6.1 en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

121 (1) Colli met stoffen en voorwerpen van klasse 1 moeten zodanig in de wagens worden geladen en gestuwd, dat ze zich niet kunnen verplaatsen of bewegen. Ze moeten tegen elke wrijving of schok zijn beschermd.

(2) Bij verzending van colli als expresgoed in railvoertuigen die tegelijkertijd voor personenvervoer kunnen dienen, mag per railvoertuig niet meer dan 100 kg worden geladen.

b. Voor kleine containers

122 (1) Colli die stoffen en voorwerpen van klasse 1 bevatten, mogen in kleine containers vervoerd worden.

(2) De beladingsvoorschriften van rn. 121 (1) zijn eveneens van toepassing op kleine containers.

(3) De samenladingsverboden bedoeld in rn. 130 zijn ook van toepassing binnen de kleine containers alsmede binnen wagens waarin een of meer kleine containers worden vervoerd.

(4) Voor het vervoer van stoffen van de cijfers 2, 4, 8, 26 en 29 alsmede van vuurwerk van de cijfers 9, 21 en 30 mag de bodem van de kleine container geen metalen oppervlak of bedekking hebben.

123-

124

2. Opschriften en gevaarsetiketten op de wagens en op de kleine containers (zie Aanhangsel IX)

125 (1) Op wagens waarin colli, voorzien van etiketten volgens model nr. 1. 1.4, 1.5 of 1.6 zijn geladen, moeten aan beide zijden dezelfde etiketten aangebracht zijn. Indien zich in de wagen stoffen en voorwerpen van verschillende compatibiliteitsgroepen bevinden, mogen de compatibiliteitsgroepen niet op de etiketten zijn aangegeven.

(2) Indien colli van verschillende subklassen in een wagen zijn geladen, moet de wagen slechts zijn voorzien van etiketten volgens het model van de gevaarlijkste subklasse en wel in de volgorde 1.1 (meest gevaarlijk), 1.5, 1.2, 1.3, 1.6, 1.4 (minst gevaarlijk). Indien stoffen van cijfer 48 met stoffen of voorwerpen van subklasse 1.2 in één wagen zijn geladen, moet de wagen zijn voorzien van etiketten overeenkomstig subklasse 1.1.

(3) Op wagens, waarin stoffen en voorwerpen van de hierna volgende cijfers en identificatienummers zijn geladen, moet bovendien aan beide zijden een etiket volgens model nr. 6.1 aangebracht zijn:

cijfer 4, identificatienummers 0076 en 0143;

cijfer 21, identificatienummer 0018;

cijfer 26, identificatienummer 0077;

cijfer 30, identificatienummer 0019;

cijfer 43, identificatienummer 0301.

(4) Op wagens, waarin voorwerpen van de hierna volgende cijfers en identificatienummers zijn geladen, moet bovendien aan beide zijden een etiket volgens model nr. 8 aangebracht zijn:

cijfer 21, identificatienummers 0015 9 () en 0018;

cijfer 30, identificatienummers 0016 () en 0019;

cijfer 43, identificatienummers 0301 en 0303 ().

(5) Bij wagenladingen met stoffen en voorwerpen van de cijfers 1 t/m 13, 19, 22 t/m 26, 28, 31 t/m 34 moet bovendien in of naast de plakbrievenkasten een etiket volgens model nr. 13 aangebracht zijn.

Bij wagenladingen met stoffen en voorwerpen van de hierna volgende cijfers en identificatienummers moet echter, in plaats van een etiket volgens model nr. 13, in of naast de plakbrievenkasten een etiket volgens model nr. 15 aangebracht zijn:

cijfer 2, identificatienummer 0160;

cijfer 4, identificatienummers 0072, 0075, 0083, 0133, 0143, 0146, 0150, 0208, 0219, 0226, 0340, 0341, 0391, 0394 en 0411.

(6) Kleine containers moeten volgens rn. 105 (2) en (3) van etiketten zijn voorzien.

(7) Op wagens met colli, die als militaire zending in de zin van rn. 143 worden vervoerd en die volgens rn. 105 (4) niet van gevaarsetiketten zijn voorzien, moeten aan beide zijden de volgende gevaarsetiketten zijn aangebracht:

Etiketten volgens model nr. 1 op wagens met stoffen en voorwerpen van de cijfers 1 tot en met 34;

Etiketten volgens model nr. 1.4 op wagens met stoffen en voorwerpen van de cijfers 35 tot en met 47;

Etiketten volgens model nr. 1.5 op wagens met stoffen van cijfer 48;

Etiketten volgens model nr. 1.6 op wagens met voorwerpen van cijfer 50;

126-

129

E. Verbod van samenlading

130 (1) Colli, voorzien van een etiket volgens model nr. 1, 1.4, 1.5 of 1.6, die evenwel tot verschillende compatibiliteitsgroepen behoren, mogen niet tezamen in één wagen worden geladen tenzij samenlading volgens de hierna volgende Tabel 5 voor de betreffende compatibiliteitsgroepen is toegestaan.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(2) Colli die zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 1, 1.4, 1.5 of 1.6, mogen niet in één wagen worden geladen met colli die zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2, 7A, 7B, 7C, 8 of 9.

Deze voorschriften zijn niet van toepassing op colli die voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 1.4, compatibiliteitsgroep S.

131 Voor zendingen die niet in één wagen samengeladen mogen worden, moeten afzonderlijke vrachtbrieven worden opgemaakt.

132-

134

F. Lege verpakkingen

135 (1) Ongereinigde lege verpakkingen van cijfer 91 moeten goed zijn gesloten en dezelfde waarborgen van dichtheid bieden als in gevulde toestand.

(2) Ongereinigde lege verpakkingen van cijfer 91 moeten zijn voorzien van dezelfde gevaarsetiketten als in gevulde toestand.

(3) Wat betreft de scheiding tussen ongereinigde lege verpakkingen van cijfer 91, die zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

(4) De aanduiding in de vrachtbrief moet luiden: "Lege verpakkingen, 1, 91, RID". In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje aangebracht worden.

136-

139

G. Verdere voorschriften

140 Wat betreft de scheiding tussen colli die zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

H. Bijzondere voorschriften

141 Elke wagen, voorzien van een etiket volgens model nr. 1, 1.5 of 1.6, alsmede wagens met grote containers die van dit etiket zijn voorzien, moeten van wagens met etiketten volgens model nr. 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1 of 5.2 zijn gescheiden door twee schutwagens met twee assen of één schutwagen met vier of meer dan vier assen.

Als schutwagens worden beschouwd lege of beladen wagens, die niet zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1 of 5.2.

Grote containers die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 1, 1.5 of 1.6, mogen niet op één wagen worden geladen met grote containers of tankcontainers, die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1 of 5.2.

142 (1) Stoffen en voorwerpen van klasse 1, die toebehoren aan de krijgsmacht van een Lid-Staat en die vóór 1 januari 1990, in overeenstemming met de destijds geldende voorschriften van het RID, verpakt zijn, mogen na 31 december 1989 worden vervoerd onder voorwaarde dat de verpakkingen in goede staat verkeren en dat in de vrachtbrief wordt vermeld, dat het militaire goederen betreft, die vóór 1 januari 1990 zijn verpakt. De overige, vanaf 1 januari 1990 geldende voorschriften voor deze klasse, moeten in acht worden genomen.

(2) Stoffen en voorwerpen van klasse 1, die tussen 1 januari 1990 en 31 december 1996 in overeenstemming met de gedurende die periode geldende voorschriften van het RID verpakt zijn, mogen na 31 december 1996 worden vervoerd onder voorwaarde dat de verpakkingen in goede staat verkeren en dat in de vrachtbrief wordt aangegeven, dat het goederen van klasse 1 betreft, die tussen 1 januari 1990 en 31 december 1996 verpakt zijn.

143 Voor militaire zendingen, dat wil zeggen zendingen met stoffen of voorwerpen van klasse 1, die toebehoren aan de krijgsmacht of waarvoor de krijgsmacht verantwoordelijk is, gelden afwijkende voorschriften [zie rn. 105 (1) en (4), 115 (8), 120 (1) en 125 (7)].

144-

199

KLASSE 2 GASSEN

1. Opsomming van de stoffen en voorwerpen

200 (1) Van de stoffen en voorwerpen, aangeduid in de titel van klasse 2, zijn die, welke genoemd zijn in rn. 201 of die, welke vallen onder een verzamelaanduiding van dat randnummer, onderworpen aan de in rn. 200 (2) t/m 250 gegeven voorschriften en derhalve stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn.

Opmerking: Wat betreft de hoeveelheden van de in rn. 201 opgesomde stoffen, alsmede wat betreft de voorwerpen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het hoofdstuk "Vervoers-voorwaarden", zie rn. 201a.

(2) Onder gassen worden stoffen verstaan, die

a) bij 50 °C een dampdruk hebben hoger dan 300 kPa (3 bar); of

b) bij 20 °C en de standaarddruk van 101,3 kPa volledig gasvormig zijn.

Opmerking: 1052 Fluorwaterstof is echter een stof van klasse 8 (zie rn. 801, cijfer 6).

(3) De titel van klasse 2 omvat zuivere gassen, gasmengsels, mengsels van één of meer gassen met één of meer andere stoffen, alsmede voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten.

Opmerkingen: 1. Een zuiver gas mag andere bestanddelen bevatten, die afkomstig zijn van het productieproces of die worden toegevoegd om de stabiliteit van het product te handhaven, onder voorwaarde dat de concentratie van deze bestanddelen niet de indeling of de vervoersvoorwaarden, zoals vullingsgraad, vuldruk of proefdruk wijzigt.

2. De n.e.g.-posities in rn. 201 omvatten zowel zuivere gassen als gasmengsels.

3. Voor de indeling van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) zie ook rn. 3 (3) alsmede de leden (6) en (7) van dit randnummer.

(4) De stoffen en voorwerpen van de klasse 2 zijn als volgt ingedeeld:

1. Samengeperste gassen: gassen met een kritische temperatuur lager dan 20 °C.

2. Vloeibaar gemaakte gassen: gassen met een kritische temperatuur gelijk aan of hoger dan 20 °C.

3. Sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen: gassen die als gevolg van hun lage temperatuur tijdens het vervoer gedeeltelijk vloeibaar zijn.

4. Onder druk opgeloste gassen: gassen die tijdens het vervoer in een oplosmiddel zijn opgelost.

5. Spuitbussen en houders, klein, met gas (gaspatronen).

6. Andere voorwerpen, die gas onder druk bevatten.

7. Drukloze gassen die aan bijzondere voorschriften onderworpen zijn (gasmonsters).

8. Lege houders.

(5) De stoffen en voorwerpen, die onder de verschillende cijfers van rn. 201 zijn ingedeeld, zijn op grond van hun gevaarseigenschappen in één van de volgende groepen ingedeeld ():

A verstikkend;

O oxiderend;

F brandbaar;

T giftig;

TF giftig, brandbaar;

TC giftig, bijtend;

TO giftig, oxiderend;

TFC giftig, brandbaar, bijtend;

TOC giftig, oxiderend, bijtend.

Opmerking: Bijtende gassen worden als giftig beschouwd en zijn derhalve ingedeeld in de groepen TC, TFC of TOC [zie lid (7)].

Indien gassen of gasmengsels volgens de criteria gevaarlijke eigenschappen bezitten, die verbonden zijn aan meer dan één groep, hebben groepen, aangeduid met letter T voorrang boven alle andere groepen. De groepen, aangeduid met letter F hebben voorrang boven de groepen, aangeduid met letters A of O.

(6) Indien een onder een cijfer en een groep met name genoemd mengsel van klasse 2 volgens de in de leden (4) en (7) aangegeven criteria onder een ander cijfer en/of een andere groep valt, dan moet dit mengsel volgens die criteria worden ingedeeld en wel onder een geëigende n.e.g.-positie.

(7) De stoffen en voorwerpen die niet met name zijn genoemd in rn. 201 moeten volgens de leden (4) en (5) van dit randnummer worden ingedeeld.

Overeenkomstig hun gevaarseigenschappen zijn de volgende criteria van toepassing:

Verstikkende gassen

Niet oxiderende, niet brandbare en niet giftige gassen, die de zuurstof, welke gewoonlijk in de atmosfeer aanwezig is, verdunnen of verdringen.

Brandbare gassen

Gassen die bij 20 °C en de standaarddruk van 101,3 kPa

a) in een mengsel van ten hoogste 13 vol.-% gas met lucht brandbaar zijn; of

b) onafhankelijk van de onderste explosiegrens een explosiegebied met lucht bezitten van ten minste 12 %.

De brandbaarheid moet worden vastgesteld door beproevingen of door berekeningen volgens de methoden welke door de ISO zijn aanvaard (zie ISO-norm 10156:1990).

Indien voor toepassing van deze methoden onvoldoende gegevens ter beschikking staan, mogen gelijkwaardige beproevingsmethoden, die door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst zijn erkend, worden toegepast.

Indien het land van herkomst geen Lid-Staat is, dan moeten deze methoden worden erkend door de bevoegde autoriteit van de eerste Lid-Staat van de COTIF, die bij de zending betrokken is.

Oxiderende gassen

Gassen die, in het algemeen door het afstaan van zuurstof, de verbranding van andere stoffen in hogere mate dan lucht kunnen veroorzaken of bevorderen. De oxiderende werking moet worden vastgesteld door beproevingen of door berekeningen volgens methoden welke door de ISO zijn aanvaard (zie ISO-norm 10156:1990).

Giftige gassen

Opmerking: Gassen, die gedeeltelijk of geheel vanwege hun bijtende eigenschappen aan de criteria voor de giftigheid voldoen, moeten als gifig worden ingedeeld. Voor het mogelijke bijkomende gevaar van bijtende werking, zie ook de criteria onder de titel "Bijtende gassen"

Gassen,

a) waarvan bekend is, dat zij zo giftig of bijtend voor de mens zijn, dat zij een gevaar voor de gezondheid betekenen; of

b) waarvan wordt aangenomen, dat zij giftig of bijtend voor de mens zijn, omdat bij de proeven volgens rn. 600 (3) hun LC50-waarde voor de acute giftigheid lager dan of gelijk aan 5 000 ml/m3 (ppm) is.

Voor de indeling van gasmengsels (met inbegrip van dampen van stoffen van andere klassen) mag de volgende formule worden gebruikt:

LC50 giftig (mengsel) = >NUM>1

>DEN>

>NUM>fi

>DEN>Ti

waarin fi = molaire fractie van de i-de component van het mengsel

Ti = giftigheidskengetal van de i-de component van het mengsel. De Ti-waarde is gelijk aan de LC50-waarde, aangegeven in de norm ISO 10298:1995. Is de LC50-waarde in de norm ISO 10298:1995 niet aangegeven, dan moet de in de wetenschappelijke literatuur aanwezige LC50-waarde worden gebruikt. Is de LC50-waarde niet bekend, dan wordt het giftigheidskengetal berekend uitgaande van de laagste LC50-waarde van stoffen met gelijksoortige fysiologische en chemische eigenschappen, of, als dit de enige practische mogelijkheid is, door het uitvoeren van proeven.

Bijtende gassen

Gassen of gasmengsels, die geheel vanwege hun bijtende werking aan de criteria voor de giftigheid voldoen, moeten als giftig met bijkomend gevaar bijtend worden ingedeeld.

Een gasmengsel, dat als giftig wordt beschouwd vanwege het gecombineerde effect van bijtende werking en giftigheid, heeft als bijkomend gevaar de bijtende werking indien op grond van menselijke ervaring bekend is, dat het mengsel een destructieve werking heeft op de huid, de ogen, of de slijmvliezen, of als de LC50-waarde van de bijtende componenten van het mengsel, berekend volgens de volgende formule lager dan of gelijk aan 5 000 ml/m3 (ppm) is:

LC50 bijtend (mengsel) = >NUM>1

>DEN>

>NUM>fci

>DEN>Tci

waarin fci = molaire fractie van de i-de bijtende component van het mengsel

Tci = giftigheidskengetal van de i-de bijtende component van het mengsel. De Tci-waarde is gelijk aan de LC50-waarde, aangegeven in de norm ISO 10298:1995. Is de LC50-waarde in de norm ISO 10298:1995 niet aangegeven, dan moet de in de wetenschappelijke literatuur aanwezige LC50-waarde worden gebruikt. Is de LC50-waarde niet bekend, dan wordt het giftigheidskengetal berekend uitgaande van de laagste LC50-waarde van stoffen met gelijksoortige fysiologische en chemische eigenschappen, of, als dit de enige practische mogelijkheid is, door het uitvoeren van proeven.

(8) De chemisch instabiele stoffen van klasse 2 mogen slechts ten vervoer worden aangeboden, indien de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen om elke mogelijkheid van een gevaarlijke reactie, bijvoorbeeld ontleding, dismutatie of polymerisatie, onder normale vervoersomstandigheden te verhinderen. Hiertoe moet er in het bijzonder voor worden zorg gedragen dat de houders geen stoffen bevatten die deze reacties kunnen bevorderen.

201 1. Samengeperste gassen: gassen met een kritische temperatuur lager dan 20 °C

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Vloeibaar gemaakte gassen: gassen met een kritische temperatuur gelijk aan of hoger dan 20 °C

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen: gassen die als gevolg van hun lage temperatuur tijdens het vervoer gedeeltelijk vloeibaar zijn

Opmerking: Sterk gekoelde gassen die niet onder één van de identificatienummers van dit cijfer kunnen worden ingedeeld, zijn niet ten vervoer toegelaten.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4. Onder druk opgeloste gassen: gassen die tijdens het vervoer in een oplosmiddel zijn opgelost

Opmerking: Onder druk opgeloste gassen die niet onder één van de identificatienummers van dit cijfer kunnen worden ingedeeld, zijn niet ten vervoer toegelaten.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

5. Spuitbussen en houders, klein, met gas (gaspatronen)

(zie ook rn. 201a)

Opmerkingen: 1. Spuitbussen (zogenaamde aërosolen) zijn niet hervulbare houders die een in rn. 207 (3) genoemd gas of gasmengsel onder druk bevatten, al dan niet met een vloeibare, pasteuze of poedervormige stof, en voorzien van een aftapinrichting die het mogelijk maakt, dat de inhoud wordt uitgestoten in de vorm van een suspensie van vaste of vloeibare deeltjes in een gas, in de vorm van schuim, pasta of poeder of in vloeibare of gasvormige toestand.

2. Houders, klein, met gas (gaspatronen) zijn niet hervulbare houders, die een in rn. 207 (3) en (4) genoemd gas of gasmengsel onder druk bevatten. Zij kunnen zijn voorzien van een afsluitventiel.

3. Spuitbussen en houders, klein, met gas moeten overeenkomstig het gevaar van de inhoud in de groepen A t/m TOC worden ingedeeld. De inhoud wordt als brandbaar beschouwd, indien deze meer dan 45 massa-% of meer dan 250 g brandbare bestanddelen bevat. Brandbare bestanddelen zijn gassen die bij normale druk in lucht brandbaar zijn, of stoffen of preparaten in vloeibare toestand, die een vlampunt bezitten van ten hoogste 100 °C.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

6. Andere voorwerpen, die gas onder druk bevatten

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7. Drukloze gassen die aan bijzondere voorschriften onderworpen zijn (gasmonsters)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

8. Lege houders

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

201a Aan de voorschriften van hoofdstuk 2 "Vervoersvoorwaarden" zijn met uitzondering van de in lid (3) genoemde bepalingen, niet onderworpen:

(1) gassen en voorwerpen, die onder de hierna volgende voorwaarden ten vervoer worden aangeboden:

Opmerking: Gassen in reservoirs van transportmiddelen, die dienen voor de voortbeweging daarvan of de werking van hun bijzondere uitrusting (b.v. koelinrichtingen), zijn niet onderworpen aan hoofdstuk 2 "Vervoersvoorwaarden".

a) gassen van de cijfers 1 A, 1 O, 2 A en 2 O, waarvan de druk in de houder of het reservoir bij 15 °C ten hoogste 200 kPa (2 bar) bedraagt, en die tijdens het vervoer volledig gasvormig blijven; dit geldt voor elke soort van houder of reservoir, b.v. ook voor diverse onderdelen van machines en apparaten;

b) 1013 kooldioxide van cijfer 2 A en 1070 distikstofoxide van cijfer 2 O in gasvormige toestand met ten hoogste 0,5 % lucht, in metalen capsules (sodors, sparklets), van rn. 205, met ten hoogste 25 g kooldioxide of distikstofoxide en ten hoogste 0,75 g kooldioxide of distikstofoxide per cm3 inhoud;

c) gassen in brandstofreservoirs van vervoerde voertuigen; de brandstofkraan tussen het brandstofreservoir en de motor moet gesloten zijn en het elektrisch contact moet onderbroken zijn;

d) gassen in de uitrusting die dient voor het functioneren van de voertuigen (b.v. brandblusapparaten of opgepompte luchtbanden, ook als reserveonderdeel en vervoerde lading);

e) gassen in de bijzondere uitrusting van wagens, welke nodig zijn voor het functioneren van deze bijzondere uitrusting tijdens het vervoer (koelapparaten, visreservoirs, verwarmingsapparaten, enz.) alsmede reservehouders voor dergelijke uitrusting en ongereinigde lege wisselhouders, die in dezelfde wagen worden vervoerd;

f) ongereinigde lege stationaire drukhouders, die vervoerd worden onder voorwaarde dat zij hermetisch gesloten zijn;

g) voorwerpen van de cijfers 5 A, 5 O en 5 F met een inhoud van ten hoogste 50 cm3;

h) 2857 koelmachines van cijfer 6 A, die minder dan 12 kg gas van cijfer 2 A of 2073 ammoniakoplossingen van cijfer 4 A bevatten, en soortgelijke apparaten die minder dan 12 kg gas van cijfer 2 F bevatten; deze machines moeten zodanig zijn beschermd en geplaatst, dat het koelsysteem niet beschadigd wordt;

i) gassen van cijfer 3 A, b.v. voor koeling van medische of biologische monsters, indien zij zich bevinden in dubbelwandige houders die aan de voorwaarden van rn. 206 (2)a) voldoen;

j) de volgende voorwerpen van cijfer 6 A, vervaardigd en gevuld volgens de voorschriften van het land van fabricage, verpakt in een stevige buitenverpakking:

1044 brandblusapparaten, indien zij voorzien zijn van een bescherming tegen onbedoeld functioneren;

3164 voorwerpen onder pneumatische of hydraulische druk, ontworpen om belastingen te kunnen doorstaan, samenhangend met de overdracht van krachten, intrinsieke sterkte of constructie, die groter zijn dan de belastingen door de inwendige druk van het gas.

k) gassen in voedingsmiddelen of dranken.

(2) gassen en voorwerpen, die onder de hiernavolgende voorwaarden worden vervoerd:

a) gassen van de cijfers 1 A, 2 A, 3 A en 4 A in houders met een inhoud van ten hoogste 120 ml, die aan de voorschriften van rn. 202 voldoen,

b) voorwerpen van de cijfers 5 T, 5 TF, 5 TC, 5 TO, 5 TFC en 5 TOC met een inhoud van ten hoogste 120 ml, die aan de voorschriften van rn. 202 voldoen,

c) voorwerpen van de cijfers 5 A, 5 O en 5 F met een inhoud van ten hoogste 1000 ml, die aan de voorschriften van rn. 202, 207 en 208 voldoen.

Deze moeten verpakt zijn:

i) in buitenverpakkingen die tenminste aan de voorschriften van rn. 1538 voldoen. De bruto massa van het collo mag niet meer bedragen dan 30 kg; of

ii) op trays met krimp- of rekfolie. De bruto massa van het collo mag niet meer bedragen dan 20 kg.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7) moeten in acht worden genomen.

(3) Bij vervoer overeenkomstig lid (2) moet de aanduiding van het goed in de vrachtbrief voldoen aan de voorschriften van rn. 226 en de woorden "gelimiteerde hoeveelheid" omvatten.

Elk collo moet op duidelijke en duurzame wijze voorzien zijn van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN"

2. Vervoersvoorwaarden (De voorschriften voor de lege houders zijn samengevat onder F.)

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

202 (1) De materialen, waaruit de houders en hun sluitingen zijn vervaardigd en alle andere materialen, die met de inhoud in contact kunnen komen, mogen door de inhoud niet worden aangetast, noch daarmede schadelijke of gevaarlijke verbindingen vormen.

(2) De houders met inbegrip van hun sluitingen moeten overal zo degelijk en sterk zijn, dat ze tijdens het vervoer niet kunnen gaan loszitten en in alle opzichten voldoen aan normale vervoerseisen. Indien buitenverpakkingen zijn voorgeschreven, moeten de houders daarin stevig zijn vastgezet. Voor zover in het hoofdstuk A.2 "Individuele verpakkingsvoorschriften" niet anders is bepaald, kunnen de binnenverpakkingen afzonderlijk of in grotere aantallen in de buitenverpakking worden geplaatst.

(3) De houders mogen slechts dat gas of die gassen bevatten, waarvoor zij zijn toegelaten.

(4) De houders moeten zo zijn gefabriceerd, dat zij de druk kunnen weerstaan die de stof kan ontwikkelen als gevolg van temperatuursveranderingen onder normale vervoersomstandigheden.

(5) De voorwerpen van de cijfers 5 en 6 alsmede de houders voor de gassen van de cijfers 1, 2, 4 en 7 moeten zodanig hermetisch gesloten zijn, dat het vrijkomen van gassen uitgesloten is.

Opmerkingen: 1. Bijzondere verpakkingsvoorschriften voor de afzonderlijke gassen zijn in rn. 250 weergegeven.

2. Voor het vervoer van stoffen van klasse 2 in reservoirwagens, batterijwagens en wagens met afneembare reservoirs, zie Aanhangsel XI, in tankcontainers zie Aanhangsel X.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

a. Aard van de houders

203 (1) De volgende materialen mogen worden gebruikt:

a) koolstofstaal voor gassen van de cijfers 1, 2, 3 en 4 alsmede voor voorwerpen van cijfer 5;

b) gelegeerd staal (bijzondere staalsoorten), nikkel en nikkellegeringen (b.v. monel) voor gassen van de cijfers 1, 2, 3 en 4 alsmede voor voorwerpen van cijfer 5;

c) koper voor

i) gassen van de cijfers 1 A, 1 O, 1 F en 1 TF, waarvan de vuldruk, herleid tot een temperatuur van 15 °C, niet hoger is dan 2 MPa (20 bar);

ii) gassen van cijfer 2 A en bovendien voor 1079 zwaveldioxide van cijfer 2 TC, 1033 dimethylether van cijfer 2 F, 1037 ethylchloride van cijfer 2 F, 1063 methylchloride van cijfer 2 F, 1086 vinylchloride van cijfer 2 F, 1085 vinylbromide van cijfer 2 F en 3300 mengsel van ethyleenoxide en kooldioxide met meer dan 87 % ethyleenoxide van cijfer 2 TF;

iii) gassen van de cijfers 3 A, 3 O en 3 F;

d) aluminiumlegeringen: zie de tabel in rn. 250;

e) composiet materiaal voor gassen van de cijfers 1, 2, 3 en 4, alsmede voor voorwerpen van cijfer 5;

f) kunststof voor gassen van cijfer 3, alsmede voor voorwerpen van cijfer 5;

g) glas voor gassen van cijfer 3 A, met uitzondering van 2187 kooldioxide of mengsels met kooldioxide, alsmede voor gassen van cijfer 3 O.

(2) Aan bepalingen van dit randnummer wordt geacht te zijn voldaan, indien de volgende normen worden toegepast: (gereserveerd)

204 (1) De houders voor 1001 acetyleen, opgelost, van cijfer 4 F moeten steeds geheel gevuld zijn met een gelijkmatig verdeelde poreuze massa van een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd type, die:

a) de houders niet aantast en evenmin met het acetyleen en het oplosmiddel schadelijke of gevaarlijke verbindingen vormt;

b) in staat is te verhinderen, dat een ontleding van het acetyleen zich in de massa voortzet.

(2) Het oplosmiddel mag de houders niet aantasten.

(3) Aan de bepalingen van dit randnummer wordt geacht te zijn voldaan, indien de volgende normen worden toegepast: (gereserveerd)

205 (1) Voor de volgende gassen mogen metalen capsules worden gebruikt, onder voorwaarde dat de massa van de vloeistof per liter inhoud de in rn. 250 aangegeven hoogst toelaatbare vulling niet overschrijdt en ten hoogste 150 g per capsule bedraagt:

a) gassen van cijfer 2 A;

b) gassen van cijfer 2 F, met uitzondering van methylsilaan of mengsels met methylsilaan, ingedeeld onder identificatienummer 3161;

c) gassen van cijfer 2 TF, met uitzondering van 2188 arseenwaterstof, 2202 waterstofselenide of mengsels die deze stoffen bevatten;

d) gassen van cijfer 2 TC, met uitzondering van 1589 cyaanchloride of mengsels met cyaanchloride;

e) gassen van cijfer 2 TFC, met uitzondering van 2189 dichloorsilaan alsmede dimethylsilaan, trimethylsilaan of mengsels die deze stoffen bevatten, ingedeeld onder identificatienummer 3309.

(2) De capsules mogen geen gebreken vertonen, die een nadelige invloed op hun sterkte kunnen hebben.

(3) De dichtheid van de sluiting moet door een aanvullende inrichting (deksel, kap, verzegeling, omwikkeling, enz.), welke geschikt is om lekkage van het sluitsysteem tijdens het vervoer te verhinderen, worden verzekerd.

(4) De capsules moeten in een buitenverpakking van voldoende stevigheid zijn geplaatst. Een collo mag niet meer wegen dan 75 kg.

206 (1) Voor gassen van cijfer 3 moeten gesloten houders van metaal, kunststof of composiet materiaal worden gebruikt, die zodanig geïsoleerd zijn, dat zij niet kunnen beslaan met dauw of rijp. De houders moeten van veiligheidskleppen zijn voorzien.

(2) Voor gassen van cijfer 3 A - met uitzondering van 2187 kooldioxide en mengsels met kooldioxide -, alsmede voor gassen van cijfer 3 O mogen ook houders worden gebruikt die niet hermetisch zijn gesloten maar met inrichtingen zijn uitgerust, die het uitspatten van vloeistof verhinderen, zoals:

a) glazen houders met dubbele luchtledige wand, omgeven door isolerende en absorberende stof; deze houders moeten door korven van metaaldraad beschermd zijn en in metalen kisten zijn geplaatst; of

b) houders van metaal, kunststof of composiet materiaal, die zodanig tegen warmteoverdracht zijn beschermd dat zij niet kunnen beslaan met dauw of rijp.

(3) De metalen kisten volgens lid (2)a) en de houders volgens lid (2)b) moeten van handvatten zijn voorzien. De openingen van de houders volgens lid (2) moeten zijn uitgerust met inrichtingen, waardoor gassen kunnen ontsnappen en die het uitspatten van vloeistof verhinderen, en die zodanig bevestigd zijn, dat zij er niet uit kunnen vallen. Voor 1073 zuurstof, sterk gekoeld, vloeibaar, van cijfer 3 O en voor mengsels met zuurstof moeten deze inrichtingen alsmede de isolerende en absorberende stof, die de houders volgens lid (2)a) omgeeft, van onbrandbare materialen zijn.

(4) Bij houders, bestemd voor het vervoer van gassen van cijfer 3 O, moet het materiaal dat gebruikt wordt voor de afdichting van verbindingen of voor het onderhoud van afsluitinrichtingen inert zijn ten opzichte van de inhoud.

207 (1) 1950 Spuitbussen en 2037 houders, klein, met gas (gaspatronen) van cijfer 5 moeten aan de volgende voorschriften voldoen:

a) 1950 spuitbussen, die slechts een gas of een gasmengsel bevatten en 2037 gaspatronen moeten van metaal zijn vervaardigd. Hiervan zijn uitgezonderd houders van cijfer 5 met een inhoud van ten hoogste 100 ml voor 1011 butaan van cijfer 2 F. De andere spuitbussen van identificatienummer 1950 moeten zijn vervaardigd van metaal, kunststof of glas. Metalen houders met een buitendiameter van ten minste 40 mm moeten een holle bodem hebben;

b) houders van materialen die versplinteren kunnen, zoals glas of bepaalde kunststoffen, moeten zijn voorzien van een beschermend omhulsel (metaalgaas met kleine mazen, elastische mantel van kunststof, enz.), dat het verspreiden van splinters verhindert. Dit is niet nodig bij houders met een inhoud van ten hoogste 150 ml en een inwendige druk van minder dan 150 kPa (1,5 bar) bij 20 °C;

c) de maximale inhoud bedraagt 1 000 ml voor houders van metaal en 500 ml voor houders van kunststof of glas;

d) ieder prototype van een houder moet, alvorens hij in gebruik wordt genomen, worden onderworpen aan een hydraulische drukproef overeenkomstig Aanhangsel II, rn. 1291. De daarbij toe te passen inwendige druk (beproevingsdruk) moet anderhalf maal de inwendige druk bij 50 °C, ten minste echter 1 MPa (10 bar) bedragen;

e) de afsluitventielen en de verstuivingsinrichtingen van 1950 spuitbussen alsmede de afsluitventielen van 2037 gaspatronen moeten een volledige afsluiting van de houders waarborgen en beschermd zijn tegen ieder ontijdig openen. Afsluitventielen en verstuivingsinrichtingen, die slechts als gevolg van de inwendige druk sluiten, zijn niet toegelaten.

(2) Aan de bepalingen van lid (1) wordt geacht te zijn voldaan, indien de volgende normen worden toegepast:

voor 1950 spuitbussen van cijfer 5:

Bijlage bij de Richtlijn van de Raad 75/324/EEG (), zoals gewijzigd bij de Richtlijn van de Commissie 94/1/EG ();

voor 2037 gaspatronen van cijfer 5 F, die vloeibaar gemaakte met koolwaterstof-gasmengsels van identificatienummer 1965 bevatten:

norm EN 417:1992.

(3) Als voortdrijvende stoffen of als componenten van deze stoffen of als gasvulling, zijn voor 1950 spuitbussen de volgende gassen toegelaten: gassen van cijfer 1 A en 1 F, uitgezonderd 2203 siliciumwaterstof; gassen van de cijfers 2 A en 2 F, uitgezonderd methylsilaan, ingedeeld onder identificatienummer 3161; en 1070 distikstofoxide van cijfer 2 O.

(4) Als gasvulling voor 2037 gaspatronen zijn de in lid (3) genoemde gassen en bovendien de volgende gassen toegelaten:

1062 methylbromide van cijfer 2 T;

1040 ethyleenoxide, 1064 methylmercaptaan, 3300 mengsel van ethyleenoxide en kooldioxide, met meer dan 87 % ethyleenoxide, van cijfer 2 TF.

208 (1) De inwendige druk van de voorwerpen van cijfer 5 mag bij 50 °C niet meer dan 2/3 van de beproevingsdruk, doch ten hoogste 1,32 MPa (13,2 bar) bedragen.

(2) De voorwerpen van cijfer 5 moeten zodanig zijn gevuld, dat bij 50 °C de vloeistoffase niet meer dan 95 % van de inhoud inneemt. Onder inhoud van 1950 spuitbussen wordt verstaan: het beschikbare volume in een gesloten bus, voorzien van de ventielschotel, het ventiel en de stijgbuis.

(3) De voorwerpen van cijfer 5 moeten voldoen aan een dichtheidsproef volgens Aanhangsel II, rn. 1292.

209 (1) De voorwerpen van cijfer 5 moeten in houten of metalen kisten of in kartonnen dozen zijn geplaatst. 1950 Spuitbussen van glas of van een kunststof, die kan versplinteren, moeten door lagen van karton of van een andere geschikte stof van elkander worden gescheiden.

(2) Een collo mag niet meer wegen dan 50 kg bij gebruik van kartonnen dozen en niet meer dan 75 kg indien andere verpakkingen worden gebruikt.

(3) Bij vervoer van wagenladingen mogen metalen voorwerpen van cijfer 5 ook op de volgende wijze worden verpakt: De voorwerpen moeten tot eenheden op trays worden bijeengebracht en in positie worden gehouden middels een omhulsel van een geschikte kunststof; deze eenheden moeten op geschikte wijze op pallets zijn gestapeld en vastgezet.

210 (1) Voor de voorwerpen van cijfer 6 F gelden de volgende voorschriften:

a) 1057 Aanstekers en 1057 navulpatronen voor aanstekers moeten voldoen aan de voorschriften van het land waar zij zijn gevuld. Zij moeten voorzien zijn van een bescherming tegen onbedoeld leegstromen. De vloeistoffase van het gas mag bij 15 °C niet meer dan 85 % van de inhoud van de houder in beslag nemen. De houders met inbegrip van de afsluitinrichtingen moeten bestand zijn tegen de inwendige druk van het vloeibaar gemaakte koolwaterstofgas bij een temperatuur van 55 °C. De ventielen en ontstekingsinrichtingen moeten op geschikte wijze zijn verzegeld, met plakband omgeven of door een ander middel gefixeerd of ontworpen, opdat hun werking of het vrijkomen van de inhoud tijdens het vervoer verhinderd wordt. De aanstekers en navulpatronen voor aanstekers moeten zorgvuldig zijn verpakt om onbedoelde werking van de afsluitinrichting te verhinderen. Aanstekers mogen niet meer dan 10 g vloeibaar gemaakt koolwaterstofgas bevatten. Navulpatronen voor aanstekers mogen niet meer dan 65 g vloeibaar gemaakt koolwaterstofgas bevatten.

Aanstekers en navulpatronen voor aanstekers moeten in de volgende buitenverpakking zijn verpakt: kisten van natuurlijk hout volgens rn. 1527, van gelamineerd hout volgens rn. 1528 of van houtvezelmateriaal volgens rn. 1529, met een bruto massa van ten hoogste 75 kg, of in dozen van karton volgens rn. 1530, met een bruto massa van ten hoogste 40 kg. Deze verpakkingen moeten volgens Aanhangsel V voor verpakkingsgroep II beproefd en toegelaten zijn.

b) 3150 Apparaten, klein, met koolwaterstofgas, en 3150 navulpatronen met koolwaterstofgas voor kleine apparaten moeten voldoen aan de voorschriften van het land waar zij gevuld zijn. De apparaten en navulpatronen moeten in buitenverpakkingen volgens rn. 1538 b) zijn verpakt, die volgens Aanhangsel V voor verpakkingsgroep II zijn beproefd en toegelaten.

(2) De druk van de gassen van cijfer 7 moet op het moment van sluiten van de omhullende eenheid overeenkomen met de omgevingsdruk, maar mag niet meer bedragen dan 105 kPa (absoluut).

De gassen moeten zich bevinden in hermetisch gesloten binnenverpakkingen van glas of metaal met een netto hoeveelheid van ten hoogste 5 liter per collo voor gassen van cijfer 7 F en van 1 liter per collo voor gassen van de cijfers 7 T en 7 TF.

De buitenverpakkingen moeten aan de voorschriften voor samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538 b) voldoen en volgens Aanhangsel V zijn beproefd en toegelaten voor verpakkingsgroep III.

b. Voorschriften voor houders

Opmerking: Deze voorschriften gelden niet voor de in rn. 205 genoemde metalen capsules, de in rn. 206 (2) vermelde houders, de in rn. 207 vermelde spuitbussen (aërosolen) met identificatienummer 1950 en houders, klein, met gas (gaspatronen) met identificatienummer 2037 en evenmin voor de in rn. 210 vermelde voorwerpen van cijfer 6 F en houders voor gassen van cijfer 7.

1. Constructie en uitrusting

211 De volgende typen houders worden onderscheiden:

(1) flessen (cilinders); dit zijn verplaatsbare drukhouders met een inhoud van niet meer dan 150 l.

(2) grote cilinders ("tubes"); dit zijn naadloze verplaatsbare drukhouders met een inhoud van meer dan 150 l en niet meer dan 5 000 l.

(3) drukvaten; dit zijn gelaste verplaatsbare drukhouders met een inhoud van meer dan 150 l en niet meer dan 1 000 l (b.v. cilindervormige houders met rolbanden en houders op sleden).

(4) cryo-houders; dit zijn verplaatsbare houders met warmte- isolerende bescherming voor sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen met een inhoud van niet meer dan 1 000 l.

(5) flessenbatterijen (cilinderpakketten); dit zijn verplaatsbare eenheden met flessen, die onderling door een verzamelleiding zijn verbonden en stevig bijeen worden gehouden.

Opmerking: Wat betreft beperkingen van de inhoud en het gebruik van de verschillende typen houders, zie de tabel in rn. 250.

212 (1) De houders en hun sluitingen moeten zo zijn ontworpen, berekend, vervaardigd, beproefd en uitgerust, dat zij bestand zijn tegen alle belastingen waaraan zij bij normaal gebruik en onder normale vervoersomstandigheden zijn onderworpen.

Bij het ontwerp van drukhouders moet rekening worden gehouden met alle relevante factoren, zoals:

inwendige druk,

omgevings- en bedrijfstemperaturen, met inbegrip van de temperatuur tijdens het vervoer,

dynamische belastingen.

Normaal moet de wanddikte door berekening worden vastgesteld, indien noodzakelijk aangevuld door een experimentele spanningsanalyse. Zij mag ook langs experimentele weg worden vastgesteld.

Bij het ontwerp van de wand en de ondersteunende delen moet gebruik gemaakt worden van geschikte berekeningsmethoden, om de veiligheid van de houders te waarborgen.

De minimum wanddikte, nodig om weerstand te bieden aan de druk, moet berekend worden, daarbij in het bijzonder rekening houdend met:

de berekeningsdruk, die niet lager mag zijn dan de proefdruk,

de berekeningstemperaturen, die voldoende veiligheidsmarges moeten bieden,

de hoogste spanningen en de hoogste spanningsconcentraties, indien noodzakelijk

de factoren die met de materiaaleigenschappen samenhangen.

De volgende materiaaleigenschappen zijn, voor zover van toepassing, van belang:

rekgrens,

treksterkte,

tijdsafhankelijke sterkte,

gegevens over de vermoeiingseigenschappen,

modulus van Young (elasticiteitsmodules),

voldoende waarde voor de plastische vervormingen,

slagvastheid,

breukbestendigheid.

Aan de bepalingen van dit lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de betreffende hierna volgende Richtlijnen worden toegepast:

voor naadloze stalen flessen: Bijlage I, Delen 1 t/m 3 van de Richtlijn van de Raad 84/525/EEG ()

voor gelaste stalen flessen: Bijlage I, Delen 1 t/m 3 van de Richtlijn van de Raad 84/527/EEG ()

voor naadloze aluminium flessen: Bijlage I, Delen 1 t/m 3 van de Richtlijn van de Raad 84/526/EEG ()

(2) Houders die niet volgens de in lid (1) genoemde normen zijn ontworpen en gebouwd, moeten zijn ontworpen en gebouwd overeenkomstig de bepalingen van technische regels, erkend door de bevoegde autoriteit. Aan de volgende minimum voorwaarden moet echter worden voldaan:

a) Bij metalen houders volgens rn. 211 (1), (2), (3) en (5) mag de spanning van het metaal op de plaats van de houder die het meest belast wordt, niet meer bedragen dan 77 % van de gegarandeerde minimum rekgrens (Re).

Onder "rekgrens" wordt verstaan, de spanning die bij de proefstaaf een blijvende rek van 2 promille (0,2 %), of bij austenitische staalsoorten, 1 % van de lengte tussen de proefstaven veroorzaakt.

Opmerking: Bij metaalplaat moet de as van de trekproefstukken loodrecht op de walsrichting liggen. De rek bij breuk (l = 5d) moet gemeten worden met proefstukken met cirkelronde doorsnede, waarbij de lengte l tussen de meetpunten vijf maal de diameter d bedraagt; indien proefstaven met rechthoekige doorsnede worden gebruikt, moet de lengte tussen de meetpunten worden berekend met de formule

l = 5,65 F0

waarin F° de oorspronkelijke doorsnede van de proefstaaf aangeeft.

De houders en hun sluitingen moeten zijn vervaardigd van geschikte materialen, die bij temperaturen tussen P 20 °C en +50 °C ongevoelig moeten zijn voor brosse breuk en spanningscorrosie.

Voor gelaste houders mogen slechts materialen worden gebruikt die zich goed lenen voor het lassen en waarvoor een voldoende kerfslagwaarde kan worden gegarandeerd bij een omgevingstemperatuur van P 20 °C, in het bijzonder in de lasnaden en in de warmte-beïnvloede zones.

De lasverbindingen moeten volgens de regels der techniek zijn uitgevoerd en alle waarborgen van veiligheid bieden.

Bij de berekening van de wanddikte mag geen rekening worden gehouden met corrosietoeslagen.

b) Van houders van composiet materiaal volgens rn. 211 (1), (2), (3) en (5), dat wil zeggen die radiaal of volledig omwikkeld zijn met een versterkend materiaal, moet de constructie zodanig zijn, dat de verhouding tussen barstdruk en proefdruk ten minste bedraagt:

1,67 bij radiaal omwikkelde houders

2,00 bij volledig omwikkelde houders.

c) De volgende voorschriften gelden voor de constructie van de houders, bedoeld in rn. 206 (1), voor gassen van cijfer 3:

1. De materialen en constructie van de houders moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel II, rn. 1250 t/m 1254. Alle mechanische en technologische kwaliteiten van het gebruikte materiaal moeten voor elke houder bij de eerste beproeving worden aangetoond; voor de kerfslagwaarde en het buiggetal, zie Aanhangsel II, rn. 1255 t/m 1261.

2. Worden andere materialen gebruikt, dan moeten deze bij de laagste gebruikstemperatuur van de houders en hun armaturen ongevoelig zijn voor brosheid.

3. De houders moeten zijn voorzien van een veiligheidsklep, die moet kunnen opengaan bij de op de houder aangegeven bedrijfsdruk. De kleppen moeten van een zodanige constructie zijn, dat zij ook bij hun laagste bedrijfstemperatuur nog perfect functioneren. Het betrouwbare functioneren bij deze temperatuur moet worden vastgesteld en gecontroleerd, door elke klep of een prototype van de kleppen van hetzelfde constructietype te beproeven.

4. De openingen en veiligheidskleppen van de houders moeten van een zodanig ontwerp zijn, dat uitspatten van vloeistof wordt verhinderd.

5. Houders die volumetrisch gevuld worden, moeten van een peilinrichting voor het vloeistofniveau zijn voorzien.

6. De houders moeten van een warmte-isolerende bescherming zijn voorzien. De warmte-isolerende bescherming moet door middel van een volledige metalen omhulling tegen schokken zijn beschermd. Indien de ruimte tussen de houder en de metalen omhulling luchtledig is (vacuümisolatie), moet de beschermende omhulling zodanig berekend zijn, dat zij zonder vervorming bestand is tegen een uitwendige druk van ten minste 100 kPa (1 bar). Indien de omhulling gasdicht is gesloten (b.v. in het geval van vacuümisolatie), moet een inrichting verzekeren dat zich in de isolerende laag geen gevaarlijke druk kan vormen in geval lekkage van de houder of de uitrusting daarvan. De inrichting moet verhinderen, dat vocht in de isolatie binnendringt.

213 (1) Behalve van een eventueel mangat, dat van een betrouwbaar sluitend deksel moet zijn voorzien, en een opening nodig voor de verwijdering van neerslagen, mogen de houders volgens rn. 211 (3) van ten hoogste twee openingen zijn voorzien, respectievelijk voor het vullen en ledigen.

De houders volgens rn. 211 (1) en (3), bestemd voor het vervoer van gassen van cijfer 2 F, mogen van andere openingen zijn voorzien, die in het bijzonder bedoeld zijn voor de controle van het vloeistofniveau en de manometrische druk.

(2) De afsluiters moeten doelmatig zijn beschermd tegen beschadigingen, die bij een val van de houder en tijdens het vervoer en het stapelen, vrijkomen van gas zouden kunnen veroorzaken. Aan dit voorschrift wordt voldaan indien één of meer van de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a) de afsluiters zijn aangebracht aan de binnenzijde van de hals van de houder en zijn beschermd door een opgeschroefde dop;

b) de afsluiters zijn beschermd door kappen. De beschermkappen moeten openingen bezitten met een doorsnede van voldoende grootte om gassen te laten ontsnappen, indien de afsluiters lekken;

c) de afsluiters zijn beschermd door een kraag of door andere veiligheidsinrichtingen;

d) de afsluiters zijn zodanig ontworpen en vervaardigd, dat zij beschadigingen kunnen doorstaan, zonder dat product vrijkomt;

e) de afsluiters zijn aangebracht in een beschermend raamwerk;

f) de houders worden vervoerd in beschermende kisten of in een raamwerk.

Aan de bepalingen van dit lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de hierna volgende normen worden toegepast: (gereserveerd)

(3) Voor de houders gelden de volgende voorschriften:

a) Indien flessen, bedoeld in rn. 211 (1), van een inrichting zijn voorzien, die het rollen van de flessen verhindert, mag deze inrichting niet met de beschermkap zijn verbonden.

b) Rolbare houders volgens rn. 211 (3) moeten zijn voorzien van rolbanden of een andere bescherming tegen beschadiging als gevolg van rollen (b.v. door de buitenkant van de houder te bespuiten met een laag corrosiebestendig metaal).

Niet rolbare houders volgens rn. 211 (3) en (4) moeten zijn uitgerust met voorzieningen (sleden, ogen, beugels), die een veilige behandeling met mechanische middelen waarborgen en die zodanig zijn aangebracht, dat zij noch een verzwakking noch ontoelaatbare belastingen van de wand van de houder veroorzaken.

c) Flessenbatterijen volgens rn. 211 (5) moeten zijn uitgerust met voorzieningen, die een veilige behandeling en veilig vervoer garanderen.

De flessen in een batterij en de verzamelleiding moeten geschikt zijn voor het type gas, en de verzamelleiding moet minstens dezelfde proefdruk bezitten als de flessen.

De verzamelleiding en de hoofdafsluiter moeten zodanig zijn aangebracht, dat zij tegen beschadiging beschermd zijn.

Flessenbatterijen, bestemd voor het vervoer van bepaalde gassen, die zijn onderworpen aan het bijzondere voorschrift "l" in de tabel van rn. 250, moeten op elke fles een afzonderlijk afsluitbare afsluiter bezitten, die tijdens het vervoer gesloten moet zijn.

(4) a) De opening(en) van de afsluiter(s) van de houders die pyrofore en zeer giftige gassen (gassen met een LC50-waarde lager dan 200 ppm) bevatten, moet(en) van gasdichte stoppen of dopmoeren zijn voorzien, die van een materiaal moeten zijn gemaakt, dat niet wordt aangetast door de inhoud van de houder.

b) De pyrofore en zeer giftige gassen zijn onderworpen aan het bijzondere voorschrift "e" in de tabel van rn. 250.

c) Indien deze houders onderling zijn verbonden in een flessenbatterij, moet elke houder zijn uitgerust met een afsluiter, die tijdens het vervoer moet zijn gesloten.

Het voorschrift onder a) heeft alleen betrekking op de hoofdafsluiter.

214

2. Beproeving en toelating van de houders

215 (1) De overeenstemming van de houders, waarvan het product van proefdruk en inhoud meer dan 300 MPa.liter (3 000 bar.liter) bedraagt, met de bepalingen van deze klasse, moet door een beproevings- en certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst(), volgens één van de volgende methoden worden aangetoond:

a) De houders moeten ieder afzonderlijk in naam van de bevoegde autoriteit door een beproevings- en certificeringsinstituut op grond van de technische documentatie en de verklaring van de fabrikant worden onderzocht, beproefd en toegelaten met betrekking tot de overeenstemming met de betreffende voorschriften van deze klasse. De technische documentatie moet zowel volledige specificatie van het ontwerp en de constructie, alsmede de volledige documentatie inzake de fabricage en beproeving bevatten; of

b) De constructie van de houders moet door een beproevings- en certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit, op grond van de technische documentatie zijn beproefd en toegelaten met betrekking tot de overeenstemming met de betreffende voorschriften van deze klasse. Bovendien moeten de houders zijn ontworpen, gefabriceerd en beproefd overeenkomstig een uitgebreid kwaliteitsborgingsprogramma voor het ontwerp, de fabricage, de eindcontrole en de beproeving. Het kwaliteitsborgingsprogramma moet de overeenstemming van de houders met de van toepassing zijnde eisen van deze klasse waarborgen en moet door een beproevings- en certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit, zijn toegelaten en gecontroleerd; of

c) Het prototype van de houders moet door een beproevings- en certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit, zijn toegelaten. Alle houders van dit type moeten zijn gefabriceerd en beproefd overeenkomstig een kwaliteitsborgingsprogramma voor de fabricage, de eindcontrole en de beproeving, dat door een beproevings- en certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit, is toegelaten en gecontroleerd; of

d) Het prototype van de houders moet door een beproevings- en certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit, zijn toegelaten. Alle houders van dit type moeten onder toezicht van een beproevings- en certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit, op grond van een verklaring van de fabrikant zijn beproefd met betrekking tot de overeenstemming met het toegelaten prototype en de betreffende voorschriften van deze klasse.

(2) De overeenstemming van de houders, waarvan het product van proefdruk en inhoud meer dan 100 MPa.liter (1 000 bar.liter) en ten hoogste 300 MPa.liter (3 000 bar.liter) bedraagt, met de bepalingen van deze klasse, moet door een beproevings- en certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst (), volgens één van de in lid (1) beschreven of één van de volgende methoden worden aangetoond:

a) De houders moeten zijn ontworpen, gefabriceerd en beproefd overeenkomstig een uitgebreid kwaliteitsborgingsprogramma voor het ontwerp, de fabricage, de eindcontrole en de beproeving, dat door een beproevings- en certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit, moet zijn toegelaten en gecontroleerd; of

b) Het prototype van de houders moet door een beproevings- en certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit, zijn toegelaten. De overeenstemming van alle houders met het toegelaten prototype moet door de fabrikant schriftelijk zijn verklaard op grond van zijn kwaliteitsborgingsprogramma voor de beproeving van houders, dat door een beproevingsen certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit, is toegelaten en gecontroleerd; of

c) Het prototype van de houders moet door een beproevings- en certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit, zijn toegelaten. De overeenstemming van alle houders met het toegelaten prototype moet door de fabrikant schriftelijk worden verklaard en alle houders van dit type moeten onder toezicht van een beproevings- en certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit, zijn beproefd.

(3) De overeenstemming van de houders, waarvan het product van proefdruk en inhoud ten hoogste 100 MPa.liter (1 000 bar.liter) bedraagt, met de bepalingen van deze klasse, moet door een beproevings- en certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst (), volgens één van de onder lid (1) of (2) beschreven of één van de volgende methoden worden aangetoond:

a) De overeenstemming van alle houders met een prototype, dat in technische documentatie volledig is gespecificeerd, moet door de fabrikant schriftelijk zijn verklaard en alle houders van dit type moeten onder toezicht van een beproevings- en certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit, zijn beproefd; of

b) Het prototype van de houders moet door een beproevings- en certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit, zijn toegelaten. De overeenstemming van alle houders met het toegelaten prototype moet door de fabrikant schriftelijk zijn verklaard en alle houders van dit type moeten afzonderlijk zijn beproefd.

(4) Aan de bepalingen van de leden (1) t/m (3) wordt geacht te zijn voldaan,

a) wat betreft de in lid (1) en (2) vermelde kwaliteitsborgingsprogramma's, indien deze overeenkomen met de desbetreffende Europese norm van de serie EN ISO 9000;

b) in hun totaliteit, indien de betreffende conformiteitswaarderingsprocedures overeenkomstig het besluit 93/465/EEG van de Raad 8 () als volgt worden toegepast:

Voor de in lid (1) vermelde houders zijn dit de modules G, H met ontwerpbeproeving, B in combinatie met D en B in combinatie met F.

Voor de in lid (2) vermelde houders zijn dit de modules H, B in combinatie met E en B in combinatie met de uitgebreide module C (C1).

Voor de in lid (3) vermelde houders zijn dit de modules Aa en B in combinatie met C.

(5) Eisen aan de fabrikant

De fabrikant moet technisch bekwaam zijn en beschikken over alle benodigde middelen, die vereist zijn om de houders naar behoren te fabriceren; hiertoe is in het bijzonder gekwalificeerd personeel nodig:

a) voor het toezicht op het totale fabricageproces

b) voor de uitvoering van de materiaalverbindingen

c) voor de uitvoering van de desbetreffende beproevingen

De beoordeling van de geschiktheid van de fabrikant moet in alle gevallen door een beproevingsen certificeringsinstituut, erkend door de bevoegde autoriteit, worden uitgevoerd. De bijzondere certificeringsprocedure, die de fabrikant beoogt toe te passen moet daarbij in beschouwing worden genomen.

(6) Eisen aan beproevings- en certificeringsinstituten

De beproevings- en certificeringsinstituten moeten in voldoende mate onafhankelijk zijn van de ondernemingen van fabricage, en voldoende professionele technische competentie bieden. Aan deze eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien de instituten op grond van een accreditatieprocedure volgens de Europese norm van de serie EN 45000 zijn toegelaten.

216 (1) De houders moeten volgens de volgende specificaties aan een eerste beproeving worden onderworpen:

Voor een voldoende aantal houders:

a) de beproeving van het constructiemateriaal; deze moet tenminste betrekking hebben op de rekgrens, de treksterkte en de blijvende rek bij breuk;

b) het meten van de kleinste wanddikte en het berekenen van de materiaalspanning;

c) de bepaling van de homogeniteit van het materiaal voor elke gefabriceerde serie, alsmede het onderzoek naar de uitwendige en de inwendige toestand van de houders;

Voor alle houders:

d) de hydraulische proefpersing overeenkomstig de bepalingen van rn. 219;

Opmerking: Na toestemming van de deskundige, erkend door de bevoegde autoriteit, mag de hydraulische proefpersing worden vervangen door een beproeving met een gas, indien deze werkwijze ongevaarlijk is.

e) het onderzoek van de opschriften op de houders, zie rn. 223 (1) t/m (4);

f) bovendien voor de houders bestemd voor het vervoer van 1001 acetyleen, opgelost, van cijfer 4 F, een onderzoek naar de toestand van poreuze massa en de hoeveelheid oplosmiddel.

Aan de bepalingen van dit lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de volgende normen worden toegepast: (gereserveerd)

(2) Op houders van aluminiumlegeringen bestemd voor het vervoer van bepaalde gassen zijn bijzondere voorschriften van toepassing (zie Aanhangsel II).

Aan de bepalingen van dit lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de volgende Richtlijn wordt toegepast:

Bijlage I, Deel 3, en Bijlage II van de Richtlijn van de Raad 84/526/EEG ()

(3) De houders moeten de beproevingsdruk doorstaan zonder een blijvende vervorming te ondergaan of scheurtjes te vertonen.

217 (1) Hervulbare houders moeten onder toezicht van een door de bevoegde autoriteit erkende deskundige periodieke beproevingen ondergaan volgens de volgende specificaties:

a) onderzoek van de uitwendige toestand van de houder alsmede controle van de uitrusting en de opschriften;

b) onderzoek van de inwendige toestand van de houder (b.v. door weging, inwendige inspectie, onderzoek van de wanddikte);

c) hydraulische proefpersing en indien noodzakelijk onderzoek van de materiaalkwaliteit door middel van daartoe geschikte beproevingen;

Opmerkingen: 1. Na toestemming van de deskundige, erkend door de bevoegde autoriteit, mag de hydraulische proefpersing worden vervangen door een beproeving met een gas, voor zover deze handelwijze niet gevaarlijk is, of door een gelijkwaardige beproevingsmethode, waarbij ultrasoon onderzoek wordt toegepast.

2. Na toestemming van de deskundige, erkend door de bevoegde autoriteit, mag de hydraulische proefpersing voor houders volgens rn. 211 (1) en (2) worden vervangen door een gelijkwaardige beproevingsmethode, gebaseerd op akoestische emissie.

3. Na toestemming van de deskundige, erkend door de bevoegde autoriteit, mag de hydraulische proefpersing, van elke afzonderlijke houder van gelast staal volgens rn. 211 (1) bestemd voor het vervoer van gassen van cijfer 2 F, identificatienummer 1965, met een inhoud van minder dan 6,5 liter worden vervangen door een andere beproeving, die een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgt.

Aan de bepalingen van dit lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de volgende normen worden toegepast: (gereserveerd)

(2) Voor zover in de tabel van rn. 250 geen bijzondere voorschriften voor bepaalde stoffen zijn vermeld, moeten de periodieke beproevingen plaatsvinden:

a) om de 3 jaar voor de houders, bestemd voor het vervoer van gassen van de groepen TC, TFC en TOC van de cijfers 1 en 2;

b) om de 5 jaar voor de houders, bestemd voor het vervoer van gassen van de groepen T, TF en TO van de cijfers 1 en 2, alsmede voor gassen van cijfer 4;

c) om de 10 jaar voor de houders, bestemd voor het vervoer van gassen van de groepen A, O en F van de cijfers 1, 2 en 3.

In afwijking van deze termijnen moeten de periodieke beproevingen van houders van composiet materiaal worden uitgevoerd na verloop van termijnen, vastgesteld door de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat van de COTIF, die de technische regels voor het ontwerp en de constructie heeft erkend.

(3) Bij houders voor 1001 acetyleen, opgelost van cijfer 4 F moet alleen de uitwendige toestand (corrosie, vervorming) alsmede de toestand van de poreuze massa (samenhang, inzakking) onderzocht worden.

Wordt als poreuze massa een monolithisch materiaal gebruikt, dan mag de termijn tussen de periodieke beproevingen naar 10 jaar worden uitgebreid.

Aan de bepalingen van dit lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de volgende normen worden toegepast: (gereserveerd)

(4) In afwijking van rn. 217 (1)c) moeten gesloten houders volgens rn. 206 (1) aan een uitwendig onderzoek en een dichtheidsbeproeving worden onderworpen. De dichtheidsbeproeving moet worden uitgevoerd met het gas, dat in de houder aanwezig is of met een inert gas. Het onderzoek moet met een manometer of door meting van het vacuüm worden uitgevoerd. Het is niet nodig de warmte-isolerende bescherming te verwijderen.

Aan de bepalingen van dit lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de volgende normen worden toegepast: (gereserveerd)

(5) De houders, bedoeld in rn. 211, mogen na het verstrijken van de voor de periodieke beproeving vastgestelde termijnen worden vervoerd, teneinde aan de beproeving te worden onderworpen.

218

c. Beproevingsdruk, vullingsgraad en beperking van de inhoud van de houders

219 Voor houders bedoeld in rn. 211 gelden de volgende voorschriften:

a) De minimaal vereiste proefdruk voor de houders bedoeld in rn. 211 (1), (2), (3) en (5) bedraagt 1 MPa (10 bar).

b) Voor gassen van cijfer 1, met een kritische temperatuur lager dan P50 °C, moet de inwendige druk (beproevingsdruk) tijdens de hydraulische proefpersing ten minste gelijk zijn aan 1,5 maal de vuldruk bij 15 °C.

c) Voor gassen van cijfer 1 met een kritische temperatuur gelijk aan of hoger dan P50 °C, en voor gassen van cijfer 2 met een kritische temperatuur lager dan 70 °C, moet de vullingsgraad zodanig zijn dat de inwendige druk bij 65 °C de proefdruk van de houder niet overschrijdt.

Voor gassen en gasmengsels, waarvan niet voldoende gegevens beschikbaar zijn, moet de hoogst toelaatbare vullingsgraad (FD) als volgt worden bepaald:

FD ≤ 8,5 × 10-4 × dg × Pe

waarbij FD = hoogst toelaatbare vullingsgraad (in kg/l)

dg = dichtheid van het gas (bij 15 °C, 1 bar) (in kg/m3)

Pe = laagst toelaatbare proefdruk (in bar)

Indien de dichtheid van het gas niet bekend is, moet de hoogst toelaatbare vullingsgraad als volgt worden bepaald:

Pe × MM × 10-3

FD ≤

>NUM>Pe × MM × 10-3

>DEN>R × 338

waarbij FD = hoogst toelaatbare vullingsgraad (in kg/l)

Pe = laagst toelaatbare proefdruk (in bar)

MM = moleculaire massa (in g/mol)

R = 8,31451 7 10-2 bar 7 l 7 mol-1 7 K-1 (gasconstante)

(Voor gasmengsels moet de gemiddelde moleculaire massa worden genomen, rekening houdend met de concentraties van de afzonderlijke componenten)

d) Voor gassen van cijfer 2 met een kritische temperatuur gelijk aan of hoger dan 70 °C, wordt de hoogst toelaatbare massa van de vulling per liter inhoud als volgt berekend:

hoogst toelaatbare massa van de vulling per liter inhoud = 0,95 × de dichtheid van de vloeistoffase bij 50 °C (in kg/l).

Bovendien mag de dampfase niet beneden 60 °C verdwijnen. De proefdruk moet ten minste gelijk zijn aan de dampdruk van de vloeistof bij 70 °C, verminderd met 100 kPa (1 bar).

Voor zuivere gassen, waarvoor niet voldoende gegevens beschikbaar zijn, moet de hoogst toelaatbare vullingsgraad als volgt worden bepaald:

FD ≤ (0,0032 7 BP P 0,24) 7 dl

waarbij FD = hoogst toelaatbare vullingsgraad (in kg/l)

BP = kookpunt (in K)

dl = dichtheid van de vloeistof bij het kookpunt (in kg/l).

e) Voor gassen van de cijfers 3 A en 3 O mag de vullingsgraad bij de vultemperatuur en een druk van 0,1 MPa (1 bar) 98 % van de inhoud niet overschrijden.

Voor gassen van cijfer 3 F moet de vullingsgraad beneden het niveau blijven waarbij, indien de inhoud op een temperatuur gebracht wordt, waarbij de dampdruk gelijk is aan de openingsdruk van de veiligheidskleppen, het volume van de vloeistoffase de waarde van 95 % van de inhoud bij deze temperatuur zou bereiken.

Bij houders overeenkomstig de voorschriften van rn. 206 (1) is de proefdruk gelijk aan het 1,3-voudige van de hoogst toegestane bedrijfsdruk; deze proefdruk wordt bij houders met vacuümisolatie verhoogd met 1 bar.

f) Voor 1001 acetyleen, opgelost, van cijfer 4 F mag de vuldruk in evenwichtstoestand bij 15 °C niet hoger zijn dan de druk, voorgeschreven door de bevoegde autoriteit voor de betreffende poreuze massa [zie rn. 223 (1)h)]. De hoeveelheid oplosmiddel en de hoeveelheid acetyleen moeten ook met de in de toelating vastgelegde waarden overeenkomen.

Aan de bepalingen van dit randnummer wordt geacht te zijn voldaan, indien de volgende normen worden toegepast: (gereserveerd)

Opmerking: De proefdruk, de vullingsgraad, en de beperking van de inhoud van de houders volgens rn. 211 voor de afzonderlijke gassen, alsmede de beperkingen betreffende giftige gassen met een LC50-waarde lager dan 200ppm zijn in de tabel van rn. 250 aangegeven.

220-

221

3. Gezamenlijke verpakking

222 (1) De stoffen en voorwerpen van deze klasse mogen gezamenlijk worden verpakt in een buitenverpakking, indien zij niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

(2) Stoffen en voorwerpen van deze klasse mogen gezamenlijk worden verpakt in een buitenverpakking met stoffen en/of goederen, die niet aan de voorschriften van deze Richtlijn zijn onderworpen, indien zij niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

(3) Stoffen en voorwerpen van deze klasse mogen gezamenlijk worden verpakt met stoffen en voorwerpen van de andere klassen - voor zover een gezamenlijke verpakking ook voor stoffen en voorwerpen van deze klasse is toegelaten - , in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538, indien zij niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

(4) Als gevaarlijke reacties worden beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanmerkelijke warmteontwikkeling;

b) de ontwikkeling van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van bijtende vloeistoffen:

d) de vorming van instabiele stoffen.

(5) De voorschriften van rn. 8 en 202 moeten in acht genomen worden.

(6) Bij gebruik van houten kisten of kartonnen dozen mag een collo niet meer wegen dan 100 kg.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie Aanhangsel IX)

Opschriften

223 (1) Op de hervulbare houders overeenkomstig rn. 211 moeten de volgende opschriften goed leesbaar en duurzaam zijn aangegeven:

a) de naam of het merkteken van de fabrikant;

b) het toelatingsnummer (indien het prototype van de houder volgens rn. 215 is toegelaten)

c) het door de fabrikant vastgelegde serienummer van de houder;

d) de massa van de lege houder zonder de uitrustingsdelen, indien de in rn. 217 (1)b) voorgeschreven controle van de wanddikte door weging geschiedt;

e) de beproevingsdruk (zie rn. 219);

f) de datum (maand en jaar) van de eerste beproeving en de laatst uitgevoerde periodieke beproeving;

Opmerking: De aanduiding van de maand is niet noodzakelijk voor gassen, waarbij de termijn tussen de periodieke beproevingen 10 jaar of meer bedraagt [zie rn. 217 (2) en rn. 250];.

g) het waarmerk van de deskundige, die de beproevingen en onderzoeken heeft uitgevoerd;

h) voor 1001 acetyleen, opgelost, van cijfer 4 F: de toegestane vuldruk [zie rn. 219 f)] en de totale massa van de lege houder met inbegrip van de uitrustingsdelen, poreuze massa en het oplosmiddel;

i) de waterinhoud in liters;

j) bij gassen van cijfer 1, die onder druk worden gevuld, de voor de houder maximaal toelaatbare vuldruk bij 15 °C.

Deze opschriften moeten op een versterkt deel van de houder, op een ring of op een onverbrekelijk verbonden hulpstuk onuitwisbaar zijn aangebracht, b.v. ingeslagen.

Zij mogen ook op de houder zelf ingeslagen zijn, onder voorwaarde dat kan worden aangetoond, dat de sterkte van de houder door de opschriften niet wordt verminderd.

(2) Op de hervulbare houders overeenkomstig rn. 211 moeten bovendien de volgende opschriften goed leesbaar en duurzaam zijn aangegeven:

a) het identificatienummer en de volledige benaming van het gas of het gasmengsel, zoals aangegeven in rn. 201;

bij gassen, die onder een n.e.g.-positie zijn ingedeeld, moet alleen het identificatienummer en de technische benaming () van het gas aangegeven worden;

bij mengsels van gassen behoeven niet meer dan twee componenten te worden aangegeven, die bepalend zijn voor de gevaren.

b) bij gassen van cijfer 1, die op massa worden gevuld, en bij vloeibaar gemaakte gassen: hetzij de hoogst toelaatbare massa van de vulling en de massa van de lege houder met inbegrip van de uitrustingsdelen, die op het tijdstip van het vullen zijn aangebracht, hetzij de bruto massa;

c) de datum (jaar) van de volgende periodieke beproeving.

Deze merktekens moeten ofwel zijn ingeslagen, dan wel op een opschriftenplaatje of een aan de houder bevestigd duurzaam etiket zijn aangegeven of door een hechtend en duidelijk zichtbaar opschrift, b.v. middels verven of een ander gelijkwaardige methode, zijn aangebracht.

(3) Aan de bepalingen van de leden (1) en (2) wordt geacht te zijn voldaan, indien de volgende normen worden toegepast: (gereserveerd)

(4) Op niet hervulbare flessen volgens rn. 211 (1) moeten de volgende opschriften goed leesbaar en duurzaam zijn aangegeven:

a) de naam of het merkteken van de fabrikant;

b) het toelatingsnummer (indien het prototype van de houder volgens rn. 215 is toegelaten)

c) het door de fabrikant vastgelegde serie- of chargenummer van de houder;

d) de beproevingsdruk (zie rn. 219);

e) de datum (maand en jaar) van de fabricage;

f) het waarmerk van de deskundige, die de eerste beproeving heeft uitgevoerd;

g) het identificatienummer en de volledige benaming van het gas of het gasmengsel, zoals aangegeven in rn. 201;

bij gassen die onder een n.e.g.-positie zijn ingedeeld, moet alle het identificatienummer en de technische benaming () van het gas aangegeven worden;

bij mengsels van gassen behoeven niet meer dan twee componenten te worden aangegeven, die bepalend zijn voor de gevaren;

h) het opschrift "NIET HERVULLEN", waarbij de hoogte van de tekens ten minste 6 mm moet bedragen.

De in dit lid genoemde opschriften, uitgezonderd de onder g) genoemde, moeten op een versterkt deel van de houder, op een ring of op een onverbrekelijk verbonden hulpstuk onuitwisbaar zijn aangebracht, b.v. ingeslagen.

Zij mogen ook op de houder zelf ingeslagen zijn, onder voorwaarde dat kan worden aangetoond, dat de sterkte van de houder door de opschriften niet wordt verminderd.

Aan de bepalingen van dit lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de volgende normen worden toegepast: (gereserveerd)

(5) Elk collo dat houders met gassen van de cijfers 1 t/m 4, 6 F en 7, of houders, klein, met gas (gaspatronen) van cijfer 5 bevat, moet op duidelijke wijze zijn voorzien van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN" en bovendien van de vermelding "Klasse 2".

Aan dit voorschrift behoeft niet te worden voldaan indien de houders en hun opschriften goed zichtbaar zijn.

(6) Colli, die 1950 spuitbussen van cijfer 5 bevatten, moeten op duidelijke wijze van het opschrift "UN 1950 AEROSOL" zijn voorzien.

Gevaarsetiketten

224 Opmerking: Voor doeleinden van etikettering wordt onder collo verstaan elke verpakking die houders, spuitbussen of houders, klein, met gas (gaspatronen) bevat, alsmede elke houder volgens rn. 211, zonder buitenverpakking.

(1) Colli die stoffen en voorwerpen van deze klasse bevatten moeten zijn voorzien van de hierna aangegeven etiketten:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(2) Elk collo met gassen van cijfer 3 moet bovendien op twee tegenover elkaar gelegen zijden voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 11.

(3) Gevaarsetiketten op gasflessen van rn. 211 (1) mogen zijn aangebracht op de schouder van de fles en de afmetingen van de etiketten mogen in verband daarmede worden verkleind, onder voorwaarde dat zij duidelijk zichtbaar blijven.

B. Wijze van verzending, beperkende bepalingen betreffende de verzending

225 (1) De stoffen en voorwerpen van klasse 2, - met uitzondering van de gassen van de groepen T, TF, TC, TO, TFC en TOC alsmede van 2203 siliciumwaterstof, samengeperst van cijfer 1 F -, mogen ook als expresgoed worden verzonden. Een collo mag niet meer wegen dan 50 kg.

(2) Bij het vervoer van de gassen van cijfer 3 in reservoirwagens of tankcontainers, voorzien van veiligheidskleppen, moeten de afzender en de spoorweg tot overeenstemming komen over de wijze van vervoer, alvorens de zending ten vervoer wordt aangeboden.

(3) Zendingen van 1749 chloortrifluoride van cijfer 2 TOC met een bruto massa groter dan 500 kg zijn slechts toegestaan als wagenlading en tot ten hoogste 5 000 kg per wagen.

C. Aanduidingen in de vrachtbrief

226 (1) De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de cursief gedrukte identificatienummers en benamingen in rn. 201.

Indien de stof niet met name is genoemd, maar in een n.e.g.-positie is ingedeeld, moet de aanduiding van het goed bestaan uit het identificatienummer en de benaming van de n.e.g.-positie, gevolgd door de chemische of technische benaming () van de stof.

De aanduiding van het goed moet worden aangevuld met de vermelding van de klasse, het cijfer en de groep van de stofopsomming, en de afkorting "RID", b.v. "2, 2 F, RID".

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

Bij het vervoer van mengsels [zie rn. 200 (3)] met meerdere aan deze Richtlijn onderworpen componenten behoeven in het algemeen niet meer dan twee componenten, die bepalend zijn voor de gevaarlijkheid van het mengsel, te worden aangegeven.

Bij het vervoer van mengsels [zie rn. 200 (3)] in reservoirwagens, batterijwagens, wagens met afneembare reservoirs of tankcontainers moet de samenstelling van mengsels in vol.-% of massa-% worden aangegeven. Componenten met een concentratie lager dan 1 % behoeven daarbij niet te worden aangegeven.

Indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, moet bovendien het gevaarsidentificatienummer volgens Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed.

Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven indien wagenladingen die bestaan uit colli met één en hetzelfde goed, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

In plaats van de technische benaming mag één van de volgende benamingen worden gebruikt:

voor de positie 1078 koelgas, n.e.g., van cijfer 2 A: mengsel F1, mengsel F2, mengsel F3;

voor de positie 1010 van cijfer 2 F: mengsel van 1,3-butadieen en koolwaterstoffen, gestabiliseerd;

voor de positie 1060 mengsel van methylacetyleen en propadieen, gestabiliseerd, van cijfer 2 F: mengsel P1, mengsel P2;

voor de positie 1965 mengsel van koolwaterstofgassen, vloeibaar gemaakt, n.e.g., van cijfer 2 F: mengsel A of butaan, mengsel A 0 of butaan, mengsel A 1, mengsel B, mengsel C of propaan.

Bij vervoer in reservoirwagens en tankcontainers mogen de handelsnamen butaan en propaan alleen aanvullend worden gebruikt.

Voor deze mengsels behoeft de samenstelling niet te worden aangegeven.

(2) Bij vervoer van houders volgens rn. 211 onder de voorwaarden van rn. 217 (5) moet de volgende aanduiding op de vrachtbrief worden vermeld: "Vervoer volgens rn. 217 (5)"

(3) Bij vervoer van reservoirwagens, die in ongereinigde toestand zijn gevuld, moet op de vrachtbrief als massa van het goed worden aangegeven: de som van de bijgevulde hoeveelheid en de restlading; deze som komt overeen met het verschil tussen de totale massa van de gevulde reservoirwagen en de aangegeven eigen massa.

Bovendien mag een aanduiding "bijgevulde massa kg" worden vermeld.

(4) Voor reservoirwagens en tankcontainers, die gassen bevatten van cijfer 3 moet de afzender op de vrachtbrief de volgende aanduiding vermelden:

"Het reservoir is zodanig geïsoleerd, dat de veiligheidskleppen zich niet vóór .. (datum die door de spoorweg is aanvaard) kunnen openen".

D. Vervoermiddelen en technische hulpmiddelen

1. Voorschriften betreffende de wagens en het laden

a. Voor colli

227 (1) Met de colli mag niet worden gegooid; ze mogen ook niet aan schokken worden blootgesteld.

(2) De houders moeten met inachtneming van de volgende voorschriften zodanig in de wagens zijn vastgezet, dat ze niet kunnen kantelen of vallen:

a) de flessen volgens rn. 211 (1) moeten in de langs- of dwarsrichting van de wagen worden gelegd; dichtbij de kopwanden moeten zij echter in de dwarsrichting liggen. Korte flessen met een grote diameter (ongeveer 30 cm en meer) mogen ook in de langsrichting worden gelegd, waarbij de bescherminrichtingen van de afsluiters naar het midden van de wagen wijzen.

Flessen die voldoende stabiel zijn of die in geschikte inrichtingen worden vervoerd, waardoor zij zijn beschermd tegen elke kans van omvallen, mogen staande worden geladen.

Liggende flessen moeten op veilige en geschikte wijze worden geborgd, vastgezet of vastgemaakt, zodat ze zich niet kunnen verplaatsen;

b) houders met gassen van cijfer 3 moeten steeds geplaatst worden in de stand, waarvoor zij gebouwd zijn, en moeten beschermd worden tegen elke beschadiging door andere colli;

c) houders die geschikt zijn om te worden gerold, moeten met hun lengteas in langsrichting van de wagen worden geplaatst en tegen zijwaartse beweging gezekerd zijn.

(3) Indien pallets, beladen met voorwerpen van cijfer 5, onder de voorwaarden van rn. 209 (3) worden gestapeld, dan moet elke laag pallets gelijkmatig verdeeld zijn op de daaronder gelegen laag, zo nodig door het tussenvoegen van een materiaal van voldoende stevigheid.

b. Vervoer in kleine containers

228 (1) Met uitzondering van colli met gassen van cijfer 3, mogen colli met stoffen van deze klasse in kleine containers worden vervoerd.

(2) De in rn. 230 genoemde verbodsbepalingen voor het samenladen gelden ook in een kleine container.

2. Opschriften en gevaarsetiketten op de wagens, reservoirwagens, batterijwagens, wagens met afneembare reservoirs, tankcontainers en op de kleine containers (zie Aanhangsel IX)

229 (1) Wagens, reservoirwagens en batterijwagens, wagens met afneembare reservoirs en tankcontainers waarin stoffen en voorwerpen van deze klasse worden vervoerd, moeten aan beide zijden zijn voorzien van de volgende etiketten:

Opmerking: Wat betreft wagens die grote containers of tankcontainers vervoeren, zie rn. 1900 (1)b).

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(2) Reservoirwagens en batterijwagens, wagens met afneembare reservoirs en draagwagens van tankcontainers moeten aan beide zijden zijn voorzien van etiketten volgens model nr. 13.:

(3) Kleine containers moeten volgens de bepalingen onder lid (1) worden geëtiketteerd.

E. Verbod van samenlading

230 Colli, voorzien van een etiket volgens model nr. 2, 3 of 6.1, mogen niet samen worden geladen in één wagen met colli, voorzien van een etiket volgens model nr. 1, 1.4, 1.5, 1.6 of 01.

Deze voorschriften zijn niet van toepassing op colli die van een etiket volgens model nr. 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn voorzien.

231 Voor zendingen, die niet met andere goederen in één wagen geladen mogen worden, moeten afzonderlijke vrachtbrieven worden opgemaakt.

F. Lege verpakkingen

232 (1) Ongereinigde lege houders, ongereinigde lege reservoirwagens, ongereinigde lege batterijwagens, wagens met ongereinigde lege afneembare reservoirs en ongereinigde lege tankcontainers van cijfer 8 moeten op dezelfde wijze gesloten zijn als in gevulde toestand.

(2) Ongereinigde lege houders, ongereinigde lege reservoirwagens, ongereinigde lege batterijwagens, wagens met ongereinigde lege afneembare reservoirs en ongereinigde lege tankcontainers moeten van dezelfde gevaarsetiketten voorzien zijn als in gevulde toestand.

(3) De aanduiding in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de in cijfer 8 cursief gedrukte benamingen, aangevuld met "2, 8, RID", b.v. "Lege houder, 2, 8, RID".

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

Bij ongereinigde lege houders met een inhoud van meer dan 1 000 liter, alsmede bij ongereinigde lege reservoirwagens, ongereinigde lege batterijwagens, wagens met ongereinigde lege afneembare reservoirs en ongereinigde lege tankcontainers moet deze aanduiding moet worden aangevuld met de vermelding "Laatste inhoud" alsmede het gevaarsidentificatienummer, het stofidentificatienummer, de benaming, en het cijfer en de groep van de stofopsomming, van het laatst vervoerde goed, b.v. "Laatste inhoud 268 1017 chloor, 2 TC".

(4) De houders van cijfer 8 zoals omschreven in rn. 211, mogen ook worden vervoerd na het verstrijken van de termijnen, vastgesteld voor de in rn. 217 voorgeschreven periodieke beproeving, teneinde aan de beproeving te worden onderworpen.

233-

237

G. Verdere voorschriften

(gereserveerd).

H. Overgangsbepalingen

239 (1) Houders die vóór 1 januari 1997 gebouwd zijn en die niet voldoen aan de vanaf 1 januari 1997 geldende voorschriften van deze Richtlijn, maar waarvan het vervoer toegestaan was volgens de voorschriften van het RID van toepassing tot 31 december 1996, mogen na dit tijdstip verder gebruikt worden, onder voorwaarde dat aan de in rn. 217 beschreven voorschriften voor de periodieke beproevingen wordt voldaan.

(2) Flessen volgens rn. 211 (1), die vóór 1 januari 1997 aan een eerste of periodieke beproeving zijn onderworpen, mogen in lege en ongereinigde toestand zonder etiket worden vervoerd tot de datum van hun volgende vulling of hun volgende periodieke beproeving.

240-

249

I. Tabel van de gassen en bijzondere voorschriften

250 Tabel van de gassen met verwijzing naar de belangrijkste voorschriften van rn. 211 t/m 219 en de bijzondere voorschriften voor de afzonderlijke stoffen.

Lijst van de gassen: zie tabel

Legenda van de "bijzondere voorschriften":

a: Aluminiumlegeringen mogen niet in contact komen met het gas.

b: Afsluiters van koper zijn niet toegestaan.

c: Delen van metaal, die met de inhoud in contact komen, mogen ten hoogste 70 % koper bevatten.

d: Een houder mag ten hoogste 5 kg van de stof bevatten.

e: De openingen van de afsluiters moeten van stoppen of dopmoeren zijn voorzien, die de dichtheid van de houders waarborgen [zie rn. 213 (4)].

f: De noodzakelijke maatregelen ter verhindering van de risico's van gevaarlijke reacties (b.v. polymerisatie, ontleding) tijdens het vervoer moeten zijn getroffen. Zo nodig moet een stabilisator of een inhibitor zijn toegevoegd.

g: Andere dan de aangegeven proefdrukken mogen worden toegepast, mits aan de voorschriften van rn. 219 c) is voldaan.

h: Indien als poreuze massa een monolithisch materiaal wordt gebruikt, mag de termijn tussen de periodieke beproevingen naar 10 jaar worden uitgebreid.

i: Hoogst toelaatbare vullingsgraad volgens de waarden, vastgelegd in het certificaat van toelating.

j: De proefdruk en de vullingsgraad moeten volgens de voorschriften van rn. 219 berekend worden.

k: De termijn tussen de periodieke beproevingen mag naar 10 jaar worden uitgebreid indien de houders van aluminiumlegeringen zijn vervaardigd.

l: Elke fles van een batterij moet zijn uitgerust met een eigen afsluiter, die tijdens het vervoer gesloten moet zijn.

m: De termijn tussen de periodieke beproevingen voor flessen van staal volgens rn. 211 (1) mag naar 15 jaar worden uitgebreid:

a) met toestemming van de bevoegde autoriteit(en) van het land (de landen) waar de periodieke beproevingen worden uitgevoerd en waar het vervoer plaatsvindt, en

b) in overeenstemming met de voorschriften van de technische regels of een norm, erkend door de bevoegde autoriteit, of met de norm EN 1440:1996 "Verplaatsbare, hervulbare, gelaste stalen gasflessen voor vloeibaar gas (LPG) - periodieke keuring".

n: Bij houders, bestemd voor het vervoer van gassen die onder een n.e.g.-positie zijn ingedeeld, moet, voor zover van toepassing, aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

1. De materialen, waarvan de houders en hun sluitingen zijn vervaardigd, mogen de inhoud van de houder niet kunnen aantasten of daarmee schadelijke of gevaarlijke verbindingen kunnen vormen.

2. De beproevingsdruk en de vullingsgraad moeten volgens de voorschriften van rn. 219 worden berekend.

3. Giftige gassen en gasmengsels met een LC50-waarde lager dan 200 ppm mogen niet worden vervoerd in houders volgens rn. 211 (2) en (3).

4. De afsluiters van houders bestemd voor het vervoer van giftige gassen en gasmengsels met een LC50-waarde lager dan 200 ppm of voor het vervoer van pyrofore gassen of van brandbare gasmengsels met meer dan 1 % pyrofore bestanddelen, moeten van stoppen of dopmoeren zijn voorzien, die de dichtheid van de houders waarborgen. Indien deze houders in een batterij zijn samengevoegd, moet elke houder zijn uitgerust met een eigen afsluiter, die tijdens het vervoer gesloten moet zijn.

5 De noodzakelijke maatregelen ter verhindering van de risico's van gevaarlijke reacties (b.v. polymerisatie, ontleding) tijdens het vervoer moeten zijn getroffen. Zo nodig moet een stabilisator of een inhibitor zijn toegevoegd.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

251-

299

KLASSE 3 BRANDBARE VLOEISTOFFEN

1. Opsomming van de stoffen

300 (1) Van de stoffen en mengsels, aangeduid in de titel van klasse 3, zijn die, welke genoemd zijn in rn. 301 of die, welke vallen onder een verzamelaanduiding van dat randnummer, alsmede voorwerpen die dergelijke stoffen (of mengsels) bevatten, onderworpen aan de in rn. 300 (2) t/m 324 gegeven voorschriften en derhalve stoffen van deze Richtlijn.

Opmerking: Wat betreft de hoeveelheden van de in rn. 301 opgesomde stoffen, die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het hoofdstuk "Vervoersvoorwaarden", zie rn. 301a.

(2) De titel van klasse 3 omvat stoffen, alsmede voorwerpen die stoffen van deze klasse bevatten, die:

overeenkomstig rn. 4 (7) vloeibaar zijn,

bij 50 °C een dampdruk hebben van ten hoogste 300 kPa (3 bar) en bij 20 °C en een standaarddruk van 101,3 kPa niet volledig gasvormig zijn,

een vlampunt hebben van ten hoogste 61 °C.

De titel van klasse 3 omvat tevens brandbare vloeistoffen en vaste stoffen in gesmolten toestand, met een vlampunt hoger dan 61 °C, die bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan hun vlampunt verwarmd vervoerd of ten vervoer aangeboden worden.

Uitgezonderd zijn niet giftige en niet bijtende stoffen met een vlampunt hoger dan 35 °C, die onder vastgelegde beproevingsomstandigheden geen verbranding onderhouden (zie Aanhangsel III, rn. 1304); indien deze stoffen echter bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan hun vlampunt verwarmd vervoerd of ten vervoer aangeboden worden, zijn zij stoffen van deze klasse.

Uitgezonderd zijn tevens brandbare vloeistoffen, die op grond van hun bijkomende gevaarseigenschappen ofwel in andere klassen zijn opgesomd, dan wel in andere klassen moeten worden ingedeeld. Het vlampunt moet worden bepaald zoals aangegeven in Aanhangsel III, rn. 1300 t/m 1302.

Opmerkingen: 1. Voor dieselolie, gasolie of lichte stookolie (identificatienummer 1202) met een vlampunt hoger dan 61 °C, zie echter de Opmerking bij cijfer 31c) van rn. 301.

2. Voor stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C, die bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan het vlampunt verwarmd vervoerd of ten vervoer aangeboden worden, zie echter rn. 301, cijfer 61c).

(3) De stoffen en voorwerpen van klasse 3 zijn als volgt onderverdeeld:

A. Stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, niet giftig en niet bijtend

B. Stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, giftig

C. Stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, bijtend

D. Stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, giftig en bijtend, alsmede voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten

E. Stoffen met een vlampunt van 23 °C t/m 61 °C, die zwak giftig of zwak bijtend kunnen zijn

F. Pesticiden (bestrijdingsmiddelen) met een vlampunt lager dan 23 °C

G. Stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C, die bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan het vlampunt verwarmd vervoerd of ten vervoer aangeboden worden

H. Lege verpakkingen.

Op grond van de mate van gevaarlijkheid moeten de stoffen en voorwerpen van klasse 3, met uitzondering van de stoffen en voorwerpen van de cijfers 6, 12, 13 en 28, in de afzonderlijke cijfers van rn. 301 worden ingedeeld in één van de volgende groepen:

a) zeer gevaarlijke stoffen: brandbare vloeistoffen met een kookpunt of beginkookpunt van ten hoogste 35 °C, en brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, die ofwel zeer giftig zijn volgens de criteria van rn. 600, dan wel sterk bijtend volgens de criteria van rn. 800;

b) gevaarlijke stoffen: brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, die niet onder groep a) vallen, uitgezonderd de stoffen van rn. 301, cijfer 5c);

c) minder gevaarlijke stoffen: brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 23 t/m 61 °C, alsmede stoffen van rn. 301, cijfer 5c).

(4) Indien stoffen van klasse 3 als gevolg van toevoegingen overgaan naar andere gevaarscategorieën dan die waartoe de met name genoemde stoffen van rn. 301 behoren, moeten deze mengsels of oplossingen worden ingedeeld in de cijfers of de groepen waartoe zij op grond van hun werkelijke gevaarseigenschappen behoren.

Opmerking: Voor de indeling van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), zie ook rn. 3 (3).

(5) Op grond van de criteria van lid (2) en de criteria van de beproevingsmethoden volgens Aanhangsel III, rn. 1300 t/m 1302, 1304 en 1310, kan ook worden vastgesteld of de aard van een met name genoemde oplossing of een met name genoemd mengsel, respectievelijk een oplossing of een mengsel, die/dat een met name genoemde stof bevat, zodanig is, dat deze oplossing of dit mengsel niet is onderworpen aan de voorwaarden van deze klasse.

(6) Brandbare vloeistoffen die zeer giftig zijn bij inademen, met een vlampunt lager dan 23 °C, zijn stoffen van klasse 6.1 (zie rn. 601, cijfer 1 t/m 10).

(7) Stoffen van klasse 3, die gemakkelijk peroxiden kunnen vormen (zoals ethers of bepaalde heterocyclische zuurstofhoudende stoffen) mogen slechts ten vervoer worden aangeboden, indien het peroxidegehalte, berekend als waterstofperoxide (H2O2), niet hoger is dan 0,3 %. Het peroxidegehalte moet worden bepaald zoals aangegeven in Aanhangsel III, rn. 1303.

(8) De chemisch instabiele stoffen van klasse 3 mogen slechts ten vervoer worden aangeboden, indien de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen om een gevaarlijke ontleding of polymerisatie tijdens het vervoer te verhinderen. Daartoe moet er in het bijzonder zorg voor worden gedragen, dat de houders geen stoffen bevatten, die deze reacties kunnen bevorderen.

A. Stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, niet giftig en niet bijtend

301 1. Stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), met een dampdruk bij 50 °C hoger dan 175 kPa (1,75 bar):

a) 1089 aceetaldehyde (ethanal),

1108 penteen-1 (n-amyleen),

1144 crotonyleen (butyn-2),

1243 methylformiaat,

1265 pentanen, vloeibaar (isopentaan),

1267 ruwe aardolie,

1303 vinylideenchloride, gestabiliseerd (1,1-dichloorethyleen, gestabiliseerd),

1308 zirkonium, gesuspendeerd in een brandbare vloeistof,

1863 brandstof voor straalvliegtuigen,

2371 isopentenen,

2389 furan,

2456 2-chloorpropeen,

2459 2-methylbuteen-1,

2561 3-methylbuteen-1 (isoamyleen-1) (isopropylethyleen),

2749 tetramethylsilaan,

1268 aardoliedestillaten, n.e.g. of

1268 aardolieproducten, n.e.g.,

3295 koolwaterstoffen, vloeibaar, n.e.g.,

1993 brandbare vloeistof, n.e.g.

2. Stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), met een dampdruk bij 50 °C hoger dan 110 kPa (1,10 bar) doch ten hoogste 175 kPa (1,75 bar):

a) 1155 diethylether (ethylether),

1167 divinylether, gestabiliseerd,

1218 isopreen, gestabiliseerd,

1267 ruwe aardolie,

1280 propyleenoxide,

1302 vinylethylether, gestabiliseerd,

1308 zirkonium, gesuspendeerd in een brandbare vloeistof,

1863 brandstof voor straalvliegtuigen,

2356 2-chloorpropaan (isopropylchloride),

2363 ethylmercaptaan,

1268 aardoliedestillaten, n.e.g. of

1268 aardolieproducten, n.e.g.,

3295 koolwaterstoffen, vloeibaar, n.e.g.,

1993 brandbare vloeistof, n.e.g.;

b) 1164 dimethylsulfide,

1234 methylal (dimethoxymethaan),

1265 pentanen, vloeibaar (n-pentaan),

1267 ruwe aardolie,

1278 1-chloorpropaan (propylchloride),

1308 zirkonium, gesuspendeerd in een brandbare vloeistof,

1863 brandstof voor straalvliegtuigen,

2246 cyclopenteen,

2460 2-methylbuteen-2,

2612 methylpropylether,

1224 ketonen, n.e.g.,

1268 aardoliedestillaten, n.e.g. of

1268 aardolieproducten, n.e.g.,

1987 alcoholen, brandbaar, n.e.g.,

1989 aldehyden, brandbaar, n.e.g.,

3295 koolwaterstoffen, vloeibaar, n.e.g.,

1993 brandbare vloeistof, n.e.g.

3. Stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), met een dampdruk bij 50 °C van ten hoogste 110 kPa (1,10 bar):

b) 1203 benzine (motorbrandstof),

1267 ruwe aardolie,

1863 brandstof voor straalvliegtuigen,

1268 aardoliedestillaten, n.e.g. of

1268 aardolieproducten, n.e.g.

Opmerking: Hoewel de dampdruk bij 50 °C van benzine onder bepaalde klimatologische omstandigheden hoger kan zijn dan 110 kPa (1,10 bar) doch ten hoogste 150 kPa (1,50 bar), blijft deze stof ingedeeld in dit cijfer.

koolwaterstoffen:

1114 benzeen,

1136 koolteerdestillaten,

1145 cyclohexaan,

1146 cyclopentaan,

1175 ethylbenzeen,

1206 heptanen,

1208 hexanen,

1216 isooctenen,

1262 octanen,

1288 leisteenolie,

1294 tolueen,

1300 kunstterpentijn (white spirit),

1307 xylenen (o-xyleen, 1,2-dimethylbenzeen),

2050 diisobutyleen, isomere verbindingen,

2057 tripropyleen (propyleen trimeer),

2241 cycloheptaan,

2242 cyclohepteen,

2251 bicyclo-[2,2,1]-heptadieen-2,5, gestabiliseerd (norbornadieen-2,5, gestabiliseerd),

2256 cyclohexeen,

2263 dimethylcyclohexanen,

2278 n-hepteen,

2287 isoheptenen,

2288 isohexenen,

2296 methylcyclohexaan,

2298 methylcyclopentaan,

2309 octadienen,

2358 cyclooctatetraeen,

2370 hexeen-1,

2457 2,3-dimethylbutaan,

2458 hexadienen,

2461 methylpentadienen,

3295 koolwaterstoffen, vloeibaar, n.e.g.

halogeenhoudende stoffen:

1107 amylchloriden,

1126 1-broombutaan (n-butylbromide),

1127 chloorbutanen (butylchloriden),

1150 1,2-dichloorethyleen,

1279 propyleendichloride (1,2-dichloorpropaan),

2047 dichloorpropenen,

2338 benzotrifluoride,

2339 2-broombutaan,

2340 2-broommethylethylether,

2342 broommethylpropanen,

2343 2-broompentaan,

2344 broompropanen,

2345 3-broompropyn,

2362 1,1-dichloorethaan (ethylideenchloride),

2387 fluorbenzeen,

2388 fluortoluenen,

2390 2-joodbutaan,

2391 joodmethylpropanen,

2554 methylallylchloride

alcoholen:

1105 amylalcoholen,

1120 butanolen,

1148 diacetonalcohol, technisch,

1170 ethanol (ethylalcohol) of

1170 ethanol, oplossing (ethylalcohol, oplossing), waterige oplossing met meer dan 70 vol.-% alcohol,

1219 isopropanol (isopropylalcohol),

1274 n-propanol (n-propylalcohol),

3065 alcoholische dranken met meer dan 70 vol.-% alcohol,

1987 alcoholen, brandbaar, n.e.g.

Opmerking: Alcoholische dranken met meer dan 24 vol.-% en ten hoogste 70 vol.-% alcohol zijn stoffen van cijfer 31c).

ethers:

1088 acetal (1,1-diethoxyethaan),

1159 diisopropylether,

1165 dioxaan,

1166 dioxolaan,

1179 ethylbutylether,

1304 vinylisobutylether, gestabiliseerd,

2056 tetrahydrofuran,

2252 1,2-dimethoxyethaan,

2301 2-methylfuran,

2350 butylmethylether,

2352 butylvinylether, gestabiliseerd,

2373 diethoxymethaan,

2374 3,3-diethoxypropeen,

2376 2,3-dihydropyran,

2377 1,1-dimethoxyethaan,

2384 di-n-propylether,

2398 methyl-tert-butylether,

2536 methyltetrahydrofuran,

2615 ethylpropylether,

2707 dimethyldioxanen,

3022 1,2-butyleenoxide, gestabiliseerd,

3271 ethers, n.e.g.

aldehyden:

1129 butyraldehyde,

1178 2-ethylbutyraldehyde,

1275 propionaldehyde,

2045 isobutyraldehyde,

2058 valeraldehyde,

2367 alfa-methylvaleraldehyde,

1989 aldehyden, brandbaar, n.e.g.

ketonen:

1090 ceton,

1156 diethylketon,

1193 methylethylketon (ethylmethylketon),

1245 methylisobutylketon,

1246 methylisopropenylketon, gestabiliseerd,

1249 methylpropylketon,

2346 butaandion (diacetyl),

2397 3-methylbutaan-2-on,

1224 ketonen, n.e.g.

esters:

1123 butylacetaten,

1128 n-butylformiaat,

1161 dimethylcarbonaat,

1173 ethylacetaat,

1176 triethylboraat,

1190 ethylformiaat,

1195 ethylpropionaat,

1213 isobutylacetaat,

1220 isopropylacetaat,

1231 methylacetaat,

1237 methylbutyraat,

1247 methylmethacrylaat, monomeer, gestabiliseerd,

1248 methylpropionaat,

1276 n-propylacetaat,

1281 propylformiaten,

1301 vinylacetaat, gestabiliseerd,

1862 ethylcrotonaat,

1917 ethylacrylaat, gestabiliseerd,

1919 methylacrylaat, gestabiliseerd,

2277 ethylmethacrylaat,

2385 ethylisobutyraat,

2393 isobutylformiaat,

2394 sobutylpropionaat,

2400 methylisovaleraat,

2403 isopropenylacetaat,

2406 isopropylisobutyraat,

2409 isopropylpropionaat,

2416 trimethylboraat,

2616 triisopropylboraat,

2838 vinylbutyraat, gestabiliseerd,

3272 esters, n.e.g.

zwavelhoudende stoffen:

1111 amylmercaptanen,

2347 butylmercaptanen,

2375 diethylsulfide,

2381 dimethyldisulfide,

2402 propaanthiolen (propylmercaptanen)

2412 tetrahydrothiofeen,

2414 thiofeen,

2436 thioazijnzuur

stikstofhoudende stoffen:

1113 amylnitrieten,

1222 isopropylnitraat,

1261 nitromethaan,

1282 pyridine,

1648 acetonitril (methylcyanide),

1865 n-propylnitraat,

2351 butylnitrieten,

2372 1,2-bis-(dimethylamino)-ethaan,

2410 1,2,3,6-tetrahydropyridine,

andere brandbare stoffen, mengsels en preparaten die brandbare vloeistoffen bevatten:

1091 acetonoliën,

1201 foezelolie,

1293 tincturen, medicinale,

1308 zirkonium, gesuspendeerd in een brandbare vloeistof,

2380 dimethyldiethoxysilaan,

1993 brandbare vloeistof, n.e.g.

Opmerking: Voor viskeuze stoffen, mengsels of preparaten, zie cijfer 5.

4. Oplossingen van nitrocellulose in mengsels van stoffen van de cijfers 1 t/m 3, die meer dan 20 % en ten hoogste 55 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van ten hoogste 12,6 % in de droge stof bevatten:

a) 2059 nitrocellulose, oplossing, brandbaar

b) 2059 nitrocellulose, oplossing, brandbaar

Opmerkingen: 1. Mengsels met een vlampunt lager dan 23 °C

met meer dan 55 % nitrocellulose ongeacht het stikstofgehalte, of

met ten hoogste 55 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van meer dan 12,6 % in de droge stof

zijn stoffen van klasse 1 (zie rn. 101, cijfer 4, identificatienummer 0340, of cijfer 26, identificatienummer 0342) of van klasse 4.1 (zie rn. 401, cijfer 24).

2. Mengsels die ten hoogste 20 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van ten hoogste 12,6 % in de droge stof bevatten, zijn stoffen van cijfer 5.

5. Vloeibare of viskeuze mengsels en preparaten, met inbegrip van stoffen die ten hoogste 20 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van ten hoogste 12,6 % in de droge stof bevatten:

a) met een kookpunt of beginkookpunt van hoogstens 35 °C, voor zover zij niet onder c) vallen:

1133 lijmen,

1139 beschermlak, oplossing (met inbegrip van voor industriële of andere doeleinden gebruikte oppervlaktebehandelingen of deklagen, zoals beschermlaag voor voertuigcarrosserieën, bekleding van vaten),

1169 extracten, aromatisch, vloeibaar,

1197 extracten, smaakstoffen, vloeibaar,

1210 drukinkt,

1263 verf (waaronder begrepen verf, lakverf, emaillak, beits, schellakoplossing, vernis, polijstmiddel, vloeibare plamuur, vloeibare lakbasis) of

1263 verf-verwante producten (waaronder begrepen verfverdunners en verfoplos-middelen),

1266 parfumerieproducten,

1286 harsolie,

1287 rubbersolutie,

1866 hars, oplossing;

b) met een kookpunt of beginkookpunt hoger dan 35 °C, voor zover zij niet onder c) vallen:

1133 lijmen,

1139 beschermlak, oplossing (met inbegrip van voor industriële of andere doeleinden gebruikte oppervlaktebehandelingen of deklagen, zoals beschermlaag voor voertuigcarrosserieën, bekleding van vaten),

1169 extracten, aromatisch, vloeibaar,

1197 extracten, smaakstoffen, vloeibaar,

1210 drukinkt,

1263 verf (waaronder begrepen verf, lakverf, emaillak, beits, schellakoplossing, vernis, polijstmiddel, vloeibare plamuur, vloeibare lakbasis) of

1263 verf-verwante producten (waaronder begrepen verfverdunners en verfoplosmiddelen),

1266 parfumerieproducten,

1286 harsolie,

1287 rubbersolutie,

1306 houtconserveringsmiddelen, vloeibaar,

1866 hars, oplossing,

1999 teer, vloeibaar (waaronder begrepen asfalt voor wegen, teerolie, bitumen en oplossingen daarvan)

3269 polyesterhars-kit;

c) 1133 lijmen,

1139 beschermlak, oplossing (met inbegrip van voor industriële of andere doeleinden gebruikte oppervlaktebehandelingen of deklagen, zoals beschermlaag voor voertuigcarrosserieën, bekleding van vaten),

1169 extracten, aromatisch, vloeibaar,

1197 extracten, smaakstoffen, vloeibaar,

1210 drukinkt,

1263 verf (waaronder begrepen verf, lakverf, emaillak, beits, schellakoplossing, vernis, polijstmiddel, vloeibare plamuur, vloeibare lakbasis) of

1263 verf-verwante producten (waaronder begrepen verfverdunners en verfoplosmiddelen),

1266 parfumerieproducten,

1286 harsolie,

1287 rubbersolutie,

1306 houtconserveringsmiddelen, vloeibaar,

1866 hars, oplossing,

1999 teer, vloeibaar (waaronder begrepen asfalt voor wegen, teerolie, bitumen en oplossingen daarvan),

3269 polyesterhars-kit,

1993 brandbare vloeistof, n.e.g.

Indeling van deze mengsels en formuleringen in groep c) is alleen toegelaten onder de volgende voorwaarden:

1. Bij de beproeving van afscheiding van oplosmiddel 1 () moet de hoogte van de afgescheiden laag kleiner zijn dan 3 % van de totale hoogte van het monster;

2. Viscositeit 2 () en vlampunt moeten overeenkomen met de waarden in de volgende tabel:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Opmerkingen: 1. Mengsels die meer dan 20 % doch ten hoogste 55 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van ten hoogste 12,6 % in de droge stof bevatten, zijn stoffen van cijfer 4.

Mengsels met een vlampunt lager dan 23 °C

met meer dan 55 % nitrocellulose ongeacht het stikstofgehalte, of

met ten hoogste 55 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van meer dan 12,6 % in de droge stof

zijn stoffen van klasse 1 (zie rn. 101, cijfer 4, identificatienummer 0340, of cijfer 26, identificatienummer 0342) of van klasse 4.1 (zie rn. 401, cijfer 24).

2. Stoffen die met name genoemd zijn onder andere posities van deze Richtlijn mogen niet worden vervoerd onder de positie 1263 verf of 1263 verf-verwante producten. Stoffen die onder identificatienummer 1263 worden vervoerd mogen ten hoogste 20 % nitrocellulose bevatten onder voorwaarde dat de nitrocellulose ten hoogste 12,6 % stikstof in de droge stof bevat.

3. 3269 Polyesterhars-kits bestaan uit twee componenten: een basisproduct [klasse 3, groep b) of c)] en een activator (organisch peroxide), die beide afzonderlijk verpakt zijn in een binnenverpakking. Het organische peroxide moet van het type D, E of F zijn, waarvoor temperatuurbeheersing niet is vereist en waarvan de hoeveelheid per binnenverpakking is beperkt tot 125 ml voor vloeistoffen en 500 g voor vaste stoffen. De componenten mogen in dezelfde buitenverpakking zijn geplaatst, onder voorwaarde dat zij in geval van lekkage niet gevaarlijk met elkaar reageren.

6. 3064 nitroglycerine, oplossing in alcohol, met meer dan 1 % doch ten hoogste 5 % nitroglycerine.

Opmerking: Voor deze stof gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 303); zie bovendien klasse 1, rn. 101, cijfer 4, identificatienummer 0144.

7. b) 1204 nitroglycerine, oplossing in alcohol, met ten hoogste 1 % nitroglycerine.

B. Stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, giftig

Opmerkingen: 1. Vloeistoffen die bij inademen zeer giftig zijn, met een vlampunt lager dan 23 °C (zie rn. 601, cijfer 1 t/m 10) en giftige stoffen met een vlampunt van 23 °C of hoger zijn stoffen van klasse 6.1.

2. Wat betreft de criteria voor giftigheid, zie rn. 600 (3).

11. Nitrilen en isonitrilen (isocyaniden):

a) 1093 acrylnitril, gestabiliseerd,

3079 methacrylnitril, gestabiliseerd,

3273 nitrilen, brandbaar, giftig, n.e.g.,

b) 2284 isobutyronitril,

2378 2-dimethylaminoacetonitril,

2404 propionitril,

2411 butyronitril,

3273 nitrilen, brandbaar, giftig, n.e.g.

12. 1921 propyleenimine, gestabiliseerd.

Opmerking: Voor deze stof gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 304).

13. 2481 ethylisocyanaat.

Opmerking: Voor deze stof gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 304).

14. Andere isocyanaten:

a) 2483 isopropylisocyanaat,

2605 methoxymethylisocyanaat;

b) 2486 isobutylisocyanaat,

2478 isocyanaten, brandbaar, giftig, n.e.g. of

2478 isocyanaten, oplossing, brandbaar, giftig, n.e.g.

Opmerking: Oplossingen van isocyanaten met een vlampunt van 23 °C of hoger zijn stoffen van klasse 6.1 (zie rn. 601, cijfer 18 of 19).

15. Andere stikstofhoudende stoffen:

a) 1194 ethylnitriet, oplossing

16. Organische halogeenhoudende stoffen:

a) 1099 allylbromide,

1100 allylchloride,

1991 chloropreen, gestabiliseerd;

b) 1184 ethyleendichloride (1,2-dichloorethaan),

2354 chloormethylethylether

17. Organische zuurstofhoudende stoffen:

a) 2336 allylformiaat

2983 ethyleenoxide en propyleenoxide, mengsel met ten hoogste 30 % ethyleenoxide

1986 alcoholen, brandbaar, giftig, n.e.g.

1988 aldehyden, brandbaar, giftig, n.e.g.

b) 1230 methanol

2333 allylacetaat

2335 allylethylether

2360 diallylether

2396 methacrylaldehyde, gestabiliseerd

2622 glycidaldehyde

1986 alcoholen, brandbaar, giftig, n.e.g.

1988 aldehyden, brandbaar, giftig, n.e.g.

18. Organische zwavelhoudende stoffen:

a) 1131 koolstofdisulfide (zwavelkoolstof);

b) 1228 mercaptanen, vloeibaar, brandbaar, giftig, n.e.g. of

1228 mercaptanen, mengsel, vloeibaar, brandbaar, giftig, n.e.g.

19. Giftige stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), met een vlampunt lager dan 23 °C, die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 1992 brandbare vloeistof, giftig, n.e.g.;

b) 2603 cycloheptatrieen,

3248 medicament, vloeibaar, brandbaar, giftig, n.e.g.,

1992 brandbare vloeistof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Farmaceutische producten, gereed voor gebruik, b.v. cosmetica en medicamenten, die zijn vervaardigd en verpakt in verpakkingen van een type bestemd voor de detailhandel of distributie, voor persoonlijk of huishoudelijk gebruik, die anders stoffen van cijfer 19b) zouden zijn geweest, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

C. Stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, bijtend

Opmerkingen: 1. Bijtende vloeistoffen met een vlampunt van 23 °C of hoger zijn stoffen van klasse 8 (zie rn. 801).

2. Bepaalde brandbare bijtende vloeistoffen met een vlampunt lager dan 23 °C en een kookpunt hoger dan 35 °C zijn stoffen van klasse 8 [zie rn. 800 (7)a)].

3. Wat betreft de criteria voor de bijtende werking zie rn. 800 (3).

21. Chloorsilanen:

a) 1250 methyltrichloorsilaan,

1305 vinyltrichloorsilaan, gestabiliseerd;

b) 1162 dimethyldichloorsilaan,

1196 ethyltrichloorsilaan,

1298 trimethylchloorsilaan,

2985 chloorsilanen, brandbaar, bijtend, n.e.g.

Opmerking: Chloorsilanen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 [zie rn. 471, cijfer 1a)].

22. Aminen en oplossingen daarvan:

a) 1221 isopropylamine,

1297 trimethylamine, oplossing in water, met 30 tot 50 massa-% trimethylamine,

2733 aminen, brandbaar, bijtend, n.e.g. of

2733 polyaminen, brandbaar, bijtend, n.e.g.;

b) 1106 amylaminen (n-amylamine, tert-amylamine),

1125 n-butylamine,

1154 diethylamine,

1158 diisopropylamine,

1160 dimethylamine, oplossing in water,

1214 isobutylamine,

1235 methylamine, oplossing in water,

1277 propylamine,

1296 triethylamine,

1297 trimethylamine, oplossing in water, met ten hoogste 30 massa-% trimethylamine,

2266 N,N-dimethylpropylamine (dimethyl-N-propylamine),

2270 ethylamine, oplossing in water, met ten minste 50 massa-% en ten hoogste 70 massa-% ethylamine,

2379 1,3-dimethylbutylamine,

2383 dipropylamine,

2945 N-methylbutylamine,

2733 aminen, brandbaar, bijtend, n.e.g. of

2733 polyaminen, brandbaar, bijtend, n.e.g.

Opmerking: 1032 Dimethylamine, watervrij, 1036 ethylamine, watervrij, 1061 methylamine, watervrij en 1083 trimethylamine, watervrij zijn stoffen van klasse 2 (zie rn. 201, cijfer 2 F).

23. Andere stikstofhoudende stoffen:

b) 1922 pyrrolidine

2386 1-ethylpiperidine

2399 1-methylpiperidine

2401 piperidine

2493 hexamethyleenimine

2535 4-methylmorfoline (N-methylmorfoline)

24. Oplossingen van alcoholaten:

b) 1289 natriummethylaat, oplossing in alcohol,

3274 alcoholaten, oplossing in alcohol, n.e.g.

25. Andere halogeenhoudende bijtende stoffen:

b) 1717 acetylchloride,

1723 allyljodide,

1815 propionylchloride,

2353 butyrylchloride,

2395 isobutyrylchloride

26. Sterk bijtende, bijtende, of zwak bijtende stoffen alsmede oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), met een vlampunt lager dan 23 °C, die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 2924 brandbare vloeistof, bijtend, n.e.g.;

b) 2924 brandbare vloeistof, bijtend, n.e.g.

D. Stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, giftig en bijtend, alsmede voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten

27. a) 3286 brandbare vloeistof, giftig, bijtend, n.e.g.;

b) 2359 diallylamine,

3286 brandbare vloeistof, giftig, bijtend, n.e.g.

28. 3165 brandstofreservoir voor hydraulisch aggregaat voor vliegtuigen (die een mengsel van watervrije hydrazine en methylhydrazine bevat)

Opmerking: Voor deze reservoirs gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 309)

E. Stoffen met een vlampunt van 23 °C t/m 61 °C, die zwak giftig of zwak bijtend kunnen zijn

Opmerking: Niet giftige en niet bijtende oplossingen en homogene mengsels met een vlampunt van 23 °C en hoger (viskeuze stoffen, zoals verven en lakken, uitgezonderd stoffen die meer dan 20 % nitrocellulose bevatten) verpakt in houders met een inhoud van ten hoogste 450 liter, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, indien bij de beproeving van afscheiding van oplosmiddel volgens voetnoot 1) bij cijfer 5 de hoogte van de afgescheiden laag oplosmiddel kleiner is dan 3 % van de totale hoogte, en indien deze stoffen in de uitloopbeker volgens ISO-norm 2431:1984 met een uitloopopening van 6 mm diameter bij 23 °C een uitlooptijd

a) van ten minste 60 seconden, of

b) van ten minste 40 seconden bezitten en niet meer dan 60 % stoffen van klasse 3 bevatten.

31. Stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), met een vlampunt van 23 °C t/m 61 °C, niet zwak giftig en niet zwak bijtend:

c) 1202 dieselolie of

1202 gasolie of

1202 stookolie, lichte,

1202 kerosine

1267 ruwe aardolie,

1863 brandstof voor straalvliegtuigen,

1268 aardoliedistillaten, n.e.g. of

1268 aardolieproducten, n.e.g.

Opmerking: Afwijkend van rn. 300 (2), zijn dieselolie, gasolie en lichte stookolie met een vlampunt hoger dan 61 °C, stoffen van cijfer 31c), identificatienummer 1202.

koolwaterstoffen:

1136 koolteerdestillaten,

1147 decahydronaftaleen (decaline),

1288 leisteenolie,

1299 terpentijn,

1300 Terpentinölersatz (White Spirit)

1307 xylenen (m-xyleen; p-xyleen; dimethylbenzenen),

1918 isopropylbenzeen (cumeen),

1920 nonanen,

1999 teer, vloeibaar (waaronder begrepen asfalt voor wegen, teerolie, bitumen en oplossingen daarvan),

2046 cymenen (o-, m-, p-) (methylisopropylbenzenen),

2048 dicyclopentadieen,

2049 diethylbenzenen (o-, m-, p-),

2052 dipenteen (limoneen)

2055 styreen monomeer, gestabiliseerd (vinylbenzeen, monomeer, gestabiliseerd),

2057 tripropyleen (propyleen trimeer),

2247 n-decaan,

2286 pentamethylheptaan (isododecaan),

2303 isopropenylbenzeen,

2324 triisobutyleen,

2325 1,3,5-trimethylbenzeen (mesityleen),

2330 undecaan,

2364 n-propylbenzeen,

2368 alfa-pineen,

2520 cyclooctadienen,

2541 terpinoleen,

2618 vinyltoluenen, gestabiliseerd (o-, m-, p-),

2709 butylbenzenen,

2850 tetrapropyleen (propyleen tetrameer),

2319 terpeen-koolwaterstoffen, n.e.g.,

3295 koolwaterstoffen, vloeibaar, n.e.g.

halogeenhoudende stoffen:

1134 chloorbenzeen (fenylchloride),

1152 dichloorpentanen,

2047 dichloorpropenen,

2234 chloorbenzotrifluoriden (o-, m-, p-),

2238 chloortoluenen (o-, m-, p-),

2341 1-broom-3-methylbutaan,

2392 joodpropanen,

2514 broombenzeen,

alcoholen:

1105 amylalcoholen,

1120 butanolen,

1148 diacetonalcohol, chemisch zuiver,

1170 ethanol, oplossing (ethylalcohol, oplossing), met meer dan 24 vol.- % en ten hoogste 70 vol.- % alcohol,

1171 ethyleenglycolmonoethylether (2-ethoxyethanol),

1188 ethyleenglycolmonomethylether (2-methoxyethanol),

1212 isobutanol (isobutylalcohol),

1274 n-propanol (n-propylalcohol),

2053 methylisobutylcarbinol (methylamylalcohol),

2244 cyclopentanol

2275 2-ethylbutanol

2282 hexanolen

2560 2-methylpentanol-2

2614 methylallylalkohol

2617 methylcyclohexanolen, brandbaar,

3065 alcoholische dranken met meer dan 24 vol.- % en ten hoogste 70 vol.- % alcohol,

3092 1-methoxy-2-propanol,

1987 alcoholen, brandbaar, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Waterige oplossingen van ethylalcohol en alcoholische dranken, met ten hoogste 24 vol.- % alcohol zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. Alcoholische dranken met meer dan 24 vol.- % en ten hoogste 70 vol.- % alcohol zijn alleen onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, wanneer zij in houders met een inhoud van meer dan 250 liter, in reservoirwagens of in tankcontainers worden vervoerd.

ethers:

1149 dibutylethers,

1153 ethyleenglycoldiethylether (1,2-diethoxyethaan),

2219 allylglycidylether,

2222 anisol (fenylmethylether),

2707 dimethyldioxanen,

2752 1,2-epoxy-3-ethoxypropaan,

3271 ethers, n.e.g.

aldehyden:

1191 octylaldehyden (ethylhexaldehyden) (2-ethylhexaldehyde, 3-ethylhexaldehyde),

1207 hexaldehyde,

1264 paraldehyde,

2498 1,2,3,6-tetrahydrobenzaldehyde,

2607 acroleine dimeer, gestabiliseerd,

3056 n-heptaldehyde,

1989 aldehyden, brandbaar, n.e.g.

ketonen:

1110 n-amylmethylketon,

1157 diisobutylketon,

1229 mesityloxide,

1915 cyclohexanon,

2245 cyclopentanon,

2271 ethylamylketonen,

2293 4-methoxy-4-methylpentaan-2-on,

2297 methylcyclohexanonen,

2302 5-methylhexaan-2-on,

2621 acetylmethylcarbinol,

2710 dipropylketon,

1224 ketonen, n.e.g.

esters:

1104 amylacetaten,

1109 amylformiaten,

1123 butylacetaten,

1172 ethyleenglycolmonoethyletheracetaat (2-ethoxyethylacetaat),

1177 ethylbutylacetaat,

1180 ethylbutyraat,

1189 ethyleenglycolmonomethyletheracetaat,

1192 ethyllactaat,

1233 methylamylacetaat,

1292 tetraethylsilicaat,

1914 butylpropionaten,

2227 butylmethacrylaat, gestabiliseerd,

2243 cyclohexylacetaat,

2283 isobutylmethacrylaat, gestabiliseerd,

2323 triethylfosfiet,

2329 trimethylfosfiet,

2348 butylacrylaten, gestabiliseerd,

2366 diethylcarbonaat (ethylcarbonaat),

2405 isopropylbutyraat,

2413 tetrapropylorthotitanaat,

2524 ethylorthoformiaat,

2527 isobutylacrylaat, gestabiliseerd,

2528 isobutylisobutyraat,

2616 triisopropylboraat,

2620 amylbutyraten,

2933 methyl-2-chloorpropionaat,

2934 isopropyl-2-chloorpropionaat,

2935 ethyl-2-chloorpropionaat,

2947 isopropylchlooracetaat,

3272 esters, n.e.g.

stikstofhoudende stoffen:

1112 amylnitraten,

2054 morfoline,

2265 N,N-dimethylformamide,

2313 picolinen (methylpyridinen),

2332 acetaldoxime,

2351 butylnitrieten,

2608 nitropropanen,

2840 butyraldoxime,

2842 nitroethaan,

2943 tetrahydrofurfurylamine

zwavelhoudende stoffen:

3054 cyclohexylmercaptaan

andere brandbare stoffen, mengsels en preparaten die brandbare vloeistoffen bevatten:

1130 kamferolie,

1133 lijmen,

1139 beschermlak, oplossing (met inbegrip van voor industriële of andere doeleinden gebruikte oppervlaktebehandelingen of deklagen, zoals beschermlaag voor voertuigcarrosserieën, bekleding van vaten),

1169 extracten, aromatisch, vloeibaar,

1197 extracten, smaakstoffen, vloeibaar,

1201 foezelolie,

1210 drukinkt,

1263 verf (waaronder begrepen verf, lakverf, emaillak, beits, schellakoplossing, vernis, polijstmiddel, vloeibare plamuur, vloeibare lakbasis) of

1263 verf-verwante producten (waaronder begrepen verfverdunners en verfoplosmiddelen),

1266 parfumerieproducten,

1272 pijnolie,

1286 harsolie,

1287 rubbersolutie,

1293 tincturen, medicinale,

1306 houtconserveringsmiddelen, vloeibaar,

1308 zirkonium, gesuspendeerd in een brandbare vloeistof,

1866 hars, oplossing,

3269 polyesterhars-kit,

1993 brandbare vloeistof, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Mengsels met meer dan 20 % doch ten hoogste 55 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van ten hoogste 12,6 % in de droge stof zijn stoffen van cijfer 34c).

2. Voor 3269 polyesterhars-kits, zie Opmerking 3 onder cijfer 5.

32. Zwak giftige stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), met een vlampunt van 23 °C t/m 61 °C:

c) 2841 di-n-amylamine,

1228 mercaptanen, vloeibaar, brandbaar, giftig, n.e.g. of

1228 mercaptanen, mengsel, vloeibaar, brandbaar, giftig, n.e.g.,

1986 alcoholen, brandbaar, giftig, n.e.g.,

1988 aldehyden, brandbaar, giftig, n.e.g.,

2310 2,4-pentaandion (acetylaceton)

2478 isocyanaten, brandbaar, giftig, n.e.g. of

2478 isocyanaten, oplossing, brandbaar, giftig, n.e.g.,

3248 medicament, vloeibaar, brandbaar, giftig, n.e.g.,

1992 brandbare vloeistof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Farmaceutische producten, gereed voor gebruik, b.v. cosmetica en medicamenten, die zijn vervaardigd en verpakt in verpakkingen van een type bestemd voor de detailhandel of distributie, voor persoonlijk of huishoudelijk gebruik, die anders stoffen van cijfer 32c) zouden zijn geweest, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

33. Zwak bijtende stoffen, oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), met een vlampunt van 23 °C t/m 61 °C:

c) 1106 amylamine (sec-amylamine),

1198 formaldehyde, oplossing, brandbaar,

1289 natriummethylaat, oplossing in alcohol,

1297 trimethylamine, oplossing in water, met ten hoogste 30 massa- % trimethylamine,

2260 tripropylamine,

2276 2-ethylhexylamine,

2361 diisobutylamine,

2526 furfurylamine,

2529 isoboterzuur,

2530 isoboterzuuranhydride,

2610 triallylamine,

2684 3-(diethylamino)-propylamine,

2733 aminen, brandbaar, bijtend, n.e.g. of

2733 polyaminen, brandbaar, bijtend, n.e.g.,

2924 brandbare vloeistof, bijtend, n.e.g.

34. Oplossingen van nitrocellulose in mengsels van stoffen van cijfer 31c), met meer dan 20 % doch ten hoogste 55 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van ten hoogste 12,6 % in de droge stof:

c) 2059 nitrocellulose, oplossing, brandbaar

Opmerking: Mengsels

met meer dan 55 % nitrocellulose ongeacht het stikstofgehalte, of

met ten hoogste 55 % nitrocellulose met een stikstofgehalte van meer dan 12,6 % in de droge stof

zijn stoffen van klasse 1 (zie rn. 101, cijfer 4, identificatienummer 0340, of cijfer 26, identificatienummer 0342) of van klasse 4.1 (zie rn. 401, cijfer 24).

F. Pesticiden (bestrijdingsmiddelen) met een vlampunt lager dan 23 °C

Opmerkingen: 1. Brandbare vloeistoffen en vloeibare preparaten die gebruikt worden als pesticide, en die zeer giftig, giftig of zwak giftig zijn, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C, zijn stoffen van klasse 6.1 (zie rn. 601, cijfer 71 t/m 73).

2. De tabel in rn. 601, cijfer 71 t/m 73 bevat een lijst van de meest gebruikte pesticiden en verwijst naar de identificatienummers, toegekend aan de benamingen voor de betreffende groep van chemische verbindingen (b.v. pesticide, organische fosforverbinding), waartoe het betreffende pesticide behoort. De aanduiding, gebruikt voor het vervoer van het pesticide, moet bestaan uit de geëigende benaming, gekozen op grond van de werkzame stof, de aggregatietoestand van het pesticide en alle mogelijke bijkomende gevaren, aangevuld met de aanduiding van de werkzame stof.

3. De stoffen en preparaten, gebruikt als pesticide, opgesomd onder cijfer 41, moeten worden ingedeeld in de groep a) of b), afhankelijk van hun kookpunt en mate van giftigheid. De indeling van alle werkzame stoffen en hun preparaten, gebruikt als pesticide, in "zeer giftig", "giftig" of "zwak giftig" geschiedt in overeenstemming met rn. 600 (3).

41. Vloeibare pesticiden, brandbaar, giftig, met een vlampunt lager dan 23 °C,

a) met een kookpunt of beginkookpunt van ten hoogste 35 °C en/of zeer giftig;

b) met een kookpunt of beginkookpunt hoger dan 35 °C en giftig of zwak giftig.

2758 pesticide (), carbamaat, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

2760 pesticide (), arseenverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

2762 pesticide (), organische chloorverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

2764 pesticide (), triazineverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

2766 pesticide (), fenoxyverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

2768 pesticide (), fenylureumverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

2770 pesticide (), benzoëzuurverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

2772 pesticide (), dithiocarbamaat, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

2774 pesticide (), ftaalimideverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

2776 pesticide (), koperverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

2778 pesticide (), kwikverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

2780 pesticide (), met gesubstitueerd nitrofenol, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

2782 pesticide (), bipyridiliumverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

2784 pesticide (), organische fosforverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

2787 pesticide (), organische tinverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

3024 pesticide (), cumarineverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, vlampunt lager dan 23 °C

3021 pesticide (), vloeibaar, brandbaar, giftig, n.e.g., vlampunt lager dan 23 °C

G. Stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C, die bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan hun vlampunt verwarmd vervoerd of ten vervoer aangeboden worden

61. c) 3256 verwarmde vloeistof, brandbaar, n.e.g., met een vlampunt hoger dan 61 °C, bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan haar vlampunt.

Opmerking: 3257 Verwarmde vloeistof, n.e.g. (met inbegrip van gesmolten metaal, gesmolten zout, etc.), bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan 100 °C en voor stoffen met een vlampunt, bij een temperatuur lager dan haar vlampunt, is een stof van klasse 9 [zie rn. 901 cijfer 20c)].

H. Lege verpakkingen

71. Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (lege IBC's), lege reservoirwagens en lege tankcontainers, die stoffen van klasse 3 hebben bevat.

Opmerking: Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (IBC's), die stoffen van deze klasse hebben bevat, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, indien geschikte maatregelen zijn genomen, om mogelijke gevaren uit te sluiten. Deze gevaren zijn uitgesloten, indien maatregelen zijn genomen om de gevaren van de klassen 1 t/m 9 op te heffen.

301a Aan de voorschriften van hoofstuk 2 "Vervoersvoorwaarden" zijn - met uitzondering van de in lid (3) genoemde bepalingen - niet onderworpen:

(1) De stoffen van de cijfers 1 t/m 5, 21 t/m 26 en 31 t/m 34, alsmede de zwak giftige stoffen van cijfer 41, die onder de hierna genoemde voorwaarden worden vervoerd:

a) de stoffen die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen, in hoeveelheden tot 500 ml per binnenverpakking en tot 1 liter per collo;

b) de stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen - met uitzondering van de stoffen van cijfer 5b) en alcoholische dranken van cijfer 3b) - in hoeveelheden tot 3 liter per binnenverpakking en tot 12 liter per collo;

c) alcoholische dranken van cijfer 3b) in hoeveelheden tot 5 liter per binnenverpakking;

d) de stoffen die onder cijfer 5b) vallen, in hoeveelheden tot 5 liter per binnenverpakking en tot 20 liter per collo;

e) de stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, in hoeveelheden tot 5 liter per binnenverpakking en tot 45 liter per collo.

Deze hoeveelheden van de stoffen moeten in samengestelde verpakkingen worden vervoerd, die ten minste voldoen aan de voorschriften van rn. 1538.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7) zijn van toepassing.

Opmerking: In geval van homogene mengsels die water bevatten, hebben de genoemde hoeveelheden slechts betrekking op de in deze mengsels aanwezige stoffen van deze klasse.

(2) Stoffen, die onder b) of c) van de cijfers 2 t/m 5, 21 t/m 26, 31 t/m 34 en 41 vallen, in binnenverpakkingen van metaal of kunststof, die op trays met krimp- of rekfolie als buitenverpakking worden vervoerd, onder de volgende voorwaarden:

a) de stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen - met uitzondering van de stoffen van cijfer 5b) en alcoholische dranken van cijfer 3b) - in hoeveelheden tot 1 liter per binnenverpakking van metaal of 500 ml per binnenverpakking van kunststof en tot 12 liter per collo;

b) alcoholische dranken van cijfer 3b) in hoeveelheden tot 1 liter per binnenverpakking van metaal of 500 ml per binnenverpakking van kunststof;

c) de stoffen die onder cijfer 5b) vallen, in hoeveelheden tot 1 liter per binnenverpakking van metaal of 500 ml per binnenverpakking van kunststof en tot 20 liter per collo;

d) de stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, in hoeveelheden tot 5 liter per binnenverpakking.

De totale massa van het collo mag in geen geval meer bedragen dan 20 kg.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7) zijn van toepassing.

Opmerking: In geval van homogene mengsels die water bevatten, hebben de genoemde hoeveelheden slechts betrekking op de in deze mengsels aanwezige stoffen van deze klasse.

(3) Bij vervoer overeenkomstig lid (1) en (2) moet de aanduiding van het goed in de vrachtbrief voldoen aan de voorschriften van rn. 314 en de woorden "gelimiteerde hoeveelheid" omvatten. Elk collo moet op duidelijke en duurzame wijze voorzien zijn van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

(4) Alcoholische dranken van cijfer 31c) in verpakkingen met een inhoud van ten hoogste 250 liter.

(5) Brandstof in reservoirs van transportmiddelen, die dient voor de voortbeweging daarvan of voor de werking van hun bijzondere uitrusting (b.v. koelinrichtingen). Bij motorfietsen en bromfietsen moet de afsluitkraan, die zich bevindt tussen de motor en het reservoir, indien daarin brandstof aanwezig is, tijdens het vervoer zijn gesloten; deze motorfietsen en bromfietsen moeten bovendien rechtopstaand worden geladen, en wel zodanig, dat omvallen is uitgesloten.

2. Vervoersvoorwaarden (De vervoersvoorwaarden voor lege verpakkingen zijn samengevat onder F.)

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

302 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel V, tenzij in hoofdstuk A.2 voor bepaalde stoffen bijzondere verpakkingsvoorschriften zijn opgenomen.

(2) IBC's moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel VI.

(3) Overeenkomstig het bepaalde in rn. 300 (3) en 1511 (2) of 1611 (2) moeten worden gebruikt:

voor zeer gevaarlijke stoffen, die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep I, gekenmerkt met de letter "X",

voor gevaarlijke stoffen, die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep II of I, gekenmerkt met de letter "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep II, gekenmerkt met de letter "Y",

voor minder gevaarlijke stoffen, die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep III, II of I, gekenmerkt met de letter "Z", "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep III of II, gekenmerkt met de letter "Z" of "Y".

Opmerking: Voor het vervoer van stoffen van klasse 3 in reservoirwagens, zie Aanhangsel XI, in tankcontainers, zie Aanhangsel X.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

303 Nitroglycerine in alcoholische oplossing van cijfer 6 moet in metalen bussen met een inhoud van ten hoogste 1 liter verpakt zijn. De metalen bussen moeten verpakt zijn in een houten kist die ten hoogste 5 liter van de oplossing mag bevatten. De metalen bussen moeten volledig omgeven zijn door voor opvulling dienende absorberende stoffen. De houten kisten moeten van binnen volledig bekleed zijn met een geschikt materiaal, dat ondoordringbaar is voor water en nitroglycerine.

Dergelijke colli moeten voldoen aan de beproevingsvoorschriften voor samengestelde verpakkingen overeenkomstig Aanhangsel V voor verpakkingsgroep II.

304 (1) Propyleenimine van cijfer 12 moet verpakt zijn:

a) in stalen houders met voldoende wanddikte, die met behulp van een ingedraaide stop of een opgeschroefde kap en geschikte pakkingconstructie gas- en vloeistofdicht zijn gesloten. De houders moeten vóór ingebruikneming en periodiek, steeds na ten hoogste 5 jaren, worden beproefd volgens het bepaalde in rn. 215 t/m 217 met een beproevingsdruk van ten minste 0,3 MPa (3 bar) (overdruk). Elke houder moet door toevoeging van voor opvulling dienende, absorberende stoffen zijn vastgezet in een stevige, dichte, beschermende verpakking van metaal. Deze beschermende verpakking moet hermetisch zijn gesloten en de sluiting ervan moet zodanig zijn gezekerd, dat deze niet onverwachts kan opengaan. De massa van de inhoud mag niet meer bedragen dan 0,67 kg per liter. Een collo mag niet meer wegen dan 75 kg. Voor zover zij niet als wagenlading worden verzonden, moeten colli die meer wegen dan 30 kg, van handvatten zijn voorzien; of

b) in stalen houders met voldoende wanddikte, die met behulp van een ingedraaide stop en een opgeschroefde kap of een gelijkwaardige inrichting gas- en vloeistofdicht zijn gesloten. De houders moeten vóór ingebruikneming en periodiek, steeds na ten hoogste 5 jaren, worden beproefd volgens het bepaalde in rn. 215 t/m 217 met een beproevingsdruk van ten minste 1 MPa (10 bar) (overdruk). De massa van de inhoud mag niet meer bedragen dan 0,67 kg per liter. Een collo mag niet meer wegen dan 75 kg.

c) De houders volgens a) en b) moeten goed leesbaar en duurzaam van de volgende merktekens zijn voorzien:

de naam of het merk van de fabrikant en het nummer van de houder;

de aanduiding "propyleenimine";

de massa van de lege houder en de hoogst toegestane massa van de houder in gevulde toestand;

de datum (maand, jaar) van de eerste beproeving en de laatst uitgevoerde periodieke beproeving;

het waarmerk van de deskundige, die de beproevingen heeft uitgevoerd.

(2) Ethylisocyanaat van cijfer 13 moet zijn verpakt:

a) in hermetisch gesloten houders van zuiver aluminium met een inhoud van ten hoogste 1 liter, die tot ten hoogste 90 % van de inhoud mogen zijn gevuld. Ten hoogste 10 van deze houders moeten met geschikte voor opvulling dienende stoffen in een houten kist zijn vastgezet. Een dergelijk collo moet voldoen aan de beproevingseisen voor samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538 voor verpakkingsgroep I, en het mag niet meer wegen dan 30 kg; of

b) in houders van zuiver aluminium met een wanddikte van ten minste 5 mm of van roestvast staal. De houders moeten volledig gelast zijn, en zij moeten vóór ingebruikneming en periodiek, steeds na ten hoogste 5 jaren, worden beproefd volgens het bepaalde in rn. 215 t/m 217 met een beproevingsdruk van ten minste 0,5 MPa (5 bar) (overdruk). Zij moeten dicht zijn gesloten door twee boven elkaar liggende sluitingen, waarvan één geschroefd of op gelijkwaardige wijze bevestigd moet zijn.

De vullingsgraad mag niet meer bedragen dan 90 %. Vaten die meer wegen dan 100 kg, moeten van rolbanden of versterkingsringen zijn voorzien.

c) De houders volgens b) moeten goed leesbaar en duurzaam van de volgende merktekens zijn voorzien:

de naam of het merk van de fabrikant en het nummer van de houder;

de aanduiding "ethylisocyanaat";

de massa van de lege houder en de hoogst toegestane massa van de houder in gevulde toestand;

de datum (maand, jaar) van de eerste beproeving en de laatst uitgevoerde periodieke beproeving;

het waarmerk van de deskundige, die de beproevingen heeft uitgevoerd.

305 De onder a) vallende stoffen van de verschillende cijfers moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1522, of

d) in kunststof vaten met niet-afneembaar deksel met een inhoud van ten hoogste 60 liter of in kunststof jerrycans met niet-afneembaar deksel, volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen van glas, kunststof of metaal, volgens rn. 1538.

306 (1) De onder b) vallende stoffen van de verschillende cijfers moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten of jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538.

Opmerkingen: 1. ad a), b), c) en d). Nitromethaan van cijfer 3b) mag niet in verpakkingen met afneembaar deksel worden vervoerd.

2. ad a), b), c) en d). Op vaten en jerrycans met afneembaar deksel voor dikvloeibare stoffen, waarvan de viscositeit bij 23 °C meer bedraagt dan 200 mm2/s, zijn vereenvoudigde voorwaarden van toepassing (zie rn. 1512, 1553, 1554 en 1561).

(2) De stoffen die onder b) van de cijfers 3, 15, 17, 22, 24 en 25 vallen, alsmede de zwak giftige stoffen die onder b) van cijfer 41 vallen, mogen bovendien verpakt zijn in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1539.

(3) Stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen - met uitzondering van nitromethaan van cijfer 3b) - met een dampdruk bij 50 °C van ten hoogste 110 kPa (1,10 bar) mogen bovendien verpakt zijn in metalen IBC's volgens rn. 1622, in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624 of in combinatie-IBC's met binnenhouder van stijve kunststof volgens rn. 1625.

307 (1) De onder c) vallende stoffen van de verschillende cijfers moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten of jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, of

g) in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk), volgens rn. 1539.

Opmerking: ad a), b), c) en d). Op vaten en jerrycans met afneembaar deksel voor dikvloeibare stoffen, waarvan de viscositeit bij 23 °C meer bedraagt dan 200 mm2/s, zijn vereenvoudigde voorwaarden van toepassing (zie rn. 1512, 1553, 1554 en 1561).

(2) Stoffen, vallende onder c) van de afzonderlijke cijfers, mogen bovendien verpakt zijn in metalen IBC's volgens rn. 1622, in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624 of in combinatie-IBC's met binnenhouder van kunststof volgens rn. 1625. IBC's van het type 31HZ2 moeten tot ten minste 80 % van de inhoud van de uitwendige omhulling zijn gevuld.

308 (1) Ethylalcohol en waterige oplossingen daarvan en alcoholische dranken van de cijfers 3b) en 31c) mogen bovendien verpakt zijn in houten tonnen met spongat volgens rn. 1524.

(2) Alcoholische dranken met meer dan 24 vol.- % en ten hoogste 70 vol.- % alcohol mogen, voor zover zij worden vervoerd in het kader van hun fabricageproces, afwijkend van de bepalingen van Aanhangsel V in tonnen van natuurlijk hout met een inhoud van ten hoogste 500 liter worden vervoerd, onder de volgende voorwaarden:

a) de tonnen moeten vóór het vullen op dichtheid worden onderzocht;

b) er moet voldoende ledige ruimte (ten minste 3 %) worden overgelaten voor de uitzetting van de vloeistof;

c) de tonnen moeten worden vervoerd met het spongat naar boven gericht;

d) de tonnen moeten worden vervoerd in containers die voldoen aan de Internationale Overeenkomst voor Veilige Containers (CSC) (), zoals gewijzigd. De tonnen moeten zijn geplaatst op speciale sleden en zij moeten met geschikte middelen zijn vastgezet zodat zij tijdens het vervoer op geen enkele wijze kunnen verschuiven.

(3) De stoffen van de cijfers 3b), 4b), 5b), 5c), 31c), 32c), 33c) en 34c) en de zwak giftige stoffen vallende onder b) van cijfer 41 mogen bovendien verpakt zijn in lichte metalen verpakkingen volgens rn. 1540. Op lichte metalen verpakkingen met afneembaar deksel voor dikvloeibare stoffen, waarvan de viscositeit bij 23 °C meer bedraagt dan 200 mm2/s, alsmede voor stoffen van cijfer 5c), zijn vereenvoudigde voorwaarden van toepassing (zie rn. 1512, 1552 t/m 1554).

Opmerking: Nitromethaan van cijfer 3b) mag niet in verpakkingen met afneembaar deksel worden vervoerd.

(4) De stoffen 1133 lijmen, 1210 drukinkt, 1263 verf, 1263 verf-verwante producten, 1866 hars, oplossing en 3269 polyesterhars-kit, van de cijfers 5b), 5c) en 31c) mogen in hoeveelheden van ten hoogste 5 liter worden vervoerd in verpakkingen van metaal of kunststof, die slechts voldoen aan de voorschriften van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7), onder voorwaarde dat de verpakkingen met banden, krimp- of rekfolie of middels een andere geschikte methode op pallets zijn vastgezet of onder voorwaarde dat deze verpakkingen binnenverpakkingen zijn van samengestelde verpakkingen met een totale bruto massa van ten hoogste 40 kg. De aanduiding in de vrachtbrief moet overeenkomen met rn. 314 (1) en (3).

309 Brandstofreservoirs voor hydraulisch aggregaat voor vliegtuigen, van cijfer 28, mogen worden vervoerd indien zij voldoen aan één van de volgende voorwaarden:

a) Het reservoir moet bestaan uit een drukhouder bestaande uit een aluminium cilinder met gelaste bodems. De brandstof moet zich bevinden in een gelaste aluminium binnenhouder met een inhoud van ten hoogste 46 liter. De buitenhouder moet zijn ontworpen voor een berekeningsdruk (overdruk) van ten minste 1275 kPa en barstdruk (overdruk) van ten minste 2755 kPa. De dichtheid van de houders moet tijdens de fabricage en vóór de verzending worden beproefd. De complete binnenhouder moet zorgvuldig met behulp van een niet brandbaar opvulmateriaal, zoals vermiculiet, in een stevige, hermetisch gesloten, metalen buitenhouder zodanig verpakt zijn, dat alle aansluitingen doelmatig zijn beschermd. De hoeveelheid brandstof per reservoir en per collo bedraagt ten hoogste 42 liter.

b) Het reservoir moet bestaan uit een aluminium drukhouder. De brandstof moet zich bevinden in een binnenhouder die door een lasproces hermetisch is gesloten en die voorzien is van een blaas van elastomeer met een inhoud van ten hoogste 46 liter. De drukhouder moet zijn ontworpen voor een berekeningsdruk (overdruk) van ten minste 2860 kPa en barstdruk (overdruk) van ten minste 5170 kPa. De dichtheid van de houders moet tijdens de fabricage en vóór de verzending worden beproefd. De complete binnenhouder moet zorgvuldig met behulp van een niet brandbaar opvulmateriaal, zoals vermiculiet, in een stevige, hermetisch gesloten, metalen buitenhouder zodanig verpakt zijn, dat alle aansluitingen doelmatig zijn beschermd. De hoeveelheid brandstof per reservoir en per collo bedraagt ten hoogste 42 liter.

310 Houders of IBC's die preparaten van de cijfers 31c), 32c) en 33c) bevatten, die in geringe hoeveelheden kooldioxide en/of stikstof ontwikkelen, moeten voorzien zijn van een ontluchtingsinrichting volgens rn. 1500 (8) of 1601 (6).

3. Gezamenlijke verpakking

311 (1) Stoffen die onder één cijfer vallen, mogen gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538.

(2) Stoffen van verschillende cijfers van klasse 3 mogen in hoeveelheden die per binnenverpakking niet meer bedragen dan 5 liter, gezamenlijk worden verpakt en/of worden verpakt met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538, onder voorwaarde dat zij niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

(3) De stoffen van de cijfers 6, 7, 12 en 13 mogen niet in één collo met andere goederen gezamenlijk worden verpakt.

(4) De onder a) vallende stoffen van de verschillende cijfers mogen niet gezamenlijk worden verpakt met stoffen en voorwerpen van de klassen 1, 5.2 (uitgezonderd harders en meercomponentensystemen) en klasse 7.

(5) Voor zover bijzondere voorwaarden niet anders bepalen, mogen de onder a) vallende stoffen van de verschillende cijfers in hoeveelheden die niet meer bedragen dan 0,5 liter per binnenverpakking en 1 liter per collo, en de onder b) of c) vallende stoffen van de verschillende cijfers in hoeveelheden die per binnenverpakking niet meer bedragen dan 5 liter, gezamenlijk worden verpakt met stoffen of voorwerpen van andere klassen - voor zover gezamenlijke verpakking ook voor stoffen of voorwerpen van deze klassen is toegestaan - en/of met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538, onder voorwaarde dat zij niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

(6) Als gevaarlijke reacties worden beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanmerkelijke warmteontwikkeling;

b) de ontwikkeling van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van bijtende vloeistoffen;

d) de vorming van instabiele stoffen.

(7) De voorschriften van de rn. 8 en 302 dienen in acht genomen te worden.

(8) Bij gebruik van houten kisten of kartonnen dozen mag een collo niet meer wegen dan 100 kg.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie Aanhangsel IX)

Opschriften

312 (1) Elk collo moet op duidelijke en duurzame wijze zijn voorzien van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

Gevaarsetiketten

(2) Colli die stoffen of voorwerpen van deze klasse bevatten, moeten zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 3.

(3) Colli die stoffen bevatten van de cijfers 11 t/m 19, 32 en 41, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 6.1.

(4) Colli die stoffen bevatten van de cijfers 21 t/m 26 en 33, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 8.

(5) Colli die stoffen of voorwerpen bevatten van de cijfers 27 en 28 moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 6.1 en een etiket volgens model nr. 8.

(6) Colli die houders bevatten, waarvan de sluitingen aan de buitenzijde niet waarneembaar zijn, alsmede colli met houders voorzien van ontluchtingsinrichtingen, of houders met ontluchtingsinrichtingen zonder buitenverpakking, moeten bovendien op twee tegenover elkander gelegen zijden zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 11.

B. Wijze van verzending, beperkende bepalingen betreffende de verzending

313 Met uitzondering van de stoffen of voorwerpen van de cijfers 6, 12, 13 en 28 en de stoffen die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen, mogen colli die andere stoffen van deze klasse bevatten, als expresgoed worden verzonden, indien zij bevatten:

van de stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 6 liter per collo;

van de stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 45 liter per collo.

Een collo mag niet meer wegen dan 50 kg.

C. Aanduidingen in de vrachtbrief

314 (1) De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de cursief gedrukte identificatienummers en benamingen in rn. 301.

Indien de stof niet met name is genoemd, maar in een n.e.g.-positie of in een verzamelaanduiding is ingedeeld, moet de aanduiding van het goed bestaan uit het identificatienummer en de benaming van de n.e.g.-positie of van de verzamelaanduiding, gevolgd door de chemische of technische benaming 4 () van de stof.

De aanduiding van het goed moet worden aangevuld met de vermelding van de klasse, het cijfer en eventueel de groep a), b) of c) van de stofopsomming, en de afkorting "RID", b.v. 3, 1a), RID.

Bij het vervoer van stoffen en preparaten, gebruikt als pesticide van cijfer 41, moet de aanduiding van het goed ook de benaming van de werkzame stof(fen) omvatten overeenkomstig de nomenclatuur (), goedgekeurd door de ISO of overeenkomstig de tabel onder de cijfers 71 t/m 73 van rn. 601 of de chemische benaming van de werkzame stof(fen), b.v. "2784 pesticide, organische fosforverbinding, vloeibaar, brandbaar, giftig, (Dimefox), 3,41b), RID".

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie rn. 3 (4)] moet de aanduiding van het goed luiden: "Afval, bevat ", waarbij de voor de indeling van het afval volgens rn. 3 (3) bepalende gevaarlijke component(en) met zijn (hun) chemische benaming(en) moet(en) worden aangegeven, b.v. "Afval, bevat 1230 methanol, 3, 17b), RID".

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) met meerdere aan deze Richtlijn onderworpen componenten, behoeven in het algemeen niet meer dan twee componenten, die bepalend zijn voor de gevaarlijkheid van de oplossingen en mengsels, te worden aangegeven.

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels die slechts één aan deze Richtlijn onderworpen component bevatten, moet in de vrachtbrief het woord "oplossing" resp. "mengsel" als onderdeel van de benaming worden toegevoegd [zie rn. 3 (3)].

Indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, moet bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed.

Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

Indien een met name genoemde oplossing of een met name genoemd mengsel resp. een oplossing of een mengsel, die/dat een met name genoemde stof bevat, volgens rn. 300 (5) niet onderworpen is aan de voorschriften van deze klasse, heeft de afzender het recht in de vrachtbrief te vermelden: "Geen goed van klasse 3".

(2) Bij zendingen die overeenkomstig de Opmerking onder E van rn. 301 worden vervoerd, mag de afzender in de vrachtbrief vermelden: "Geen goed van klasse 3".

(3) Bij zendingen die overeenkomstig rn. 308 (4) worden vervoerd, moet de afzender in de vrachtbrief vermelden: "Vervoer volgens rn. 308 (4)".

D. Vervoermiddelen en technische hulpmiddelen

1. Voorschriften betreffende de wagens en het laden

a. Voor colli

315 (1) Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

(2) De colli moeten in de wagens zo worden geladen, dat zij zich niet op gevaarlijke wijze kunnen verplaatsen en niet kunnen vallen of omvallen.

Bovendien mogen IBC's van het type 31HZ2 slechts in gesloten wagens worden vervoerd.

316

b. Vervoer in kleine containers

317 (1) Colli die stoffen van deze klasse bevatten, mogen in kleine containers worden vervoerd.

(2) De samenladingsverboden, bedoeld in rn. 320, zijn ook van toepassing in kleine containers.

(3) De voorschriften van rn. 324 zijn op overeenkomstige wijze ook van toepassing op het vervoer in kleine containers.

2. Opschriften en gevaarsetiketten op de wagens, op de reservoirwagens, op de tankcontainers en op de kleine containers (zie Aanhangsel IX)

318 (1) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen worden vervoerd van deze klasse, moeten aan beide zijden voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 3.

(2) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen als bedoeld in rn. 312 (3) t/m (5) worden vervoerd, moeten bovendien aan beide zijden voorzien zijn van etiketten volgens rn. 312 (3) t/m (5).

(3) Kleine containers moeten volgens rn. 312 (2) t/m (5) van etiketten zijn voorzien.

319

E. Verbod van samenlading

320 Colli, voorzien van een etiket volgens model nr. 3, mogen niet samen worden geladen in één wagen met colli, voorzien van een etiket volgens model nr. 1, 1.4, 1.5, 1.6 of 01. Deze voorschriften zijn niet van toepassing op colli die van een etiket volgens model nr. 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn voorzien.

321 Voor zendingen, die niet in één wagen samengeladen mogen worden, moeten afzonderlijke vrachtbrieven worden opgemaakt.

F. Lege verpakkingen

322. (1) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, lege reservoirwagens en lege tankcontainers van cijfer 71 moeten op dezelfde wijze gesloten zijn en dezelfde waarborgen van dichtheid bieden als in gevulde toestand.

(2) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, lege reservoirwagens en lege tankcontainers van cijfer 71 moeten van dezelfde gevaarsetiketten voorzien zijn als in gevulde toestand.

(3) De aanduiding in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de in cijfer 71 cursief gedrukte benamingen, aangevuld met "3, 71, RID", b.v. "Lege verpakking, 3, 71, RID".

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje aangebracht worden.

Bij ongereinigde lege reservoirwagens of lege tankcontainers moet deze aanduiding worden aangevuld met de vermelding "Laatste inhoud" alsmede het gevaarsidentificatienummer, het stofidentificatienummer, de benaming, het cijfer en eventueel de groep a), b) of c) van de stofopsomming, van het laatst vervoerde goed, b.v. "Laatste inhoud 33 1203 benzine, 3b)".

(4) Wat betreft de scheiding tussen ongereinigde lege verpakkingen van cijfer 71, die zijn voorzien van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

G. Verdere voorschriften

323 Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

324 Indien stoffen naar buiten zijn getreden uit colli, voorzien van een etiket volgens model nr. 6.1, en in een wagen zijn verspreid, dan mag deze wagen pas na grondige reiniging en zo nodig ontsmetting weer worden gebruikt. Alle andere goederen en voorwerpen, die in dezelfde wagen zijn vervoerd, moeten op mogelijke verontreiniging onderzocht worden.

325-

399

KLASSE 4.1 BRANDBARE VASTE STOFFEN

1. Opsoming van de stoffen

400 (1) Van de stoffen en voorwerpen, aangeduid in de titel van klasse 4.1 zijn die, welke genoemd zijn in rn. 401 of die, welke vallen onder een verzamelaanduiding van dat randnummer, onderworpen aan de in rn. 400 (2) t/m 424 gegeven voorschriften en derhalve stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn.

Opmerking: Wat betreft de hoeveelheden van de stoffen van rn. 401, die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het hoofdstuk "Vervoersvoorwaarden", zie rn. 401a.

(2) De titel van klasse 4.1 omvat stoffen en voorwerpen, die overeenkomstig rn. 4 (7) niet vloeibaar zijn, of die zelfontledende vloeistoffen zijn.

In de klasse 4.1 zijn ingedeeld:

vaste stoffen en voorwerpen die gemakkelijk brandbaar zijn alsmede vaste stoffen en voorwerpen die door een vonkenregen ontstoken kunnen worden of die door wrijving brand kunnen veroorzaken of bevorderen;

zelfontledende stoffen, die (bij normale of verhoogde temperaturen) een sterke exotherme ontleding kunnen ondergaan, veroorzaakt door buitensporig hoge vervoerstemperaturen of door contact met verontreinigingen;

stoffen, verwant met zelfontledende stoffen - die zich onderscheiden van de zelfontledende stoffen door een temperatuur van zichzelf-versnellende ontleding (SADT) 1 () hoger dan 75 °C -, die een sterk exotherme ontleding kunnen ondergaan, en die in bepaalde verpakkingen kunnen voldoen aan de criteria voor ontplofbare stoffen van klasse 1;

ontplofbare stoffen, die zijn bevochtigd met een voldoende hoeveelheid water of alcohol, of die een voldoende hoeveelheid plastificeermiddel of flegmatiseermiddel bevatten, zodat de explosieve eigenschappen zijn geneutraliseerd.

Opmerkingen: 1. De zelfontledende stoffen en de formuleringen van zelfontledende stoffen worden niet beschouwd als zelfontledende stoffen van klasse 4.1, indien

ze ontplofbare stoffen volgens de criteria van klasse 1 zijn,

ze oxiderende stoffen volgens de indelingsprocedure van klasse 5.1 zijn,

ze organische peroxiden volgens de criteria van klasse 5.2 zijn,

hun ontledingswarmte lager is dan 300 J/g,

hun temperatuur van zichzelf-versnellende ontleding (SADT) hoger is dan 75 °C voor een collo van 50 kg, of

door beproevingen is aangetoond dat zij als stoffen van type G zijn vrijgesteld [zie Handboek beproevingen en criteria, deel II, paragraaf 20.4.2 g)].

2. De ontledingswarmte kan worden bepaald met behulp van een willekeurige internationaal erkende methode, b.v. differentiële scanning calometrie en adiabatische calometrie.

3. De SADT is de laagste temperatuur, waarbij een zichzelf-versnellende ontleding kan optreden van een stof, in de verpakking zoals gebruikt tijdens het vervoer. De voorwaarden, noodzakelijk voor de bepaling van deze temperatuur, zijn vermeld in het Handboek beproevingen en criteria, deel II, hoofdstuk 20 en sectie 28.4.

(3) De stoffen en voorwerpen van klasse 4.1 zijn als volgt onderverdeeld:

A. organische brandbare vaste stoffen en voorwerpen

B. anorganische brandbare vaste stoffen en voorwerpen

C. ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand

D. stoffen, verwant met zelfontledende stoffen

E. zelfontledende stoffen, waarvoor temperatuurbeheersing niet is vereist

F. lege verpakkingen.

Op grond van de mate van gevaarlijkheid moeten de stoffen en voorwerpen van klasse 4.1, met uitzondering van de stoffen van de cijfers 5 en 15, in de afzonderlijke cijfers van rn. 401 worden ingedeeld in één van de volgende groepen:

a) zeer gevaarlijk

b) gevaarlijk

c) minder gevaarlijk.

Alle vaste, gewoonlijk bevochtigde stoffen, die in droge toestand zouden zijn ingedeeld als ontplofbare stof, worden in groep a) van de afzonderlijke cijfers ingedeeld.

De zelfontledende stoffen worden in groep b) van de afzonderlijke cijfers ingedeeld. De stoffen, verwant met zelfontledende stoffen, worden in de groepen b) of c) van de afzonderlijke cijfers ingedeeld.

(4) De indeling van stoffen en voorwerpen, die niet met name zijn genoemd, in de cijfers 3 t/m 8 van rn. 401, alsmede in de groepen van deze cijfers, kan geschieden op grond van ervaring of op grond van de resultaten van de beproevingsmethoden volgens het Handboek beproevingen en criteria, deel III, paragraaf 33.2.1

De indeling in de cijfers 11 t/m 14, 16 en 17, alsmede in de groepen van deze cijfers moet geschieden op grond van de resultaten van de beproevingsmethoden volgens het Handboek beproevingen en criteria, deel III, paragraaf 33.2.1; hierbij moet ook rekening worden gehouden met ervaringen, indien deze tot een strengere indeling leiden.

(5) Indien niet met name genoemde stoffen en voorwerpen in de cijfers van rn. 401 worden ingedeeld op grond van de beproevingsmethoden volgens het Handboek beproevingen en criteria, deel III, paragraaf 33.2.1, zijn de volgende criteria van toepassing:

a) Gemakkelijk brandbare poedervormige, korrelige of pasteuze stoffen van de cijfers 1, 4, 6 t/m 8, 11, 12, 14, 16 en 17 moeten worden ingedeeld in klasse 4.1, indien zij door kortstondig contact met een ontstekingsbron (bijvoorbeeld een brandende lucifer) gemakkelijk kunnen worden ontstoken, en indien bij ontsteking de vlam zich snel uitbreidt, de brandduur voor een meetafstand van 100 mm korter is dan 45 seconden of de voortplantingssnelheid van de verbranding hoger is dan 2,2 mm/s.

b) Metaalpoeders of poeders van metaallegeringen van cijfer 13 moeten in klasse 4.1 worden ingedeeld, indien zij door contact met een vlam kunnen worden ontstoken en indien de reactie zich binnen 10 minuten over het gehele monster uitbreidt.

(6) Indien niet met name genoemde stoffen en voorwerpen in de groepen van de cijfers van rn. 401 worden ingedeeld op grond van de beproevingsmethoden volgens het Handboek beproevingen en criteria, deel III, paragraaf 33.2.1, zijn de volgende criteria van toepassing:

a) Brandbare vaste stoffen van de cijfers 4, 6 t/m 8, 11, 12, 14, 16 en 17, die bij de beproeving een brandduur hebben, korter dan 45 seconden voor een meetafstand van 100 mm, moeten

i) in groep b) worden ingedeeld, indien de vlam doordringt in de bevochtigde zone,

ii) in groep c) worden ingedeeld, indien de vlam door de bevochtigde zone binnen 4 minuten tot stilstand wordt gebracht.

b) Metaalpoeders en poeders van metaallegeringen van cijfer 13, waarbij de reactie zich bij de beproeving

i) binnen 5 minuten over het gehele monster uitbreidt, moeten in groep b) worden ingedeeld,

ii) in meer dan 5 minuten over het gehele monster uitbreidt, moeten in groep c) worden ingedeeld.

(7) Indien de stoffen van klasse 4.1 als gevolg van toevoegingen overgaan naar andere gevaarscategorieën dan die waartoe de stoffen van rn. 401 behoren, moeten deze mengsels worden ingedeeld in de cijfers of de groepen waartoe zij op grond van hun werkelijke gevaarseigenschappen behoren.

Opmerking: Voor de indeling van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), zie ook rn. 3 (3).

(8) Indien stoffen en voorwerpen met name genoemd zijn onder verschillende groepen van eenzelfde cijfer van rn. 401, kan de juiste groep worden vastgesteld op grond van de resultaten van de beproevingsmethoden volgens het Handboek beproevingen en criteria, deel III, paragraaf 33.2.1 en de criteria van lid (6).

(9) Op grond van de beproevingsmethoden volgens het Handboek beproevingen en criteria, deel III, paragraaf 33.2.1 en de criteria van lid (6), kan ook worden vastgesteld of de aard van een met name genoemde stof zodanig is, dat deze stof niet is onderworpen aan de voorwaarden van deze klasse (zie rn. 414).

(10) De chemisch instabiele stoffen van klasse 4.1 mogen slechts ten vervoer worden aangeboden, indien de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen om een gevaarlijke ontleding of polymerisatie tijdens het vervoer te verhinderen. Daartoe moet er in het bijzonder zorg voor worden gedragen, dat de houders geen stoffen bevatten, die deze reacties kunnen bevorderen.

(11) Brandbare vaste stoffen, oxiderend, die zijn ingedeeld onder identificatienummer 3097 van de Aanbevelingen van de VN, zijn niet ten vervoer toegelaten [zie echter rn. 3 (3), voetnoot 1) bij de tabel van paragraaf 2.3.1].

Zelfontledende stoffen

(12) De ontleding van zelfontledende stoffen kan veroorzaakt worden door warmte, contact met katalytisch werkende verontreinigingen (b.v. zuren, verbindingen van zware metalen, basen), wrijving of stoot. De ontledingssnelheid stijgt met de temperatuur en hangt af van de stof. De ontleding kan, in het bijzonder wanneer geen ontsteking optreedt, leiden tot het vrijkomen van giftige gassen of dampen. Bij bepaalde zelfontledende stoffen moet de temperatuur worden beheerst. Sommige zelfontledende stoffen kunnen explosief ontleden, vooral bij opsluiting. Deze eigenschap kan veranderd worden door toevoeging van verdunningsmiddelen of door gebruik van geschikte verpakkingen. Sommige zelfontledende stoffen branden heftig. Zelfontledende stoffen zijn bijvoorbeeld bepaalde verbindingen van de hierna aangegeven typen:

alifatische azoverbindingen (-C-N=N-C-);

organische aziden (-C-N3);

diazoniumzouten (-CN2+Z-);

N-nitrosoverbindingen (-N-N=O);

aromatische sulfohydraziden (-SO2-NH-NH2).

Deze opsomming is niet uitputtend en stoffen met andere reactieve groepen en bepaalde mengsels van stoffen kunnen soms gelijksoortige eigenschappen bezitten.

(13) De zelfontledende stoffen worden geclassificeerd in zeven typen, afhankelijk van de gevaarlijkheidsgraad. De principes voor de classificatie van stoffen die niet genoemd zijn in rn. 401, zijn aangegeven in het Handboek beproevingen en criteria, deel II. De typen van zelfontledende stoffen variëren van type A, dat niet ten vervoer is toegelaten in de verpakking, waarin het is beproefd, tot type G, dat niet is onderworpen aan de voorschriften die van toepassing zijn op de zelfontledende stoffen van klasse 4.1 [zie rn. 414 (5)]. De classificatie van de zelfontledende stoffen van de typen B t/m F is direct afhankelijk van de grootst toegestane hoeveelheid per verpakking.

(14) De volgende zelfontledende stoffen zijn niet ten vervoer toegelaten:

de zelfontledende stoffen van type A [zie Handboek beproevingen en criteria, deel II, paragraaf 20.4.2 a)];

de zelfontledende stoffen met een temperatuur van zichzelf-versnellende ontleding (SADT) ≤ 55 °C.

(15) De zelfontledende stoffen en de formuleringen van zelfontledende stoffen, genoemd in rn. 401, zijn ingedeeld in de verzamelaanduidingen 31 t/m 40, identificatienummers 3221 t/m 3230.

De indeling van de stoffen van de cijfers 31 t/m 40 is gebaseerd op de indeling van de technisch zuivere stof (tenzij een concentratie lager dan 100 % is aangegeven). Voor andere concentraties kan de stof anders worden ingedeeld overeenkomstig de procedures van het Handboek beproevingen en criteria, deel II.

Door de verzamelaanduidingen wordt aangegeven:

het type van zelfontledende stof (B t/m F) [zie lid (13)];

de fysische toestand (vloeibaar/vast).

(16) De classificatie van zelfontledende stoffen of van formuleringen van zelfontledende stoffen, niet genoemd in rn. 401, en de indeling daarvan in een verzamelaanduiding moet worden uitgevoerd door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst. Indien het land van herkomst geen Lid-Staat is, moeten de classificatie en de vervoersvoorwaarden worden erkend door de bevoegde autoriteit van de eerste Lid-Staat van de COTIF, die bij de zending betrokken is.

(17) Aan bepaalde zelfontledende stoffen kunnen activatoren, zoals zinkverbindingen, worden toegevoegd teneinde de reactiviteit daarvan te veranderen. Afhankelijk van het type en de concentratie van de activator, kan dit leiden tot een afname van de thermische stabiliteit of tot een verandering van de explosieve eigenschappen. Indien één van deze twee eigenschappen wordt veranderd, moet de nieuwe formulering overeenkomstig de classificatieprocedure worden onderzocht.

(18) Monsters van niet in rn. 401 genoemde zelfontledende stoffen of formuleringen van zelfontledende stoffen, waarvoor niet de volledige gegevens over de beproevingen beschikbaar zijn en die vervoerd moeten worden voor aanvullende beproevingen of beoordeling, moeten worden ingedeeld onder een van de verzamelaanduidingen, van toepassing op zelfontledende stoffen van type C, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

volgens de beschikbare gegevens is het monster niet gevaarlijker dan een zelfontledende stof van type B;

het monster is verpakt volgens verpakkingsmethode OP2 en de hoeveelheid per wagen bedraagt niet meer dan 10 kg.

Monsters, waarvoor temperatuurbeheersing vereist is, zijn niet ten vervoer toegelaten.

(19) Teneinde de veiligheid tijdens het vervoer van zelfontledende stoffen te waarborgen, worden deze in veel gevallen gedesensibiliseerd met behulp van een verdunningsmiddel. Indien een percentage van een stof is vastgesteld, betreft dit het massa-percentage van de stof, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal. Indien een verdunningsmiddel wordt gebruikt, moet de zelfontledende stof, in aanwezigheid van het verdunningsmiddel in de concentratie en de vorm gebruikt voor het vervoer, worden beproefd. Verdunningsmiddelen, die kunnen leiden tot een verhoging van de concentratie van de zelfontledende stof tot een waarde die gevaarlijk is in geval van lekkage uit een verpakking, mogen niet worden gebruikt. De gebruikte verdunningsmiddelen moeten inert zijn ten opzichte van de zelfontledende stof. In dit verband gelden vaste of vloeibare verdunningsmiddelen als inert, indien zij geen negatieve invloed hebben op de thermische stabiliteit en op het type gevaar van de zelfontledende stof.

A. Organische brandbare vaste stoffen en voorwerpen

401 1. Stoffen afkomstig van de rubberverwerking, in brandbare vorm, zoals:

b) 1345 rubberafval, gemalen, of

1345 rubberresten, poeder- of korrelvormig.

2. Brandbare voorwerpen in voor de handel bestemde vorm:

c) 1331 wrijvingslucifers (geen veiligheidslucifers),

1944 veiligheidslucifers (boekjes, kaarten of doosjes),

1945 waslucifers,

2254 stormlucifers,

2623 vuuraanmakers (vast), geïmpregneerd met brandbare vloeistof.

Opmerking: Voor 1331 wrijvingslucifers gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften [zie rn. 407 (4)].

3. Voorwerpen op basis van zwak genitreerde nitrocellulose:

b) 3270 membraanfilters van nitrocellulose.

Opmerkingen: 1. Het stikstofgehalte van de nitrocellulose mag niet hoger zijn dan 11,5 %. Elk afzonderlijk blad membraanfilter van nitrocellulose moet tussen twee vellen glanspapier zijn verpakt. De hoeveelheid tussen de membranen geplaatst glanspapier mag niet minder zijn dan 65 % van de totale massa. De laagsgewijze opbouw membraan/papier mag bij de beproevingen volgens het Handboek beproevingen en criteria [deel I, beproevingsserie 1 a)] geen detonatie overdragen.

2. 3270 Membraanfilters van nitrocellulose moeten in houders verpakt zijn, die zo zijn geconstrueerd, dat een ontploffing ten gevolge van interne drukverhoging is uitgesloten.

c) 1324 films met een basis van nitrocellulose, gecoat met gelatine,

2000 celluloid (in blokken, staven, rollen, bladen, pijpen, etc.);

1353 vezels, geïmpregneerd met zwak genitreerde nitrocellulose, n.e.g., of

1353 weefsels, geïmpregneerd met zwak genitreerde nitrocellulose, n.e.g.

Opmerking: 2006 Kunststoffen op basis van nitrocellulose, voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g., alsmede 2002 celluloidafval, zijn stoffen van klasse 4.2 (zie rn. 431, cijfer 4).

4. c) 3175 vaste stoffen of mengsels van vaste stoffen die brandbare vloeistoffen met een vlampunt van ten hoogste 61 °C bevatten (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), n.e.g.

5. Organische brandbare stoffen in gesmolten toestand:

2304 naftaleen, gesmolten;

3176 brandbare organische vaste stof, gesmolten, n.e.g.

Opmerking: 1334 Naftaleen in vaste vorm is een stof van cijfer 6.

6. Organische brandbare vaste stoffen, niet giftig en niet bijtend, en mengsels van organische brandbare vaste stoffen, niet giftig en niet bijtend (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

b) 1325 brandbare organische vaste stof, n.e.g.;

c) 1312 borneol,

1328 hexamethyleentetramine,

1332 metaldehyde,

1334 naftaleen, ruw, of

1334 naftaleen, geraffineerd,

2213 paraformaldehyde,

2538 nitronaftaleen,

2717 kamfer, synthetisch;

1325 brandbare organische vaste stof, n.e.g.

Opmerking: 2304 Naftaleen, gesmolten, is een stof van cijfer 5.

7. Organische brandbare vaste stoffen, giftig, en mengsels van organische brandbare vaste stoffen, giftig (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

b) 2926 brandbare organische vaste stof, giftig, n.e.g.;

c) 2926 brandbare organische vaste stof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor giftigheid, zie rn. 600 (3).

8. Organische brandbare vaste stoffen, bijtend, en mengsels van organische brandbare vaste stoffen, bijtend (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

b) 2925 brandbare organische vaste stof, bijtend, n.e.g.;

c) 2925 brandbare organische vaste stof, bijtend, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor bijtende werking, zie rn. 800 (3).

B. Anorganische brandbare vaste stoffen en voorwerpen

11. Anorganische niet-metallische stoffen in brandbare vorm:

b) 1339 fosforheptasulfide (P4S7) vrij van witte of gele fosfor,

1341 fosforsesquisulfide (P4S3) vrij van witte of gele fosfor,

1343 fosfortrisulfide (P4S6) vrij van witte of gele fosfor,

2989 loodfosfiet, dibasisch;

3178 brandbare anorganische vaste stof, n.e.g.;

Opmerking: Fosforsulfiden die niet vrij zijn van witte of gele fosfor, zijn niet ten vervoer toegelaten.

c) 1338 fosfor, rode, amorf,

1350 zwavel (met inbegrip van bloem van zwavel),

2687 dicyclohexylammoniumnitriet,

2989 loodfosfiet, dibasisch;

3178 brandbare anorganische vaste stof, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 1350 Zwavel is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, indien de stof:

a) in hoeveelheden van minder dan 400 kg per collo wordt vervoerd, of

b) zich in bijzondere vorm bevindt (bijvoorbeeld parels, granulaat, pellets of vlokken).

2. 2448 Zwavel, gesmolten, is een stof van cijfer 15.

12. Brandbare metaalzouten van organische verbindingen:

b) 3181 brandbare metaalzouten van organische verbindingen n.e.g.;

c) 1313 calciumresinaat,

1314 calciumresinaat, gesmolten en gestold,

1318 kobaltresinaat, neergeslagen,

1330 mangaanresinaat,

2001 kobaltnaftenaatpoeder,

2714 zinkresinaat,

2715 aluminiumresinaat;

3181 brandbare metaalzouten van organische verbindingen, n.e.g.

13. Metalen en metaallegeringen in poedervorm of in een andere brandbare vorm:

Opmerkingen: 1. Metalen en metaallegeringen in poedervorm of in een andere brandbare vorm, die voor zelfontbranding vatbaar zijn, zijn stoffen van klasse 4.2 (zie rn. 431, cijfer 12).

2. Metalen en metaallegeringen in poedervorm of een andere brandbare vorm, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 (zie rn. 471, cijfers 11 t/m 15).

b) 1309 aluminiumpoeder, gecoat,

1323 ferrocerium,

1326 hafniumpoeder, bevochtigd met ten minste 25 % water,

1333 cerium, platen, blokken en staven,

1352 titaanpoeder, bevochtigd met ten minste 25 % water,

1358 zirkoniumpoeder, bevochtigd met ten minste 25 % water;

3089 brandbaar metaalpoeder, n.e.g.;

Opmerkingen: 1. Tegen corrosie gestabiliseerd ferrocerium (vuursteentjes) met een ijzergehalte van ten minste 10 % is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. Hafnium-, titaan- en zirkoniumpoeder moeten een zichtbare overmaat water bevatten.

3. Hafnium-, titaan- en zirkoniumpoeder, bevochtigd, mechanisch vervaardigd met een deeltjesgrootte van 53 ìm of meer, of langs chemische weg verkregen met een deeltjesgrootte van 840 ìm of meer, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

c) 1309 aluminiumpoeder, gecoat,

1346 siliciumpoeder, amorf,

1869 magnesium, of

1869 magnesiumlegeringen, korrels, krullen of lint,

2858 zirkonium, droog, in de vorm van opgerolde draad, platen en stroken (dunner dan 254 ìm maar niet dunner dan 18 ìm),

2878 titaanspons, granulaat, of

2878 titaanspons, poeder;

3089 brandbaar metaalpoeder, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Magnesiumlegeringen met ten hoogste 50 % magnesium zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. Siliciumpoeder in andere vorm is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

3. 2009 Zirkonium, droog, in de vorm van platen, stroken of opgerolde draad dunner dan 18 ìm, is een stof van klasse 4.2 [zie rn. 431, cijfer 12c)]. Zirkonium, droog, in de vorm van platen, stroken of opgerolde draad met een dikte van ten minste 254 ìm, is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

14. Brandbare metaalhydriden:

b) 1437 zirkoniumhydride,

1871 titaanhydride;

3182 brandbare metaalhydriden, n.e.g.;

c) 3182 brandbare metaalhydriden, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Metaalhydriden, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 (zie rn. 471, cijfer 16).

2. 2870 Aluminiumboorhydride of 2870 aluminiumboorhydride in apparaten is een stof van klasse 4.2. [zie rn. 431, cijfer 17a)].

15. Anorganische brandbare stoffen in gesmolten toestand:

2448 zwavel, gesmolten.

Opmerkingen: 1. 1350 Zwavel in vaste toestand is een stof van cijfer 11c).

2. Andere anorganische brandbare stoffen in gesmolten toestand zijn niet ten vervoer toegelaten.

16. Anorganische brandbare vaste stoffen, giftig, en mengsels van anorganische brandbare vaste stoffen, giftig (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

b) 1868 decaboraan;

3179 brandbare anorganische vaste stof, giftig, n.e.g.;

c) 3179 brandbare anorganische vaste stof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor giftigheid, zie rn. 600 (3).

17. Anorganische brandbare vaste stoffen, bijtend, en mengsels van anorganische brandbare vaste stoffen, bijtend (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

b) 3180 brandbare anorganische vaste stof, bijtend, n.e.g.;

c) 3180 brandbare anorganische vaste stof, bijtend, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor bijtende werking, zie rn. 800 (3).

C. Ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand

Opmerkingen: 1. Andere ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand dan die welke zijn genoemd in de cijfers 21 t/m 25 zijn niet als stoffen van klasse 4.1 ten vervoer toegelaten.

2. Nitroglycerine, mengsel met meer dan 2 massa-% maar minder dan 10 massa-% nitroglycerine, gedesensibiliseerd, van identificatienummer 3319 van de Aanbevelingen voor het vervoer van gevaarlijke goederen is als stof van klasse 4.1 alleen ten vervoer toegelaten, indien aan de voorschriften van de bevoegde autoriteit is voldaan (zie ook rn. 101, cijfer 4, identificatienummer 0143).

3. Voor de stoffen van de cijfers 21 t/m 25 gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 404).

21. Met water bevochtigde ontplofbare stoffen:

a) 1. De volgende, met water bevochtigde ontplofbare stoffen:

1310 ammoniumpikraat, bevochtigd met ten minste 10 massa-% water,

1322 dinitroresorcinol, bevochtigd met ten minste 15 massa-% water,

1336 nitroguanidine (pikriet), bevochtigd met ten minste 20 massa-% water,

1337 zetmeelnitraat, bevochtigd met ten minste 20 massa-% water,

1344 trinitrofenol, bevochtigd met ten minste 30 massa-% water,

1347 zilverpikraat, bevochtigd met ten minste 30 massa-% water,

1349 natriumpikramaat, bevochtigd met ten minste 20 massa-% water,

1354 trinitrobenzeen, bevochtigd met ten minste 30 massa-% water,

1355 trinitrobenzoëzuur, bevochtigd met ten minste 30 massa-% water,

1356 trinitrotolueen (TNT), bevochtigd met ten minste 30 massa-% water,

1357 ureumnitraat, bevochtigd met ten minste 20 massa-% water,

1517 zirkoniumpikramaat, bevochtigd met ten minste 20 massa-% water,

3317 2-amino-4,6-dinitrofenol, bevochtigd met ten minste 20 massa-% water,

2. De volgende, met water bevochtigde ontplofbare stoffen, onder voorwaarde dat ze in hoeveelheden van ten hoogste 500 g per collo worden vervoerd:

0154 trinitrofenol (pikrinezuur), bevochtigd met ten minste 10 massa-% water

Opmerking: Voor trinitrofenol,bevochtigd met ten minste 30 massa-% water, zie onder 1 hierboven.

0155 trinitrochloorbenzeen (picrylchloride), bevochtigd met ten minste 10 massa-% water

0209 trinitrotolueen (TNT), bevochtigd met ten minste 10 massa-% water

Opmerking: Voor trinitrotolueen, bevochtigd met ten minste 30 massa-% water, zie onder 1 hierboven.

0214 trinitrobenzeen, bevochtigd met ten minste 10 massa-% water

Opmerking: Voor trinitrobenzeen, bevochtigd met ten minste 30 massa-% water, zie onder 1 hierboven.

0215 trinitrobenzoëzuur, bevochtigd met ten minste 10 massa-% water.

Opmerking: Voor trinitrobenzoëzuur, bevochtigd met ten minste 30 massa-% water, zie onder 1 hierboven.

2852 dipicrylsulfide, bevochtigd met ten minste 10 massa-% water.

3. De volgende, met water bevochtigde ontplofbare stoffen, onder voorwaarde dat ze in hoeveelheden van ten hoogste 11,5 kg per collo worden vervoerd:

0220 ureumnitraat, bevochtigd met ten minste 10 massa-% water

Opmerking: Voor ureumnitraat, bevochtigd met ten minste 20 massa-% water, zie onder 1 hierboven.

Opmerkingen: 1. Ontplofbare stoffen, die onder a)1. zijn opgesomd, met een watergehalte, lager dan de aangegeven grenswaarden, zijn stoffen van klasse 1 (zie rn. 101, cijfer 4); enkele van deze stoffen mogen echter worden vervoerd onder de voorwaarden van klasse 4.1, indien ze voldoen aan de voorwaarden van a)2. of a)3.

2. Dipicrylsulfide, bevochtigd met minder dan 10 massa-% water, is een stof van klasse 1, identificatienummer 0401 (zie rn. 101, cijfer 4).

3. Ontplofbare stoffen van de identificatienummers 0154, 0155, 0209, 0214 en 0215 in hoeveelheden van meer dan 500 g per collo, alsmede van identificatienummer 0220 in hoeveelheden van meer dan 11,5 kg per collo, mogen slechts onder de voorwaarden van klasse 1 worden vervoerd.

4. Het water moet homogeen verdeeld zijn over de totale hoeveelheid ontplofbare stof. Tijdens het vervoer mag geen ontmenging optreden, welke de inertiserende werking verhindert.

5. De met water bevochtigde ontplofbare stoffen mogen door het standaard-slagpijpje () niet tot detonatie gebracht kunnen worden en ze mogen door de werking van een krachtige overdrachtslading niet tot massa-explosie gebracht kunnen worden.

22. Giftige, met water bevochtigde ontplofbare stoffen:

a) 1. De volgende, giftige, met water bevochtigde ontplofbare stoffen:

1320 dinitrofenol, bevochtigd met ten minste 15 massa-% water,

1321 dinitrofenolaten, bevochtigd met ten minste 15 massa-% water,

1348 natriumdinitro-o-cresolaat, bevochtigd met ten minste 15 massa-% water.

2. De volgende, giftige, met water bevochtigde ontplofbare stoffen, onder voorwaarde dat ze in hoeveelheden van ten hoogste 500 g per collo worden vervoerd:

0234 natriumdinitro-o-cresolaat, bevochtigd met ten minste 10 massa-% water.

Opmerkingen: 1. Ontplofbare stoffen, die onder a)1. zijn opgesomd, met een watergehalte, lager dan de aangegeven grenswaarden, zijn stoffen van klasse 1 (zie rn. 101, cijfer 4 en 26). Voor natriumdinitro-o-cresolaat, bevochtigd, zie echter Opmerking 2.

2. i) Voor natriumdinitro-o-cresolaat, bevochtigd met ten minste 15 massa-% water (identificatienummer 1348) zie onder 1. hierboven.

ii) Natriumdinitro-o-cresolaat, bevochtigd met minder dan 15 massa-% water (identificatienummer 0234) mag worden vervoerd onder de voorwaarden van klasse 4.1, indien het voldoet aan de voorwaarden van a)2.

iii) Natriumdinitro-o-cresolaat, bevochtigd met minder dan 15 massa-% water, in hoeveelheden van meer dan 500 g per collo, mag slechts onder de voorwaarden van klasse 1 worden vervoerd.

3. Het water moet homogeen verdeeld zijn over de totale hoeveelheid ontplofbare stof. Tijdens het vervoer mag geen ontmenging optreden, welke de inertiserende werking verhindert.

4. De met water bevochtigde ontplofbare stoffen mogen door het standaard-slagpijpje () niet tot detonatie gebracht kunnen worden en ze mogen door de werking van een krachtige overdrachtslading niet tot massa-explosie gebracht kunnen worden.

23. De volgende geïnertiseerde ontplofbare stof:

b) 2907 isosorbidedinitraat, mengsel met ten minste 60 % lactose, mannose, zetmeel of calciumwaterstoffosfaat of met andere flegmatiseermiddelen, onder voorwaarde dat dit flegmatiseermiddel ten minste even sterk inertiserende eigenschappen bezit.

24. De volgende mengsels van genitreerde cellulose:

b) 2555 nitrocellulose met ten minste 25 massa-% water,

2556 nitrocellulose met ten minste 25 massa-% alcohol en een stikstofgehalte in de droge stof van niet meer dan 12,6 %,

2557 nitrocellulose, mengsel, met een stikstofgehalte in de droge stof van niet meer dan 12,6 %, met of zonder plastificeermiddel, met of zonder pigment.

Opmerkingen: 1. 2555 Nitrocellulose met ten minste 25 massa-% water, 2556 nitrocellulose met ten minste 25 massa-% alcohol, of 2557 nitrocellulose, mengsel, met een stikstofgehalte in de droge stof van niet meer dan 12,6 %, met of zonder plastificeermiddel, met of zonder pigment, moeten in houders zijn verpakt die zodanig zijn geconstrueerd, dat explosie als gevolg van stijging van inwendige druk is uitgesloten.

2. 2557 Nitrocellulose, mengsel, met een stikstofgehalte in de droge stof van niet meer dan 12,6 %, met of zonder plastificeermiddel, met of zonder pigment, moet zodanig zijn geprepareerd, dat het mengsel homogeen blijft en dat tijdens het vervoer geen fasenscheiding plaats vindt. Aan de voorschriften van deze Richtlijn zijn niet onderworpen: preparaten die geen gevaarlijke eigenschappen vertonen indien ze worden onderworpen aan de beproevingen van de vatbaarheid voor detonatie, deflagratie of explosie bij verwarming onder opsluiting, volgens de beproevingen van series 1 a), 2 b) en 2 c) van deel I van het Handboek beproevingen en criteria, en die zich niet als brandbare stoffen gedragen, indien ze aan de beproeving N.1 van het Handboek beproevingen en criteria, deel III, paragraaf 33.2.1.4 worden onderworpen (voor deze beproevingen moet de stof in plaatjes, voor zover nodig, worden gemalen en gezeefd om de korrelgrootte tot ten hoogste 1,25 mm te reduceren).

3. Mengsels van nitrocellulose waarvan het gehalte water, alcohol of plastificeermiddel lager is dan de aangegeven grenswaarden, zijn stoffen van klasse 1 ( zie rn. 101, cijfer 4 en 26).

25. Het volgende giftige azide:

a) 1571 bariumazide, bevochtigd met ten minste 50 massa-% water.

Opmerking: Bariumazide met een watergehalte lager dan de aangegeven grenswaarde is niet ten vervoer toegelaten.

D. Stoffen, verwant met zelfontledende stoffen

26. De volgende stoffen, verwant met zelfontledende stoffen:

b) 3242 azodicarbonamide;

c) 2956 5-tert-butyl-2,4,6-trinitro-m-xyleen (muskus-xyleen)

3251 sosorbide-5-mononitraat,

3241 2-broom-2-nitropropaan-1,3-diol.

Opmerkingen: 1. Voor de stoffen van cijfer 26 gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften [zie rn. 404 (3)].

2. Isosorbide-5-mononitraat of formuleringen van deze stof, waarbij volgens beproevingsserie 2 van de indelingsprocedure voor klasse 1 (zie Handboek beproevingen en criteria, deel I, hoofdstuk 12) is gebleken dat zij te weinig gevoelig zijn om te worden ingedeeld in de klasse 1, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

E. Zelfontledende stoffen, waarvoor temperatuurbeheersing niet is vereist

31. b) 3221 zelfontledende vloeistof, type B ()

32. b) 3222 zelfontledende vaste stof, type B, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

33. b) 3223 zelfontledende vloeistof, type C, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

34. b) 3224 zelfontledende vaste stof, type C, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

35. b) 3225 zelfontledende vloeistof, type D ()

36. b) 3226 zelfontledende vaste stof, type D, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

37. b) 3227 zelfontledende vloeistof, type E ()

38. b) 3228 zelfontledende vaste stof, type E ()

39. b) 3229 zelfontledende vloeistof, type F ()

40. b) 3230 zelfontledende vaste stof, type F ()

F. Lege verpakkingen

51. Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (lege IBC's), lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, die stoffen van klasse 4.1 hebben bevat.

Opmerking: Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (IBC's), die stoffen van deze klasse hebben bevat, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, indien geschikte maatregelen zijn genomen om mogelijke gevaren uit te sluiten. Deze gevaren zijn uitgesloten, indien maatregelen zijn genomen om de gevaren van de klassen 1 t/m 9 op te heffen.

401a Aan de voorschriften van hoofdstuk 2 "Vervoersvoorwaarden" zijn - met uitzondering van de in lid (3) genoemde bepalingen - niet onderworpen:

(1) De stoffen van de cijfers 1 t/m 4, 6 en 11 t/m 14, die onder de hierna genoemde voorwaarden worden vervoerd:

a) De stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, in hoeveelheden tot 3 kg per binnenverpakking en tot 12 kg per collo;

b) de stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, in hoeveelheden tot 6 kg per binnenverpakking en 24 kg per collo.

Deze hoeveelheden van de stoffen moeten in samengestelde verpakkingen worden vervoerd, die ten minste voldoen aan de voorschriften van rn. 1538.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7) zijn van toepassing.

(2) Stoffen, die onder de cijfers 1 t/m 4, 6 en 11 t/m 14 vallen, in binnenverpakkingen van metaal of kunststof, die op trays met krimp- of rekfolie als buitenverpakking worden vervoerd, onder de volgende voorwaarden:

a) De stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, in hoeveelheden tot 500 g per binnenverpakking en tot 12 kg per collo;

b) de stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, in hoeveelheden tot 3 kg per binnenverpakking.

De totale massa van het collo mag in geen geval meer bedragen dan 20 kg.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7) zijn van toepassing.

(3) Bij vervoer overeenkomstig lid (1) en (2) moet de aanduiding van het goed in de vrachtbrief voldoen aan de voorschriften van rn. 414 en de woorden "gelimiteerde hoeveelheid" omvatten.

Elk collo moet op duidelijke en duurzame wijze voorzien zijn van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

2. Vervoersvoorwaarden (De vervoersvoorwaarden voor lege verpakkingen zijn samengevat onder F.)

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

402 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel V, tenzij in hoofdstuk A.2 voor bepaalde stoffen bijzondere verpakkingsvoorschriften zijn opgenomen.

(2) IBC's moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel VI.

(3) Overeenkomstig het bepaalde in rn. 400 (3) en 1511 (2) of 1611 (2) moeten de volgende verpakkingen worden gebruikt:

voor zeer gevaarlijke stoffen, die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep I, gekenmerkt met de letter "X",

voor gevaarlijke stoffen, die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep II of I, gekenmerkt met de letter "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep II, gekenmerkt met de letter "Y",

voor minder gevaarlijke stoffen, die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep III, II of I, gekenmerkt met de letter "Z", "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep III of II, gekenmerkt met de letter "Z" of "Y".

Opmerking: Voor het vervoer van stoffen van klasse 4.1 in reservoirwagens, zie Aanhangsel XI, in tankcontainers, zie Aanhangsel X. Voor het vervoer als losgestort goed, zie rn. 416.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

403 De stoffen van cijfer 5 en zwavel in gesmolten toestand van cijfer 15 mogen alleen in reservoirwagens (zie Aanhangsel XI) of in tankcontainers (zie Aanhangsel X) worden vervoerd.

404 (1) De stoffen van de cijfers 21, 22, 23 en 25 moeten verpakt zijn:

a) in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523, van karton volgens rn. 1525 of van kunststof volgens rn. 1526, in alle gevallen met één of meer vochtdichte binnenzakken, of

b) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538 met vochtdichte binnenverpakkingen. Binnen- of buitenverpakkingen van metaal zijn echter niet toegestaan.

De verpakkingen moeten zodanig zijn ontworpen, dat het watergehalte of het gehalte flegmatiseermiddel, dat is toegevoegd om de stof te inertiseren, tijdens het vervoer niet kan dalen.

(2) De stoffen van cijfer 24 moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten met afneembaar deksel volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten met afneembaar deksel volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans met afneembaar deksel volgens rn. 1522, of

d) in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523, of

e) in vaten van karton volgens rn. 1525, of

f) in kartonnen dozen volgens rn. 1530, of

g) in kisten van staal of aluminium volgens rn. 1532, of

h) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538; binnen- of buitenverpakkingen van metaal zijn echter niet toegestaan.

Metalen houders moeten zodanig zijn geconstrueerd en gesloten dat zij bij een inwendige druk van ten hoogste 300 kPa (3 bar) bezwijken.

2555 Nitrocellulose met ten minste 25 massa-% water mag bovendien verpakt zijn in vaten en jerrycans van kunststof volgens rn. 1526.

2557 Nitrocellulose, mengsel, met een stikstofgehalte in de droge stof van niet meer dan 12,6 %, met of zonder plastificeermiddel, met of zonder pigment, mag bovendien verpakt zijn in zakken van papier volgens rn. 1536, onder voorwaarde dat deze zakken als wagenlading of op pallets gestapeld worden vervoerd.

Indien 2557 nitrocellulose, mengsel, met een stikstofgehalte in de droge stof van niet meer dan 12,6 %, met of zonder plastificeermiddel, met of zonder pigment, is verpakt in metalen houders, moet een binnenzak van meerlagig papier worden gebruikt.

Indien 2555 nitrocellulose met ten minste 25 massa-% water of 2556 nitrocellulose met ten minste 25 massa-% alcohol is verpakt in vaten van gelamineerd hout, kartonnen vaten of kartonnen dozen, moet gebruik gemaakt worden van een vochtdichte binnenzak, een binnenbekleding van kunststof folie of een inwendige kunststof coating.

Alle verpakkingen moeten zodanig zijn ontworpen dat het gehalte water, alcohol of flegmatiseermiddel tijdens het vervoer niet kan dalen.

(3) a) De stoffen van cijfer 26, met uitzondering van 3241 2-broom-2-nitropropaan-1,3-diol, moeten verpakt zijn in kartonnen vaten volgens rn. 1525 met een kunststof binnenbekleding of met een gelijkwaardige inwendige coating. Een collo mag niet meer wegen dan 50 kg.

b) Azodicarbonamide van cijfer 26b) mag ook verpakt zijn:

in een kunststof zak, die afzonderlijk verpakt is in een kartonnen doos, met een maximum inhoud van 50 kg, of

in flessen, potten, zakken of dozen van kunststof, elk met een maximum inhoud van 5 kg, met als buitenverpakking een kartonnen doos of een kartonnen vat met een maximum inhoud van 25 kg.

c) 3241 2-Broom-2-nitropropaan-1,3-diol moet verpakt zijn volgens de verpakkingsmethode OP6, overeenkomstig rn. 405 (1) en de daarop volgende tabel.

405 (1) De stoffen van de cijfers 31 t/m 40 moeten worden verpakt overeenkomstig de verpakkingsmethoden OP1 t/m OP8 van de hierna volgende tabel, zoals aangegeven in rn. 401.

Een verpakkingsmethode voor een collo met kleinere afmetingen (d.w.z. met een lager OP-nummer) mag gebruikt worden, maar een verpakkingsmethode voor een collo met grotere afmetingen (d.w.z. met een hoger OP-nummer) mag niet worden gebruikt. Metalen verpakkingen die voldoen aan de beproevingscriteria van verpakkingsgroep I mogen niet worden gebruikt. Bij samengestelde verpakkingen mogen de voor opvulling dienende stoffen niet gemakkelijk brandbaar zijn en geen aanleiding geven tot ontleding van de zelfontledende stof bij het vrijkomen. De hoeveelheden, aangegeven voor elke verpakkingsmethode, geven de hoogste waarden weer, die tegenwoordig als redelijk worden beschouwd. De volgende verpakkingstypen mogen worden gebruikt:

vaten volgens de rn. 1520, 1521, 1523, 1525 of 1526; of

jerrycans volgens de rn. 1522 of 1526; of

kisten of dozen volgens rn. 1527, 1528, 1529, 1530, 1531 of 1532; of

combinatieverpakkingen met een binnenhouder van kunststof volgens rn. 1537, onder voorwaarde dat:

a) de verpakkingen voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel V;

b) metalen verpakkingen (met inbegrip van binnenverpakkingen van samengestelde verpakkingen en buitenverpakkingen van samengestelde verpakkingen of combinatieverpakkingen) slechts voor de verpakkingsmethoden OP7 en OP8 worden gebruikt; en

c) in samengestelde verpakkingen houders van glas slechts als binnenverpakking met een inhoud van ten hoogste 0,5 l of 0,5 kg worden gebruikt.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(2) Verpakkingen, voorzien van een etiket volgens model nr. 01 overeenkomstig rn. 412 (4), moeten voldoen aan de voorschriften van rn. 102 (8) en (9).

(3) Voor de zelfontledende stoffen of formuleringen van zelfontledende stoffen, niet genoemd in rn. 401, moet de volgende procedure gevolgd worden om de geschikte verpakkingsmethode vast te stellen:

a) Zelfontledende stoffen van type B:

Aan de stoffen wordt verpakkingsmethode OP5 toegekend, indien ze voldoen aan de criteria van het Handboek beproevingen en criteria, deel II, paragraaf 20.4.2 b), in één van de aangegeven verpakkingen. Indien de zelfontledende stof alleen aan deze criteria kan voldoen in een kleinere verpakking dan die genoemd bij verpakkingsmethode OP5 (d.w.z. in een van de verpakkingen vermeld onder OP1 t/m OP4), dan moet de verpakkingsmethode overeenkomend met het lagere OP-nummer gebruikt worden.

b) Zelfontledende stoffen van type C:

Aan de stoffen wordt verpakkingsmethode OP6 toegekend, indien ze voldoen aan de criteria van het Handboek beproevingen en criteria, deel II, paragraaf 20.4.2 c), in één van de aangegeven verpakkingen. Indien de zelfontledende stof alleen aan deze criteria kan voldoen in een kleinere verpakking dan die genoemd bij verpakkingsmethode OP6, dan moet de verpakkingsmethode overeenkomend met het lagere OP-nummer gebruikt worden.

c) Zelfontledende stoffen van type D:

Verpakkingsmethode OP7 moet worden gebruikt.

d) Zelfontledende stoffen van type E:

Verpakkingsmethode OP8 moet worden gebruikt.

e) Zelfontledende stoffen van type F:

Verpakkingsmethode OP8 moet worden gebruikt.

(4) De stoffen van de cijfers 39b) en 40b) mogen in IBC's vervoerd worden onder de voorwaarden vastgesteld door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst, indien deze autoriteit op grond van beproevingsresultaten van oordeel is dat een dergelijk vervoer veilig kan plaatsvinden. De beproevingen moeten onder meer:

aantonen dat de zelfontledende stof voldoet aan de principes voor de classificatie volgens het Handboek beproevingen en criteria, deel II, paragraaf 20.4.2 f);

aantonen dat de zelfontledende stof inert is ten opzichte van alle materialen die gewoonlijk tijdens het vervoer in contact met de stof komen;

mogelijk maken, indien van toepassing, drukontlastingsinrichtingen te ontwerpen;

bepalen of bijzondere voorschriften noodzakelijk zijn.

Indien het land van herkomst geen Lid-Staat is, moeten de voorwaarden worden erkend door de bevoegde autoriteit van de eerste Lid-Staat van de COTIF, die bij de zending betrokken is.

(5) Teneinde explosief bezwijken van metalen IBC's of combinatie-IBC's met een volwandige metalen omhulling te voorkomen, moeten de drukontlastingsinrichtingen zo zijn ontworpen, dat alle ontledingsproducten en dampen afgeblazen worden, die gedurende een periode van niet minder dan 1 uur aanwezigheid in een brandhaard (warmtestroomdichtheid 110 Kw/m2) of als gevolg van zichzelf-versnellende ontleding vrijkomen.

(6) Houders of, indien van toepassing, IBC's, die stoffen van de cijfers 31b), 33b), 35b), 37b) of 39b) bevatten, die kleine hoeveelheden gas ontwikkelen, moeten voorzien zijn van een ontluchtingsinrichting volgens rn. 1500 (8) of 1601 (6).

406 (1) De onder b) vallende stoffen van de cijfers 1 t/m 17 moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten en jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, of

g) in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1539, of

h) in metalen IBC's volgens rn. 1622.

(2) De onder b) vallende stoffen van de cijfers 1 t/m 17 met een smeltpunt hoger dan 45 °C mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523, of van karton volgens rn. 1525, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in kisten van staal of aluminium volgens rn. 1532, van natuurlijk hout volgens rn. 1527, van gelamineerd hout volgens rn. 1528, van houtvezelmateriaal volgens rn. 1529, in dozen van karton volgens rn. 1530 of van kunststof volgens rn. 1531, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

c) in stofdichte zakken, van textiel volgens rn. 1533, van kunststofweefsel volgens rn. 1534, van kunststoffolie volgens rn. 1535 of van papier volgens rn. 1536, onder voorwaarde dat het een wagenlading betreft of zakken, gestapeld op pallets.

(3) De onder b) vallende stoffen van de cijfers 1, 6, 7, 8, 12, 13, 16 en 17 mogen ook verpakt zijn:

a) in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624, of

b) in combinatie-IBC's met binnenhouder van kunststof volgens rn. 1625, met uitzondering van de typen 11HZ2 en 31HZ2.

(4) De onder b) vallende stoffen van de cijfers 1, 6, 12 en 13 met een smeltpunt hoger dan 45 °C mogen ook verpakt zijn:

a) in IBC's van karton volgens rn. 1626, of

b) in IBC's van hout volgens rn. 1627.

(5) De onder b) vallende stoffen van de cijfers 1, 6 en 12 met een smeltpunt hoger dan 45 °C mogen ook verpakt zijn in flexibele IBC's volgens rn. 1623, met uitzondering van de typen 13H1, 13L1 en 13M1, onder voorwaarde dat het een wagenlading betreft of flexibele IBC's, die op pallets zijn geladen.

407 (1) De onder c) vallende stoffen van de cijfers 1 t/m 17, met uitzondering van 1331 wrijvingslucifers van cijfer 2c), moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten en jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, of

g) in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1539, of

h) in lichte metalen verpakkingen volgens rn. 1540, of

i) in metalen IBC's volgens rn. 1622, of

j) in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624, of

k) in combinatie-IBC's met binnenhouder van kunststof volgens rn. 1625, met uitzondering van de typen 11HZ2 en 31HZ2.

(2) De onder c) vallende stoffen van de cijfers 1 t/m 17 met een smeltpunt hoger dan 45 °C, met uitzondering van 1331 wrijvingslucifers van cijfer 2c), mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523, of van karton volgens rn. 1525, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in kisten van staal of aluminium volgens rn. 1532, van natuurlijk hout volgens rn. 1527, van gelamineerd hout volgens rn. 1528, van houtvezelmateriaal volgens rn. 1529, in dozen van karton volgens rn. 1530 of van kunststof volgens rn. 1531, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

c) in stofdichte zakken, van textiel volgens rn. 1533, van kunststofweefsel volgens rn. 1534, van kunststoffolie volgens rn. 1535 of van papier volgens rn. 1536.

(3) De onder c) vallende stoffen van de cijfers 6, 11 t/m 14, 16 en 17 met een smeltpunt hoger dan 45 °C mogen ook verpakt zijn:

a) in flexibele IBC's volgens rn. 1623, met uitzondering van de typen 13H1, 13L1 en 13M1, of

b) in IBC's van karton volgens rn. 1626, of

c) in IBC's van hout volgens rn. 1627, of

d) in combinatie-IBC's met binnenhouder van kunststof, van het type 11HZ2, volgens rn. 1625.

(4) 1331 Wrijvingslucifers van cijfer 2c) moeten in voldoend kleine hoeveelheden in binnenverpakkingen van karton, van natuurlijk hout, van gelamineerd hout, van houtvezelmateriaal of van metaal nauwsluitend zijn verpakt, zodat een toevallige ontsteking onder normale vervoersomstandigheden wordt voorkomen. Een binnenverpakking mag niet meer dan 700 lucifers bevatten. De binnenverpakkingen moeten in de volgende buitenverpakkingen worden verpakt: stalen vaten volgens rn. 1520, aluminium vaten volgens rn. 1521, stalen jerrycans volgens rn. 1522, vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523, kisten van natuurlijk hout volgens rn. 1527, kisten van gelamineerd hout volgens rn. 1528, kisten van houtvezelmateriaal volgens rn. 1529, dozen van karton volgens rn. 1530, dozen van kunststof volgens rn. 1531 of kisten van staal of aluminium volgens rn. 1532. Een collo mag niet meer wegen dan 45 kg, met uitzondering van een doos van karton, die niet meer mag wegen dan 27 kg.

408 Celluloid in platen van cijfer 3c) mag ook onverpakt als wagenlading worden geladen in gesloten wagens, indien dit, omhuld met kunststoffolie, met geschikte middelen, bijvoorbeeld stalen banden, op pallets is vastgezet. Een pallet mag niet meer wegen dan 1 000 kg.

409-

410

3. Gezamenlijke verpakking

411 (1) Stoffen die onder één cijfer vallen, mogen gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538.

(2) De stoffen van de cijfers 21 t/m 26 en 31 t/m 40 mogen niet gezamenlijk worden verpakt in één collo met andere goederen.

(3) Met uitzondering van de stoffen genoemd in lid (2) en voor zover bijzondere voorwaarden in lid (7) niet anders bepalen, mogen stoffen van verschillende cijfers van klasse 4.1 in hoeveelheden die per binnenverpakking niet meer bedragen dan 5 kg, gezamenlijk worden verpakt met stoffen en voorwerpen van andere klassen - voor zover gezamenlijke verpakking ook voor stoffen en voorwerpen van deze klassen is toegestaan - en/of met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538, onder voorwaarde dat zij niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

(4) Als gevaarlijke reacties worden beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanmerkelijke warmteontwikkeling;

b) de ontwikkeling van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van bijtende vloeistoffen;

d) de vorming van instabiele stoffen.

(5) De voorschriften van de rn. 8 en 402 dienen in acht genomen te worden.

(6) Bij gebruik van houten kisten of kartonnen dozen mag een collo niet meer wegen dan 100 kg [zie echter rn. 407 (4)].

(7) De onder b) of c) vallende stoffen van de cijfers 1 t/m 5 en 11 t/m 14 mogen niet gezamenlijk worden verpakt met stoffen van klasse 5.1, die onder a) of b) van de afzonderlijke cijfers van rn. 501 vallen.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie Aanhangsel IX)

Opschriften

412 (1) Elke collo moet op duidelijke en duurzame wijze zijn voorzien van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

Gevaarsetiketten

(2) Colli die stoffen bevatten van klasse 4.1, moeten zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 4.1.

(3) Colli die stoffen bevatten van de cijfers 7, 16, 22 en 25 moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 6.1, en colli die stoffen bevatten van de cijfers 8 en 17, bovendien van een etiket volgens model nr. 8.

(4) Colli die stoffen bevatten van de cijfers 31 en 32 moeten bovendien zijn voorzien van een etiket conform model nr. 01, tenzij de bevoegde autoriteit toestemming heeft verleend voor het weglaten van dit etiket voor het beproefde type verpakking, omdat uit de beproevingsresultaten is gebleken dat de zelfontledende stof in een dergelijke verpakking geen explosief gedrag vertoont [zie rn. 414 (4)].

(5) Colli die vloeistoffen bevatten in houders, waarvan de sluitingen aan de buitenzijde niet waarneembaar zijn, alsmede colli met houders voorzien van ontluchtingsinrichtingen, of houders met ontluchtingsinrichtingen zonder buitenverpakking, moeten op twee tegenover elkander gelegen zijden zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 11.

B. Wijze van verzending, beperkende bepalingen betreffende de verzending

413 (1) De stoffen van de cijfers 5 en 15 mogen uitsluitend in reservoirwagens (zie Aanhangsel XI) of in tankcontainers (zie Aanhangsel X) worden vervoerd.

(2) Met uitzondering van de stoffen volgens lid (1), de stoffen van de cijfers 31 en 32, alsmede de stoffen die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen, mogen colli die andere stoffen van deze klasse bevatten als expresgoed worden verzonden, indien zij bevatten:

van de stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 4 liter per collo voor vloeistoffen en ten hoogste 12 kg per collo voor vaste stoffen;

van de stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 24 kg per collo.

C. Aanduidingen in de vrachtbrief

414 (1) De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de cursief gedrukte identificatienummers en benamingen in rn. 401. Indien de stof niet met name is genoemd, maar in een n.e.g.-positie of verzamelaanduiding is ingedeeld, moet de aanduiding van het goed bestaan uit het identificatienummer en de benaming van de n.e.g.-positie of verzamelaanduiding, gevolgd door de chemische of technische benaming () van de stof.

De aanduiding van het goed moet worden aangevuld met de vermelding van de klasse, het cijfer en eventueel de groep a), b) of c) van de stofopsomming en de afkorting "RID" [b.v. 4.1, 6b), RID].

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie rn. 3 (4)] moet de aanduiding van het goed luiden: "Afval, bevat ", waarbij de voor de indeling van het afval volgens rn. 3 (3) bepalende gevaarlijke component(en) met zijn (hun) chemische benaming moet(en) worden aangegeven, b.v. "Afval, grond, bevat 1294 tolueen, 4.1, 4c), RID".

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) met meerdere aan deze Richtlijn onderworpen componenten, behoeven in het algemeen niet meer dan twee componenten, die bepalend zijn voor de gevaarlijkheid van de oplossingen en mengsels, te worden aangegeven.

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels die slechts één aan deze Richtlijn onderworpen component bevatten, moet in de vrachtbrief het woord "oplossing" resp. "mengsel" als onderdeel van de benaming worden toegevoegd [zie rn. 3 (3)].

Indien een vaste stof in gesmolten toestand ten vervoer wordt aangeboden, moet de aanduiding van het goed worden aangevuld met de vermelding "gesmolten", voor zover deze daarin al niet voorkomt.

Indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, moet bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed. Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

Indien een met name genoemde stof volgens rn. 400 (9) niet aan de voorwaarden van deze klasse is onderworpen, heeft de afzender het recht in de vrachtbrief te vermelden: "Geen goed van klasse 4.1".

(2) Indien het vervoer van stoffen plaatsvindt onder voorwaarden, vastgelegd door de bevoegde autoriteit [zie rn. 400 (16) en 405 (4)], moet de volgende verklaring in de vrachtbrief zijn aangebracht: "Vervoer volgens rn. 414 (2)".

(3) Indien een monster van een zelfontledende stof vervoerd wordt overeenkomstig rn. 400 (18), moet de volgende verklaring in de vrachtbrief zijn aangebracht: "Vervoer volgens rn. 414 (3)".

(4) Wanneer op grond van een toestemming van de bevoegde autoriteit overeenkomstig rn. 412 (4) een etiket volgens model nr. 01 niet vereist is, moet de volgende verklaring in de vrachtbrief zijn aangebracht: "Gevaarsetiket volgens model nr. 01 is niet vereist".

(5) Indien zelfontledende stoffen van type G [zie Handboek beproevingen en criteria, deel II, paragraaf 20.4.2 g)] vervoerd worden, mag de volgende verklaring in de vrachtbrief zijn aangebracht: "Geen zelfontledende stof van klasse 4.1".

D. Vervoermiddelen en technische hulpmiddelen

1. Voorschriften betreffende de wagens en het laden

a. voor colli

415 (1) De colli moeten in de wagens zo worden geladen, dat zij zich niet op gevaarlijke wijze kunnen verplaatsen en niet kunnen vallen of omvallen.

(2) Colli met stoffen van klasse 4.1, met uitzondering van stoffen van de cijfers 31 t/m 40, moeten zijn geladen in gesloten wagens of in open wagens met dekzeil. Colli met stoffen van de cijfers 31 t/m 40 moeten zijn geladen in gesloten wagens met voldoende ventilatie.

Vóór het laden moeten de wagens grondig worden gereinigd. Voor vervoer van colli die voorzien zijn van het bijkomende etiket volgens model nr. 01 [zie rn. 412 (4)], mogen, ook indien ze in grote containers zijn geladen, slechts wagens worden gebruikt die zijn voorzien van vonkenschermplaten volgens voorschrift. Bij wagens met een brandbare vloer mogen de vonkenschermplaten niet rechtstreeks aan de vloer van de wagen bevestigd zijn. De colli moeten zodanig zijn geladen dat door vrije luchtcirculatie in de laadruimte een gelijkmatige temperatuur van de lading is gegarandeerd. Indien de inhoud van een wagen 5 000 kg van deze stoffen overschrijdt, moet de lading verdeeld worden in stapels van niet meer dan 5 000 kg, die door luchtruimten van ten minste 0,05 meter zijn gescheiden.

(3) Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

b. voor vervoer als losgestort goed

416 (1) De vaste stoffen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) van cijfer 6c), met uitzondering van 1334 naftaleen, en van de cijfers 11c), 12c), 13c) en 14c) mogen losgestort vervoerd worden in gesloten wagens, in wagens met beweegbaar dak of in open wagens met dekzeil.

Naftaleen van cijfer 6c) mag losgestort vervoerd worden in stalen wagens met beweegbaar dak of in open stalen wagens met onbrandbare dekzeilen.

(2) De afvalstoffen van cijfer 4c) mogen losgestort vervoerd worden in open wagens met dekzeil en met voldoende ventilatie of in wagens met beweegbaar dak. Door geschikte maatregelen moet worden verzekerd, dat niets van de inhoud, in het bijzonder van de vloeibare bestanddelen, naar buiten kan treden.

c. voor kleine containers

417 (1) Met uitzondering van colli met stoffen van de cijfers 31 en 32, mogen colli die stoffen van deze klasse bevatten, in kleine containers worden vervoerd.

(2) De samenladingsverboden, bedoeld in rn. 420, zijn ook van toepassing in kleine containers.

(3) De vaste stoffen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) van cijfer 6c), met uitzondering van 1334 naftaleen, en van de cijfers 11c), 12c), 13c) en 14c) mogen ook zonder binnenverpakking worden vervoerd in kleine containers van het gesloten type met dichte wanden.

2. Opschriften en gevaarsetiketten op de wagens, op de reservoir-wagens, op de tankcontainers en op de kleine containers (zie Aanhangsel IX)

418 (1) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen worden vervoerd van deze klasse, moeten aan beide zijden voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 4.1.

(2) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen als bedoeld in rn. 412 (3) en (4) worden vervoerd, moeten bovendien aan beiden zijden voorzien zijn van een etiket volgens dat randnummer.

(3) Kleine containers moeten volgens rn. 412 (2) t/m (4) van etiketten zijn voorzien.

419

E. Verbod van samenlading

420 (1) Colli, die van een etiket volgens model nr. 4.1 zijn voorzien, mogen niet samen worden geladen in één wagen met colli die van een etiket volgens model nr. 1, 1.4, 1.5, 1.6 of 01 zijn voorzien. Deze voorschriften zijn niet van toepassing op colli die van een etiket volgens model nr. 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn voorzien.

(2) Colli die zijn voorzien van etiketten volgens model nr. 4.1 en 01, mogen niet in één wagen worden geladen met colli die voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 1, 1.4, 1.5, 1.6, 2, 3, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2, 7A, 7B, 7C, 8 of 9.

421 Voor zendingen, die niet in één wagen samengeladen mogen worden, moeten afzonderlijke vrachtbrieven worden opgemaakt.

F. Lege verpakkingen

422 (1) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, met uitzondering van de in lid (2) bedoelde verpakkingen en IBC's, lege reservoirwagens en lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, van cijfer 51, moeten op dezelfde wijze gesloten zijn en dezelfde waarborgen van dichtheid bieden als in gevulde toestand.

(2) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege flexibele IBC's, van cijfer 51, waarbij aan de buitenzijde resten van de vorige inhoud kleven, moeten in dichte verpakkingen worden vervoerd.

(3) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, die met water bevochtigde stoffen van cijfer 13b) of stoffen van de cijfers 21 t/m 25 hebben bevat, zijn slechts ten vervoer toegelaten, indien de resten van de stoffen zodanig verpakt zijn, dat het gehalte water of andere flegmatiseermiddelen, die aan de stoffen zijn toegevoegd om deze te inertiseren, niet kan dalen.

Ongereinigde lege verpakkingen die stoffen van de cijfers 31 t/m 40 hebben bevat, zijn slechts ten vervoer toegelaten, indien maatregelen zijn getroffen om een gevaarlijke zelfontleding uit te sluiten.

(4) Ongereinigde lege verpakkingen met inbegrip van lege IBC's, lege reservoirwagens en lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, van cijfer 51, en verpakkingen volgens lid (2) moeten van dezelfde gevaarsetiketten zijn voorzien als in gevulde toestand.

(5) De aanduiding in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de in cijfer 51 cursief gedrukte benamingen, aangevuld met "4.1, 51, RID", b.v. "Lege verpakking, 4.1, 51, RID".

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje aangebracht worden.

Bij ongereinigde lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed moet deze aanduiding worden aangevuld met de vermelding "Laatste inhoud" alsmede het gevaarsidentificatienummer, het stofidentificatienummer, de benaming, het cijfer en eventueel de groep a), b), of c) van de stofopsomming van het laatst vervoerde goed, b.v. "Laatste inhoud 44 2304 naftaleen, gesmolten, 5".

(6) Wat betreft de scheiding tussen ongereinigde lege verpakkingen van cijfer 51, die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

G. Verdere voorschriften

423 Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

424 Indien stoffen uit colli, voorzien van etiketten volgens model nr. 6.1, naar buiten zijn getreden en in een wagen zijn verspreid, dan mag deze wagen pas na grondige reiniging en zonodig ontsmetting weer worden gebruikt. Alle andere goederen en voorwerpen, die in dezelfde wagen zijn vervoerd, moeten op mogelijke verontreiniging onderzocht worden.

425-

429

KLASSE 4.2 VOOR ZELFONTBRANDING VATBARE STOFFEN

1. Opsomming van de stoffen

430 (1) Van de stoffen en voorwerpen, aangeduid in de titel van klasse 4.2 zijn die, welke genoemd zijn in rn. 431 of die, welke vallen onder een verzamelaanduiding van dat randnummer, onderworpen aan de in rn. 430 (2) t/m 454 gegeven voorschriften en derhalve stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn.

(2) De titel van klasse 4.2 omvat:

stoffen met inbegrip van mengsels en oplossingen (vloeibaar of vast), die in contact met lucht, zelfs in kleine hoeveelheden binnen 5 minuten ontbranden. Deze stoffen worden voor zelfontbranding vatbare stoffen (pyrofore stoffen) genoemd;

stoffen en voorwerpen, met inbegrip van mengsels en oplossingen, die in contact met lucht zonder toevoer van energie voor zelfverhitting vatbaar zijn. Deze stoffen kunnen slechts in grote hoeveelheden (verscheidene kilogrammen) en na lange tijdsduur (uren of dagen) ontbranden. Deze stoffen worden voor zelfverhitting vatbare stoffen genoemd.

(3) De stoffen en voorwerpen van klasse 4.2 zijn als volgt onderverdeeld:

A. Organische, voor zelfontbranding vatbare stoffen

B. Anorganische, voor zelfontbranding vatbare stoffen

C. Metaalorganische, voor zelfontbranding vatbare stoffen

D. Lege verpakkingen.

Op grond van de mate van gevaarlijkheid moeten de stoffen en voorwerpen van klasse 4.2 in de afzonderlijke cijfers van rn. 431 worden ingedeeld in één van de volgende groepen:

a) voor zelfontbranding vatbaar (pyrofoor),

b) voor zelfverhitting vatbaar,

c) weinig voor zelfverhitting vatbaar.

(4) De indeling van stoffen en voorwerpen, die niet met name zijn genoemd, in de cijfers 3 t/m 5, 12, 15, 16, 31 en 32 van rn. 431, alsmede in de groepen van deze cijfers, kan geschieden op grond van ervaring of op grond van de resultaten van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.3. De indeling in de cijfers 6 t/m 10, 14, 17 t/m 21 en 33, alsmede in de groepen van deze cijfers moet geschieden op grond van de resultaten van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.3; hierbij moet ook rekening worden gehouden met ervaring, indien deze tot een strengere indeling leidt.

(5) Indien niet met name genoemde stoffen en voorwerpen in de cijfers van rn. 431 worden ingedeeld op grond van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.3, zijn de volgende criteria van toepassing:

a) vaste stoffen die voor zelfontbranding vatbaar (pyrofoor) zijn, moeten in klasse 4.2 worden ingedeeld, indien zij bij een val van 1 meter hoogte of binnen 5 minuten ontbranden;

b) vloeistoffen die voor zelfontbranding vatbaar (pyrofoor) zijn, moeten in klasse 4.2 worden ingedeeld:

i) indien zij, gegoten op een inert dragermateriaal, binnen 5 minuten ontbranden, of

ii) bij een negatief beproevingsresultaat volgens i), indien zij, gegoten op een droog ingescheurd filtreerpapiertje (Whatmanfilter nr. 3), dit binnen 5 minuten doen ontbranden of verkolen;

c) stoffen waarbij in een monster in de vorm van een kubus met ribben van 10 cm, bij een beproevingstemperatuur van 140 °C binnen 24 uren een zelfontbranding of een temperatuurverhoging tot hoger dan 200 °C wordt waargenomen, moeten worden ingedeeld in klasse 4.2. Dit criterium is gebaseerd op de zelfontbrandingstemperatuur van houtskool, die 50 °C bedraagt voor een monster in de vorm van een kubus van 27 m3. Stoffen met een zelfontbrandingstemperatuur hoger dan 50 °C voor een volume van 27 m3 mogen niet in klasse 4.2 worden ingedeeld.

Opmerkingen: 1. Stoffen die in verpakkingen met een inhoud van ten hoogste 3 m3 worden vervoerd, zijn niet onderworpen aan klasse 4.2, indien bij beproeving van een monster, in de vorm van een kubus met ribben van 10 cm, bij een temperatuur van 120 °C binnen 24 uur geen zelfontbranding of temperatuurverhoging tot boven 180 °C optreedt.

2. Stoffen, die in verpakkingen met een inhoud van ten hoogste 450 l worden vervoerd, zijn niet onderworpen aan klasse 4.2, indien bij beproeving van een monster, in de vorm van een kubus met ribben van 10 cm, bij een temperatuur van 100 °C binnen 24 uur geen zelfontbranding of temperatuurverhoging tot boven 160 °C optreedt.

(6) Indien niet met name genoemde stoffen en voorwerpen in de groepen van de cijfers van rn. 431 worden ingedeeld op grond van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.3, zijn de volgende criteria van toepassing:

a) stoffen die voor zelfontbranding vatbaar (pyrofoor) zijn moeten worden ingedeeld in groep a);

b) stoffen en voorwerpen die voor zelfverhitting vatbaar zijn en waarbij in een monster, in de vorm van een kubus met ribben van 2,5 cm, bij een beproevingstemperatuur van 140 °C binnen 24 uren een zelfontbranding of een temperatuurverhoging tot hoger dan 200 °C wordt waargenomen, moeten worden ingedeeld in groep b). Stoffen met een zelfontbrandingstemperatuur hoger dan 50 °C voor een volume van 450 l moeten niet in groep b) worden ingedeeld;

c) stoffen die weinig voor zelfverhitting vatbaar zijn, waarbij in een monster, in de vorm van een kubus met ribben van 2,5 cm, de verschijnselen genoemd onder b) onder de gegeven omstandigheden niet worden waargenomen, maar waarbij in een monster, in de vorm van een kubus met ribben van 10 cm, bij een beproevingstemperatuur van 140 °C binnen 24 uren een zelfontbranding of een temperatuurverhoging tot hoger dan 200 °C wordt waargenomen, moeten worden ingedeeld in groep c).

(7) Indien de stoffen van klasse 4.2 als gevolg van toevoegingen overgaan naar andere gevaarscategorieën dan die waartoe de stoffen van rn. 431 behoren, moeten deze mengsels worden ingedeeld in de cijfers of de groepen waartoe zij op grond van hun werkelijke gevaarseigenschappen behoren.

Opmerking: Voor de indeling van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), zie ook rn. 3 (3).

(8) Indien stoffen en voorwerpen met name genoemd zijn onder verschillende groepen van eenzelfde cijfer van rn. 431, kan de juiste groep worden vastgesteld op grond van de resultaten van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.3 en de criteria van lid (6).

(9) Op grond van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.3 en de criteria van lid (5), kan ook worden vastgesteld of de aard van een met name genoemde stof zodanig is, dat deze stof niet is onderworpen aan de voorwaarden van deze klasse (zie rn. 444).

(10) Als vaste stoffen in de zin van de verpakkingsvoorschriften van de rn. 435 (2), 436 (2) en 437 (3) en (4) worden stoffen en mengsels van stoffen beschouwd met een smeltpunt hoger dan 45 °C.

(11) Voor zelfverhitting vatbare stoffen, oxiderend, die zijn ingedeeld onder identificatienummer 3127 van de Aanbevelingen van de VN, zijn niet ten vervoer toegelaten [zie echter rn. 3 (3), voetnoot 1) bij de tabel van paragraaf 2.3.1].

A. Organische, voor zelfontbranding vatbare stoffen

431 1. Kool, poedervormig, korrelig of in stukken:

b) 1361 kool of 1361 roet, van dierlijke of plantaardige oorsprong;

c) 1361 kool of 1361 roet, van dierlijke of plantaardige oorsprong,

1362 kool, geactiveerd.

Opmerkingen: 1. Met waterdamp geactiveerde kool en niet geactiveerd roet van minerale oorsprong zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. Niet geactiveerde kool van minerale oorsprong en poederkool in niet voor zelfverhitting vatbare toestand zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. Stoffen van dierlijke of plantaardige oorsprong:

b) 1374 vismeel (visafval), niet gestabiliseerd;

c) 1363 copra,

1386 oliezaadkoeken met meer dan 1,5 massa- % olie en ten hoogste 11 massa- % vocht,

2217 oliezaadkoeken met ten hoogste 1,5 massa- % olie en ten hoogste 11 massa- % vocht.

3. Vezels, weefsels en dergelijke producten van industriële oorsprong:

c) 1364 katoenafval, oliehoudend,

1365 katoen, vochtig,

1379 papier, behandeld met onverzadigde oliën, onvolledig gedroogd (met inbegrip van carbonpapier);

1373 vezels van dierlijke, plantaardige of synthetische oorsprong, n.e.g., geïmpregneerd met olie of

1373 weefsels van dierlijke, plantaardige of synthetische oorsprong, n.e.g., geïmpregneerd met olie.

4. Stoffen op basis van zwak genitreerde cellulose:

c) 2002 celluloidafval,

2006 kunststoffen op basis van nitrocellulose, voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.

Opmerking: 1353 Vezels of weefsels, geïmpregneerd met zwak genitreerde nitrocellulose, niet voor zelfverhitting vatbaar, en 2000 celluloid zijn voorwerpen van klasse 4.1 [zie rn. 401, cijfer 3c)].

5. Organische, voor zelfontbranding vatbare vaste stoffen, niet giftig en niet bijtend, en mengsels van organische, voor zelfontbranding vatbare vaste stoffen, niet giftig en niet bijtend (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) 2846 pyrofore organische vaste stof, n.e.g.;

b) 1369 p-nitrosodimethylaniline,

2940 9-fosfabicyclononanen (cyclooctadieenfosfinen);

3088 voor zelfverhitting vatbare, organische vaste stof, n.e.g.;

3313 voor zelfverhitting vatbare, organische pigmenten;

c) 3088 voor zelfverhitting vatbare, organische vaste stof, n.e.g;

3313 voor zelfverhitting vatbare, organische pigmenten.

6. Organische, voor zelfontbranding vatbare vloeistoffen, niet giftig en niet bijtend, en oplossingen van organische, voor zelfontbranding vatbare stoffen, niet giftig en niet bijtend (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) 2845 pyrofore organische vloeistof, n.e.g.;

Opmerking: Voor deze stof gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 433).

b) 3183 voor zelfverhitting vatbare, organische vloeistof, n.e.g.

c) 3183 voor zelfverhitting vatbare, organische vloeistof, n.e.g.

7. Organische, voor zelfontbranding vatbare vaste stoffen, giftig, en mengsels van organische, voor zelfontbranding vatbare vaste stoffen, giftig (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

b) 3128 voor zelfverhitting vatbare, organische vaste stof, giftig, n.e.g.

c) 3128 voor zelfverhitting vatbare, organische vaste stof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor giftigheid, zie rn. 600 (3).

8. Organische, voor zelfontbranding vatbare vloeistoffen, giftig, en oplossingen van organische, voor zelfontbranding vatbare stoffen, giftig (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

b) 3184 voor zelfverhitting vatbare, organische vloeistof, giftig, n.e.g.

c) 3184 voor zelfverhitting vatbare, organische vloeistof, giftig, n.e.g.;

Opmerking: Wat betreft de criteria voor giftigheid, zie rn. 600 (3).

9. Organische, voor zelfontbranding vatbare vaste stoffen, bijtend, en mengsels van organische, voor zelfontbranding vatbare vaste stoffen, bijtend (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

b) 3126 voor zelfverhitting vatbare, organische vaste stof, bijtend, n.e.g.

c) 3126 voor zelfverhitting vatbare, organische vaste stof, bijtend, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor bijtende werking, zie 800 (3).

10. Organische, voor zelfontbranding vatbare vloeistoffen, bijtend, en oplossingen van organische, voor zelfontbranding vatbare stoffen, bijtend (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

b) 3185 voor zelfverhitting vatbare, organische vloeistof, bijtend, n.e.g.

c) 3185 voor zelfverhitting vatbare, organische vloeistof, bijtend, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor bijtende werking, zie rn. 800 (3).

B. Anorganische, voor zelfontbranding vatbare stoffen.

11. Fosfor

a) 1381 fosfor, wit of geel, droog, of

1381 fosfor, wit of geel, onder water, of

1381 fosfor, wit of geel, in oplossing

Opmerking: 2447 Fosfor, wit of geel, gesmolten, is een stof van cijfer 22.

12. Metalen en metaallegeringen in poeder-, stof- of korrelvorm of in een andere voor zelfontbranding vatbare vorm:

a) 1854 bariumlegeringen, pyrofoor,

1855 calcium, pyrofoor, of

1855 calciumlegeringen, pyrofoor,

2008 zirkoniumpoeder, droog,

2545 hafniumpoeder, droog,

2546 titaanpoeder, droog,

2881 metaalkatalysator, droog;

1383 pyrofoor metaal, n.e.g., of

1383 pyrofore legering, n.e.g.;

b) 1378 metaalkatalysator, bevochtigd met een zichtbare overmaat vloeistof,

2008 zirkoniumpoeder, droog,

2545 hafniumpoeder, droog,

2546 titaanpoeder, droog,

2881 metaalkatalysator, droog;

3189 voor zelfverhitting vatbaar metaalpoeder, n.e.g.;

c) 1932 zirkoniumafval,

2008 zirkoniumpoeder, droog,

2009 zirkonium, droog, in de vorm van platen, stroken of opgerolde draad (dunner dan 18 ìm),

2545 hafniumpoeder, droog,

2546 titaanpoeder, droog,

2793 boorspanen, freesspanen of draaispanen van ferrometalen in voor zelfverhitting vatbare vorm,

2881 metaalkatalysator, droog;

3189 voor zelfverhitting vatbaar metaalpoeder, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 2858 Eindproducten van zirkonium met een dikte van ten minste 18 ìm zijn stoffen van klasse 4.1. [zie rn. 401, cijfer 13c)].

2. 1326 Hafnium-, 1352 titaan- of 1358 zirkoniumpoeder, bevochtigd met ten minste 25 % water, is een stof van klasse 4.1 (zie rn. 401, cijfer 13).

3. Stof en poeder van metalen, niet giftig, in niet voor zelfontbranding vatbare vorm, die echter in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 (zie rn. 471, cijfer 13).

13. Sulfiden, waterstofsulfiden en dithionieten in voor zelfontbranding vatbare vorm:

b) 1382 kaliumsulfide, watervrij, of

1382 kaliumsulfide met minder dan 30 % kristalwater,

1384 natriumdithioniet,

1385 natriumsulfide, watervrij, of

1385 natriumsulfide met minder dan 30 % kristalwater,

1923 calciumdithioniet,

1929 kaliumdithioniet,

2318 natriumwaterstofsulfide met minder dan 25 % kristalwater.

Opmerkingen: 1. 1847 Kaliumsulfide, gehydrateerd met ten minste 30 % kristalwater, 1849 natriumsulfide, gehydrateerd met ten minste 30 % kristalwater en 2949 natriumwaterstofsulfide, gehydrateerd met ten minste 25 % kristalwater, zijn stoffen van klasse 8 [zie rn. 801, cijfer 45b)1.].

2. 1931 Zinkdithioniet is een stof van klasse 9 [zie rn. 901, cijfer 32c)].

c) 3174 titaandisulfide.

14. Metaalzouten en alcoholaten, niet giftig en niet bijtend, in voor zelfontbranding vatbare toestand:

b) 3205 alcoholaten van aardalkalimetalen, n.e.g.

c) 3205 alcoholaten van aardalkalimetalen, n.e.g.

Opmerking: De groep van aardalkalimetalen omvat de elementen magnesium, calcium, strontium en barium.

15. Metaalzouten en alcoholaten, bijtend, in voor zelfontbranding vatbare toestand:

a) 2441 titaantrichloride, pyrofoor, of

2441 titaantrichloride, mengsels, pyrofoor;

b) 1431 natriummethylaat;

3206 alcoholaten van alkalimetalen, voor zelfverhitting vatbaar, bijtend, n.e.g.

c) 3206 alcoholaten van alkalimetalen, voor zelfverhitting vatbaar, bijtend, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 2869 Titaantrichloride, mengsel, niet pyrofoor, is een stof van klasse 8 [zie rn. 801, cijfer 11b) of c)].

2. De groep van alkalimetalen omvat de elementen lithium, natrium, kalium, rubidium en cesium.

16. Anorganische, voor zelfontbranding vatbare vaste stoffen, niet giftig en niet bijtend, en mengsels van anorganische, voor zelfontbranding vatbare vaste stoffen, niet giftig en niet bijtend (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) 3200 pyrofore anorganische vaste stof, n.e.g.;

b) 2004 magnesiumdiamide;

3190 voor zelfverhitting vatbare, anorganische vaste stof, n.e.g.

c) 1376 ijzeroxide, afgewerkt of

1376 ijzerspons, afgewerkt, afkomstig van de lichtgaszuivering,

2210 maneb (mangaan-ethyleen-1,2-bis-dithiocarbamaat) of

2210 maneb-preparaten met ten minste 60 massa- % maneb;

3190 voor zelfverhitting vatbare, anorganische vaste stof, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Maneb en maneb-preparaten, die tegen zelfverhitting gestabiliseerd zijn, moeten niet in klasse 4.2. worden ingedeeld, indien door beproeving kan worden aangetoond, dat een monster in de vorm van een kubus met een inhoud van 1 m3, niet spontaan ontbrandt en dat de temperatuur in het midden van het monster niet hoger wordt dan 200 °C, indien het monster gedurende 24 uur op een temperatuur van ten minste 75 °C ± 2 °C wordt gehouden.

2. 2968 Maneb of 2968 maneb-preparaten, die tegen zelfverhitting gestabiliseerd zijn en die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 [zie rn. 471, cijfer 20c)]

17. Anorganische, voor zelfontbranding vatbare vloeistoffen, niet giftig en niet bijtend, en oplossingen van anorganische, voor zelfontbranding vatbare stoffen, niet giftig en niet bijtend (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) 2870 aluminiumboorhydride of

2870 aluminiumboorhydride in apparaten,

3194 pyrofore anorganische vloeistof, n.e.g.;

Opmerkingen: 1. Voor deze stoffen gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 433).

2. Andere metaalhydriden in brandbare vorm zijn stoffen van klasse 4.1 (zie rn. 401, cijfer 14).

3. Metaalhydriden, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 (zie rn. 471, cijfer 16).

b) 3186 voor zelfverhitting vatbare, anorganische vloeistof, n.e.g.

c) 3186 voor zelfverhitting vatbare, anorganische vloeistof, n.e.g.

18. Anorganische, voor zelfontbranding vatbare vaste stoffen, giftig, en mengsels van anorganische, voor zelfontbranding vatbare vaste stoffen, giftig (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

b) 3191 voor zelfverhitting vatbare, anorganische vaste stof, giftig, n.e.g.;

c) 3191 voor zelfverhitting vatbare, anorganische vaste stof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor giftigheid, zie rn. 600 (3).

19. Anorganische, voor zelfontbranding vatbare vloeistoffen, giftig, en oplossingen van anorganische, voor zelfontbranding vatbare stoffen, giftig (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) 1380 pentaboraan;

Opmerking: Voor deze stof gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 433).

b) 3187 voor zelfverhitting vatbare, anorganische vloeistof, giftig, n.e.g.

c) 3187 voor zelfverhitting vatbare, anorganische vloeistof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor giftigheid, zie rn. 600 (3).

20. Anorganische, voor zelfontbranding vatbare vaste stoffen, bijtend, en mengsels van anorganische, voor zelfontbranding vatbare vaste stoffen, bijtend (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

b) 3192 voor zelfverhitting vatbare, anorganische vaste stof, bijtend, n.e.g.

c) 3192 voor zelfverhitting vatbare, anorganische vaste stof, bijtend, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor bijtende werking, zie rn. 800 (3).

21. Anorganische, voor zelfontbranding vatbare vloeistoffen, bijtend, en oplossingen van anorganische, voor zelfontbranding vatbare stoffen, bijtend (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

b) 3188 voor zelfverhitting vatbare, anorganische vloeistof, bijtend, n.e.g.

c) 3188 voor zelfverhitting vatbare, anorganische vloeistof, bijtend, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor bijtende werking, zie rn. 800 (3).

22. 2447 fosfor, wit of geel, gesmolten.

C. Metaalorganische, voor zelfontbranding vatbare verbindingen

Opmerkingen: 1. Metaalorganische verbindingen en oplossingen daarvan, die niet voor zelfontbranding vatbaar zijn, maar die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 (zie rn. 471, cijfer 3).

2. Brandbare oplossingen van metaalorganische verbindingen in concentraties, die niet voor zelfontbranding vatbaar zijn en die in contact met water geen brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 3.

3. Voor de stoffen van de cijfers 31 t/m 33 gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 433).

31. Voor zelfontbranding vatbare metaalalkylen en metaalarylen:

a) 1366 diethylzink,

1370 dimethylzink,

2005 difenylmagnesium,

2445 lithiumalkylen,

3051 aluminiumalkylen,

3053 magnesiumalkylen;

2003 metaalalkylen, n.e.g., of

2003 metaalarylen, n.e.g.

32. Andere metaalorganische, voor zelfontbranding vatbare verbindingen:

a) 3052 aluminiumalkylhalogeniden,

3076 aluminiumalkylhydriden;

3049 metaalalkylhalogeniden, n.e.g., of

3049 metaalarylhalogeniden, n.e.g.;

3050 metaalalkylhydriden, n.e.g., of

3050 metaalarylhydriden, n.e.g.

33. Metaalorganische, voor zelfontbranding vatbare verbindingen:

a) 3203 pyrofore metaalorganische verbinding, n.e.g.

D. Lege verpakkingen

41. Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (lege IBC's), lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, die stoffen van klasse 4.2 hebben bevat.

Opmerking: Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (lege IBC's), lege reservoirwagens, lege tankcontainers en lege kleine containers, die stoffen van cijfer 4c), identificatienummer 2002, van cijfer 12c), identificatienummers 1932, 2009 en 2793, en van cijfer 16c), identificatienummer 1376, hebben bevat, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. Vervoersvoorwaarden (De vervoersvoorwaarden voor lege verpakkingen zijn samengevat onder F.)

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

432 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel V, tenzij in hoofdstuk A.2 voor bepaalde stoffen bijzondere verpakkingsvoorschriften zijn opgenomen.

(2) IBC's moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel VI.

(3) Met uitzondering van de in rn. 436 (2)a), b) en (3) alsmede in rn. 437 (3)a), b), (4) en (5) genoemde verpakkingen, moeten de (binnen)verpakkingen hermetisch zijn gesloten.

(4) Overeenkomstig het bepaalde in rn. 430 (3) en 1511 (2) of 1611 (2) moeten worden gebruikt:

voor stoffen die voor zelfontbranding vatbaar (pyrofoor) zijn, die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep I, gekenmerkt met de letter "X",

voor stoffen die voor zelfverhitting vatbaar zijn, die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep II of I, gekenmerkt met de letter "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep II, gekenmerkt met de letter "Y",

voor stoffen die weinig voor zelfverhitting vatbaar zijn, die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep III, II of I, gekenmerkt met de letter "Z", "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep III of II, gekenmerkt met de letter "Z" of "Y".

Opmerking: Voor het vervoer van stoffen van klasse 4.2 in reservoirwagens, zie Aanhangsel XI, in tankcontainers, zie Aanhangsel X. Voor het vervoer als losgestort goed, zie rn. 446.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

433 (1) De pyrofore vloeistoffen van de cijfers 6a), 17a), met uitzondering van aluminiumboorhydride in apparaten, 19a) en 31 t/m 33 moeten zijn verpakt in hermetisch gesloten metalen houders die niet door de vervoerde stof kunnen worden aangetast, met een inhoud van ten hoogste 450 liter.

De houders moeten een eerste beproeving en elke 5 jaar periodieke beproevingen ondergaan met een druk van ten minste 1 MPa (10 bar) (overdruk).

De houders mogen tot ten hoogste 90 % van hun inhoud worden gevuld; bij een gemiddelde vloeistoftemperatuur van 50 °C moet echter een ledige vrije ruimte van 5 % overblijven. Tijdens het vervoer moet de vloeistof bedekt zijn met een inert gas, waarvan de overdruk ten minste 50 kPa (0,5 bar) bedraagt.

De houders moeten voorzien zijn van een plaat waarop de volgende aanduidingen op duurzame wijze zijn aangebracht:

aanduiding van de ten vervoer toegelaten stof of stoffen (),

massa () van de lege houder met inbegrip van de uitrustingsdelen,

beproevingsdruk () (overdruk),

datum (maand, jaar) van de laatst uitgevoerde beproeving,

waarmerk van de deskundige die de beproeving heeft uitgevoerd,

inhoud () van de houder,

hoogst toelaatbare massa van de vulling ().

(2) Deze stoffen mogen ook zijn verpakt in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538 met een binnenverpakking van glas en een buitenverpakking van staal of aluminium volgens rn. 1532. De houders mogen tot ten hoogste 90 % van de inhoud zijn gevuld. Een collo mag slechts één binnenverpakking bevatten. Deze samengestelde verpakkingen moeten overeenkomen met een constructietype dat volgens Aanhangsel V is beproefd en toegelaten voor verpakkingsgroep I.

(3) De stoffen van cijfer 31a), met uitzondering van 2005 difenylmagnesium, en van cijfer 32 mogen ook zijn verpakt in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538 met luchtdicht gesloten binnenverpakkingen van glas met een inhoud van ten hoogste 1 l, die door toevoeging van voor opvulling dienende stoffen afzonderlijk zijn vastgezet in metalen verpakkingen als tussenverpakking. De glazen verpakkingen mogen tot ten hoogste 90 % van hun inhoud zijn gevuld. Als buitenverpakkingen zijn toegelaten: vaten met afneembaar deksel van staal volgens rn. 1520 of van aluminium volgens rn. 1521, van gelamineerd hout volgens rn. 1523 of van karton volgens rn. 1525, kisten van staal of aluminium volgens rn. 1532, van natuurlijk hout volgens rn. 1527, van gelamineerd hout volgens rn. 1528, van houtvezelmateriaal volgens rn. 1529 of dozen van karton volgens rn. 1530.

In afwijking van rn. 1538 mogen ook vaten van natuurlijk hout volgens rn. 1524 als buitenverpakking worden gebruikt.

De samengestelde verpakkingen moeten overeenkomen met een constructietype, dat volgens Aanhangsel V is beproefd en toegelaten voor verpakkingsgroep I.

Een collo mag niet meer dan 30 liter van de stof bevatten.

434 Fosfor van cijfer 22 mag alleen in reservoirwagens (zie Aanhangsel XI) of in tankcontainers (zie Aanhangsel X) worden vervoerd.

435 (1) De onder a) vallende stoffen van de cijfers 5, 12, 15 en 16 moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1522, of

d) in vaten van kunststof met niet-afneembaar deksel met een inhoud van ten hoogste 60 liter en in jerrycans van kunststof met niet-afneembaar deksel, volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen van glas, kunststof of metaal volgens rn. 1538.

(2) De vaste stoffen in de zin van rn. 430 (10) mogen bovendien verpakt zijn in vaten met afneembaar deksel, van staal volgens rn. 1520, van aluminium volgens rn. 1521, van kunststof volgens rn. 1526 of in jerrycans met afneembaar deksel, van staal of van aluminium volgens rn. 1522 of van kunststof volgens rn. 1526.

(3) Fosfor, wit of geel, van cijfer 11a) moet verpakt zijn:

a) in stalen vaten met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1520, of

b) in stalen vaten met afneembaar deksel volgens rn. 1520, onder voorwaarde dat de vaten zijn onderworpen aan een dichtheidsproef volgens rn. 1553, of

c) in stalen of aluminium jerrycans met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1522, of

d) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538 met binnenverpakkingen van metaal.

(4) Aluminiumboorhydride in apparaten van cijfer 17a) moet verpakt zijn:

a) in stalen vaten met afneembaar deksel volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten met afneembaar deksel volgens rn. 1521, of

c) in kunststof vaten met afneembaar deksel volgens rn. 1526, of

d) in kisten van staal of aluminium volgens rn. 1532.

436 (1) De onder b) vallende stoffen van de verschillende cijfers moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten en jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, of

g) in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1539, of

h) in metalen IBC's volgens rn. 1622, of

i) in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624, of

j) in combinatie-IBC's met binnenhouder van kunststof volgens rn. 1625, met uitzondering van de typen 11HZ2 en 31HZ2.

(2) De vaste stoffen in de zin van rn. 430 (10) mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523 of van karton volgens rn. 1525, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in zakken van kunststoffolie volgens rn. 1535, onder voorwaarde dat het een wagenlading betreft of zakken, gestapeld op pallets.

(3) Vismeel van cijfer 2b) mag bovendien verpakt zijn in flexibele IBC's volgens rn. 1623, met uitzondering van de typen 13H1, 13L1 en 13M1, onder voorwaarde dat het een wagenlading betreft of flexibele IBC's die op pallets zijn geladen.

(4) 3313 Voor zelfverhitting vatbare, organische pigmenten van cijfer 5b) mogen bovendien verpakt zijn:

a) in papieren zakken, met meer dan één laag, waterbestendig (5M2) volgens rn. 1536, of

b) in zakken van kunststof weefsel, stofdicht (5H2) volgens rn. 1534, of

c) in flexibele IBC's volgens rn. 1623, met uitzondering van de typen 13H1, 13L1 en 13M1.

De onder a), b) en c) genoemde verpakkingen en IBC's mogen alleen als wagenlading of op pallets geladen worden vervoerd.

437 (1) De onder c) vallende stoffen van de verschillende cijfers moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten en jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, of

g) in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1539, of

h) in lichte metalen verpakkingen volgens rn. 1540.

Opmerking: Metalen verpakkingen voor stoffen van cijfer 4 moeten zodanig geconstrueerd en gesloten zijn, dat zij bij een inwendige druk van ten hoogste 300 kPa (3 bar) bezwijken.

(2) Met uitzondering van de stoffen van cijfer 4 mogen de stoffen bovendien verpakt zijn:

a) in metalen IBC's volgens rn. 1622, of

b) in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624, of

c) in combinatie-IBC's met binnenhouder van kunststof volgens rn. 1625, met uitzondering van de typen 11HZ2 en 31HZ2.

(3) De vaste stoffen in de zin van rn. 430 (10) mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523 of van karton volgens rn. 1525, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in zakken van textiel, stofdicht (5L2) volgens rn. 1533,

in zakken van kunststof weefsel, stofdicht (5H2) volgens rn. 1534,

in zakken van kunststof folie (5H4) volgens rn. 1535, of

in papieren zakken, met meer dan één laag, waterbestendig (5M2) volgens rn. 1536.

(4) Met uitzondering van de stoffen van cijfer 4 mogen de vaste stoffen in de zin van rn. 430 (10) ook verpakt zijn in flexibele IBC's volgens rn. 1623, met uitzondering van de typen 13H1, 13L1 en 13M1.

(5) De stoffen van de cijfers 2c) en 3c) mogen bovendien worden vervoerd in niet gekeurde verpakkingen, die slechts voldoen aan de voorschriften van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7).

Katoenafval met een oliegehalte lager dan 5 massa- % en katoen van cijfer 3c) mogen ook worden vervoerd in stevig dichtgesnoerde balen.

438 (1) De openingen van houders voor het vervoer van vloeistoffen met een viscositeit bij 23 °C lager dan 200 mm2/s, - met uitzondering van glazen ampullen en drukbestendige flessen - moeten dicht gesloten kunnen worden met behulp van twee boven elkaar liggende inrichtingen, waarvan één geschroefd of op gelijkwaardige wijze bevestigd moet zijn.

Opmerking: Voor IBC's, zie echter rn. 1621 (8).

(2) Stalen vaten volgens rn. 1520, die metaalkatalysator, bevochtigd, van cijfer 12b) bevatten, moeten voorzien zijn van een ontluchtingsinrichting volgens rn. 1500 (8).

439-

440

3. Gezamenlijke verpakking

441 (1) Stoffen die onder één cijfer vallen, mogen gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538.

(2) De stoffen van de cijfers 6a), 11, 17a), 19a) en 31 t/m 33 mogen niet gezamenlijk worden verpakt met stoffen en voorwerpen van andere cijfers van klasse 4.2, met stoffen en voorwerpen van andere klassen en met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

(3) Met uitzondering van de stoffen, genoemd in lid (2), mogen stoffen van klasse 4.2 in hoeveelheden die per binnenverpakking niet meer bedragen dan 3 liter voor vloeistoffen en/of 6 kg voor vaste stoffen, gezamenlijk worden verpakt met stoffen en voorwerpen van andere klassen - voor zover gezamenlijke verpakking ook voor stoffen en voorwerpen van deze klassen is toegestaan - en/of met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538, onder voorwaarde dat zij niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

De netto hoeveelheid per collo mag voor de stoffen van deze klasse die onder letter a) zijn ingedeeld niet meer bedragen dan 3 kg voor vaste stoffen en 3 liter voor vloeistoffen.

(4) Als gevaarlijke reacties worden beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanmerkelijke warmteontwikkeling;

b) de ontwikkeling van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van bijtende vloeistoffen;

d) de vorming van instabiele stoffen.

(5) De voorschriften van de rn. 8 en 432 dienen in acht genomen te worden.

(6) Bij gebruik van houten kisten of kartonnen dozen mag een collo niet meer wegen dan 100 kg.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie Aanhangsel IX)

Opschriften

442 (1) Elke collo moet op duidelijke en duurzame wijze zijn voorzien van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

Gevaarsetiketten

(2) Colli die stoffen van deze klasse bevatten, moeten zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 4.2.

(3) Colli die maneb of maneb-preparaten van cijfer 16c) of stoffen van de cijfers 17a) en 31 t/m 33 bevatten, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 4.3.

(4) Colli die stoffen van de cijfers 7, 8, 11, 18 en 19 bevatten, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 6.1.

(5) Colli die stoffen van de cijfers 9, 10, 15, 20 en 21 bevatten, moeten bovendien zijn voorzien van etiket volgens model nr. 8.

(6) Colli die vloeistoffen bevatten in houders, waarvan de sluitingen aan de buitenzijde niet waarneembaar zijn, alsmede colli met houders voorzien van ontluchtingsinrichtingen, of houders met ontluchtingsinrichtingen zonder buitenverpakking, alsmede colli met fosfor van cijfer 11a) moeten op twee tegenover elkander gelegen zijden zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 11.

B. Wijze van verzending, beperkende bepalingen betreffende de verzending

443 Met uitzondering van de stoffen die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen, mogen colli die andere stoffen van deze klasse bevatten, als expresgoed worden verzonden, indien zij bevatten:

van de stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 6 liter per collo voor vloeistoffen en ten hoogste 12 kg per collo voor vaste stoffen;

van de stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 12 liter per collo voor vloeistoffen en ten hoogste 24 kg per collo voor vaste stoffen.

C. Aanduidingen in de vrachtbrief

444 De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de cursief gedrukte identificatienummers en benamingen in rn. 431. Indien de stof niet met name is genoemd, maar in een n.e.g.-positie is ingedeeld, moet de aanduiding van het goed bestaan uit het identificatienummer en de benaming van de n.e.g.-positie, gevolgd door de chemische of technische benaming 1 () ) van de stof.

De aanduiding van het goed moet worden aangevuld met de vermelding van de klasse, het cijfer en eventueel de letter van de stofopsomming en de afkorting "RID" [b.v. 4.2, 13b), RID].

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie rn. 3 (4)] moet de aanduiding van het goed luiden: "Afval, bevat ", waarbij de voor de indeling van het afval volgens rn. 3 (3) bepalende gevaarlijke component(en) met zijn (hun) chemische benaming(en) moet(en) worden aangegeven, b.v. "Afval, bevat 1381 fosfor, wit, onder water, 4.2, 11a), RID".

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) met meerdere aan deze Richtlijn onderworpen componenten, behoeven in het algemeen niet meer dan twee componenten, die bepalend zijn voor de gevaarlijkheid van de oplossingen en mengsels, te worden aangegeven.

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels die slechts één aan deze Richtlijn onderworpen component bevatten, moet in de vrachtbrief het woord "oplossing" resp. "mengsel" als onderdeel van de benaming worden toegevoegd [zie rn. 3(3a)].

Indien een vaste stof in gesmolten toestand ten vervoer wordt aangeboden, moet de aanduiding van het goed worden aangevuld met de vermelding "gesmolten", voor zover deze daarin al niet voorkomt.

Indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, moet bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed. Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

Indien een met name genoemde stof volgens rn. 430 (9) niet aan de voorwaarden van deze klasse is onderworpen, heeft de afzender het recht in de vrachtbrief te vermelden: "Geen goed van klasse 4.2".

D. Vervoermiddelen en technische hulpmiddelen

1. Voorschriften betreffende de wagens en het laden

a. voor colli

445 (1) De colli moeten in de wagens zo worden geladen, dat zij zich niet op gevaarlijke wijze kunnen verplaatsen en niet kunnen vallen of omvallen.

(2) Colli met stoffen van klasse 4.2 moeten zijn geladen in gesloten wagens of in open wagens met dekzeil.

(3) Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

b. Voor vervoer als losgestort goed

446 (1) De stoffen van de cijfers 1c), 2c), 3, boorspanen, freesspanen of draaispanen van ferrometalen van cijfer 12c), ijzeroxide, afgewerkt, en ijzerspons, afgewerkt, van cijfer 16c), alsmede vaste afvalstoffen die onder c) van voornoemde cijfers vallen, mogen losgestort vervoerd worden in metalen, open wagens met dekzeil of in metalen wagens met beweegbaar dak.

c. Voor kleine containers

447 (1) Colli die stoffen van deze klasse bevatten, mogen in kleine containers worden vervoerd.

(2) De samenladingsverboden, bedoeld in rn. 450, zijn ook van toepassing in kleine containers.

(3) De in rn. 446 genoemde stoffen mogen ook losgestort worden vervoerd in metalen, kleine containers van het gesloten type met dichte wanden.

2. Opschriften en gevaarsetiketten op de wagens, op de reservoir-wagens, op de tankcontainers en op de kleine containers (zie Aanhangsel IX)

448 (1) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen van deze klasse worden vervoerd, moeten aan beide zijden voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 4.2.

(2) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin maneb of maneb-preparaten van cijfer 16c) of stoffen van de cijfers 17a) en 31 t/m 33 worden vervoerd, moeten bovendien aan beide zijden van een etiket volgens model nr. 4.3, bij vervoer van stoffen van de cijfers 7, 8, 11, 18, 19 en 22 bovendien van een etiket volgens model nr. 6.1, en bij vervoer van stoffen van de cijfers 9, 10, 15, 20 en 21 bovendien van een etiket volgens model nr. 8 zijn voorzien.

(3) Kleine containers moeten volgens rn. 442 (2) t/m (5) van etiketten zijn voorzien.

449

E. Verbod van samenlading

450 Colli die van een etiket volgens model nr. 4.2 zijn voorzien, mogen niet samen worden geladen in één wagen met colli die van een etiket volgens model nr. 1, 1.4, 1.5, 1.6 of 01 zijn voorzien. Deze voorschriften zijn niet van toepassing op colli die van een etiket volgens model nr. 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn voorzien.

451 Voor zendingen die niet in één wagen samengeladen mogen worden, moeten afzonderlijke vrachtbrieven worden opgemaakt.

F. Lege verpakkingen

452 (1) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, lege reservoirwagens en lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, van cijfer 41, moeten op dezelfde wijze gesloten zijn en dezelfde waarborgen van dichtheid bieden als in gevulde toestand.

(2) Ongereinigde lege verpakkingen met inbegrip van lege IBC's, lege reservoirwagens, lege tankcontainers alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, van cijfer 41, moeten van dezelfde gevaarsetiketten zijn voorzien als in gevulde toestand.

(3) De aanduiding in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de in cijfer 41 cursief gedrukte benamingen, aangevuld met "4.2, 41, RID", b.v. "Lege verpakking, 4.2, 41, RID".

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje aangebracht worden.

Bij ongereinigde lege reservoirwagens of lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, moet deze aanduiding worden aangevuld met de vermelding "Laatste inhoud" alsmede het gevaarsidentificatienummer, het stofidentificatienummer, de benaming, het cijfer en eventueel de groep a), b) of c) van de stofopsomming, van het laatst vervoerde goed, b.v. "Laatste inhoud 46 1381 fosfor, wit, droog, 11a)".

G. Verdere voorschriften

453 Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

454 Indien stoffen uit colli, voorzien van etiketten volgens model nr. 6.1, naar buiten zijn getreden en in een wagen zijn verspreid, dan mag deze wagen pas na grondige reiniging en zonodig ontsmetting weer worden gebruikt. Alle andere goederen en voorwerpen, die in dezelfde wagen zijn vervoerd, moeten op mogelijke verontreiniging onderzocht worden.

455-

469

KLASSE 4.3 STOFFEN DIE IN CONTACT MET WATER BRANDBARE GASSEN ONTWIKKELEN

1. Opsomming van de stoffen

470 (1) Van de stoffen en voorwerpen, aangeduid in de titel van klasse 4.3, zijn die, welke genoemd zijn in rn. 471 of die, welke vallen onder een verzamelaanduiding van dat randnummer, onderworpen aan de in rn. 470 (2) t/m 494 gegeven voorschriften en derhalve stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn.

Opmerking: Wat betreft de hoeveelheden van de stoffen en voorwerpen van rn. 471, die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het hoofdstuk "Vervoersvoorwaarden", zie rn. 471a.

(2) De titel van klasse 4.3 omvat stoffen en voorwerpen met stoffen van deze klasse, die als gevolg van een reactie met water brandbare gassen ontwikkelen, die met lucht ontplofbare mengsels kunnen vormen.

Opmerking: De uitdrukking "reactief met water", die gebruikt wordt in de n.e.g.-posities van rn. 471, geeft een stof aan, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelt.

(3) De stoffen en voorwerpen van klasse 4.3 zijn als volgt onderverdeeld:

A. Organische stoffen, metaalorganische verbindingen en stoffen in organische oplosmiddelen, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen

B. Anorganische stoffen, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen

C. Voorwerpen met stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen

D. Lege verpakkingen

Op grond van de mate van gevaarlijkheid moeten de stoffen en voorwerpen van klasse 4.3 in de afzonderlijke cijfers van rn. 471 worden ingedeeld in één van de volgende groepen:

a) zeer gevaarlijk

b) gevaarlijk

c) minder gevaarlijk

(4) De indeling van stoffen die niet met name zijn genoemd in de cijfers 1, 3, 11, 13, 14, 16 en 20 t/m 25 van rn. 471, alsmede in de groepen van deze cijfers, moet geschieden op grond van de resultaten van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.4; hierbij moet ook rekening worden gehouden met ervaring, indien deze tot een strengere indeling leidt.

(5) Indien niet met name genoemde stoffen in de cijfers van rn. 471 worden ingedeeld op grond van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.4, zijn de volgende criteria van toepassing:

Een stof moet worden ingedeeld in klasse 4.3, indien:

a) het ontwikkelde gas spontaan ontbrandt tijdens een willekeurige fase van de beproeving, of

b) een debiet van brandbaar gas per kg stof wordt gemeten, groter dan 1 liter per uur.

(6) Indien niet met name genoemde stoffen in de groepen van de cijfers van rn. 471 worden ingedeeld op grond van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.4, zijn de volgende criteria van toepassing:

a) In groep a) worden ingedeeld: alle stoffen die bij kamertemperatuur heftig met water reageren, waarbij in het algemeen een gas wordt ontwikkeld dat spontaan kan ontbranden, of stoffen die bij kamertemperatuur gemakkelijk met water reageren, zodanig dat het debiet van het ontwikkelde brandbare gas per kg stof tijdens een willekeurige minuut van de beproeving groter dan of gelijk aan 10 liter is.

b) In groep b) worden ingedeeld: alle stoffen die bij kamertemperatuur gemakkelijk met water reageren, waarbij een brandbaar gas wordt ontwikkeld met een hoogste debiet per kilogram stof groter dan of gelijk aan 20 liter per uur, en die niet voldoen aan de criteria van groep a).

c) In groep c) worden ingedeeld: alle stoffen die bij kamertemperatuur langzaam met water reageren, waarbij een brandbaar gas wordt ontwikkeld met een hoogste debiet per kilogram stof groter dan of gelijk aan 1 liter per uur, en die niet voldoen aan de criteria van de groepen a) of b).

(7) Indien de stoffen van klasse 4.3 als gevolg van toevoegingen overgaan naar andere gevaarscategorieën dan die waartoe de stoffen van rn. 471 behoren, moeten deze mengsels worden ingedeeld in de cijfers of de letters waartoe zij op grond van hun werkelijke gevaarseigenschappen behoren.

Opmerking: Voor de indeling van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), zie ook rn. 3 (3).

(8) Indien stoffen met name genoemd zijn onder verschillende groepen van eenzelfde cijfer van rn. 471, kan de juiste groep worden vastgesteld op grond van de resultaten van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.4, en de criteria van lid (6).

(9) Op grond van de beproevingsmethoden overeenkomstig het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 33.4, en de criteria van lid (6), kan ook worden vastgesteld of de aard van een met name genoemde stof zodanig is, dat deze stof niet is onderworpen aan de voorwaarden van deze klasse (zie rn. 484).

(10) Als vaste stoffen in de zin van de verpakkingsvoorschriften van de rn. 474 (2), 475 (3) en 476 (2) worden stoffen of mengsels van stoffen beschouwd met een smeltpunt hoger dan 45 °C.

(11) Met water reactieve vaste stoffen, brandbaar, die zijn ingedeeld onder identificatienummer 3132, met water reactieve vaste stoffen, oxiderend, die zijn ingedeeld onder identificatienummer 3133, en met water reactieve vaste stoffen, voor zelfverhitting vatbaar, ingedeeld onder identificatienummer 3135 van de Aanbevelingen van de VN, zijn niet ten vervoer toegelaten [zie echter rn. 3 (3), voetnoot 1) bij de tabel van paragraaf 2.3.1].

A. Organische stoffen, metaalorganische verbindingen en stoffen in organische oplosmiddelen, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen

471 1. Chloorsilanen:

a) 1183 ethyldichloorsilaan

1242 methyldichloorsilaan

1295 trichloorsilaan (silicochloroform);

2988 chloorsilanen, reactief met water, brandbaar, bijtend, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Voor deze stoffen gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften [zie rn. 473 (1)].

2. Chloorsilanen met een vlampunt lager dan 23 °C, die in contact met water geen brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 3 [zie rn. 301, cijfer 21a)].

3. Chloorsilanen met een vlampunt van 23 °C en hoger, die in contact met water geen brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 8 (zie rn. 801, cijfer 37).

2. Het volgende complex van boortrifluoride:

a) 2965 boortrifluoride-dimethyletheraat.

3. Metaalorganische verbindingen en oplossingen daarvan:

a) 1928 methylmagnesiumbromide in ethylether;

3207 metaalorganische verbinding, reactief met water, brandbaar, n.e.g., of

3207 metaalorganische verbinding, oplossing, reactief met water, brandbaar, n.e.g., of

3207 metaalorganische verbinding, dispersie, reactief met water, brandbaar, n.e.g.;

Opmerking: Voor deze stoffen gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften [zie rn. 473 (2)].

b) 3207 metaalorganische verbinding, reactief met water, brandbaar, n.e.g., of

3207 metaalorganische verbinding, oplossing, reactief met water, brandbaar, n.e.g., of

3207 metaalorganische verbinding, dispersie, reactief met water, brandbaar, n.e.g.;

c) 3207 metaalorganische verbinding, reactief met water, brandbaar, n.e.g., of

3207 metaalorganische verbinding, oplossing, reactief met water, brandbaar, n.e.g., of

3207 metaalorganische verbinding, dispersie, reactief met water, brandbaar, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Metaalorganische verbindingen en oplossingen daarvan, voor zelfontbranding vatbaar, zijn stoffen van klasse 4.2 (zie rn. 431, cijfer 31 t/m 33).

2. Brandbare oplossingen met metaalorganische verbindingen in concentraties, die in contact met water noch brandbare gassen ontwikkelen in een gevaarlijke hoeveelheid, noch voor zelfontbranding vatbaar zijn, zijn stoffen van klasse 3.

B. Anorganische stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen

Opmerkingen: 1. De groep van alkalimetalen omvat de elementen lithium, natrium, kalium, rubidium en cesium.

2. De groep van aardalkalimetalen omvat de elementen magnesium, calcium, strontium en barium.

11. Alkalimetalen, aardalkalimetalen alsmede legeringen en metallische verbindingen daarvan:

a) 1389 amalgaam van alkalimetalen

1391 dispersie van alkalimetalen of

1391 dispersie van aardalkalimetalen,

1392 amalgaam van aardalkalimetalen,

1407 cesium,

1415 lithium,

1420 metallische legeringen van kalium,

1422 legeringen van kalium en natrium,

1423 rubidium

1428 natrium

2257 kalium

1421 legering van alkalimetalen, vloeibaar, n.e.g.;

b) 1400 barium

1401 calcium

1393 legering van aardalkalimetalen, n.e.g.;

c) 2950 magnesiumkorrels, gecoat, met een korrelgrootte van ten minste 149 ìm.

Opmerkingen: 1. Aardalkalimetalen en legeringen van aardalkalimetalen in pyrofore vorm zijn stoffen van klasse 4.2. (zie rn. 431, cijfer 12).

2. 1869 Magnesium of 1869 magnesiumlegeringen met meer dan 50 % magnesium, in de vorm van korrels, krullen of lint zijn stoffen van klasse 4.1 [zie rn. 401, cijfer 13c)].

3. 1418 Magnesiumpoeder en 1418 poeder van magnesiumlegeringen zijn stoffen van cijfer 14.

4. 3292 Natriumbatterijen of 3292 natriumcellen zijn voorwerpen van cijfer 31b).

12. Siliciumlegeringen en metaalsiliciden:

b) 1405 calciumsilicide,

1417 lithiumsilicium,

2624 magnesiumsilicide,

2830 lithiumferrosilicium

c) 1405 calciumsilicide

2844 calciummangaansilicide.

Opmerking: Voor de onder c) vallende stoffen zie ook rn. 471a.

13. Andere metalen, legeringen en mengsels van metalen, niet giftig, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen:

a) 3208 metallische stof, reactief met water, n.e.g.;

b) 1396 aluminiumpoeder, niet gecoat,

3078 cerium, spanen of gruis,

3170 bijproducten van de aluminiumfabricage of

3170 bijproducten van het omsmelten van aluminium,

3208 metallische stof, reactief met water, n.e.g.;

c) 1398 aluminiumsiliciumpoeder, niet gecoat,

1435 zinkas,

3170 bijproducten van de aluminiumfabricage of

3170 bijproducten van het omsmelten van aluminium,

3208 metallische stof, reactief met water, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Stof en poeder van metalen in pyrofore toestand zijn stoffen van klasse 4.2 (zie rn. 431, cijfer 12).

2. Aluminiumsiliciumpoeder, gecoat, is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

3. 1333 Cerium in de vorm van platen, blokken of staven is een stof van klasse 4.1 [zie rn. 401, cijfer 13b)].

14. Metalen en legeringen van metalen in poedervorm of in een andere vorm, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen en die ook voor zelfverhitting vatbare eigenschappen bezitten:

a) 1436 zinkpoeder of

1436 zinkstof;

3209 metallische stof, reactief met water, voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.

b) 1418 magnesiumpoeder of

1418 poeder van magnesiumlegeringen,

1436 zinkpoeder of

1436 zinkstof,

3209 metallische stof, reactief met water, voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.;

c) 1436 zinkpoeder of

1436 zinkstof;

3209 metallische stof, reactief met water, voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Stof en poeder van metalen in pyrofore toestand zijn stoffen van klasse 4.2 (zie rn. 431, cijfer 12).

2. Metalen en legeringen van metalen, die in contact met water geen brandbare gassen ontwikkelen en die niet pyrofoor of voor zelfverhitting vatbaar zijn, maar gemakkelijk brandbaar, zijn stoffen van klasse 4.1 (zie rn. 401, cijfer 13).

15. Metalen en legeringen van metalen, giftig:

b) 1395 aluminiumferrosiliciumpoeder;

c) ferrosilicium met ten minste 30 massa- % doch minder dan 90 massa- % silicium.

Opmerking: Ferrosilicium met minder dan 30 massa- % of ten minste 90 massa- % silicium is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

16. Metaalhydriden:

a) 1404 calciumhydride,

1410 lithiumaluminiumhydride,

1411 lithiumaluminiumhydride in ether,

1413 lithiumboorhydride,

1414 lithiumhydride,

1426 natriumboorhydride,

1427 natriumhydride,

1870 kaliumboorhydride,

2010 magnesiumhydride,

2463 aluminiumhydride

1409 metaalhydriden, reactief met water, n.e.g.

b) 2805 lithiumhydride, vast, gietstukken,

2835 natriumaluminiumhydride;

1409 metaalhydriden, reactief met water, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Titaanhydride en 1437 zirkoniumhydride zijn stoffen van klasse 4.1. (zie rn. 401, cijfer 14).

2. Aluminiumboorhydride is een stof van klasse 4.2 [zie rn. 431, cijfer 17a)].

17. Metaalcarbiden en metaalnitriden:

a) 2806 lithiumnitride,

b) 1394 aluminiumcarbide,

1402 calciumcarbide.

18. Metaalfosfiden, giftig

a) 1360 calciumfosfide,

1397 aluminiumfosfide,

1419 magnesiumaluminiumfosfide,

1432 natriumfosfide,

1433 tinfosfiden,

1714 zinkfosfide,

2011 magnesiumfosfide,

2012 kaliumfosfide,

2013 strontiumfosfide.

Opmerkingen: 1. Verbindingen van fosfor met zware metalen, zoals ijzer, koper, etc. zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. Aluminiumfosfide-pesticiden, met toevoegingen die de ontwikkeling van brandbare giftige gassen vertragen, zijn stoffen van klasse 6.1 [zie rn. 601, cijfer 43a)].

19. Metaalamiden en metaalcyaanamiden:

b) 1390 alkalimetaalamiden;

c) 1403 calciumcyaanamide met meer dan 0,1 massa- % calciumcarbide.

Opmerkingen: 1. Calciumcyaanamide met ten hoogste 0,1 massa- % calciumcarbide is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. Magnesiumdiamide is een stof van klasse 4.2 [zie rn. 431, cijfer 16b)].

20. Anorganische vaste stoffen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, niet giftig en niet bijtend, en die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) 2813 met water reactieve vaste stof, n.e.g.;

b) 1340 fosforpentasulfide (P2S5) (vrij van gele en witte fosfor);

2813 met water reactieve vaste stof, n.e.g.

Opmerking: Fosforpentasulfide, niet vrij van witte en gele fosfor, is niet ten vervoer toegelaten.

c) 2968 maneb (mangaan-ethyleen-1,2-bis-dithiocarbamaat), gestabiliseerd tegen zelfverhitting, of

2968 maneb-preparaten, gestabiliseerd tegen zelfverhitting;

2813 met water reactieve vaste stof, n.e.g.

Opmerking: Maneb of 2210 maneb-preparaten, in voor zelfverhitting vatbare vorm, zijn stoffen van klasse 4.2 [zie rn. 431, cijfer 16c)]; zie echter ook rn. 471a (1) onder b).

21. Anorganische vloeistoffen en oplossingen van anorganische stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, niet giftig en niet bijtend, en die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) met water reactieve vloeistof, n.e.g.

Opmerking: Voor deze stof gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften [zie rn. 473 (2)].

b) 3148 met water reactieve vloeistof, n.e.g.;

c) 3148 met water reactieve vloeistof, n.e.g.

22. Anorganische vaste stoffen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, giftig, en die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) 3134 met water reactieve vaste stof, giftig, n.e.g.;

b) 3134 met water reactieve vaste stof, giftig, n.e.g.;

c) 3134 met water reactieve vaste stof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor giftigheid, zie rn. 600 (3).

23. Anorganische vloeistoffen en oplossingen van anorganische stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, giftig, en die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) met water reactieve vloeistof, giftig, n.e.g.;

Opmerking: Voor deze stof gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften [zie rn. 473 (2)].

b) 3130 met water reactieve vloeistof, giftig, n.e.g.;

c) 3130 met water reactieve vloeistof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor giftigheid, zie rn. 600 (3).

24. Anorganische vaste stoffen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, bijtend, en die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) 3131 met water reactieve vaste stof, bijtend, n.e.g.;

b) 3131 met water reactieve vaste stof, bijtend, n.e.g.;

c) 3131 met water reactieve vaste stof, bijtend, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor bijtende werking, zie rn. 800 (3).

25. Anorganische vloeistoffen en oplossingen van anorganische stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, bijtend, en die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) 3129 met water reactieve vloeistof, bijtend, n.e.g.;

Opmerking: Voor deze stof gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften [zie rn. 473 (2)].

b) 3129 met water reactieve vloeistof, bijtend, n.e.g.;

c) 3129 met water reactieve vloeistof, bijtend, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor bijtende werking, zie rn. 800 (3).

C. Voorwerpen met stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen

Opmerking: Voor deze voorwerpen gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften [zie rn. 473 (5)].

31. b) 3292 natriumbatterijen of

3292 natriumcellen.

Opmerkingen: 1. De batterijen of cellen mogen, met uitzondering van natrium, zwavel of polysulfiden, geen stoffen van deze Richtlijn bevatten.

2. De batterijen of cellen mogen niet ten vervoer worden aangeboden bij een temperatuur, waarbij het daarin aanwezige elementaire natrium vloeibaar kan worden, tenzij dit geschiedt met toestemming van en onder voorwaarden, vastgesteld door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst. Indien het land van herkomst geen Lid-Staat is van de COTIF, moeten de toestemming en de vervoersvoorwaarden worden erkend door de bevoegde autoriteit van de eerste Lid-Staat van de COTIF, die bij de zending betrokken is.

3. De cellen moeten bestaan uit hermetisch gesloten metalen omhulsels, die de gevaarlijke stoffen volledig omsluiten en die zo zijn geconstrueerd en gesloten, dat het vrijkomen van deze stoffen onder normale vervoersomstandigheden wordt voorkomen.

4. De batterijen moeten bestaan uit cellen, die volledig zijn omsloten door een metalen omhulsel, dat zo is geconstrueerd en gesloten, dat het vrijkomen van de gevaarlijke stoffen onder normale vervoersomstandigheden wordt voorkomen.

D. Lege verpakkingen

41. Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (lege IBC's), lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, die stoffen van klasse 4.3 hebben bevat.

471a (1) De stoffen die onder b) of c) van de afzonderlijke cijfers vallen en onder de hierna genoemde voorwaarden worden vervoerd, zijn, met uitzondering van de onder lid (2) genoemde bepalingen, niet onderworpen aan de voorschriften van hoofdstuk 2 "Vervoersvoorwaarden":

a) de stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen:

vloeistoffen: in hoeveelheden tot 500 ml per binnenverpakking;

aluminiumpoeder van cijfer 13b): in hoeveelheden tot 1 kg per binnenverpakking;

andere vaste stoffen: in hoeveelheden tot 500 g per binnenverpakking;

b) de stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen:

vloeistoffen: in hoeveelheden tot 1 liter per binnenverpakking;

vaste stoffen: in hoeveelheden tot 1 kg per binnenverpakking.

Deze hoeveelheden van de stoffen moeten in samengestelde verpakkingen worden vervoerd, die ten minste voldoen aan de voorschriften van rn. 1538.

Een collo mag niet meer wegen dan 30 kg.

Deze hoeveelheden van de stoffen mogen ook worden vervoerd in binnenverpakkingen van metaal of kunststof op trays met krimp- of rekfolie als buitenverpakking onder voorwaarde, dat de totale massa van het collo niet meer bedraagt dan 20 kg.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7) zijn van toepassing.

(2) Bij vervoer overeenkomstig rn. 471a (1) moet de aanduiding van het goed in de vrachtbrief voldoen aan de voorschriften van rn. 484 en de woorden "gelimiteerde hoeveelheid" omvatten. Elke collo moet op duidelijke en duurzame wijze voorzien zijn van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

(3) Batterijen van cijfer 31b), die deel uitmaken van de uitrusting van voertuigen, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van hoofdstuk 2 "Vervoersvoorwaarden".

2. Vervoersvoorwaarden (De vervoersvoorwaarden voor lege verpakkingen zijn samengevat onder F.)

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

472 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel V, tenzij in hoofdstuk A.2 voor bepaalde stoffen bijzondere verpakkingsvoorschriften zijn opgenomen.

(2) IBC's moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel VI.

(3) De verpakkingen moeten hermetisch zijn gesloten teneinde het binnendringen van vocht en elk verlies van de inhoud te verhinderen. Zij mogen niet voorzien zijn van ontluchtingsinrichtingen volgens rn. 1500 (8) of 1601 (6).

(4) Overeenkomstig het bepaalde in rn. 470 (3) en 1511 (2) of 1611 (2) moeten worden gebruikt:

voor zeer gevaarlijke stoffen, die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep I, gekenmerkt met de letter "X",

voor gevaarlijke stoffen, die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep II of I, gekenmerkt met de letter "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep II, gekenmerkt met de letter "Y",

voor minder gevaarlijke stoffen, die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep III, II of I, gekenmerkt met de letter "Z", "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep III of II, gekenmerkt met de letter "Z" of "Y".

Opmerking: Voor het vervoer van stoffen van klasse 4.3 in reservoirwagens, zie Aanhangsel XI, in tankcontainers, zie Aanhangsel X. Voor het vervoer als losgestort goed, zie rn. 486.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

473 (1) a) Chloorsilanen van cijfer 1a) moeten zijn verpakt in houders van corrosiebestendig staal met een inhoud van ten hoogste 450 liter. De houders moeten een eerste beproeving en elke 5 jaar periodieke beproevingen ondergaan met een druk van ten minste 0,4 MPa (4 bar) (overdruk). De sluiting van de houders moet door een kap beschermd zijn. De hoogst toelaatbare massa van de vulling per liter inhoud mag, indien op massa wordt gevuld, niet meer bedragen dan: 1,14 kg voor trichloorsilaan, 0,93 kg voor ethyldichloorsilaan en 0,95 kg voor methyldichloorsilaan. Indien op volume wordt gevuld, mag de vullingsgraad niet meer bedragen dan 85 %. De houders moeten bovendien voorzien zijn van een plaat waarop de volgende aanduidingen op duurzame wijze zijn aangebracht:

"chloorsilanen, klasse 4.3",

benaming van het/de toegelaten chloorsila(a)n(en),

massa () van de lege houder met inbegrip van de uitrustingsdelen,

beproevingsdruk () (overdruk),

datum (maand, jaar) van de laatst uitgevoerde beproeving,

waarmerk van de deskundige die de beproeving heeft uitgevoerd,

inhoud () van de houder,

hoogst toelaatbare massa van de vulling () voor elke toegelaten stof.

b) Chloorsilanen van cijfer 1 a) mogen ook zijn verpakt in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538 met binnenverpakkingen van metaal, kunststof of glas. De binnenverpakkingen moeten luchtdicht gesloten zijn en mogen een inhoud hebben van ten hoogste 1 liter. Een collo mag niet meer wegen dan 30 kg. Deze samengestelde verpakkingen moeten overeenkomen met een constructietype, dat volgens Aanhangsel V is beproefd en toegelaten voor verpakkingsgroep I.

(2) De stoffen van de cijfers 3a), 21a), 23a) en 25a) moeten zijn verpakt in hermetisch gesloten metalen houders die niet door de vervoerde stof kunnen worden aangetast, en met een inhoud van ten hoogste 450 liter. De houders moeten een eerste beproeving en elke 5 jaar periodieke beproevingen ondergaan met een druk van ten minste 1 MPa (10 bar) (overdruk). De houders mogen tot ten hoogste 90 % van hun inhoud worden gevuld; bij een gemiddelde vloeistoftemperatuur van 50 °C moet echter een ledige vrije ruimte van 5 % overblijven. Tijdens het vervoer moet de vloeistof bedekt zijn met een inert gas, waarvan de overdruk ten minste 50 kPa (0,5 bar) bedraagt. De houders moeten voorzien zijn van een plaat waarop de volgende aanduidingen op duurzame wijze zijn aangebracht:

aanduiding van de ten vervoer toegelaten stof of stoffen ()

massa () van de lege houder met inbegrip van de uitrustingsdelen,

beproevingsdruk () (overdruk),

datum (maand, jaar) van de laatst uitgevoerde beproeving,

waarmerk van de deskundige die de beproeving heeft uitgevoerd,

inhoud () van de houder,

hoogst toelaatbare massa van de vulling ()

(3) De stoffen bedoeld in lid (2) mogen ook zijn verpakt in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538 met een binnenverpakking van glas en een buitenverpakking van staal of aluminium volgens rn. 1532. De houders mogen tot ten hoogste 90 % van de inhoud zijn gevuld. Een collo mag slechts één binnenverpakking bevatten. Deze samengestelde verpakkingen moeten overeenkomen met een constructietype dat volgens Aanhangsel V is beproefd en toegelaten voor verpakkingsgroep I.

(4) De stoffen bedoeld in lid (2) mogen ook zijn verpakt in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538 met luchtdicht gesloten binnenverpakkingen van glas met een inhoud van ten hoogste 1 l, die door toevoeging van voor opvulling dienende stoffen afzonderlijk zijn vastgezet in metalen houders. De glazen verpakkingen mogen tot ten hoogste 90 % van de inhoud zijn gevuld. Als buitenverpakkingen zijn toegelaten: stalen vaten met afneembaar deksel volgens rn. 1520 alsmede kisten van natuurlijk hout volgens rn. 1527, van gelamineerd hout volgens rn. 1528, van houtvezelmateriaal volgens rn. 1529 of van staal of aluminium volgens rn. 1532. De samengestelde verpakkingen moeten overeenkomen met een constructietype, dat volgens Aanhangsel V is beproefd en toegelaten voor verpakkingsgroep I. Een collo mag niet meer dan 30 liter van de stof bevatten.

(5) a) De cellen van cijfer 31b) moeten in geschikte buitenverpakkingen geplaatst zijn met voldoende opvulmateriaal, zodanig dat zowel contact tussen de cellen onderling, als tussen de cellen en de binnenzijde van de buitenverpakking, en gevaarlijke bewegingen van de cellen binnen de buitenverpakking tijdens het vervoer worden voorkomen. Als geschikte buitenverpakkingen worden beschouwd: vaten van metaal (1A2, 1B2), van gelamineerd hout (1D), van karton (1G) en van kunststof (1H2) alsmede kisten van metaal (4A, 4B), van hout (4C, 4D, 4F), en dozen van karton (4G) en van kunststof (4H2). Deze verpakkingen moeten overeenkomen met een constructietype, dat volgens Aanhangsel V is beproefd en toegelaten voor vaste stoffen van verpakkingsgroep II.

b) De batterijen van cijfer 31b) mogen onverpakt worden vervoerd of in beschermende verpakkingen (bijvoorbeeld in volledig gesloten verpakkingen of in houten kratten) die niet onderworpen zijn aan de voorschriften voor de beproeving van de verpakkingen volgens Aanhangsel V.

474 (1) De onder a) vallende stoffen van de cijfers 2, 11, 13, 14, 16 t/m 18, 20, 22 en 24 moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1522, of

d) in vaten van kunststof met niet-afneembaar deksel met een inhoud van ten hoogste 60 liter en in jerrycans van kunststof met niet-afneembaar deksel, volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen van glas, kunststof of metaal volgens rn. 1538.

(2) De vaste stoffen in de zin van rn. 470 (10) mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten met afneembaar deksel, van staal volgens rn. 1520, van aluminium volgens rn. 1521, van kunststof volgens rn. 1526 of in jerrycans met afneembaar deksel, van staal of aluminium volgens rn. 1522 of van kunststof volgens rn. 1526, of

b) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, met één of meer stofdichte binnenzakken.

475 (1) De onder b) vallende stoffen van de verschillende cijfers moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten en jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, of

g) in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1539.

(2) De stoffen van de cijfers 12 t/m 17 en 20 mogen bovendien verpakt zijn:

a) in metalen IBC's volgens rn. 1622, of

b) in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624, of

c) in combinatie-IBC's met binnenhouder van kunststof volgens rn. 1625, met uitzondering van de typen 11HZ2 en 31HZ2.

(3) De vaste stoffen in de zin van rn. 470 (10) mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523 of van karton volgens rn. 1525, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in zakken van kunststoffolie volgens rn. 1535, onder voorwaarde dat het een wagenlading betreft of zakken, gestapeld op pallets.

476 (1) De onder c) vallende stoffen van de verschillende cijfers moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten en jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, of

g) in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1539, of

h) in lichte metalen verpakkingen volgens rn. 1540, of

i) in metalen IBC's volgens rn. 1622, of

j) in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624, of

k) in combinatie-IBC's met binnenhouder van kunststof volgens rn. 1625, met uitzondering van de typen 11HZ2 en 31HZ2.

(2) De vaste stoffen in de zin van rn. 470 (10) mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523 of van karton volgens rn. 1525, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in zakken van kunststof folie volgens rn. 1535, of

c) in flexibele IBC's volgens rn. 1623, met uitzondering van de typen 13H1, 13L1 en 13M1.

Opmerking: De stoffen van cijfer 15c) mogen bovendien verpakt zijn in verpakkingen, die slechts zijn onderworpen aan de voorschriften van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7) en bovendien in IBC's van het type 13H1.

477 De openingen van houders voor het vervoer van stoffen van cijfer 23 moeten dicht gesloten kunnen worden met behulp van twee boven elkaar liggende inrichtingen, waarvan één geschroefd of op gelijkwaardige wijze bevestigd moet zijn.

Opmerking: Voor IBC's, zie echter rn. 1621 (8).

478-

480

3. Gezamenlijke verpakking

481 (1) Stoffen die onder één cijfer vallen, mogen gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538.

(2) De onder a) vallende stoffen van de verschillende cijfers mogen niet gezamenlijk worden verpakt met stoffen van de verschillende cijfers van klasse 4.3, met stoffen en voorwerpen van andere klassen en met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

(3) Met uitzondering van de stoffen genoemd in lid (2) mogen stoffen van de verschillende cijfers van klasse 4.3 in hoeveelheden die per binnenverpakking niet meer bedragen dan 3 liter voor vloeistoffen en/of 6 kg voor vaste stoffen, gezamenlijk worden verpakt met stoffen en voorwerpen van andere klassen - voor zover gezamenlijke verpakking ook voor stoffen en voorwerpen van deze klassen is toegestaan - en/of met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538, onder voorwaarde dat zij niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

(4) Als gevaarlijke reacties worden beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanmerkelijke warmteontwikkeling;

b) de ontwikkeling van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van bijtende vloeistoffen;

d) de vorming van instabiele stoffen.

(5) De voorschriften van de rn. 8 en 472 dienen in acht genomen te worden.

(6) Bij gebruik van houten kisten of kartonnen dozen mag een collo niet meer wegen dan 100 kg.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie Aanhangsel IX)

Opschriften

482 (1) Elke collo moet op duidelijke en duurzame wijze zijn voorzien van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

Gevaarsetiketten

(2) Colli die stoffen of voorwerpen van deze klasse bevatten, moeten zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 4.3.

(3) Colli die stoffen van de cijfers 1 en 2 bevatten, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 3 en van een etiket volgens model nr. 8.

(4) Colli die stoffen bevatten van cijfer 3 en lithiumaluminiumhydride in ether van cijfer 16a), moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 3.

(5) Colli die stoffen van cijfer 14 bevatten, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 4.2.

(6) Colli die stoffen van de cijfers 15, 18, 22 en 23 bevatten, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 6.1.

(7) Colli die stoffen van de cijfers 24 en 25 bevatten, moeten bovendien zijn voorzien van etiket volgens model nr. 8.

(8) Colli die vloeistoffen bevatten in houders, waarvan de sluitingen aan de buitenzijde niet waarneembaar zijn, moeten op twee tegenover elkander gelegen zijden zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 11.

B. Wijze van verzending, beperkende bepalingen betreffende de verzending

483 (1) Met uitzondering van de stoffen die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen, mogen colli die andere stoffen van deze klasse bevatten, als expresgoed worden verzonden, indien zij bevatten:

van de stoffen, die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 6 liter per collo voor vloeistoffen en ten hoogste 12 kg per collo voor vaste stoffen;

van de stoffen die onder c van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 12 liter per collo voor vloeistoffen en ten hoogste 24 kg per collo voor vaste stoffen;

(2) Colli met voorwerpen van cijfer 31b) mogen ook als expresgoed worden verzonden. In dat geval mag een collo niet meer wegen dan 40 kg.

C. Aanduidingen in de vrachtbrief

484 De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de cursief gedrukte identificatienummers en benamingen in rn. 471. Indien de stof niet met name is genoemd, maar in een n.e.g.-positie is ingedeeld, moet de aanduiding van het goed bestaan uit het identificatienummer en de benaming van de n.e.g.-positie, gevolgd door de chemische of technische benaming () van de stof.

De aanduiding van het goed moet worden aangevuld met de vermelding van de klasse, het cijfer en de letter van de stofopsomming en de afkorting "RID" [b.v. 4.3, 1a), RID].

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie rn. 3 (4)] moet de aanduiding van het goed luiden: "Afval, bevat ", waarbij de voor de indeling van het afval volgens rn. 3 (3) bepalende gevaarlijke component(en) met zijn (hun) chemische benaming moet(en) worden aangegeven, b.v. "Afval, bevat 1428 natrium, 4.3, 11a), RID".

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) met meerdere aan deze Richtlijn onderworpen componenten, behoeven in het algemeen niet meer dan twee componenten, die bepalend zijn voor de gevaarlijkheid van de oplossingen en mengsels, te worden aangegeven.

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels die slechts één aan deze Richtlijn onderworpen component bevatten, moet in de vrachtbrief het woord "oplossing" resp. "mengsel" als onderdeel van de benaming worden toegevoegd [zie rn. 3 (3a)].

Indien een vaste stof in gesmolten toestand ten vervoer wordt aangeboden, moet de aanduiding van het goed worden aangevuld met de vermelding "gesmolten", voor zover deze daarin al niet voorkomt.

Indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, moet bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed. Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

Indien een met name genoemde stof volgens rn. 470 (9) niet aan de voorwaarden van deze klasse is onderworpen, heeft de afzender het recht in de vrachtbrief te vermelden: "Geen goed van klasse 4.3".

D. Vervoermiddelen en technische hulpmiddelen

1. Voorschriften betreffende de wagens en het laden

a. voor colli

485 (1) De colli moeten in de wagens zo worden geladen, dat zij zich niet op gevaarlijke wijze kunnen verplaatsen en niet kunnen vallen of omvallen.

(2) Colli met stoffen of voorwerpen van klasse 4.3 moeten zijn geladen in gesloten wagens of in open wagens met dekzeil.

(3) Bij de behandeling van de colli moeten bijzondere maatregelen worden genomen om te vermijden dat de colli met water in aanraking komen.

(4) Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

b. Voor vervoer als losgestort goed

486 (1) De vaste stoffen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) van de cijfers 11c), 12c), 13c), 14c), 17b) en 20c), mogen losgestort vervoerd worden in wagens die speciaal voor dit vervoer zijn ingericht.

(2) De houders van de speciaal ingerichte wagens en de sluitingen daarvan moeten voldoen aan de algemene verpakkingsvoorschriften van rn. 472 (2) alsmede aan rn. 1500 (1), (2) en (8). Zij moeten zodanig zijn geconstrueerd dat de openingen voor het laden en het lossen hermetisch gesloten kunnen worden.

(3) Bijproducten van de aluminiumfabricage of van het omsmelten van aluminium van cijfer 13b) mogen losgestort vervoerd worden in wagens met beweegbaar dak.

(4) Bijproducten van de aluminiumfabricage of van het omsmelten van aluminium van cijfer 13c), ferrosilicium van cijfer 15c), calciumsilicide van cijfer 12b), alsmede de stoffen van cijfer 12c) in brokken mogen losgestort vervoerd worden in open wagens met dekzeil of in wagens met beweegbaar dak.

c. Voor kleine containers

487 (1) Colli, die stoffen of voorwerpen van deze klasse bevatten, mogen in kleine containers worden vervoerd.

(2) De samenladingsverboden, bedoeld in rn. 490, zijn ook van toepassing in kleine containers.

(3) De in rn. 486 (1) genoemde stoffen mogen ook losgestort worden vervoerd in kleine containers, voor zover deze voldoen aan de voorschriften van rn. 486 (2).

2. Opschriften en gevaarsetiketten op de wagens, op de reservoir-wagens, op de tankcontainers en op de kleine containers (zie Aanhangsel IX)

488 (1) De speciaal ingerichte wagens die stoffen bevatten genoemd in rn. 486 (1) moeten aan de zijden van de sluiting zijn voorzien van het volgende, goed leesbare en onuitwisbare opschrift: "Na vullen en ledigen goed sluiten". Deze aanduiding moet zijn gesteld in een officiële taal van het land van verzending en, indien deze taal niet Frans, Duits, Italiaans of Engels is, bovendien in het Frans, Duits, Italiaans of Engels, voor zover de internationale tarieven of de overeenkomsten tussen de spoorwegmaatschappijen niet anders voorschrijven.

(2) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen of voorwerpen van deze klasse worden vervoerd, moeten aan beide zijden voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 4.3.

(3) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen van de cijfers 1 en 2 worden vervoerd, moeten bovendien aan beide zijden van etiketten volgens model nr. 3 en 8 zijn voorzien, bij vervoer van stoffen van cijfer 3 en van lithiumaluminiumhydride in ether van cijfer 16a) bovendien van een etiket volgens model nr. 3, bij vervoer van stoffen van cijfer 14 bovendien van een etiket volgens model nr. 4.2, bij vervoer van stoffen van de cijfers 15, 18, 22 en 23 bovendien van een etiket volgens model nr. 6.1 en bij vervoer van stoffen van de cijfers 24 en 25 bovendien van een etiket volgens model nr. 8.

(4) Kleine containers moeten volgens rn. 482 (2) t/m (7) van etiketten zijn voorzien.

489

E. Verbod van samenlading

490 Colli die van een etiket volgens model nr. 4.3 zijn voorzien, mogen niet samen worden geladen in één wagen met colli, die van een etiket volgens model nr. 1, 1.4, 1.5, 1.6 of 01 zijn voorzien. Deze voorschriften zijn niet van toepassing op colli die van een etiket volgens model nr. 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn voorzien.

491 Voor zendingen die niet in één wagen samengeladen mogen worden, moeten afzonderlijke vrachtbrieven worden opgemaakt.

F. Lege verpakkingen

492 (1) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, lege speciaal ingerichte wagens volgens rn. 486, lege reservoirwagens en lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, van cijfer 41, moeten op dezelfde wijze gesloten zijn en dezelfde waarborgen van dichtheid bieden als in gevulde toestand.

(2) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, lege speciaal ingerichte wagens volgens rn. 486, lege reservoirwagens, lege tankcontainers alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, van cijfer 41, moeten van dezelfde gevaarsetiketten zijn voorzien als in gevulde toestand.

(3) De aanduiding in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de in cijfer 41 cursief gedrukte benamingen, aangevuld met "4.3, 41, RID", b.v. "Lege verpakking, 4.3, 41, RID".

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje aangebracht worden.

Bij ongereinigde lege reservoirwagens of lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, moet deze aanduiding worden aangevuld met de vermelding "Laatste inhoud" alsmede het gevaarsidentificatienummer, het stofidentificatienummer, de benaming, het cijfer en eventueel de groep a), b) of c) van de stofopsomming, van het laatst vervoerde goed, b.v. "Laatste inhoud X338 1295 trichloorsilaan, 1a)".

G. Verdere voorschriften

493 Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

494 Indien stoffen uit colli, voorzien van etiketten volgens model nr. 6.1, naar buiten zijn getreden en in een wagen zijn verspreid, dan mag deze wagen pas na grondige reiniging en zonodig ontsmetting weer worden gebruikt. Alle andere goederen en voorwerpen, die in dezelfde wagen zijn vervoerd, moeten op mogelijke verontreiniging onderzocht worden.

495-

499

KLASSE 5.1 OXIDERENDE STOFFEN

1. Opsomming van de stoffen

500 (1) Van de stoffen, aangeduid in de titel van klasse 5.1, zijn die, welke genoemd zijn in rn. 501 of die, welke vallen onder een verzamelaanduiding van dat randnummer, onderworpen aan de in rn. 500 (2) t/m 524 gegeven voorschriften en derhalve stoffen van deze Richtlijn.

Opmerking: Wat betreft de hoeveelheden van de stoffen van rn. 501, die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het hoofdstuk "Vervoersvoorwaarden", zie rn. 501a.

(2) De titel van klasse 5.1 omvat stoffen die, zonder dat zij zelf brandbaar behoeven te zijn, in het algemeen doordat zij zuurstof afstaan, de verbranding van andere stoffen kunnen veroorzaken of bevorderen.

(3) De stoffen van klasse 5.1 zijn als volgt onderverdeeld:

A. Vloeibare oxiderende stoffen en waterige oplossingen daarvan

B. Vaste oxiderende stoffen en waterige oplossingen daarvan

C. Lege verpakkingen.

Op grond van de mate van gevaarlijkheid moeten de stoffen van klasse 5.1 (met uitzondering van de stoffen van cijfer 5 en 20) in de afzonderlijke cijfers van rn. 501 worden ingedeeld in één van de volgende groepen:

a) sterk oxiderende stoffen

b) oxiderende stoffen

c) zwak oxiderende stoffen.

(4) Oxiderende stoffen die niet met name genoemd zijn, kunnen worden ingedeeld in klasse 5.1, ofwel op grond van ervaring, dan wel overeenkomstig de beproevingsmethode, de werkwijze en de criteria van het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 34.4. Indien de resultaten van de beproevingen verschillen van de bekende ervaringen, dan prevaleert de beoordeling op grond van ervaring boven de resultaten van de beproevingen.

(5) Indien niet met name genoemde vaste stoffen in de cijfers van rn. 501 worden ingedeeld overeenkomstig de beproevingsmethoden van het Handboek beproevingen en criteria, deel III, paragraaf 34.4.1, zijn de volgende criteria van toepassing:

een vaste stof moet worden ingedeeld in klasse 5.1, indien deze in een massaverhouding van 4:1 of 1:1 gemengd met cellulose ontbrandt of brandt of een gemiddelde brandduur vertoont hoger dan die van een mengsel van kaliumbromaat en cellulose in een massaverhouding van 3:7;

een vaste stof moet worden ingedeeld in groep a), indien deze in een massaverhouding van 4:1 of 1:1 gemengd met cellulose een lagere gemiddelde brandduur vertoont dan de gemiddelde brandduur van een mengsel van kaliumbromaat en cellulose in een massaverhouding van 3:2;

een vaste stof moet worden ingedeeld in groep b), indien deze in een massaverhouding van 4:1 of 1:1 gemengd met cellulose een zelfde of een lagere gemiddelde brandduur vertoont dan de gemiddelde brandduur van een mengsel van kaliumbromaat en cellulose in een massaverhouding van 2:3 en niet voldoet aan de indelingscriteria van groep a);

een vaste stof moet worden ingedeeld in groep c), indien deze in een massaverhouding van 4:1 of 1:1 gemengd met cellulose een zelfde of een lagere gemiddelde brandduur vertoont dan de gemiddelde brandduur van een mengsel van kaliumbromaat en cellulose in een massaverhouding van 3:7 en niet voldoet aan de indelingscriteria van de groepen a) en b).

(6) Indien niet met name genoemde vloeistoffen in de cijfers van rn. 501 worden ingedeeld overeenkomstig de beproevingsmethoden van het Handboek beproevingen en criteria, deel III, paragraaf 34.4.2, zijn de volgende criteria van toepassing:

een vloeistof moet worden ingedeeld in klasse 5.1, indien deze in een massaverhouding van 1:1 gemengd met cellulose een druk veroorzaakt van 2070 kPa of meer en een hogere gemiddelde tijdsduur voor de drukverhoging vertoont dan een mengsel van 65 % salpeterzuur in waterige oplossing/cellulose in een massaverhouding van 1:1;

een vloeistof moet worden ingedeeld in groep a), indien deze in een massaverhouding van 1:1 gemengd met cellulose spontaan ontbrandt of een gemiddelde tijdsduur voor de drukverhoging vertoont lager dan of gelijk aan die van een mengsel van 50 % perchloorzuur/cellulose in een massaverhouding van 1:1;

een vloeistof moet worden ingedeeld in groep b), indien deze in een massaverhouding van 1:1 gemengd met cellulose een gemiddelde tijdsduur voor de drukverhoging vertoont lager dan of gelijk aan die van een mengsel van 40 % natriumchloraat in waterige oplossing/cellulose in een massaverhouding van 1:1 en niet voldoet aan de indelingscriteria van groep a);

een vloeistof moet worden ingedeeld in groep c), indien deze in een massaverhouding van 1:1 gemengd met cellulose een gemiddelde tijdsduur voor de drukverhoging vertoont lager dan of gelijk aan die van een mengsel van 65 % salpeterzuur in waterige oplossing/cellulose in een massaverhouding van 1:1 en niet voldoet aan de indelingscriteria van de groepen a) en b).

(7) Indien de stoffen van klasse 5.1 als gevolg van toevoegingen overgaan naar andere gevaarscategorieën dan die waartoe de stoffen van rn. 501 behoren, moeten deze mengsels of oplossingen worden ingedeeld in de cijfers of groepen waartoe zij op grond van hun werkelijke gevaarseigenschappen behoren.

Opmerking: Voor de indeling van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), zie ook rn. 3 (3).

(8) Indien stoffen met name genoemd zijn onder verschillende groepen van eenzelfde cijfer van rn. 501, kan de juiste groep worden vastgesteld op grond van de resultaten van de beproevingsmethode volgens het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 34.4 en de criteria van de leden (5) en (6).

(9) Op grond van de beproevingsmethode volgens het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 34.4 en de criteria van de leden (5) en (6) kan ook worden vastgesteld of de aard van een met name genoemde stof zodanig is, dat deze stof niet is onderworpen aan de voorwaarden van deze klasse (zie rn. 514).

(10) Als vaste stoffen in de zin van de verpakkingsvoorschriften van de rn. 506 (3), 507 (2) en 508 (2) worden stoffen en mengsels van stoffen beschouwd met een smeltpunt hoger dan 45 °C.

(11) De chemisch instabiele stoffen van klasse 5.1 zijn slechts ten vervoer toegelaten, indien de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen om een gevaarlijke ontledings- of polymerisatiereactie tijdens het vervoer te verhinderen. Daartoe moet er in het bijzonder zorg voor worden gedragen, dat de houders geen stoffen bevatten, die deze reacties kunnen bevorderen.

(12) Oxiderende vaste stoffen, voor zelfverhitting vatbaar, die zijn ingedeeld onder identificatienummer 3100, oxiderende vaste stoffen, reactief met water, die zijn ingedeeld onder identificatienummer 3121 en oxiderende vaste stoffen, brandbaar, die zijn ingedeeld onder identificatienummer 3137 van de Aanbevelingen van de VN, zijn niet ten vervoer toegelaten [zie echter rn. 3 (3), voetnoot 1) bij de tabel van paragraaf 2.3.1].

A. Vloeibare oxiderende stoffen en waterige oplossingen daarvan

501 1. Waterstofperoxide en oplossingen daarvan of mengsels van waterstofperoxide met een andere vloeistof, in waterige oplossing:

a) 2015 waterstofperoxide, gestabiliseerd, of

2015 waterstofperoxide, oplossing in water, gestabiliseerd, met meer dan 60 % waterstofperoxide;

Opmerkingen: 1. Voor deze stoffen gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 503).

2. Waterstofperoxide, niet gestabiliseerd, of waterstofperoxide, oplossing in water, niet gestabiliseerd, met meer dan 60 % waterstofperoxide, zijn niet ten vervoer toegelaten.

b) 2014 waterstofperoxide, oplossing in water met ten minste 20 % doch ten hoogste 60 % waterstofperoxide (zo nodig gestabiliseerd),

3149 waterstofperoxide en peroxyazijnzuur, mengsel met zu(u)r(en), water en ten hoogste 5 % peroxyazijnzuur, gestabiliseerd;

Opmerking: Dit mengsel van waterstofperoxide en peroxyazijnzuur (identificatienummer 3149) mag bij laboratoriumbeproevingen () niet detoneren onder invloed van cavitatie, noch deflagreren (in geen enkel geval), en mag bij verwarming onder opsluiting geen reactie vertonen en geen explosieve kracht bezitten. De formulering moet thermisch stabiel zijn (de temperatuur van exotherme ontleding moet 60 °C of hoger zijn voor een verpakking van 50 kg) en voor de desensibilisatie moet een vloeistof zijn gebruikt, die inert is ten opzichte van peroxyazijnzuur. Formuleringen die niet aan deze criteria voldoen, moeten worden beschouwd als stoffen van klasse 5.2 [zie Handboek beproevingen en criteria, deel II, paragraaf 20.4.3 g)].

c) 2984 waterstofperoxide, oplossing in water met ten minste 8 % doch minder dan 20 % waterstofperoxide (zo nodig gestabiliseerd).

Opmerking: Waterige oplossingen van waterstofperoxide met minder dan 8 % waterstofperoxide zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. Tetranitromethaan:

a) 1510 tetranitromethaan.

Opmerking: Tetranitromethaan, dat niet vrij is van brandbare verontreinigingen, is niet ten vervoer toegelaten.

3. Perchloorzuur in oplossing:

a) 1873 perchloorzuur, oplossing in water met meer dan 50 massa-% doch ten hoogste 72 massa-% zuur.

Opmerkingen: 1. Oplossingen van perchloorzuur met meer dan 72 massa-% zuur of mengsels van perchloorzuur met een andere vloeistof dan water zijn niet ten vervoer toegelaten.

2. 1802 Perchloorzuur, oplossing in water met ten hoogste 50 massa-% zuur is een stof van klasse 8 [zie rn. 801, cijfer 4b)].

4. Chloorzuur in oplossing:

b) 2626 chloorzuur, oplossing in water met ten hoogste 10 % chloorzuur.

Opmerking: Chloorzuur in oplossing met meer dan 10 % chloorzuur of mengsels van chloorzuur met een andere vloeistof dan water zijn niet ten vervoer toegelaten.

5. De volgende gehalogeneerde fluorverbindingen:

1745 broompentafluoride,

1746 broomtrifluoride,

2495 joodpentafluoride.

Opmerkingen: 1. Voor deze stoffen gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 504).

2. Andere gehalogeneerde fluorverbindingen zijn niet als stoffen van klasse 5.1 ten vervoer toegelaten.

B. Vaste oxiderende stoffen en waterige oplossingen daarvan

11. Chloraten en mengsels van chloraten met boraten of met hygroscopische chloriden (zoals magnesiumchloride of calciumchloride):

b) 1452 calciumchloraat,

1458 chloraat en boraat, mengsel,

1459 chloraat en magnesiumchloride, mengsel,

1485 kaliumchloraat,

1495 natriumchloraat,

1506 strontiumchloraat,

1513 zinkchloraat,

2427 kaliumchloraat, oplossing in water,

2428 natriumchloraat, oplossing in water,

2429 calciumchloraat, oplossing in water,

2721 koperchloraat,

2723 magnesiumchloraat;

1461 anorganische chloraten, n.e.g.,

3210 anorganische chloraten, oplossing in water, n.e.g.;

c) 2427 kaliumchloraat, oplossing in water,

2428 natriumchloraat, oplossing in water,

2429 calciumchloraat, oplossing in water,

3210 anorganische chloraten, oplossing in water, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Zie ook cijfer 29.

2. Ammoniumchloraat en waterige oplossingen daarvan en mengsels van een chloraat met een ammoniumzout zijn niet ten vervoer toegelaten.

12. Ammoniumperchloraat:

b) 1442 ammoniumperchloraat.

Opmerking: De indeling van deze stof moet geschieden op grond van de beproevingsresultaten volgens Aanhangsel I. Afhankelijk van de korrelgrootte en de verpakking van de stof, zie ook klasse 1 (rn. 101, cijfer 4, identificatienummer 0402).

13. Perchloraten (met uitzondering van ammoniumperchloraat, zie cijfer 12):

b) 1455 calciumperchloraat,

1475 magnesiumperchloraat,

1489 kaliumperchloraat,

1502 natriumperchloraat,

1508 strontiumperchloraat;

1481 anorganische perchloraten, n.e.g.;

3211 anorganische perchloraten, oplossing in water, n.e.g.;

c) 3211 anorganische perchloraten, oplossing in water, n.e.g.

Opmerking: Zie ook cijfer 29.

14. Chlorieten:

b) 1453 calciumchloriet,

1496 natriumchloriet;

1462 anorganische chlorieten, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 1908 Chloriet, oplossing is een stof van klasse 8 [zie rn. 801, cijfer 61b) of c)].

2. Ammoniumchloriet en waterige oplossingen daarvan en mengsels van een chloriet met een ammoniumzout zijn niet ten vervoer toegelaten.

15. Hypochlorieten:

b) 1471 lithiumhypochloriet, droog, of

1471 lithiumhypochloriet, mengsel,

1748 calciumhypochloriet, droog, of

1748 calciumhypochloriet, droog, mengsel, met meer dan 39 % actief chloor (8,8 % actieve zuurstof),

2880 calciumhypochloriet, gehydrateerd, of

2880 calciumhypochloriet, gehydrateerd, mengsel, met ten minste 5,5 % maar ten hoogste 10 % water;

3212 anorganische hypochlorieten, n.e.g.;

c) 2208 calciumhypochloriet, droog, mengsel, met meer dan 10 % maar ten hoogste 39 % actief chloor.

Opmerkingen: 1. Calciumhypochloriet, droog, mengsels, met ten hoogste 10 % actief chloor zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. 1791 Hypochlorietoplossing is een stof van klasse 8 [zie rn. 801, cijfer 61b) of c)].

3. Mengsels van een hypochloriet met een ammoniumzout zijn niet ten vervoer toegelaten.

4. Zie ook cijfer 29.

16. Bromaten:

b) 1473 magnesiumbromaat,

1484 kaliumbromaat,

1494 natriumbromaat;

1450 anorganische bromaten, n.e.g.;

3213 anorganische bromaten, oplossing in water, n.e.g.;

c) 2469 zinkbromaat;

3213 anorganische bromaten, oplossing in water, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Ammoniumbromaat en waterige oplossingen daarvan en mengsels van een bromaat met een ammoniumzout zijn niet ten vervoer toegelaten.

2. Zie ook cijfer 29.

17. Permanganaten:

b) 1456 calciumpermanganaat,

1490 kaliumpermanganaat,

1503 natriumpermanganaat,

1515 zinkpermanganaat;

1482 anorganische permanganaten, n.e.g.;

3214 anorganische permanganaten, oplossing in water, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Ammoniumpermanganaat en hun waterige oplossingen en mengsels van een permanganaat met een ammoniumzout zijn niet ten vervoer toegelaten.

2. Zie ook cijfer 29.

18. Persulfaten:

c) 1444 ammoniumpersulfaat,

1492 kaliumpersulfaat,

1505 natriumpersulfaat;

3215 anorganische persulfaten, n.e.g.;

3216 anorganische persulfaten, oplossing in water, n.e.g.

20. Oplossingen van ammoniumnitraat:

2426 ammoniumnitraat, vloeibaar, warme geconcentreerde oplossing met een concentratie hoger dan 80 % maar ten hoogste 93 %, onder voorwaarde dat:

1. de pH-waarde, gemeten in een waterige oplossing van 10 % van de vervoerde stof, tussen 5 en 7 ligt,

2. de oplossing geen brandbare stof bevat in een concentratie hoger dan 0,2 %, noch chloorverbindingen in een zodanige hoeveelheid, dat het chloorgehalte 0,02 % overschrijdt.

Opmerking: Waterige oplossingen van ammoniumnitraat, in een concentratie van ten hoogste 80 %, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

21. Ammoniumnitraat en ammoniumnitraathoudende meststoffen ():

c) 1942 ammoniumnitraat, met ten hoogste 0,2 % brandbare stoffen (met inbegrip van organische stoffen, berekend als koolstof) en zonder andere toegevoegde stof;

2067 ammoniumnitraathoudende meststoffen, type A1: homogene, niet-segregerende mengsels van ammoniumnitraat en anorganische toevoegingen die chemisch inert zijn ten opzichte van ammoniumnitraat, met ten minste 90 % ammoniumnitraat en met niet meer dan 0,2 % brandbare stoffen (met inbegrip van organische stoffen, berekend als koolstof), of met meer dan 70 % doch minder dan 90 % ammoniumnitraat en met totaal niet meer dan 0,4 % brandbare stoffen;

2068 ammoniumnitraathoudende meststoffen, type A2: homogene, niet-segregerende mengsels van ammoniumnitraat en calciumcarbonaat en/of dolomiet, met meer dan 80 % doch minder dan 90 % ammoniumnitraat en met totaal niet meer dan 0,4 % brandbare stoffen;

2069 ammoniumnitraathoudende meststoffen, type A3: homogene, niet-segregerende mengsels van ammoniumnitraat en ammoniumsulfaat, met meer dan 45 % doch ten hoogste 70 % ammoniumnitraat en met totaal niet meer dan 0,4 % brandbare stoffen;

2070 ammoniumnitraathoudende meststoffen, type A4: homogene, niet-segregerende mengsels van het stikstof/fosfaat- of stikstof/kali-type of mengmeststoffen van het stikstof/fosfaat/kali-type, met meer dan 70 % doch minder dan 90 % ammoniumnitraat en met totaal niet meer dan 0,4 % brandbare stoffen;

Opmerkingen: 1. Ammoniumnitraat dat meer dan 0,2 % brandbare stoffen (met inbegrip van organische stoffen, berekend als koolstof) bevat, is niet ten vervoer toegelaten, behalve indien het een bestanddeel van een stof of voorwerp van klasse 1 is.

2. Voor het bepalen van het ammoniumnitraatgehalte moeten alle nitraat-ionen, waarvoor in het mengsel een moleculair equivalente hoeveelheid ammonium-ionen aanwezig is, worden berekend als ammoniumnitraat.

3. Ammoniumnitraathoudende meststoffen met een gehalte aan ammoniumnitraat of brandbare stoffen, hoger dan de aangegeven waarden, zijn slechts ten vervoer toegelaten onder de voorwaarden van klasse 1. Zie ook opmerking 5.

4. Meststoffen met een ammoniumnitraatgehalte lager dan de aangegeven waarden, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

5. Ammoniumnitraathoudende meststoffen, homogene, niet-segregerende mengsels van het stikstof/fosfaat- of stikstof/kali-type of mengmeststoffen van het stikstof/fosfaat/kalitype, waarvan het gehalte van het overschot aan nitraat (berekend als kaliumnitraat), waarvoor in het mengsel geen equivalente hoeveelheid ammonium-ionen aanwezig is, niet meer bedraagt dan 10 massa- %, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn voor zover:

a) hun gehalte ammoniumnitraat ten hoogste 70 massa-% en het totale gehalte brandbare stoffen ten hoogste 0,4 massa-% bedraagt, of

b) hun gehalte ammoniumnitraat ten hoogste 45 massa-% bedraagt, met een willekeurig gehalte brandbare stoffen.

22. Nitraten (met uitzondering van de stoffen van de cijfers 20, 21 en 29):

b) 1493 zilvernitraat,

1514 zinknitraat;

1477 anorganische nitraten, n.e.g.;

3218 anorganische nitraten, oplossing in water, n.e.g.;

c) 1438 aluminiumnitraat,

1451 cesiumnitraat,

1454 calciumnitraat,

1465 didymiumnitraat,

1466 ijzer(III)nitraat,

1467 guanidinenitraat,

1474 magnesiumnitraat,

1486 kaliumnitraat,

1498 natriumnitraat,

1499 natriumnitraat en kaliumnitraat, mengsel,

1507 strontiumnitraat,

2720 chroomnitraat,

2722 lithiumnitraat,

2724 mangaannitraat,

2725 nikkelnitraat,

2728 zirkoniumnitraat;

1477 anorganische nitraten, n.e.g.;

3218 anorganische nitraten, oplossing in water, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 1625 Kwik(II)nitraat, 1627 kwik(I)nitraat en 2727 thalliumnitraat zijn stoffen van klasse 6.1 [zie rn. 601, cijfers 52b) en 68b)]. 2976 Thoriumnitraat, vast, 2980 uranylnitraat-hexahydraat in oplossing en 2981 uranylnitraat, vast, zijn stoffen van klasse 7 (zie rn. 704, bladen 5, 6, 9, 10, 11 en 13).

2. De voor de handel bestemde kwaliteit van calciumnitraat-houdende meststof, die hoofdzakelijk bestaat uit een dubbelzout (calciumnitraat en ammoniumnitraat) en die ten hoogste 10 % ammoniumnitraat en ten minste 12 % kristalwater bevat, is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

3. Waterige oplossingen van vaste anorganische nitraten, waarvan de concentratie bij de laagste temperatuur die tijdens het vervoer kan worden bereikt, niet hoger is dan 80 % van de verzadigingsconcentratie, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

23. Nitrieten:

b) 1488 kaliumnitriet,

1512 zinkammoniumnitriet;

2627 anorganische nitrieten, n.e.g.;

3219 anorganische nitrieten, oplossing in water, n.e.g.;

c) 1500 natriumnitriet,

2726 nikkelnitriet;

3219 anorganische nitrieten, oplossing in water, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Ammoniumnitriet en waterige oplossingen daarvan en mengsels van een anorganisch nitriet met een ammoniumzout zijn niet ten vervoer toegelaten.

2. Zinkammoniumnitriet is niet ten vervoer over lijnen ter zee toegelaten.

24. Mengsels van nitraten en nitrieten van de cijfers 22 en 23:

b) 1487 kaliumnitraat en natriumnitriet, mengsel.

Opmerking: Mengsels met een ammoniumzout zijn niet ten vervoer toegelaten.

25. Peroxiden en superoxiden:

a) 1491 kaliumperoxide,

1504 natriumperoxide,

2466 kaliumsuperoxide,

2547 natriumsuperoxide;

b) 1457 calciumperoxide,

1472 lithiumperoxide,

1476 magnesiumperoxide,

1509 strontiumperoxide,

1516 zinkperoxide;

1483 anorganische peroxiden, n.e.g.

Opmerking: Zie ook cijfer 29.

26. Chloorisocyanuurzuren en hun zouten:

b) 2465 dichloorisocyanuurzuur, droog, of

2465 dichloorisocyanuurzure zouten,

2468 trichloorisocyanuurzuur, droog.

Opmerking: Het natriumdihydraat van dichloorisocyanuurzuur is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

27. Vaste oxiderende stoffen, niet giftig en niet bijtend, en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) 1479 oxiderende vaste stof, n.e.g.;

b) 1439 ammoniumdichromaat,

3247 natriumperoxoboraat, watervrij;

1479 oxiderende vaste stof, n.e.g.;

c) 1479 oxiderende vaste stof, n.e.g.;

28. Waterige oplossingen van vaste oxiderende stoffen, niet giftig en niet bijtend, en van mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) 3139 oxiderende vloeistof, n.e.g.,

b) 3139 oxiderende vloeistof, n.e.g.;

c) 3139 oxiderende vloeistof, n.e.g.

29. Vaste oxiderende stoffen, giftig, en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) 3087 oxiderende vaste stof, giftig, n.e.g.;

b) 1445 bariumchloraat,

1446 bariumnitraat,

1447 bariumperchloraat,

1448 bariumpermanganaat,

1449 bariumperoxide,

1469 loodnitraat,

1470 loodperchloraat,

2464 berylliumnitraat,

2573 thalliumchloraat,

2719 bariumbromaat,

2741 bariumhypochloriet, met meer dan 22 % actief chloor;

3087 oxiderende vaste stof, giftig, n.e.g.;

c) 1872 looddioxide;

3087 oxiderende vaste stof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor giftigheid, zie rn. 600 (3).

30. Waterige oplossingen van vaste oxiderende stoffen, giftig, en van mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) 3099 oxiderende vloeistof, giftig, n.e.g.;

b) 3099 oxiderende vloeistof, giftig, n.e.g.;

c) 3099 oxiderende vloeistof, giftig, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor giftigheid, zie rn. 600 (3).

31. Vaste oxiderende stoffen, bijtend, en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) 3085 oxiderende vaste stof, bijtend, n.e.g.;

b) 1463 chroomtrioxide, watervrij (chroomzuur, vast);

3085 oxiderende vaste stof, bijtend, n.e.g.;

c) 1511 ureumwaterstofperoxide;

3085 oxiderende vaste stof, bijtend, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Wat betreft de criteria voor bijtende werking, zie rn. 800 (3).

2. 1755 Chroomzuur, oplossing, is een stof van klasse 8 [zie rn. 801, cijfer 17b) of c)].

32. Waterige oplossingen van vaste oxiderende stoffen, bijtend, en van mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder andere verzamelaanduidingen kunnen worden ingedeeld:

a) 3098 oxiderende vloeistof, bijtend, n.e.g.;

b) 3098 oxiderende vloeistof, bijtend, n.e.g.;

c) 3098 oxiderende vloeistof, bijtend, n.e.g.

Opmerking: Wat betreft de criteria voor bijtende werking, zie rn. 800 (3).

C. Lege verpakkingen

Opmerking: Lege verpakkingen waarbij aan de buitenzijde resten van hun vorige inhoud kleven, zijn niet ten vervoer toegelaten.

41. Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (lege IBC's), lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, die stoffen van klasse 5.1 hebben bevat.

Opmerking: Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (IBC's), die stoffen van deze klasse hebben bevat, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, indien geschikte maatregelen zijn genomen om mogelijke gevaren uit te sluiten. Deze gevaren zijn uitgesloten, indien maatregelen zijn genomen om de gevaren van de klassen 1 t/m 9 op te heffen.

501a (1) De stoffen die onder b) of c) van de afzonderlijke cijfers vallen en onder de hierna genoemde voorwaarden worden vervoerd, zijn - met uitzondering van de in lid (2) genoemde bepalingen - niet onderworpen aan de voorschriften van hoofdstuk 2 ("Vervoersvoorwaarden"):

a) de stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen:

vloeistoffen: in hoeveelheden tot 500 ml per binnenverpakking;

vaste stoffen: in hoeveelheden tot 500 g per binnenverpakking;

b) de stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen:

vloeistoffen: in hoeveelheden tot 1 liter per binnenverpakking;

vaste stoffen: in hoeveelheden tot 1 kg per binnenverpakking.

Deze hoeveelheden van de stoffen moeten in samengestelde verpakkingen worden vervoerd, die ten minste voldoen aan de voorschriften van rn. 1538. Een collo mag niet meer wegen dan 30 kg.

Deze hoeveelheden van de stoffen, die zich in binnenverpakkingen van metaal of kunststof bevinden, mogen ook worden vervoerd op trays met krimp- of rekfolie als buitenverpakking, onder voorwaarde dat de totale massa van het collo niet meer bedraagt dan 20 kg. De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7) zijn van toepassing.

(2) Bij vervoer overeenkomstig lid (1) moet de aanduiding van het goed in de vrachtbrief voldoen aan de voorschriften van rn. 514 en de woorden "gelimiteerde hoeveelheid" omvatten. Elke collo moet op duidelijke en duurzame wijze voorzien zijn van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

2. Vervoersvoorwaarden

(De vervoersvoorwaarden voor lege verpakkingen zijn samengevat onder F.)

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

502 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel V, tenzij in hoofdstuk A.2 voor bepaalde stoffen bijzondere verpakkingsvoorschriften zijn opgenomen.

(2) IBC's moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel VI.

(3) Overeenkomstig het bepaalde in rn. 500 (3) en 1511 (2) of 1611 (2) moeten worden gebruikt:

voor sterk oxiderende stoffen, die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep I, gekenmerkt met de letter "X",

voor oxiderende stoffen, die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep II of I, gekenmerkt met de letter "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep II, gekenmerkt met de letter "Y",

voor zwak oxiderende stoffen, die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep III, II of I, gekenmerkt met de letter "Z", "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep III of II, gekenmerkt met de letter "Z" of "Y".

Opmerking: Voor het vervoer van stoffen van klasse 5.1 in reservoirwagens, zie Aanhangsel XI, in tankcontainers, zie Aanhangsel X. Voor het losgestort vervoer, zie rn. 516.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

503 (1) De stoffen van cijfer 1a) moeten zijn verpakt:

a) in aluminium vaten met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1521 met een aluminiumgehalte van ten minste 99,5 %, of in vaten met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1520, van een bijzondere staalsoort, die geen ontleding van het waterstofperoxide veroorzaakt, of

b) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538 met binnenverpakkingen van glas of kunststof of van metaal dat geen ontleding van het waterstofperoxide veroorzaakt.

Een binnenverpakking van glas of kunststof mag een inhoud hebben van ten hoogste 2 liter, en een binnenverpakking van metaal een inhoud van ten hoogste 5 liter. De verpakkingen moeten zijn voorzien van een ontluchtingsinrichting volgens rn. 1500 (8). De verpakkingen moeten overeenkomen met een constructietype dat volgens Aanhangsel V is beproefd en toegelaten voor verpakkingsgroep I.

(2) De verpakkingen mogen tot ten hoogste 90 % van de inhoud zijn gevuld.

(3) Een collo mag niet meer wegen dan 125 kg.

504 De stoffen van cijfer 5 moeten worden vervoerd in flessen met een inhoud van ten hoogste 150 l of in houders met een inhoud van ten hoogste 1 000 l (b.v. cilindervormige houders met rolbanden of bolvormige houders), vervaardigd van koolstofstaal of van een geschikte soort gelegeerd staal.

a) De houders moeten voldoen aan de desbetreffende voorschriften van klasse 2 (zie rn. 212 en 213). De houders moeten zijn ontworpen voor een berekeningsdruk van ten minste 2,1 MPa (21 bar) (overdruk). De wanddikte van de houders mag echter niet minder zijn dan 3 mm. De houders moeten vóór ingebruikneming worden onderworpen aan een hydraulische proefpersing met een druk van ten minste 1 MPa (10 bar) (overdruk). Deze proefpersing moet om de 8 jaar worden herhaald en moet samengaan met een inwendige inspectie van de houders en een controle van de uitrusting daarvan. Bovendien moet om de 2 jaar de aantasting van de houders door corrosie met behulp van geschikte meetinstrumenten (b.v. ultrasoon), alsmede de toestand van de uitrusting, worden onderzocht. De desbetreffende voorschriften van klasse 2 zijn van toepassing op deze beproevingen en onderzoeken (zie rn. 215 t/m 217).

b) De houders mogen tot ten hoogste 92 % van hun inhoud zijn gevuld.

c) De houders moeten goed leesbaar en duurzaam van de volgende merktekens zijn voorzien:

de naam of het merk van de fabrikant en het nummer van de houder;

de aanduiding van de stof volgens rn. 501, cijfer 5;

de massa van de lege houder en de hoogst toegestane massa van de houder in gevulde toestand;

de datum (maand, jaar) van de eerste beproeving en de laatst uitgevoerde periodieke beproeving;

het waarmerk van de deskundige, die de beproevingen en onderzoeken heeft uitgevoerd.

505 Oplossingen van ammoniumnitraat van cijfer 20 mogen alleen in reservoirwagens (zie Aanhangsel XI) of in tankcontainers (zie Aanhangsel X) worden vervoerd.

506 (1) De onder a) vallende stoffen van de verschillende cijfers, met uitzondering van cijfer 1a), moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1522, of

d) in vaten van kunststof met niet-afneembaar deksel met een inhoud van ten hoogste 60 liter of in jerrycans van kunststof met niet-afneembaar deksel, volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen van glas, kunststof of metaal volgens rn. 1538.

(2) Perchloorzuur van cijfer 3a) mag bovendien verpakt zijn in combinatieverpakkingen (glas) volgens rn. 1539.

(3) De vaste stoffen in de zin van rn. 500 (10) mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten met afneembaar deksel, van staal volgens rn. 1520, van aluminium volgens rn. 1521, van gelamineerd hout volgens rn. 1523, van karton volgens rn. 1525 of van kunststof volgens rn. 1526 of in jerrycans met afneembaar deksel, van staal of aluminium volgens rn. 1522 of van kunststof volgens rn. 1526, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, met één of meer stofdichte binnenzakken.

507 (1) De onder b) vallende stoffen van de verschillende cijfers moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten of jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, of

g) in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1539, of

h) in metalen IBC's volgens rn. 1622, of

i) in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624, of

j) in combinatie-IBC's met binnenhouder van kunststof volgens rn. 1625, met uitzondering van de typen 11HZ2 en 31HZ2.

Opmerking: ad a), b), c) en d): Op vaten en jerrycans met afneembaar deksel voor dikvloeibare stoffen, waarvan de viscositeit bij 23 °C meer bedraagt dan 200 mm2/s, en voor vaste stoffen zijn vereenvoudigde voorwaarden van toepassing (zie rn. 1512, 1553, 1554 en 1561).

(2) De vaste stoffen in de zin van rn. 500 (10) mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523 of van karton volgens rn. 1525, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in stofdichte zakken van textiel volgens rn. 1533, van kunststofweefsel volgens rn. 1534, van kunststoffolie volgens rn. 1535 of van waterbestendig papier volgens rn. 1536, onder voorwaarde dat het een wagenlading betreft of zakken, gestapeld op pallets, of

c) in flexibele IBC's volgens rn. 1623, met uitzondering van de typen 13H1, 13L1 en 13M1, onder voorwaarde dat het een wagenlading betreft of flexibele IBC's die op pallets zijn geladen.

508 (1) De onder c) vallende stoffen van de verschillende cijfers moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten of jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, of

g) in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1539, of

h) in lichte metalen verpakkingen volgens rn. 1540, of

i) in metalen IBC's volgens rn. 1622, of

j) in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624, of

k) in combinatie-IBC's met binnenhouder van kunststof volgens rn. 1625, met uitzondering van de typen 11HZ2 en 31HZ2.

Opmerking: ad a), b), c), d) en h): Op vaten, jerrycans en lichte metalen verpakkingen met afneembaar deksel voor dikvloeibare stoffen, waarvan de viscositeit bij 23 °C meer bedraagt dan 200 mm2/s en voor vaste stoffen zijn vereenvoudigde voorwaarden van toepassing (zie rn. 1512, 1552 t/m 1554 en 1561).

(2) De vaste stoffen in de zin van rn. 500 (10) mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523 of van karton volgens rn. 1525, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in stofdichte zakken, van textiel volgens rn. 1533, van kunststofweefsel volgens rn. 1534, van kunststoffolie volgens rn. 1535 en in zakken van waterbestendig papier volgens rn. 1536, of

c) in flexibele IBC's volgens rn. 1623, met uitzondering van de typen 13H1, 13L1 en 13M1. De stoffen van de cijfers 21c) en 22c) mogen echter in alle typen flexibele IBC's volgens rn. 1623 verpakt zijn.

509 Verpakkingen of IBC's die stoffen van de cijfers 1b) of 1c) bevatten, moeten voorzien zijn van een ontluchtingsinrichting volgens rn. 1500 (8) of 1601 (6).

510

3. Gezamenlijke verpakking

511 (1) Stoffen die onder één cijfer vallen, mogen gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538.

(2) De stoffen van verschillende cijfers van klasse 5.1 mogen in hoeveelheden die per binnenverpakking niet meer bedragen dan 3 liter voor vloeistoffen en/of 5 kg voor vaste stoffen, gezamenlijk worden verpakt en/of worden verpakt met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538, onder voorwaarde dat zij niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

(3) Voor zover de bijzondere voorwaarden in lid (7) niet anders bepalen, mogen de stoffen van klasse 5.1 in hoeveelheden die per binnenverpakking niet meer bedragen dan 3 liter voor vloeistoffen en/of 5 kg voor vaste stoffen, gezamenlijk worden verpakt met stoffen of voorwerpen van andere klassen - voor zover gezamenlijke verpakking ook voor stoffen en voorwerpen van deze klassen is toegestaan - en/of met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538, onder voorwaarde dat zij niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

(4) Als gevaarlijke reacties worden beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanmerkelijke warmteontwikkeling;

b) de ontwikkeling van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van bijtende vloeistoffen;

d) de vorming van instabiele stoffen.

(5) De voorschriften van de rn. 8 en 502 dienen in acht genomen te worden.

(6) Bij gebruik van houten kisten of kartonnen dozen mag een collo niet meer wegen dan 100 kg.

(7) Gezamenlijke verpakking is niet toegestaan voor de stoffen van de cijfers 1a), 2, 4, 5, 11, 12, 13, 14, 16b), 17, 25 en 27 t/m 32 en voor de onder a) vallende stoffen van de overige cijfers; voor perchloorzuur met meer dan 50 % zuur van cijfer 3a) is echter gezamenlijke verpakking toegestaan met perchloorzuur van klasse 8, rn. 801, cijfer 4b).

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie Aanhangsel IX)

Opschriften

512 (1) Elke collo moet op duidelijke en duurzame wijze zijn voorzien van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

Gevaarsetiketten

(2) Colli die stoffen van deze klasse bevatten, moeten zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 5.1.

(3) Colli die stoffen van de cijfers 2, 5, 29 of 30 bevatten, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 6.1. Colli die stoffen van de cijfers 1a), 1b), 3a), 5, 31 of 32 bevatten, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 8.

(4) Colli die vloeistoffen bevatten in houders, waarvan de sluitingen aan de buitenzijde niet waarneembaar zijn, alsmede colli met houders voorzien van ontluchtingsinrichtingen of houders met ontluchtingsinrichtingen zonder buitenverpakking, moeten op twee tegenover elkander gelegen zijden zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 11.

B. Wijze van verzending, beperkende bepalingen betreffende de verzending

513 Met uitzondering van de stoffen van cijfer 5 en de stoffen die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen, mogen colli die andere stoffen van deze klasse bevatten, als expresgoed worden verzonden, indien zij bevatten:

van de stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 4 liter per collo voor vloeistoffen en ten hoogste 12 kg per collo voor vaste stoffen;

van de stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 12 liter per collo voor vloeistoffen en ten hoogste 24 kg per collo voor vaste stoffen.

C. Aanduidingen in de vrachtbrief

514 De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de cursief gedrukte identificatienummers en benamingen in rn. 501. Indien de stof niet met name is genoemd, maar in een n.e.g.-positie is ingedeeld, moet de aanduiding van het goed bestaan uit het identificatienummer en de benaming van de n.e.g.-positie, gevolgd door de chemische of technische benaming () van de stof.

De aanduiding van het goed moet worden aangevuld met de vermelding van de klasse, het cijfer en eventueel de letter van de stofopsomming en de afkorting "RID" [b.v. 5.1, 11b), RID].

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie rn. 3 (4)] moet de aanduiding van het goed luiden: "Afval, bevat ", waarbij de voor de indeling van het afval volgens rn. 3 (3) bepalende gevaarlijke component(en) met zijn (hun) chemische benaming moet(en) worden aangegeven, b.v. "Afval, bevat 1513 zinkchloraat, 5.1, 11b), RID".

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) met meerdere aan deze Richtlijn onderworpen componenten, behoeven in het algemeen niet meer dan twee componenten die bepalend zijn voor de gevaarlijkheid van de oplossingen en mengsels, te worden aangegeven.

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels die slechts één aan deze Richtlijn onderworpen component bevatten, moet in de vrachtbrief het woord "oplossing" resp. "mengsel" als onderdeel van de benaming worden toegevoegd. [zie rn. 3 (3a)].

Indien een vaste stof in gesmolten toestand ten vervoer wordt aangeboden, moet de aanduiding van het goed worden aangevuld met de vermelding "gesmolten", voor zover deze daarin al niet voorkomt.

Indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, moet bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed. Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII. Indien een met name genoemde stof volgens rn. 500 (9) niet aan de voorwaarden van deze klasse is onderworpen, heeft de afzender het recht in de vrachtbrief te vermelden: "Geen goed van klasse 5.1".

D. Vervoermiddelen en technische hulpmiddelen

1. Voorschriften betreffende de wagens en het laden

a. Voor colli

515 (1) De wagens, bestemd voor het vervoer van stoffen van klasse 5.1 moeten vóór het beladen grondig zijn gereinigd en in het bijzonder zijn ontdaan van alle brandbare resten (stro, hooi, papier, etc.).

(2) Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

(3) De colli moeten in de wagens zo worden geladen, dat zij zich niet op gevaarlijke wijze kunnen verplaatsen en niet kunnen vallen of omvallen.

(4) Voor het vastzetten van de colli in de wagens is het gebruik van gemakkelijk brandbare materialen verboden.

(5) Flexibele IBC's, bestemd voor het vervoer van stoffen van de cijfers 11 t/m 13 en 16b) moeten zijn geladen in gesloten wagens, in wagens met beweegbaar dak of in open wagens met een waterdicht en onbrandbaar dekzeil; er moeten zodanige maatregelen zijn getroffen, dat de stoffen in de wagen bij vrijkomen niet met hout of een ander brandbaar materiaal in aanraking kunnen komen.

b. Voor vervoer als losgestort goed

516 De stoffen van de cijfers 11 t/m 13, 16, 18, 21 en 22c), alsmede vaste afvalstoffen die onder voornoemde cijfers vallen, mogen losgestort vervoerd worden in open wagens met een waterdicht en onbrandbaar dekzeil of in wagens met beweegbaar dak. In metalen wagens mag de vervoerde stof niet in aanraking kunnen komen met een bestanddeel van hout of een ander brandbaar materiaal. Indien de bodem en de zijwanden van de wagens van hout zijn vervaardigd, moeten deze hetzij geheel van een ondoordringbare en onbrandbare bekleding zijn voorzien, hetzij met waterglas (natriumsilicaat) of een soortgelijke stof zijn bestreken.

c. Voor kleine containers

517 (1) Met uitzondering van colli die waterstofperoxide of oplossingen van waterstofperoxide van cijfer 1a) of tetranitromethaan van cijfer 2 bevatten, mogen colli die stoffen van deze klasse bevatten, in kleine containers worden vervoerd.

(2) De samenladingsverboden, bedoeld in rn. 520, zijn ook van toepassing in kleine containers.

(3) De stoffen van de cijfers 11 t/m 13, 16, 18, 21 en 22c) mogen ook losgestort worden vervoerd in metalen, kleine containers van het gesloten type met dichte wanden.

2. Opschriften en gevaarsetiketten op de wagens, op de reservoir-wagens, op de tankcontainers en op de kleine containers (zie Aanhangsel IX)

518 (1) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen van deze klasse worden vervoerd, moeten aan beide zijden voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 5.1.

(2) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen van de cijfers 2, 5, 29 of 30 worden vervoerd, moeten bovendien aan beide zijden voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 6.1, en bij vervoer van stoffen van de cijfers 1a), 1b), 3a), 5, 31 of 32 bovendien van een etiket volgens model nr. 8.

(3) Kleine containers moeten volgens rn. 512 (2) en (3) van etiketten zijn voorzien.

519

E. Verbod van samenlading

520 Colli die van een etiket volgens model nr. 5.1 zijn voorzien, mogen niet samen worden geladen in één wagen met colli, die van een etiket volgens model nr. 1, 1.4, 1.5, 1.6 of 01 zijn voorzien. Deze voorschriften zijn niet van toepassing op colli die van een etiket volgens model nr. 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn voorzien.

521 Voor zendingen die niet in één wagen samengeladen mogen worden, moeten afzonderlijke vrachtbrieven worden opgemaakt.

F. Lege verpakkingen

522 (1) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, lege reservoirwagens en lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, van cijfer 41, moeten op dezelfde wijze gesloten zijn en dezelfde waarborgen van dichtheid bieden als in gevulde toestand.

(2) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, van cijfer 41, moeten van dezelfde gevaarsetiketten zijn voorzien als in gevulde toestand.

(3) De aanduiding in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de in cijfer 41 cursief gedrukte benamingen, aangevuld met "5.1, 41, RID", b.v. "Lege verpakking, 5.1, 41, RID".

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje aangebracht worden.

Bij ongereinigde lege reservoirwagens of lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, moet deze aanduiding worden aangevuld met de vermelding "Laatste inhoud" alsmede het gevaarsidentificatienummer, het stofidentificatienummer, de benaming, het cijfer en eventueel de groep a), b) of c) van de stofopsomming, van het laatst vervoerde goed, b.v. "Laatste inhoud 559 2015 waterstofperoxide, gestabiliseerd, 1a)".

(4) Wat betreft de scheiding tussen ongereinigde lege verpakkingen van cijfer 41 die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

G. Verdere voorschriften

523 Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

524 Indien stoffen uit colli, voorzien van etiketten volgens model nr. 6.1, naar buiten zijn getreden en in een wagen zijn verspreid, dan mag deze wagen pas na grondige reiniging en zonodig ontsmetting weer worden gebruikt. Alle andere goederen en voorwerpen, die in dezelfde wagen zijn vervoerd, moeten op mogelijke verontreiniging onderzocht worden.

525-

549

KLASSE 5.2 ORGANISCHE PEROXIDEN

1. Opsomming van de stoffen

550 (1) Van de stoffen en voorwerpen, aangeduid in de titel van klasse 5.2, zijn slechts die, welke genoemd zijn in rn. 551 of die welke vallen onder een verzamelaanduiding van dat randnummer, onderworpen aan de in rn. 550 (4) t/m 568 gegeven voorschriften en derhalve stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn 1 ().

Opmerking: Voor de indeling van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), zie ook rn. 3 (3).

(2) Organische peroxiden en formuleringen van organische peroxiden worden niet beschouwd als stoffen van de klasse 5.2 indien:

ze niet meer dan 1,0 % actieve zuurstof bevatten afkomstig van de organische peroxiden en niet meer dan 1,0 % waterstofperoxide bevatten;

ze niet meer dan 0,5 % actieve zuurstof bevatten afkomstig van de organische peroxiden en meer dan 1,0 % doch ten hoogste 7,0 % waterstofperoxide bevatten; of

door beproevingen is aangetoond dat ze van type G zijn [zie lid (6)].

Opmerking: Het gehalte actieve zuurstof (%) van een formulering van een organisch peroxide volgt uit de formule 16 × Ó (ni × ci/mi) waarin:

ni

= aantal peroxy-groepen per molecule van het organische peroxide i;

ci

= concentratie (massa-%) van het organische peroxide i; en

mi

= moleculaire massa van het organische peroxide i.

(3) De volgende organische peroxiden zijn niet ten vervoer toegelaten onder de voorwaarden van klasse 5.2:

organische peroxiden van type A [zie Handboek beproevingen en criteria, deel II, paragraaf 20.4.3 a)];

organische peroxiden van type B en C, met een temperatuur van zichzelf-versnellende ontleding (SADT) () ≤ 50 °C;

organische peroxiden van type D, die bij verwarming onder opsluiting een heftige of middelmatige reactie vertonen, met een SADT ≤ 50 °C, of die bij verwarming onder opsluiting een geringe of geen reactie vertonen, met een SADT ≤ 45 °C; en

organische peroxiden van type E en F, met een SADT ≤ 45 °C.

Opmerking: De SADT is de laagste temperatuur, waarbij een zichzelf-versnellende ontleding kan optreden van een stof, in de verpakking zoals gebruikt tijdens het vervoer. De voorschriften voor de bepaling van de SADT en van de effecten bij verwarming onder opsluiting, zijn opgenomen in het Handboek beproevingen en criteria, deel II.

Definitie

(4) Klasse 5.2 omvat organische stoffen, die het bivalente structuurelement -0-0- bevatten en als derivaten van waterstofperoxide kunnen worden beschouwd, waarin één of beide waterstofatomen vervangen zijn door organische radicalen.

Eigenschappen

(5) Organische peroxiden zijn thermisch instabiele stoffen, die bij normale of verhoogde temperatuur een exotherme zichzelf-versnellende ontleding kunnen ondergaan. De ontleding kan veroorzaakt worden door warmte, contact met verontreinigingen (b.v. zuren, verbindingen van zware metalen, aminen), wrijving of stoot. De ontledingssnelheid stijgt met de temperatuur en hangt af van de formulering van het organische peroxide. De ontleding kan leiden tot het vrijkomen van schadelijke of brandbare gassen of dampen. Sommige organische peroxiden kunnen explosief ontleden, vooral bij opsluiting. Deze eigenschap kan veranderd worden door toevoeging van verdunningsmiddelen of door gebruik van geschikte verpakkingen. Veel organische peroxiden branden heftig. Contact van organische peroxiden met de ogen moet vermeden worden. Sommige organische peroxiden veroorzaken, zelfs bij kort contact, ernstige beschadigingen aan het hoornvlies of zijn bijtend voor de huid.

Classificatie van organische peroxiden

(6) Organische peroxiden worden geclassificeerd in zeven typen, afhankelijk van de gevaarlijkheidsgraad. De principes voor de classificatie van stoffen die niet genoemd zijn in rn. 551, zijn aangegeven in het Handboek beproevingen en criteria, deel II. De typen organische peroxiden variëren van type A, dat niet ten vervoer is toegelaten in de verpakking, waarin het is beproefd, tot type G, dat niet is onderworpen aan de voorschriften van klasse 5.2 [zie rn. 561 (5)]. De classificatie van de typen B t/m F is direct afhankelijk van de grootste toegestane hoeveelheid per collo.

(7) De organische peroxiden en de formuleringen van organische peroxiden, genoemd in rn. 551, zijn in de volgende verzamelaanduidingen ingedeeld:

cijfers 1 t/m 10, identificatienummers 3101 t/m 3110

Door de verzamelaanduidingen wordt aangegeven:

het type organische peroxide (B t/m F) [zie lid (6)];

de fysische toestand (vloeibaar/vast) [zie rn. 553 (1)].

Mengsels van deze formuleringen kunnen worden geassimileerd aan het gevaarlijkste type organisch peroxide, dat voorkomt in de samenstelling daarvan en zij kunnen worden vervoerd onder de voorwaarden die gelden voor dit type. Indien echter twee stabiele componenten een thermisch minder stabiel mengsel kunnen vormen, moet de temperatuur van zichzelf-versnellende ontleding (SADT) van het mengsel worden bepaald.

(8) De classificatie van organische peroxiden, formuleringen of mengsels van organische peroxiden, niet genoemd in rn. 551, en de indeling daarvan in een verzamelaanduiding moet worden uitgevoerd door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst. Indien het land van herkomst geen Lid-Staat is, moeten de classificatie en de vervoersvoorwaarden worden erkend door de bevoegde autoriteit van de eerste Lid-Staat van de COTIF, die bij de zending betrokken is.

(9) Monsters van niet in rn. 551 genoemde organische peroxiden of formuleringen van organische peroxiden, waarvoor niet de volledige gegevens over de beproevingen beschikbaar zijn en die vervoerd moeten worden voor aanvullende beproevingen of beoordeling, moeten worden ingedeeld onder een van de verzamelaanduidingen, van toepassing op organische peroxiden van type C, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

volgens de beschikbare gegevens is het monster niet gevaarlijker dan een organische peroxide van type B;

het monster is verpakt volgens verpakkingsmethode OP2 en de hoeveelheid per wagen of grote container bedraagt niet meer dan 10 kg.

Desensibilisatie van organische peroxiden

(10) Teneinde de veiligheid tijdens het vervoer te waarborgen, worden organische peroxiden in veel gevallen gedesensibiliseerd met behulp van organische vloeibare of vaste stoffen, anorganische vaste stoffen of water. Als een percentage van een stof is vastgesteld, betreft dit het massa-percentage van de stof, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal. In het algemeen moet de desensibilisatie zodanig zijn, dat in geval van lekkage de concentratie van het organische peroxide niet in gevaarlijke mate kan oplopen.

(11) Tenzij anders aangegeven voor een afzonderlijke formulering van een organisch peroxide zijn de volgende definities van toepassing op verdunningsmiddelen, gebruikt voor de desensibilisatie:

Verdunningsmiddelen van type A zijn organische vloeistoffen die inert zijn ten opzichte van het organische peroxide, en die een kookpunt hebben van ten minste 150 °C. Verdunningsmiddelen van type A mogen worden gebruikt voor de desensibilisatie van alle organische peroxiden.

Verdunningsmiddelen van type B zijn organische vloeistoffen die inert zijn ten opzichte van het organische peroxide, en die een kookpunt hebben van lager dan 150 °C, maar niet lager dan 60 °C, en een vlampunt van ten minste 5 °C. Verdunningsmiddelen van type B mogen worden gebruikt voor de desensibilisatie van organische peroxiden, onder voorwaarde dat het kookpunt van de vloeistof ten minste 60 °C hoger is dan de SADT in een collo van 50 kg.

(12) Verdunningsmiddelen, anders dan van type A of B, mogen aan de in rn. 551 genoemde formuleringen van organische peroxiden worden toegevoegd, mits deze inert zijn. Volledige of gedeeltelijke vervanging van verdunningsmiddelen van type A of B door een ander verdunningsmiddel met afwijkende eigenschappen vereist echter een nieuwe beoordeling van de formulering volgens de normale procedure voor de classificatie voor klasse 5.2.

(13) Water mag slechts worden gebruikt voor de desensibilisatie van die organische peroxiden, waarbij in rn. 551 of in de beslissing van de bevoegde autoriteit volgens lid (8) is aangegeven, dat water is toegevoegd of dat zij zich in een stabiele dispersie in water bevinden. Monsters van organische peroxiden of van formuleringen van organische peroxiden, niet genoemd in rn. 551, mogen ook gedesensibiliseerd worden met water, onder voorwaarde dat aan de voorschriften van lid (9) is voldaan.

(14) Organische en anorganische vaste stoffen mogen voor desensibilisatie van organische peroxiden gebruikt worden indien deze inert zijn.

(15) Vloeistoffen en vaste stoffen worden als inert beschouwd, indien deze geen nadelige invloed hebben op de thermische stabiliteit en op het type gevaar van de formulering van het organische peroxide.

A. Organische peroxiden, waarvoor temperatuurbeheersing niet is vereist

551 Opmerking: Organische peroxiden, waarvoor temperatuurbeheersing vereist is, zijn niet ten vervoer toegelaten. Zie rn. 550 (3).

1. b) 3101 organisch peroxide, type B, vloeibaar, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. b) 3102 organisch peroxide, type B, vast, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. b) 3103 organisch peroxide, type C, vloeibaar, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4. b) 3104 organisch peroxide, type C, vast, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

5. b) 3105 organisch peroxide, type D, vloeibaar, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

6. b) 3106 organisch peroxide, type D, vast, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7. b) 3107 organisch peroxide, type E, vloeibaar, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

8. b) organisch peroxide, type E, vast, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

9. b) 3109 organisch peroxide, type F, vloeibaar, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

10. b) 3110 organisch peroxide, type F, vast, zoals:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B. Lege verpakkingen

31. Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (lege IBC's), lege reservoirwagens en lege tankcontainers, die stoffen van klasse 5.2 hebben bevat.

551a (1) Stoffen of voorwerpen van cijfer 1 t/m 10, die vervoerd worden volgens de hierna genoemde voorwaarden, zijn - met uitzondering van de in lid (2) genoemde bepalingen - niet onderworpen aan de voorschriften van hoofdstuk 2 ("Vervoersvoorwaarden"):

a) vloeistoffen van cijfer 1 en 3: in hoeveelheden tot 25 ml per binnenverpakking,

b) vaste stoffen van cijfer 2 en 4: in hoeveelheden tot 100 g per binnenverpakking,

c) vloeistoffen van cijfer 5, 7 en 9: in hoeveelheden tot 125 ml per binnenverpakking,

d) vaste stoffen van cijfer 6, 8 en 10: in hoeveelheden tot 500 g per binnenverpakking.

Deze hoeveelheden van de stoffen moeten in samengestelde verpakkingen worden vervoerd, die ten minste voldoen aan de voorschriften van rn. 1538. Een collo mag niet meer wegen dan 30 kg.

Deze hoeveelheden van de stoffen, die zich in binnenverpakkingen van metaal of kunststof bevinden, mogen ook op trays met krimp- of rekfolie als buitenverpakking worden vervoerd, onder de voorwaarde dat de totale massa van het collo in geen geval meer bedraagt dan 20 kg.

Deze hoeveelheden van de stoffen mogen gezamenlijk worden verpakt met andere voorwerpen of stoffen onder voorwaarde dat zij in geval van vrijkomen niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

Als gevaarlijke reacties worden beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanmerkelijke warmteontwikkeling;

b) de ontwikkeling van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van bijtende vloeistoffen;

d) de vorming van instabiele stoffen.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7) zijn van toepassing.

(2) Bij vervoer overeenkomstig lid (1) moet de aanduiding van het goed in de vrachtbrief voldoen aan de voorschriften van rn. 561 en de woorden "gelimiteerde hoeveelheid" omvatten.

Elk collo moet op duidelijke en duurzame wijze voorzien zijn van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

2. Vervoersvoorwaarden

(De vervoersvoorwaarden voor lege verpakkingen zijn samengevat onder F.)

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

552 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel V en moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat geen van de materialen, die in contact komen met de inhoud, een gevaarlijke invloed op deze inhoud kan uitoefenen. De vullingsgraad mag 93 % niet overschrijden.

Bij samengestelde verpakkingen mogen voor opvulling dienende stoffen niet gemakkelijk ontvlambaar zijn en bij lekkage geen ontleding van het organische peroxide veroorzaken.

(2) IBC's moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel VI.

(3) Overeenkomstig het bepaalde in rn. 1511 (2) of 1611 (2) moeten voor de stoffen en voorwerpen verpakkingen van verpakkingsgroep II of I, gekenmerkt met de letter "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep II, gekenmerkt met de letter "Y", worden gebruikt. Metalen verpakkingen van verpakkingsgroep I mogen echter niet worden gebruikt.

Opmerking: Voor vervoer in reservoirwagens, zie Aanhangsel XI, in tankcontainers, zie Aanhangsel X.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

553 (1) De verpakkingsmethoden voor de stoffen van klasse 5.2 zijn opgesomd in de tabel van lid (2) en worden aangeduid met OP1 t/m OP8. Viskeuze stoffen waarvan de uitlooptijd uit een DIN-beker met een uitloopopening van 4 mm diameter bij 20 °C meer dan 10 minuten bedraagt (hetgeen overeenkomt met een uitlooptijd van meer dan 690 s bij 20 °C uit een Ford-beker nr. 4, of meer dan 2,68 × 10 P3 m2/s), worden beschouwd als vaste stoffen.

(2) De stoffen en voorwerpen moeten worden verpakt overeenkomstig de verpakkingsmethoden OP1 t/m OP8 van de hierna volgende tabel, zoals aangegeven in rn. 551. Een verpakkingsmethode voor een collo met kleinere afmetingen (d.w.z. met een lager OP-nummer) mag gebruikt worden, maar een verpakkingsmethode voor een collo met grotere afmetingen (d.w.z. met een hoger OP-nummer) mag niet gebruikt worden. De hoeveelheden, aangegeven voor elke verpakkingsmethode, geven de hoogste waarden weer, die tegenwoordig als redelijk wordt beschouwd. De volgende verpakkingstypen mogen worden gebruikt:

vaten volgens rn. 1520, 1521, 1523, 1525 of 1526; of

jerrycans volgens rn. 1522 of 1526; of

kisten of dozen volgens rn. 1527, 1528, 1529, 1530, 1531 of 1532; of

combinatieverpakkingen met een binnenhouder van kunststof volgens rn. 1537,

onder voorwaarde dat:

a) de verpakkingen voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel V;

b) metalen verpakkingen (met inbegrip van binnenverpakkingen van samengestelde verpakkingen en buitenverpakkingen van samengestelde verpakkingen of combinatieverpakkingen) slechts voor de verpakkingsmethoden OP7 en OP8 worden gebruikt; en

c) in de samengestelde verpakkingen houders van glas slechts als binnenverpakking met een inhoud van ten hoogste 0,5 l of 0,5 kg worden gebruikt.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(3) Colli, voorzien van een etiket volgens model nr. 01, moeten voldoen aan de voorschriften van rn. 102 (8) en (9).

(4) De houders of de IBC's, die stoffen van de cijfers 1b), 3b), 5b), 7b) of 9b) bevatten, die in geringe hoeveelheden gassen ontwikkelen, moeten voorzien zijn van een ontluchtingsinrichting volgens rn. 1500 (8) of rn. 1601 (6).

554 Voor organische peroxiden of formuleringen van organische peroxiden, niet genoemd in rn. 551, moet de volgende procedure gevolgd worden om de geschikte verpakkingsmethode vast te stellen:

a) Organische peroxiden van type B:

Aan de stoffen en voorwerpen wordt verpakkingsmethode OP5 toegekend, indien ze voldoen aan de criteria van het Handboek beproevingen en criteria, deel II, paragraaf 20.4.3 b), in één van de aangegeven verpakkingen. Indien het organische peroxide alleen aan deze criteria kan voldoen in een kleinere verpakking dan die genoemd bij verpakkingsmethode OP5 (d.w.z. in een van de verpakkingen vermeld onder OP1 t/m OP4), dan moet de verpakkingsmethode overeenkomend met het lagere OP-nummer toegekend worden.

b) Organische peroxiden van type C:

Aan de stoffen en voorwerpen wordt verpakkingsmethode OP6 toegekend, indien ze voldoen aan de criteria van het Handboek beproevingen en criteria, deel II, paragraaf 20.4.3 c), in één van de aangegeven verpakkingen. Indien het organische peroxide alleen aan deze criteria kan voldoen in een kleinere verpakking dan die genoemd bij verpakkingsmethode OP6, dan moet de verpakkingsmethode overeenkomend met het lagere OP-nummer toegekend worden.

c) Organische peroxiden van type D:

Verpakkingsmethode OP7 moet worden toegekend.

d) Organische peroxiden van type E:

Verpakkingsmethode OP8 moet worden toegekend.

e) Organische peroxiden van type F:

Verpakkingsmethode OP8 moet worden toegekend.

555 (1) De stoffen van cijfer 9b) en 10b) van rn. 551 mogen in IBC's vervoerd worden onder de voorwaarden vastgesteld door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst, indien deze autoriteit op grond van beproevingsresultaten van oordeel is dat een dergelijk vervoer veilig kan plaatsvinden. De beproevingen moeten onder meer:

aantonen dat het organische peroxide voldoet aan de principes voor de classificatie volgens het Handboek beproevingen en criteria, deel II, paragraaf 20.4.3 f);

aantonen dat het organische peroxide inert is ten opzichte van alle materialen die gewoonlijk tijdens het vervoer in contact met de stof komen;

mogelijk maken, indien van toepassing, drukontlastingsinrichtingen te ontwerpen;

bepalen of bijzondere voorschriften noodzakelijk zijn.

Indien het land van herkomst geen Lid-Staat is, moeten de voorwaarden worden erkend door de bevoegde autoriteit van de eerste Lid-Staat van de COTIF, die bij de zending betrokken is.

(2) De volgende organische peroxiden van type F mogen in IBC's van het aangegeven type vervoerd worden zonder dat aan de voorwaarden van lid (1) is voldaan:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(3) Teneinde explosief bezwijken van metalen IBC's of combinatie-IBC's met een volwandige metalen omhulling te voorkomen, moeten de drukontlastingsinrichtingen zo zijn ontworpen, dat alle ontledingsproducten en dampen afgeblazen worden, die gedurende een periode van niet minder dan 1 uur aanwezigheid in een brandhaard (warmtestroomdichtheid 110 kW/m2) of als gevolg van zichzelf-versnellende ontleding vrijkomen.

556-

557

3. Gezamenlijke verpakking

558 Stoffen van klasse 5.2 mogen niet gezamenlijk worden verpakt met stoffen of voorwerpen van andere klassen of met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie Aanhangsel IX)

Opschriften

559 (1) Elk collo moet op duidelijke en duurzame wijze zijn voorzien van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

Gevaarsetiketten

(2) Colli die stoffen bevatten van deze klasse, moeten zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 5.2.

(3) Colli die organische peroxiden bevatten van de cijfers 1 en 2, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket conform model nr. 01, tenzij de bevoegde autoriteit toestemming heeft verleend voor het weglaten van dit etiket voor het beproefde type verpakking, omdat uit de beproevingsresultaten is gebleken dat het organische peroxide in een dergelijke verpakking geen explosief gedrag vertoont [zie rn. 561 (4)].

(4) Indien een stof sterk bijtend of bijtend is volgens de criteria van klasse 8 [zie rn. 800 (3)], moeten de colli bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 8. Dit is aangegeven in rn. 551 (bijkomende etiketten) of, indien van toepassing, voorgeschreven in de goedgekeurde vervoersvoorwaarden [zie rn. 550 (8)].

(5) Colli die vloeistoffen bevatten in houders, waarvan de sluitingen aan de buitenzijde niet waarneembaar zijn, alsmede colli met houders voorzien van ontluchtingsinrichtingen, of houders met ontluchtingsinrichtingen zonder buitenverpakking, moeten op twee tegenover elkander gelegen zijden zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 11.

B. Wijze van verzending, beperkende bepalingen betreffende de verzending

560 Met uitzondering van stoffen van de cijfers 1 en 2 mogen colli die stoffen van deze klasse bevatten als expresgoed worden verzonden indien zij ten hoogste 4 liter per collo voor vloeistoffen en ten hoogste 12 kg per collo voor vaste stoffen bevatten.

C. Aanduidingen in de vrachtbrief

561 (1) De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet overeenkomen met één der cursief gedrukte identificatienummers en de corresponderende verzamelaanduiding in rn. 551, gevolgd door de chemische benaming van de stof tussen haakjes.

Deze aanduiding moet worden aangevuld met de vermelding van de klasse, het cijfer en de groep b) van de stofopsomming en de afkorting "RID", b.v. 3108, organisch peroxide, type E, vast, (dibenzoylperoxide), 5.2, 8b), RID.

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht. Bij het vervoer van afvalstoffen [zie rn. 3 (4)] moet de aanduiding van het goed luiden: "Afval, bevat .", waarbij de voor de indeling van het afval volgens rn. 3 (3) bepalende gevaarlijke component(en) met zijn (hun) chemische benaming moet(en) worden aangegeven, b.v. "Afval, bevat 3107 organisch peroxide, type E, vloeibaar, (peroxyazijnzuur), 5.2, 7b), RID". Bij het vervoer van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) met meerdere aan deze Richtlijn onderworpen componenten, behoeven in het algemeen niet meer dan twee componenten, die bepalend zijn voor de gevaarlijkheid van de oplossingen en mengsels, te worden aangegeven.

Indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, moet bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed. Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

(2) Indien het vervoer van stoffen en voorwerpen plaatsvindt onder voorwaarden, vastgesteld door de bevoegde autoriteit [zie rn. 550 (8), 555 (1) en Aanhangsel X/XI, rn. 5.1.2], moet de volgende verklaring in de vrachtbrief zijn aangebracht:

"Vervoer volgens rn. 561 (2)"

Een kopie van de beslissing van de bevoegde autoriteit met de vervoersvoorwaarden moet bij de vrachtbrief zijn gevoegd.

(3) Indien een monster van organisch peroxide vervoerd wordt overeenkomstig rn. 550 (9), moet de volgende verklaring in de vrachtbrief zijn aangebracht:

"Vervoer volgens rn. 561 (3)"

(4) Wanneer op grond van een toestemming van de bevoegde autoriteit overeenkomstig rn. 559 (3) een etiket volgens model nr. 01 niet vereist is, moet de volgende verklaring in de vrachtbrief zijn aangebracht:

"Gevaarsetiket volgens model nr. 01 is niet vereist."

(5) Indien organische peroxiden van type G [zie het Handboek beproevingen en criteria, deel II, paragraaf 20.4.2 g)] vervoerd worden, mag de volgende verklaring in de vrachtbrief worden aangebracht:

"Geen stof van klasse 5.2"

D. Vervoermiddelen en technische hulpmiddelen

1. Voorschriften betreffende de wagens en het laden

a. Voor colli

562 (1) De colli moeten zijn geladen in gesloten wagens met voldoende ventilatie. Ventilatiekleppen moeten tijdens het vervoer zijn geopend. Voor vervoer van colli die voorzien zijn van het bijkomende etiket volgens model nr. 01 [zie rn. 559 (3)], mogen, ook indien ze in grote containers zijn geladen, slechts wagens worden gebruikt die zijn voorzien van vonkenschermplaten volgens voorschrift. Bij wagens met een brandbare vloer mogen de vonkenschermplaten niet rechtstreeks aan de vloer van de wagen bevestigd zijn.

(2) Vóór het laden moeten de wagens grondig worden gereinigd.

(3) Voor het vastzetten van de colli in de wagens is het gebruik van gemakkelijk brandbare materialen verboden.

(4) De colli moeten rechtop staan en zodanig vastgezet of bevestigd zijn, dat zij niet kunnen omvallen of vallen. Zij moeten beschermd zijn tegen beschadiging door andere colli.

(5) De colli moeten zodanig zijn geladen dat door vrije luchtcirculatie in de laadruimte een gelijkmatige temperatuur van de lading is gegarandeerd. Indien in een wagen meer dan 5 000 kg organische peroxiden zijn geladen, moet de lading verdeeld worden in stapels van niet meer dan 5 000 kg, die door luchtruimten van ten minste 0,05 meter zijn gescheiden.

b. Voor kleine containers

563 (1) Met uitzondering van colli die stoffen van de cijfers 1 en 2 bevatten, mogen colli die in deze klasse genoemde stoffen bevatten, in kleine containers worden vervoerd.

(2) De samenladingsverboden bedoeld in rn. 565 zijn ook van toepassing binnen de kleine containers.

2. Opschriften en gevaarsetiketten op de wagens, op de reservoir-wagens, op de tankcontainers en op de kleine containers (zie Aanhangsel IX)

564 (1) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, die stoffen bevatten van deze klasse, alsmede wagens die deze tankcontainers vervoeren, moeten aan beide zijden voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 5.2.

(2) Wagens die colli bevatten, voorzien van een etiket volgens model nr. 01, moeten bovendien aan beide zijden zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 01.

(3) Indien een stof sterk bijtend of bijtend is volgens de criteria van klasse 8 [zie rn. 800 (3)], moeten wagens, reservoirwagens en tankcontainers bovendien aan beide zijden zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 8. Dit is aangegeven in rn. 551 (bijkomende etiketten) of, indien van toepassing, voorgeschreven in de goedgekeurde vervoersvoorwaarden [zie rn. 550 (8)].

(4) Kleine containers moeten volgens rn. 559 van etiketten zijn voorzien.

E. Verbod van samenlading

565 (1) Colli die voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 5.2, mogen niet in één wagen worden geladen met colli die voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 1, 1.4, 1.5, 1.6 of 01. Deze voorschriften zijn niet van toepassing op colli die van een etiket volgens model nr. 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn voorzien.

(2) Colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 5.2 en 01, mogen niet in één wagen worden geladen met colli die voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 1, 1.4, 1.5, 1.6, 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 6.2, 7A, 7B, 7C, 8 of 9.

566 Voor zendingen die niet in één wagen mogen worden geladen, moeten afzonderlijke vrachtbrieven worden opgemaakt.

F. Lege verpakkingen

567 (1) Ongereinigde lege verpakkingen (met inbegrip van lege IBC's), lege reservoirwagens en lege tankcontainers van cijfer 31 moeten op dezelfde wijze gesloten zijn en dezelfde waarborgen van dichtheid bieden als in gevulde toestand.

(2) Ongereinigde lege verpakkingen (met inbegrip van lege IBC's), lege reservoirwagens en lege tankcontainers van cijfer 31 moeten van dezelfde gevaarsetiketten zijn voorzien als in gevulde toestand.

(3) De aanduiding in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de in cijfer 31 cursief gedrukte benamingen, aangevuld met "5.2, 31, RID", b.v. "Lege verpakking, 5.2, 31, RID".

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje aangebracht worden.

Bij ongereinigde lege reservoirwagens of lege tankcontainers, moet deze aanduiding worden aangevuld met de vermelding "Laatste inhoud" alsmede het gevaarsidentificatienummer, het stofidentificatienummer, de benaming, het cijfer en de groep b) van de stofopsomming, van het laatst vervoerde goed, b.v. "Laatste inhoud 539 3101 organisch peroxide, type F, vloeibaar (tert-butylhydroperoxide), 9b)".

G. Verdere voorschriften

568 Geen voorschriften.

569-

599

KLASSE 6.1 GIFTIGE STOFFEN

1. Opsomming van de stoffen

600 (1) Van de stoffen en voorwerpen, aangeduid in de titel van klasse 6.1, zijn die, welke genoemd zijn in rn. 601 of die, welke vallen onder een verzamelaanduiding van dat randnummer, onderworpen aan de in rn. 600 (2) t/m 624 gegeven voorschriften en derhalve stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn.

Opmerking: Wat betreft de hoeveelheden van de in rn. 601 opgesomde stoffen, die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het hoofdstuk "Vervoersvoorwaarden", zie rn. 601a.

(2) De titel van klasse 6.1 omvat giftige stoffen, waarvan uit ervaring bekend is of waarvan na experimenten op proefdieren kan worden aangenomen, dat zij in relatief geringe hoeveelheid door een eenmalige of kortstondige inwerking bij inademing, opname door de huid of inslikken de gezondheid van de mens kunnen schaden of de dood kunnen veroorzaken.

De stoffen van klasse 6.1 zijn als volgt onderverdeeld:

A. Bij inademen zeer giftige stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C

B. Organische stoffen met een vlampunt van 23 °C of hoger of niet brandbare organische stoffen

C. Metaalorganische verbindingen en carbonylen

D. Anorganische stoffen die in contact met water (of vochtige lucht), waterige oplossingen of zuren, giftige gassen kunnen ontwikkelen, en andere giftige stoffen, die met water reactief zijn ().

E. Andere anorganische stoffen en metaalzouten van organische stoffen

F. Pesticiden (bestrijdingsmiddelen)

G. Werkzame stoffen zoals die, welke bestemd zijn voor laboratoria en experimenten, alsmede voor fabricage van farmaceutische producten, voor zover zij niet onder andere cijfers van deze klasse opgesomd zijn

H. Lege verpakkingen.

(3) Op grond van de mate van giftigheid moeten de stoffen en voorwerpen van klasse 6.1, met uitzondering van de stoffen van de cijfers 1 t/m 5, in de afzonderlijke cijfers van rn. 601 worden ingedeeld in één van de volgende groepen:

a) zeer giftige stoffen,

b) giftige stoffen,

c) zwak giftige stoffen.

Niet met name genoemde stoffen, mengsels en oplossingen, alsmede de pesticiden van de cijfers 71 t/m 73 moeten op grond van de volgende criteria in een overeenkomstig cijfer en een overeenkomstige groep worden ingedeeld:

1. Teneinde de mate van giftigheid te beoordelen moet rekening worden gehouden met de bij vergiftigingsongevallen bij mensen opgedane ervaringen alsmede met de bijzondere eigenschappen van de diverse stoffen: vloeibare toestand, grote vluchtigheid, bijzondere eigenschappen bij opname door de huid, speciale biologische werkingen.

2. Bij het ontbreken van waarnemingen bij de mens wordt de mate van giftigheid vastgesteld met behulp van uit dierproeven afkomstige gegevens, overeenkomstig de volgende tabel:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2.1. Indien een stof bij twee of meer wijzen van blootstelling in verschillende mate giftig is, dan moet voor de indeling de zwaarste giftigheid worden aangehouden.

2.2. Stoffen, die voldoen aan de criteria van klasse 8 en waarvan de giftigheid bij inademen van stof en nevels (LC50) overeenkomt met groep a), mogen slechts in klasse 6.1 worden ingedeeld, indien gelijktijdig de giftigheid bij inslikken of bij opname door de huid ten minste overeenkomt met groep a) of b). Anders moet de stof zonodig in klasse 8 worden ingedeeld [zie voetnoot 1) bij rn. 800].

LD5-waarde voor de acute giftigheid bij inslikken

2.3. De toegediende dosis van de stof, die met de grootste waarschijnlijkheid binnen 14 dagen de dood veroorzaakt van de helft van een groep jonge, volwassen mannelijke en vrouwelijke albino-ratten. Het aantal dieren, dat aan deze proef wordt onderworpen, moet voldoende zijn voor een statistisch significant resultaat en moet overeenkomen met wat gebruikelijk is in de farmacologie. Het resultaat wordt uitgedrukt in mg per kg lichaamsmassa.

LD50-waarde voor de acute giftigheid bij opname door de huid

2.4. De toegediende dosis stof, die bij voortdurende aanraking gedurende 24 uur met de kale huid van albino-konijnen, met de grootste waarschijnlijkheid binnen 14 dagen de dood veroorzaakt van de helft van de dieren van de groep.

Het aantal dieren, dat aan deze proef wordt onderworpen, moet voldoende zijn voor een statistisch significant resultaat en moet overeenkomen met wat gebruikelijk is in de farmacologie. Het resultaat wordt uitgedrukt in mg per kg lichaamsmassa.

LC50-waarde voor de acute giftigheid bij inademen

2.5. De toegediende concentratie damp, nevel of stof, die bij voortdurende inademing gedurende één uur met de grootste waarschijnlijkheid binnen 14 dagen de dood veroorzaakt van de helft van een groep jonge, volwassen mannelijke en vrouwelijke albino-ratten. Een vaste stof moet aan een beproeving worden onderworpen indien het gevaar bestaat dat ten minste 10 % van de totale massa daarvan bestaat uit stofdeeltjes die kunnen worden ingeademd, bijvoorbeeld indien de aërodynamische diameter van deze deeltjesfractie ten hoogste 10 mm bedraagt. Een vloeistof moet aan de beproeving worden onderworpen indien het gevaar bestaat dat tijdens een lekkage uit de voor het vervoer gebruikte dichte omhulling een nevel ontstaat. Zowel bij vaste stoffen als vloeistoffen moet meer dan 90 massa- % van het voor de beproeving voorbereide monster bestaan uit deeltjes, die zoals hierboven beschreven kunnen worden ingeademd. Het resultaat wordt uitgedrukt in mg per liter lucht in het geval van stof en nevels, en in ml per m3 lucht (ppm) in het geval van dampen.

2.6. Deze criteria voor de giftigheid bij inademen van stof en nevels zijn gebaseerd op de LC50-waarden bij een blootstellingsduur van één uur, en wanneer dergelijke waarden beschikbaar zijn, moeten zij worden gebruikt. Wanneer echter alleen LC50-waarden bij een blootstellingsduur van vier uur beschikbaar zijn, kunnen de desbetreffende waarden met 4 vermenigvuldigd worden, en kan het product de waarden in de bovenvermelde criteria vervangen; d.w.z. de LC50-waarde (4 uur) x 4 wordt beschouwd als equivalent aan de LC50-waarde (1 uur).

Giftigheid bij inademen van dampen

3. Vloeistoffen die giftige dampen afgeven, moeten in de volgende groepen worden ingedeeld, waarbij de letter "V" de verzadigde dampconcentratie (in ml/m3 lucht) (vluchtigheid) bij 20 °C en bij normale atmosferische druk aangeeft:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Deze criteria voor de giftigheid bij inademen van dampen zijn gebaseerd op de LC50-waarden bij een blootstellingsduur van één uur, en wanneer dergelijke waarden beschikbaar zijn, moeten zij worden gebruikt.

Wanneer echter alleen LC50-waarden bij een blootstellingsduur aan dampen van vier uur beschikbaar zijn, kunnen de desbetreffende waarden met 2 vermenigvuldigd worden, en kan het product de waarden in de bovenvermelde criteria vervangen; d.w.z. de LC50-waarde (4 uur) × 2 wordt beschouwd als equivalent aan de LC50-waarde (1 uur).

Giftigheid bij inademen van dampen

Scheidslijnen van de verpakkingsgroepen

In deze afbeelding worden de criteria weergegeven in grafische vorm, als hulpmiddel voor de stofindeling. Echter in verband met de onnauwkeurigheden inherent aan het gebruik van grafieken, dienen stoffen die op/nabij de scheidslijnen vallen, met behulp van de numerieke criteria te worden gecontroleerd.

Mengsels van vloeistoffen

4. Mengsels van vloeistoffen die giftig zijn bij inademen moeten in de groepen worden ingedeeld volgens de hierna volgende criteria:

4.1. Indien de LC50-waarde bekend is voor elke giftige stof die deel uitmaakt van het mengsel, kan de groep als volgt worden vastgesteld:

a) Berekening van de LC50-waarde van het mengsel:

LC50 (mengsel) = >NUM>1

>DEN>

>NUM>fi

>DEN>LC50i

waarin

fi = molaire fractie van de i-de component van het mengsel,

LC50i = gemiddelde letale concentratie van de i-de component in ml/m3.

b) Berekening van de vluchtigheid van elke component van het mengsel:

Vi = Pi × >NUM>106

>DEN>101,3

ml/m3

waarin

Pi = partieeldruk van de i-de component in kPa bij 20 °C en bij normale atmosferische druk.

c) Berekening van de verhouding van de vluchtigheid tot de LC50-waarde

R = >NUM>Vi

>DEN>LC50i

d) De berekende waarden voor LC50 (mengsel) en R dienen ertoe om de groep van het mengsel vast te stellen:

Groep a) R ≥ 10 en LC50 (mengsel) ≤ 1 000 ml/m3.

Groep b) R ≥ 1 en LC50 (mengsel) ≤ 3 000 ml/m3 en indien het mengsel niet voldoet aan de criteria van groep a)

Groep c) R ≥ 1/5 en LC50 (mengsel) ≤ 5 000 ml/m3 en indien het mengsel niet voldoet aan de criteria van groep a) of b).

4.2. Indien de LC50-waarde van de giftige componenten niet bekend is, kan het mengsel in een groep worden ingedeeld met behulp van de hierna beschreven vereenvoudigde beproevingen voor de drempelwaarden van de giftigheid. In dit geval moet de meest restrictieve groep worden bepaald en voor het vervoer van het mengsel worden gebruikt.

4.3. Een mengsel wordt slechts in groep a) ingedeeld, indien het voldoet aan de volgende twee criteria:

i) Een monster van het vloeibare mengsel wordt verdampt en met lucht verdund zodat een beproevingsatmosfeer ontstaat van 1 000 ml/m3 verdampt mengsel in lucht. Tien albino-ratten (vijf mannelijke en vijf vrouwelijke) worden gedurende een uur blootgesteld aan deze atmosfeer en vervolgens gedurende veertien dagen geobserveerd. Indien ten minste vijf dieren gedurende deze observatieperiode sterven, wordt aangenomen dat de LC50-waarde van het mengsel gelijk aan of lager dan 1 000 ml/m3 is.

ii) Een monster van de damp in evenwicht met het vloeibare mengsel wordt met 9-voudige volume lucht verdund om een beproevingsatmosfeer te vormen. Tien albino-ratten (vijf mannelijke en vijf vrouwelijke) worden gedurende een uur blootgesteld aan deze atmosfeer en vervolgens gedurende veertien dagen geobserveerd. Indien ten minste vijf dieren gedurende deze observatieperiode sterven, wordt aangenomen dat het mengsel een vluchtigheid bezit die gelijk aan of groter is dan 10 maal de LC50-waarde van het mengsel.

4.4. Een mengsel wordt slechts in groep b) ingedeeld, indien het voldoet aan de volgende twee criteria, en indien het niet voldoet aan de criteria van groep a):

i) Een monster van het vloeibare mengsel wordt verdampt en met lucht verdund zodat een beproevingsatmosfeer ontstaat van 3 000 ml/m3 verdampt mengsel in lucht. Tien albino-ratten (vijf mannelijke en vijf vrouwelijke) worden gedurende een uur blootgesteld aan de beproevingsatmosfeer en vervolgens gedurende veertien dagen geobserveerd. Indien ten minste vijf dieren gedurende deze observatieperiode sterven, wordt aangenomen dat de LC50-waarde van het mengsel gelijk aan of lager dan 3 000 ml/m3 is

ii) Een monster van de damp in evenwicht met het vloeibare mengsel wordt gebruikt om een beproevingsatmosfeer te vormen. Tien albino-ratten (vijf mannelijke en vijf vrouwelijke) worden gedurende een uur blootgesteld aan deze beproevingsatmosfeer en vervolgens gedurende veertien dagen geobserveerd. Indien ten minste vijf dieren gedurende deze observatieperiode sterven, wordt aangenomen dat het mengsel een vluchtigheid bezit die gelijk aan of groter is dan LC50-waarde van het mengsel.

4.5. Een mengsel wordt slechts in groep c) ingedeeld, indien het voldoet aan de volgende twee criteria, en indien het niet voldoet aan de criteria van groep a) of groep b):

i) Een monster van het vloeibare mengsel wordt verdampt en met lucht verdund zodat een beproevingsatmosfeer ontstaat van 5 000 ml/m3 verdampt mengsel in lucht. Tien albino-ratten (vijf mannelijke en vijf vrouwelijke) worden gedurende een uur blootgesteld aan de beproevingsatmosfeer en vervolgens gedurende veertien dagen geobserveerd. Indien ten minste vijf dieren gedurende deze observatieperiode sterven, wordt aangenomen dat de LC50-waarde van het mengsel gelijk aan of lager dan 5 000 ml/m3 is

ii) De dampconcentratie (vluchtigheid) van het vloeibare mengsel wordt gemeten; indien deze gelijk aan of groter dan 1 000 ml/m3 is, wordt aangenomen dat het mengsel een vluchtigheid bezit gelijk aan of groter dan 1/5 van de LC50-waarde van het mengsel.

Berekeningsmethoden voor de giftigheid van mengsels bij inslikken en bij opname door de huid

5. Voor de indeling van de mengsels van klasse 6.1 en de indeling in de juiste verpakkingsgroep overeenkomstig de criteria voor de giftigheid bij inslikken en bij opname door de huid (zie 2.3 en 2.4) is het noodzakelijk de acute LD50-waarde van het mengsel te berekenen.

5.1. Indien een mengsel slechts één werkzame stof bevat, waarvan de LD50-waarde bekend is, kan bij gebrek aan betrouwbare gegevens voor de acute giftigheid bij inslikken en bij opname door de huid van het te vervoeren mengsel de LD50-waarde bij inslikken en bij opname door de huid met behulp van de volgende methode worden bepaald:

LD50-waarde van het preparaat = >NUM>LD50-waarde van de werkzame stof × 100

>DEN>Massa-percentage van de werkzame stof

5.2. Indien een mengsel meer dan één werkzame stof bevat, kunnen 3 mogelijke methoden voor de berekening van de LD50-waarde bij inslikken en bij opname door de huid worden gebruikt. De aanbevolen methode bestaat uit het verkrijgen van betrouwbare gegevens voor de acute giftigheid bij inslikken en bij opname door de huid voor het werkelijk te vervoeren mengsel. Indien geen betrouwbare exacte gegevens beschikbaar zijn, kan worden teruggegrepen op één van de volgende methoden:

a) Indeling van het preparaat afhankelijk van de gevaarlijkste werkzame stof van het mengsel onder de aanname, dat deze aanwezig is in dezelfde concentratie als de totale concentratie van alle werkzame componenten;

b) Toepassing van de formule:

>NUM>CA

>DEN>TA

+

>NUM>CB

>DEN>TN

+

>NUM>CZ

>DEN>TZ

=

>NUM>100

>DEN>TM

waarin:

C = de concentratie in procenten van de component A, B, , Z van het mengsel

T = de LD50-waarde bij inslikken van de component A, B, , Z

TM = de LD50-waarde bij inslikken van het mengsel

Opmerking: Deze formule kan ook worden gebruikt voor de giftigheid door opname door de huid, onder voorwaarde dat de informatie op dezelfde wijze voor alle bestanddelen beschikbaar is. Het gebruik van deze formule houdt geen rekening met eventuele verschijnselen van versterking of verzwakking van de werking van de stof.

(4) Indien stoffen van klasse 6.1 als gevolg van toevoegingen overgaan naar andere gevaarscategorieën dan die waartoe de met name genoemde stoffen van rn. 601 behoren, moeten deze mengsels of oplossingen worden ingedeeld in de cijfers of de groepen waartoe zij op grond van hun werkelijke gevaarseigenschappen behoren.

Opmerking: Voor de indeling van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), zie ook rn. 3 (3).

(5) Op grond van de criteria van lid (3) kan ook worden vastgesteld of de aard van een met name genoemde oplossing of mengsel, respectievelijk een oplossing of een mengsel, dat een met name genoemde stof bevat zodanig is, dat deze oplossing of dit mengsel niet is onderworpen aan de voorwaarden van deze klasse.

(6) Zeer giftige of giftige, brandbare vloeistoffen, met een vlampunt lager dan 23 °C - met uitzondering van de stoffen van de cijfers 1 t/m 10, die bij inademen zeer giftig zijn - zijn stoffen van klasse 3 (zie rn. 301, cijfer 11 t/m 19).

(7) Zwak giftige, brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 23 °C t/m 61 °C, met uitzondering van pesticiden, zijn stoffen van klasse 3 (zie rn. 301).

(8) Zwak giftige, voor zelfverhitting vatbare stoffen zijn stoffen van klasse 4.2 (zie rn. 431).

(9) Zwak giftige stoffen, die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 (zie rn. 471).

(10) Zwak giftige, oxiderende stoffen zijn stoffen van klasse 5.1 (zie rn. 501).

(11) Zwak giftige, zwak bijtende stoffen zijn stoffen van klasse 8 (zie rn. 801).

(12) De chemisch instabiele stoffen van de klasse 6.1 mogen slechts ten vervoer worden aangeboden, indien de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen om een gevaarlijke ontleding of polymerisatie tijdens het vervoer te verhinderen. Daartoe moet er in het bijzonder zorg voor worden gedragen, dat de houders geen stoffen bevatten, die deze reacties kunnen bevorderen.

(13) Als vaste stoffen in de zin van de verpakkingsvoorschriften van de rn. 606 (2), 607 (4) en 608 (3) worden stoffen of mengsels van stoffen beschouwd met een smeltpunt hoger dan 45 °C.

(14) Het hierna bedoelde vlampunt moet worden bepaald zoals aangegeven in Aanhangsel III.

A. Bij inademen zeer giftige stoffen met een vlampunt lager dan 23 °C

601 1. Cyaanwaterstof (blauwzuur), gestabiliseerd:

1051 cyaanwaterstof, gestabiliseerd, met minder dan 3 % water,

1614 cyaanwaterstof, gestabiliseerd, met minder dan 3 % water en geabsorbeerd door een inerte poreuze stof.

Opmerkingen: 1. Voor deze stof gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften [zie rn. 603 (1)].

2. Cyaanwaterstof, watervrij, dat niet aan deze voorwaarden voldoet, is niet ten vervoer toegelaten.

3. Cyaanwaterstof (blauwzuur) met minder dan 3 % water is stabiel, indien de pH-waarde 2,5 ± 0,5 bedraagt en de vloeistof helder en kleurloos is.

2. Cyaanwaterstofoplossingen (blauwzuuroplossingen):

1613 cyaanwaterstof, oplossing in water (cyaanwaterstofzuur), met ten hoogste 20 % cyaanwaterstof,

3294 cyaanwaterstof, oplossing in alcohol, met ten hoogste 45 % cyaanwaterstof.

Opmerkingen: 1. Voor deze stoffen gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften [zie rn. 603 (2)].

2. Cyaanwaterstofoplossingen (blauwzuuroplossingen) die niet aan deze voorwaarden voldoen, zijn niet ten vervoer toegelaten.

3. De volgende metaalcarbonylen:

1259 nikkeltetracarbonyl,

1994 ijzerpentacarbonyl.

Opmerkingen: 1. Voor deze stoffen gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 604).

2. Andere metaalcarbonylen met een vlampunt lager dan 23 °C zijn niet ten vervoer toegelaten.

4. 1185 ethyleenimine, gestabiliseerd.

Opmerking: Voor deze stof gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften [(zie rn. 605 (1)].

5. 2480 methylisocyanaat.

Opmerking: Voor deze stof gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften [(zie rn. 605 (2)].

6. Andere isocyanaten:

a) 2482 n-propylisocyanaat,

2484 tert-butylisocyanaat,

2485 n-butylisocyanaat.

7. Stikstofhoudende stoffen:

a) 1. 1163 dimethylhydrazine, asymmetrisch,

1244 methylhydrazine;

2. 2334 allylamine,

2382 dimethylhydrazine, symmetrisch.

8. Zuurstofhoudende stoffen:

a) 1. 1251 methylvinylketon, gestabiliseerd,

2. 1092 acroleine, gestabiliseerd,

1098 allylalcohol,

1143 crotonaldehyde, gestabiliseerd,

2606 methylorthosilicaat (tetramethoxysilaan).

9. Vloeistoffen, alsmede oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die bij inademen zeer giftig zijn, met een vlampunt lager dan 23 °C, en die niet onder een andere positie van de cijfers 1 t/m 8 kunnen worden ingedeeld:

a) 1239 methylchloormethylether,

3279 organische fosforverbinding, giftig, brandbaar, n.e.g.,

2929 giftige organische vloeistof, brandbaar, n.e.g.

10. Halogeenhoudende stoffen, bijtend:

a) 1182 ethylchloorformiaat,

1238 methylchloorformiaat,

1695 chlooraceton, gestabiliseerd,

2407 isopropylchloorformiaat,

2438 trimethylacetylchloride (pivaloylchloride).

B. Organische stoffen met een vlampunt van 23 °C of hoger of niet brandbare organische stoffen

Opmerking: Als pesticide dienende organische stoffen en preparaten zijn stoffen van de cijfers 71 t/m 73.

11. Stikstofhoudende stoffen met een vlampunt van 23 °C t/m 61 °C:

a) 3275 nitrilen, giftig, brandbaar, n.e.g.;

b) 1. 3073 vinylpyridinen, gestabiliseerd,

2. 2668 chlooracetonitril,

3275 nitrilen, giftig, brandbaar, n.e.g.

12. Stikstofhoudende stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C:

a) 1541 acetoncyaanhydrine, gestabiliseerd,

3276 nitrilen, giftig, n.e.g.;

b) 1547 aniline,

1577 chloordinitrobenzenen,

1578 chloornitrobenzenen,

1590 dichlooranilinen,

1596 dinitroanilinen,

1597 dinitrobenzenen,

1598 dinitro-o-cresol,

1599 dinitrofenol, oplossing,

1650 beta-naftylamine,

1652 naftylureum,

1661 nitroanilinen (o-, m-, p-),

1662 nitrobenzeen,

1664 nitrotoluenen (o-, m-, p-),

1665 nitroxylenen (o-, m-, p-),

1708 toluidinen,

1711 xylidinen,

1843 ammoniumdinitro-o-cresolaat,

1885 benzidine,

2018 chlooranilinen, vast,

2019 chlooranilinen, vloeibaar,

2038 dinitrotoluenen,

2224 benzonitril,

2253 N,N-dimethylaniline,

2306 nitrobenzotrifluoriden,

2307 3-nitro-4-chloorbenzotrifluoride,

2522 2-dimethylaminoethylmethacrylaat,

2542 tributylamine,

2572 fenylhydrazine,

2647 malonitril,

2671 aminopyridinen (o-, m-, p-),

2673 2-amino-4-chloorfenol,

2690 N,n-butylimidazool,

2738 N-butylaniline,

2754 N-ethyltoluidinen,

2822 2-chloorpyridine,

3302 2-dimethylaminoethylacrylaat,

3276 nitrilen, giftig, n.e.g.;

c) 1548 anilinehydrochloride,

1599 dinitrofenol, oplossing,

1663 nitrofenolen (o-, m-, p-),

1673 fenyleendiaminen (o-, m-, p-),

1709 2,4-tolueendiamine,

2074 acrylamide,

2077 alfa-naftylamine,

2205 adiponitril,

2272 N-ethylaniline,

2273 2-ethylaniline,

2274 N-ethyl-N-benzylaniline,

2294 N-methylaniline,

2300 2-methyl-5-ethylpyridine,

2311 fenetidinen,

2431 anisidinen,

2432 N,N-diethylaniline,

2446 nitrocresolen,

2470 fenylacetonitril, vloeibaar (benzylcyanide),

2512 aminofenolen (o-, m-, p-),

2651 4,4'-diaminodifenylmethaan,

2656 chinoline,

2660 mononitrotoluidinen,

2666 ethylcyaanacetaat,

2713 acridine,

2730 nitroanisol,

2732 nitrobroombenzeen,

2753 N-ethylbenzyltoluidinen,

2873 dibutylaminoethanol,

2941 fluoranilinen,

2942 2-trifluormethylaniline,

2946 2-amino-5-diethylaminopentaan,

3276 nitrilen, giftig, n.e.g.

Opmerking: Isocyanaten met een vlampunt hoger dan 61 °C zijn stoffen van cijfer 19.

13. Zuurstofhoudende stoffen met een vlampunt van 23 °C t/m 61 °C:

a) 2521 diketeen, gestabiliseerd;

b) 1199 furaldehyden (furfural).

14. Zuurstofhoudende stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C:

b) 1594 diethylsulfaat,

1671 fenol, vast,

2261 xylenolen,

2587 benzochinon,

2669 chloorcresolen,

2821 fenol, oplossing,

2839 aldol (3-hydroxybutyraldehyde);

c) 2525 ethyloxalaat,

2609 triallylboraat,

2662 hydrochinon,

2716 butyndiol-1,4,

2821 fenol, oplossing,

2874 furfurylalcohol,

2876 resorcinol,

2937 alfa-methylbenzylalcohol.

15. Halogeenhoudende koolwaterstoffen:

a) 1605 ethyleendibromide (1,2-dibroomethaan),

1647 methylbromide en ethyleendibromide, mengsel, vloeibaar,

2644 methyljodide,

2646 hexachloorcyclopentadieen;

b) 1669 pentachloorethaan,

1701 xylylbromide,

1702 1,1,2,2-tetrachloorethaan (acetyleentetrachloride),

1846 tetrachloorkoolstof,

1886 benzylideenchloride,

1891 ethylbromide,

2322 trichloorbuteen,

2653 benzyljodide;

c) 1591 o-dichloorbenzeen,

1593 dichloormethaan (methyleenchloride),

1710 trichloorethyleen,

1887 broomchloormethaan,

1888 chloroform,

1897 tetrachloorethyleen (perchloorethyleen),

2279 hexachloorbutadieen,

2321 trichloorbenzenen, vloeibaar,

2504 tetrabroomethaan (acetyleentetrabromide),

2515 bromoform,

2516 tetrabroomkoolstof,

2664 dibroommethaan,

2688 1-broom-3-chloorpropaan,

2729 hexachloorbenzeen,

2831 1,1,1-trichloorethaan,

2872 dibroomchloorpropanen.

Opmerking: 1912 Mengsel van methylchloride en dichloormethaan is een stof van klasse 2 (zie rn. 201, cijfer 2 F).

16. Andere halogeenhoudende stoffen met een vlampunt van 23 °C t/m 61 °C:

a) 1135 ethyleenchloorhydrine (2-chloorethanol),

2295 methylchlooracetaat,

2558 epibroomhydrine;

b) 1181 ethylchlooracetaat,

1569 broomaceton,

1603 ethylbroomacetaat,

1916 2,2'-dichloordiethylether,

2023 epichloorhydrine,

2589 vinylchlooracetaat,

2611 1-chloorpropanol-2.

17. Andere halogeenhoudende stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C:

a) 1580 chloorpikrine,

1670 perchloormethylmercaptaan,

1672 fenylcarbylaminechloride,

1694 broombenzylcyanide,

2232 2-chloorethanal (chlooraceetaldehyde),

2628 kaliumfluoracetaat,

2629 natriumfluoracetaat,

2642 fluorazijnzuur,

1583 chloorpikrine, mengsel, n.e.g.;

Opmerking: 1581 Mengsel van chloorpikrine en methylbromide en 1582 mengsel van chloorpikrine en methylchloride zijn stoffen van klasse 2 (zie rn. 201, cijfer 2 T).

b) 1697 chlooracetofenon (fenacylchloride),

2075 chloraal, watervrij, gestabiliseerd,

2490 dichloorisopropylether,

2552 hexafluoraceton-hydraat,

2567 natriumpentachloorfenolaat,

2643 methylbroomacetaat,

2645 fenacylbromide (omega-broomacetofenon),

2648 1,2-dibroombutanon-3,

2649 1,3-dichlooraceton,

2650 1,1-dichloor-1-nitroethaan,

2750 1,3-dichloorpropanol-2 (alfa-dichloorhydrine),

2948 3-trifluormethylaniline

3155 pentachloorfenol,

1583 chloorpikrine, mengsel, n.e.g.;

c) 1579 4-chloor-o-toluidine-hydrochloride,

2020 chloorfenolen, vast,

2021 chloorfenolen, vloeibaar,

2233 chlooranisidinen,

2235 chloorbenzylchloriden,

2237 chloornitroanilinen,

2239 chloortoluidinen,

2299 methyldichlooracetaat,

2433 chloornitrotoluenen,

2533 methyltrichlooracetaat,

2659 natriumchlooracetaat,

2661 hexachlooraceton,

2689 glycerol-alfa-monochloorhydrine,

2747 tert-butylcyclohexylchloorformiaat,

2849 3-chloorpropanol-1,

2875 hexachlorofeen,

1583 chloorpikrine, mengsel, n.e.g.

18. Isocyanaten met een vlampunt van 23 °C t/m 61 °C:

a) 2487 fenylisocyanaat,

2488 cyclohexylisocyanaat;

b) 2285 isocyanatobenzotrifluoriden,

3080 isocyanaten, giftig, brandbaar, n.e.g. of

3080 isocyanaat, oplossing, giftig, brandbaar, n.e.g.

Opmerking: Oplossingen van deze isocyanaten met een vlampunt lager dan 23 °C zijn stoffen van klasse 3 [zie rn. 301, cijfer 14b)].

19. Isocyanaten met een vlampunt hoger dan 61 °C:

b) 2078 2,4-tolueendiisocyanaat en mengsels van isomeren,

2236 3-chloor-4-methylfenylisocyanaat,

2250 dichloorfenylisocyanaten,

2281 hexamethyleendiisocyanaat,

2206 isocyanaten, giftig, n.e.g. of

2206 isocyanaat, oplossing, giftig, n.e.g.;

Opmerkingen: 1. Oplossingen van deze isocyanaten met een vlampunt lager dan 23 °C zijn stoffen van klasse 3 (zie rn. 301, cijfer 14).

2. Oplossingen van deze isocyanaten met een vlampunt van 23 °C t/m 61 °C zijn stoffen van cijfer 18b).

c) 2290 isoforondiisocyanaat,(3-isocyanatomethyl-3,5,5-trimethylcyclohexylisocyanaat),

2328 trimethylhexamethyleendiisocyanaat en mengsels van isomeren,

2206 isocyanaten, giftig, n.e.g. of

2206 isocyanaat, oplossing, giftig, n.e.g.

20. Zwavelhoudende stoffen met een vlampunt van 23 °C t/m 61 °C:

a) 2337 fenylmercaptaan (thiofenol),

2477 methylisothiocyanaat,

3023 2-methyl-2-heptaanthiol;

b) 1545 allylisothiocyanaat, gestabiliseerd,

3071 mercaptanen, vloeibaar, giftig, brandbaar, n.e.g. of

3071 mercaptanen, mengsels, vloeibaar, giftig, brandbaar, n.e.g.

21. Zwavelhoudende stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C:

b) 1651 naftylthioureum,

2474 thiofosgeen,

2936 thiomelkzuur,

2966 thioglycol (mercaptoethanol);

c) 2785 4-thiapentanal (3-methylmercaptopropionaldehyde).

22. Fosforhoudende stoffen met een vlampunt van 23 °C t/m 61 °C:

a) 3279 organische fosforverbinding, giftig, brandbaar, n.e.g.;

b) 3279 organische fosforverbinding, giftig, brandbaar, n.e.g.

23. Fosforhoudende stoffen met een vlampunt hoger dan 61 °C:

a) 3278 organische fosforverbinding, giftig, n.e.g.;

b) 1611 hexaethyltetrafosfaat,

1704 tetraethyldithiopyrofosfaat,

2501 tris-(1-aziridinyl)-fosfineoxide, oplossing,

2574 tricresylfosfaat met meer dan 3 % van het ortho-isomeer,

3278 organische fosforverbinding, giftig, n.e.g.;

c) 2501 tris-(1-aziridinyl)-fosfineoxide, oplossing,

3278 organische fosforverbinding, giftig, n.e.g.

24. Organische giftige stoffen, die in gesmolten toestand worden vervoerd:

b) 1. 1600 dinitrotoluenen, gesmolten,

2312 fenol, gesmolten;

2. 3250 chloorazijnzuur, gesmolten.

25. Organische stoffen en voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten, alsmede oplossingen en mengsels van organische stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 1601 desinfectiemiddel, vast, giftig, n.e.g.,

1602 kleurstof, vloeibaar, giftig, n.e.g. of

1602 tussenproduct voor kleurstof, vloeibaar, giftig, n.e.g.,

1693 traangasingrediënt, vloeibaar of vast, n.e.g.,

3142 desinfectiemiddel, vloeibaar, giftig, n.e.g.,

3143 kleurstof, vast, giftig, n.e.g. of

3143 tussenproduct voor kleurstof, vast, giftig, n.e.g.,

2810 giftige organische vloeistof, n.e.g.,

2811 giftige organische vaste stof, n.e.g.;

Opmerking: 2,3,7,8-Tetrachloordibenzo-1,4-dioxine (TCDD) is in concentraties, die volgens de criteria van rn. 600 (3) als zeer giftig beschouwd worden, niet ten vervoer toegelaten.

b) 2016 munitie, giftig, niet ontplofbaar, zonder verspreidingslading of uitstootlading en zonder ontsteker,

1601 desinfectiemiddel, vast, giftig, n.e.g.,

1602 kleurstof, vloeibaar, giftig, n.e.g. of

1602 tussenproduct voor kleurstof, vloeibaar, giftig, n.e.g.,

1693 traangasingrediënt, vloeibaar of vast, n.e.g.,

3142 desinfectiemiddel, vloeibaar, giftig, n.e.g.,

3143 kleurstof, vast, giftig, n.e.g. of

3143 tussenproduct voor kleurstof, vast, giftig, n.e.g.,

2810 giftige organische vloeistof, n.e.g.,

2811 giftige organische vaste stof, n.e.g.;

c) 2518 1,5,9-cyclododecatrieen,

2667 butyltoluenen,

1601 desinfectiemiddel, vast, giftig, n.e.g.

1602 kleurstof, vloeibaar, giftig, n.e.g., of

1602 tussenproduct voor kleurstof, vloeibaar, giftig, n.e.g.,

3142 desinfectiemiddel, vloeibaar, giftig, n.e.g.,

3143 kleurstof, vast, giftig, n.e.g., of

3143 tussenproduct voor kleurstof, vast, giftig, n.e.g.,

2810 giftige organische vloeistof, n.e.g.,

2811 giftige organische vaste stof, n.e.g.

26. Organische giftige brandbare stoffen, en voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten, alsmede oplossingen en mengsels van organische giftige brandbare stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 1. 2929 giftige organische vloeistof, brandbaar, n.e.g.;

2. 2930 giftige organische vaste stof, brandbaar, n.e.g.

Opmerking: Dichloormethylether, symmetrisch (identificatienummer 2249) is niet ten vervoer toegelaten.

b) 1. 2929 giftige organische vloeistof, brandbaar, n.e.g.;

2. 1700 traangaskaarsen,

2930 giftige organische vaste stof, brandbaar, n.e.g.

27. Organische giftige bijtende stoffen en voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten, alsmede oplossingen en mengsels van organische giftige bijtende stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen):

a) 1595 dimethylsulfaat,

1752 chlooracetylchloride,

1889 cyaanbromide,

3246 methaansulfonylchloride,

2927 giftige organische vloeistof, bijtend, n.e.g.,

2928 giftige organische vaste stof, bijtend, n.e.g.;

b) 1737 benzylbromide,

1738 benzylchloride,

1750 chloorazijnzuur, oplossing,

1751 chloorazijnzuur, vast,

2017 munitie, traanverwekkend, niet ontplofbaar, zonder verspreidingslading of uitstootlading en zonder ontsteker,

2022 cresylzuur,

2076 cresolen (o-, m-, p-),

2267 dimethylthiofosforylchloride,

2745 chloormethylchloorformiaat,

2746 fenylchloorformiaat,

2748 2-ethylhexylchloorformiaat,

3277 chloorformiaten, giftig, bijtend, n.e.g.,

2927 giftige organische vloeistof, bijtend, n.e.g.,

2928 giftige organische vaste stof, bijtend, n.e.g.

Opmerking: Chloorformiaten met overwegend bijtende eigenschappen zijn stoffen van klasse 8 (zie rn. 801, cijfer 64).

28. Chloorformiaten, giftig, bijtend, brandbaar:

a) 1722 allylchloorformiaat,

2740 n-propylchloorformiaat;

b) 2743 n-butylchloorformiaat,

2744 cyclobutylchloorformiaat,

2742 chloorformiaten, giftig, bijtend, brandbaar, n.e.g.

Opmerking: Chloorformiaten met overwegend bijtende eigenschappen zijn stoffen van klasse 8 (zie rn. 801, cijfer 64)

C. Metaalorganische verbindingen en carbonylen

Opmerkingen: 1. Giftige metaalorganische verbindingen, dienend als pesticide, zijn stoffen van de cijfers 71 t/m 73.

2. Voor zelfontbranding vatbare metaalorganische verbindingen zijn stoffen van klasse 4.2 (zie rn. 431, cijfer 31 t/m 33).

3. Metaalorganische verbindingen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 (zie rn. 471, cijfer 3).

31. Organische loodverbindingen:

a) 1649 antiklopmiddel voor motorbrandstof (tetraethyllood, tetramethyllood).

32. Organische tinverbindingen:

a) 2788 organische tinverbinding, vloeibaar, n.e.g.,

3146 organische tinverbinding, vast, n.e.g.;

b) 2788 organische tinverbinding, vloeibaar, n.e.g.,

3146 organische tinverbinding, vast, n.e.g.;

c) 2788 organische tinverbinding, vloeibaar, n.e.g.,

3146 organische tinverbinding, vast, n.e.g.

33. Organische kwikverbindingen:

a) 2026 fenylkwikverbinding, n.e.g.;

b) 1674 fenylkwikacetaat,

1894 fenylkwikhydroxide,

1895 fenylkwiknitraat,

2026 fenylkwikverbinding, n.e.g.;

c) 2026 fenylkwikverbinding, n.e.g.

34. Organische arseenverbindingen:

a) 1698 difenylaminochloorarsine,

1699 difenylchloorarsine,

1892 ethyldichloorarsine,

3280 organische arseenverbinding, n.e.g.;

b) 3280 organische arseenverbinding, n.e.g.;

c) 2473 natriumarsanilaat,

3280 organische arseenverbinding, n.e.g.

35. Andere metaalorganische verbindingen:

a) 3282 metaalorganische verbinding, giftig, n.e.g.;

b) 3282 metaalorganische verbinding, giftig, n.e.g.;

c) 3282 metaalorganische verbinding, giftig, n.e.g.

36. Carbonylen:

a) 3281 metaalcarbonylen, n.e.g.;

b) 3281 metaalcarbonylen, n.e.g.;

c) 3281 metaalcarbonylen, n.e.g.

D. Anorganische stoffen die in contact met water (of vochtige lucht), waterige oplossingen of zuren, giftige gassen kunnen ontwikkelen, en andere giftige stoffen, die met water reactief zijn

41. Anorganische cyaniden:

a) 1565 bariumcyanide,

1575 calciumcyanide,

1626 kalium-kwikcyanide,

1680 kaliumcyanide,

1689 natriumcyanide,

1713 zinkcyanide,

2316 natriumkoper(I)cyanide, vast,

2317 natriumkoper(I)cyanide, oplossing,

1588 cyaniden, anorganisch, vast, n.e.g.,

1935 cyanide, oplossing, n.e.g.;

b) 1587 kopercyanide,

1620 loodcyanide,

1636 kwikcyanide,

1642 kwikoxycyanide, geflegmatiseerd,

1653 nikkelcyanide,

1679 kaliumkoper(I)cyanide,

1684 zilvercyanide,

1588 cyaniden, anorganisch, vast, n.e.g.,

1935 cyanide, oplossing, n.e.g.;

c) 1588 cyaniden, anorganisch, vast, n.e.g.,

1935 cyanide, oplossing, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Alkali- en ammonium-thiocyanaten (rhodaniden), ferricyaniden en ferrocyaniden zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

2. Oplossingen van anorganische cyaniden met een totaal gehalte aan cyanide-ionen van meer dan 30 % moeten worden ingedeeld in groep a), met een totaal gehalte aan cyanide-ionen van meer dan 3 % en ten hoogste 30 % moeten worden ingedeeld in groep b) en met een totaal gehalte aan cyanide-ionen van meer dan 0,3 % en ten hoogste 3 % moeten worden ingedeeld in groep c).

42. Aziden:

b) 1687 natriumazide.

Opmerkingen: 1. 1571 Bariumazide, bevochtigd, is een stof van klasse 4.1 (zie rn. 401, cijfer 25).

2. Bariumazide in droge toestand of met minder dan 50 % water of alcoholen is niet ten vervoer toegelaten.

43. Preparaten van fosfiden met toevoegingen, die de ontwikkeling van brandbare giftige gassen vertragen:

a) 3048 aluminiumfosfide, pesticide.

Opmerkingen: 1. Deze preparaten zijn slechts ten vervoer toegelaten, indien zij toevoegingen bevatten, die de ontwikkeling van brandbare giftige gassen vertragen.

2. 1397 Aluminiumfosfide, 2011 magnesiumfosfide, 1714 zinkfosfide, 1432 natriumfosfide, 1360 calciumfosfide en 2013 strontiumfosfide zijn stoffen van klasse 4.3 (zie rn. 471, cijfer 18).

44. Andere giftige stoffen, die met water reactief zijn:

a) 3123 giftige vloeistof, reactief met water, n.e.g.,

3125 giftige vaste stof, reactief met water, n.e.g.;

b) 3123 giftige vloeistof, reactief met water, n.e.g.,

3125 giftige vaste stof, reactief met water, n.e.g.

Opmerking: De uitdrukking "reactief met water" duidt op een stof die in contact met water brandbare gassen ontwikkelt.

E. Andere anorganische stoffen en metaalzouten van organische stoffen

51. Arseen en arseenverbindingen:

a) 1553 arseenzuur, vloeibaar,

1560 arseentrichloride,

1556 arseenverbinding, vloeibaar, n.e.g., anorganisch (arsenaten, arsenieten en arseensulfiden),

1557 arseenverbinding, vast, n.e.g., anorganisch (arsenaten, arsenieten en arseensulfiden);

b) 1546 ammoniumarsenaat,

1554 arseenzuur, vast,

1555 arseenbromide,

1558 arseen,

1559 arseenpentoxide,

1561 arseentrioxide,

1562 arseenstof,

1572 kakodylzuur,

1573 calciumarsenaat,

1574 calciumarsenaat en calciumarseniet, mengsel, vast,

1585 koperacetoarseniet,

1586 koperarseniet,

1606 ijzer(III)arsenaat,

1607 ijzer(III)arseniet,

1608 ijzer(II)arsenaat,

1617 loodarsenaten,

1618 loodarsenieten,

1621 London Purple,

1622 magnesiumarsenaat,

1623 kwik(II)arsenaat,

1677 kaliumarsenaat,

1678 kaliumarseniet,

1683 zilverarseniet,

1685 natriumarsenaat,

1686 natriumarseniet, oplossing in water,

1688 natriumkakodylaat,

1691 strontiumarseniet,

1712 zinkarsenaat of

1712 zinkarseniet of

1712 zinkarsenaat en zinkarseniet, mengsel,

2027 natriumarseniet, vast,

1556 arseenverbinding, vloeibaar, n.e.g., anorganisch (arsenaten, arsenieten en arseensulfiden),

1557 arseenverbinding, vast, n.e.g., anorganisch (arsenaten, arsenieten en arseensulfiden);

c) 1686 natriumarseniet, oplossing in water,

1556 arseenverbinding, vloeibaar, n.e.g., anorganisch (arsenaten, arsenieten, en arseensulfiden),

1557 arseenverbinding, vast, n.e.g., anorganisch (arsenaten, arsenieten, en arseensulfiden).

Opmerking: Arseenhoudende stoffen en preparaten, dienend als pesticide, zijn stoffen van cijfer 71 t/m 73.

52. Kwikverbindingen:

a) 2024 kwikverbinding, vloeibaar, n.e.g.,

2025 kwikverbinding, vast, n.e.g.;

b) 1624 kwik(II)chloride,

1625 kwik(II)nitraat,

1627 kwik(I)nitraat,

1629 kwikacetaat,

1630 ammoniumkwikchloride,

1631 kwikbenzoaat,

1634 kwikbromiden,

1637 kwikgluconaat,

1638 kwikjodide,

1639 kwiknucleaat,

1640 kwikoleaat,

1641 kwikoxide,

1643 kalium-kwikjodide,

1644 kwiksalicylaat,

1645 kwik(II)sulfaat,

1646 kwikthiocyanaat,

2024 kwikverbinding, vloeibaar, n.e.g.,

2025 kwikverbinding, vast, n.e.g.;

c) 2024 kwikverbinding, vloeibaar, n.e.g.,

2025 kwikverbinding, vast, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Kwikhoudende stoffen en preparaten, dienend als pesticide, zijn stoffen van cijfer 71 t/m 73.

2. Kwik(I)chloride (calomel) is een stof van klasse 9 [zie rn. 901 cijfer 12c)]. Cinnaber is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

3. Kwikfulminaten zijn niet ten vervoer toegelaten.

53. Thalliumverbindingen:

b) 1707 thalliumverbinding, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Thalliumhoudende stoffen en preparaten, dienend als pesticide, zijn stoffen van cijfer 71 t/m 73.

2. 2727 Thalliumnitraat is een stof van cijfer 68.

54. Beryllium en berylliumverbindingen:

b) 1. 1567 berylliumpoeder,

2. 1566 berylliumverbinding, n.e.g.;

c) 1566 berylliumverbinding, n.e.g.

Opmerking: 2464 Berylliumnitraat is een stof van klasse 5.1 [zie rn. 501, cijfer 29b)].

55. Seleen en seleenverbindingen:

a) 2630 selenaten of

2630 selenieten,

3283 seleenverbinding, n.e.g.;

b) 2657 seleendisulfide,

3283 seleenverbinding, n.e.g.;

c) 3283 seleenverbinding, n.e.g.

Opmerking: 1905 Seleenzuur is een stof van klasse 8 [zie rn. 801, cijfer 16a)].

56. Osmiumverbindingen:

a) 2471 osmiumtetroxide.

57. Telluurverbindingen:

b) 3284 telluurverbinding, n.e.g.;

c) 3284 telluurverbinding, n.e.g.

58. Vanadiumverbindingen:

b) 2859 ammoniummetavanadaat,

2861 ammoniumpolyvanadaat,

2862 vanadiumpentoxide, niet omgesmolten,

2863 natriumammoniumvanadaat,

2864 kaliummetavanadaat,

2931 vanadylsulfaat,

3285 vanadiumverbinding, n.e.g.;

c) 3285 vanadiumverbinding, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 2443 Vanadiumoxytrichloride, 2444 vanadiumtetrachloride en 2475 vanadiumtrichloride zijn stoffen van klasse 8 (zie rn. 801, cijfer 11 en 12).

2. Vanadiumpentoxide, gesmolten en gestold, is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

59. Antimoonverbindingen:

c) 1550 antimoonlactaat,

1551 antimoon-kaliumtartraat,

2871 antimoonpoeder,

1549 anorganische antimoonverbinding, vast, n.e.g.,

3141 anorganische antimoonverbinding, vloeibaar, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 1730 Antimoonpentachloride, vloeibaar, 1731 antimoonpentachloride, oplossing, 1733 antimoontrichloride en 1732 antimoonpentafluoride zijn stoffen van klasse 8 (zie rn. 801, cijfer 10, 11 en 12).

2. Antimoonoxiden, alsmede stibniet (antimoonglans), met een arseen-gehalte van niet meer dan 0,5 %, betrokken op de totale massa, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

60. Bariumverbindingen:

b) 1564 bariumverbinding, n.e.g.;

c) 1884 bariumoxide,

1564 bariumverbinding, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 1445 Bariumchloraat, 1446 bariumnitraat, 1447 bariumperchloraat, 1448 bariumpermanganaat en 1449 bariumperoxide zijn stoffen van klasse 5.1 (zie rn. 501, cijfer 29).

2. 1571 Bariumazide, bevochtigd, is een stof van klasse 4.1 (zie rn. 401, cijfer 25).

3. Bariumsulfaat, bariumtitanaat en bariumstearaat zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

61. Cadmiumverbindingen:

a) 2570 cadmiumverbinding;

b) 2570 cadmiumverbinding;

c) 2570 cadmiumverbinding.

Opmerking: Cadmiumpigmenten, zoals cadmiumsulfiden, cadmiumsulfoseleniden en cadmiumzouten van hogere vetzuren (zoals cadmiumstearaat) zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

62. Loodverbindingen:

c) 1616 loodacetaat,

2291 loodverbinding, oplosbaar, n.e.g.

Opmerkingen: 1. 1469 Loodnitraat en 1470 loodperchloraat zijn stoffen van klasse 5.1 (zie rn. 501, cijfer 29).

2. Loodzouten en loodpigmenten, die slechts tot ten hoogste 5 % oplosbaar zijn indien ze gedurende één uur bij een temperatuur van 23 °C ± 2 °C in een mengverhouding van 1:1 000 met 0,07M-zoutzuur geroerd worden, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

63. Wateroplosbare fluoriden:

c) 1690 natriumfluoride,

1812 kaliumfluoride,

2505 ammoniumfluoride.

Opmerking: Bijtende fluoriden zijn stoffen van klasse 8 (zie rn. 801, cijfer 6 t/m 10).

64. Fluorosilicaten:

c) 2655 kaliumfluorosilicaat,

2674 natriumfluorosilicaat,

2853 magnesiumfluorosilicaat,

2854 ammoniumfluorosilicaat,

2855 zinkfluorosilicaat,

2856 fluorosilicaten, n.e.g.

65. Anorganische stoffen, alsmede oplossingen en mengsels van anorganische stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 3287 giftige anorganische vloeistof, n.e.g.,

3288 giftige anorganische vaste stof, n.e.g.;

b) 3243 vaste stoffen die giftige vloeistof bevatten, n.e.g.,

3287 giftige anorganische vloeistof, n.e.g.,

3288 giftige anorganische vaste stof, n.e.g.

Opmerking: Mengsels van vaste stoffen, die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, met giftige vloeistoffen, mogen worden vervoerd onder identificatienummer 3243, zonder dat eerst de indelingscriteria van rn. 600 (3) worden toegepast, onder voorwaarde dat geen overtollige vloeistof zichtbaar is op het moment van het laden van de stof of van het sluiten van de verpakking of van de wagen. Elke verpakking moet overeenkomen met een constructietype dat met goed gevolg de dichtheidsproef voor verpakkingsgroep II heeft doorstaan. Dit identificatienummer mag niet worden gebruikt voor vaste stoffen, die een vloeistof van groep a) bevatten.

c) 3293 hydrazine, oplossing in water, met ten hoogste 37 massa-% hydrazine

3287 giftige anorganische vloeistof, n.e.g.,

3288 giftige anorganische vaste stof, n.e.g.

Opmerking: 2030 Hydrazinehydraat en 2030 hydrazine, oplossing in water, met ten minste 37 massa-% en ten hoogste 64 massa-% hydrazine zijn stoffen van klasse 8 [zie rn. 801, cijfer 44b)].

66. Giftige stoffen, voor zelfverhitting vatbaar:

a) 3124 giftige vaste stof, voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.;

b) 3124 giftige vaste stof, voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.

67. Giftige stoffen, bijtend:

a) 1809 fosfortrichloride,

3289 giftige anorganische vloeistof, bijtend, n.e.g.,

3290 giftige anorganische vaste stof, bijtend, n.e.g.;

b) 3289 giftige anorganische vloeistof, bijtend, n.e.g.,

3290 giftige anorganische vaste stof, bijtend, n.e.g.

68. Giftige stoffen, oxiderend:

a) 3086 giftige vaste stof, oxiderend, n.e.g.,

3122 giftige vloeistof, oxiderend, n.e.g.;

b) 2727 thalliumnitraat,

3086 giftige vaste stof, oxiderend, n.e.g.,

3122 giftige vloeistof, oxiderend, n.e.g.

F. Pesticiden (bestrijdingsmiddelen)

71. Pesticiden, vloeibaar, giftig

72. Pesticiden, vloeibaar, giftig, brandbaar

73. Pesticiden, vast, giftig

Onder deze cijfers moeten de pesticiden volgens de criteria van rn. 600 (3) als volgt in de groepen a), b) of c) worden ingedeeld:

a) zeer giftige stoffen en preparaten,

b) giftige stoffen en preparaten,

c) zwak giftige stoffen en preparaten.

Opmerkingen: 1. Brandbare vloeistoffen en vloeibare preparaten die gebruikt worden als pesticide, en die zeer giftig, giftig of zwak giftig zijn, met een vlampunt lager dan 23 °C, zijn stoffen van klasse 3 (zie rn. 301, cijfer 41).

2. a) Voorwerpen die met pesticiden van de cijfers 71 t/m 73 zijn geïmpregneerd, zoals kartonnen borden, stroken papier, bollen watten, kunststof platen etc., in hermetisch gesloten (luchtdichte) omhulsels, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

b) Stoffen, zoals lokaas of zaadgoed, die met pesticiden van de cijfers 71 t/m 73, of met andere stoffen van klasse 6.1 zijn geïmpregneerd, moeten overeenkomstig hun giftigheid worden ingedeeld [zie rn. 600 (3)].

71. Pesticiden, vloeibaar, giftig

2992 pesticide (), carbamaat, vloeibaar, giftig

2994 pesticide (), arseenverbinding, vloeibaar, giftig

2996 pesticide (), organische chloorverbinding, vloeibaar, giftig

2998 pesticide (), triazineverbinding, vloeibaar, giftig

3000 pesticide (), fenoxyverbinding, vloeibaar, giftig

3002 pesticide (), fenylureumverbinding, vloeibaar, giftig

3004 pesticide (), benzoëzuurverbinding, vloeibaar, giftig

3006 pesticide (), dithiocarbamaat, vloeibaar, giftig

3008 pesticide (), ftaalimideverbinding, vloeibaar, giftig

3010 pesticide (), koperverbinding, vloeibaar, giftig

3012 pesticide (), kwikverbinding, vloeibaar, giftig

3014 pesticide (), met gesubstitueerd nitrofenol, vloeibaar, giftig

3016 pesticide (), bipyridiliumverbinding, vloeibaar, giftig

3018 pesticide (), organische fosforverbinding, vloeibaar, giftig

3020 pesticide (), organische tinverbinding, vloeibaar, giftig

3026 pesticide (), cumarineverbinding, vloeibaar, giftig

2902 pesticide (), vloeibaar, giftig, n.e.g.

72. Pesticiden, vloeibaar, giftig, brandbaar

2991 pesticide (), carbamaat, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

2993 pesticide (), arseenverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

2995 pesticide (), organische chloorverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

2997 pesticide (), triazineverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

2999 pesticide (), fenoxyverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

3001 pesticide (), fenylureumverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

3003 pesticide (), benzoëzuurverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

3005 pesticide (), dithiocarbamaat, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

3007 pesticide (), ftaalimideverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

3009 pesticide (), koperverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

3011 pesticide (), kwikverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

3013 pesticide (), met gesubstitueerd nitrofenol, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

3015 pesticide (), bipyridiliumverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

3017 pesticide (), organische fosforverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

3019 pesticide (), organische tinverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

3025 pesticide (), cumarineverbinding, vloeibaar, giftig, brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

2903 pesticide (), vloeibaar, giftig, n.e.g., brandbaar, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C

73. Pesticiden, vast, giftig

2757 pesticide (), carbamaat, vast, giftig

2759 pesticide (), arseenverbinding, vast, giftig

2761 pesticide (), organische chloorverbinding, vast, giftig

2763 pesticide (), triazineverbinding, vast, giftig

2765 pesticide (), fenoxyverbinding, vast, giftig

2767 pesticide (), fenylureumverbinding, vast, giftig

2769 pesticide (), benzoëzuurverbinding, vast, giftig

2771 pesticide (), dithiocarbamaat, vast, giftig

2773 pesticide (), ftaalimideverbinding, vast, giftig

2775 pesticide (), koperverbinding, vast, giftig

2777 pesticide (), kwikverbinding, vast, giftig

2779 pesticide (), met gesubstitueerd nitrofenol, vast, giftig

2781 pesticide (), bipyridiliumverbinding, vast, giftig

2783 pesticide (), organische fosforverbinding, vast, giftig

2786 pesticide (), organische tinverbinding, vast, giftig

3027 pesticide (), cumarineverbinding, vast, giftig

2588 pesticide (), vast, giftig, n.e.g.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

G. Werkzame stoffen zoals die, welke bestemd zijn voor laboratoria en experimenten alsmede voor de fabricage van farmaceutische producten, voor zover zij niet onder andere cijfers van deze klasse opgesomd zijn

90. Werkzame stoffen, zoals:

a) 1570 brucine,

1692 strychnine of

1692 strychninezouten,

3315 monster van chemische stof, giftig, vloeibaar of vast,

1544 alkaloïden, vast, n.e.g. of

1544 alkaloïdezouten, vast, n.e.g.,

1655 nicotineverbinding, vast, n.e.g. of

1655 nicotinepreparaat, vast, n.e.g.,

3140 alkaloïden, vloeibaar, n.e.g. of

3140 alkaloïdezouten, vloeibaar, n.e.g.,

3144 nicotineverbinding, vloeibaar, n.e.g. of

3144 nicotinepreparaat, vloeibaar, n.e.g.,

3172 toxinen, gewonnen uit levende organismen, n.e.g.;

Opmerking: De positie "3315 monster van chemische stof, giftig, vloeibaar of vast" mag slechts worden gebruikt voor monsters van chemische stoffen, die voor analysedoeleinden zijn genomen in verband met de toepassing van de Overeenkomst inzake het verbod van de ontwikkeling, fabricage, opslag en het gebruik van chemische wapens en de vernietiging daarvan. Het vervoer van stoffen, die onder deze positie vallen, moet geschieden overeenkomstig de keten van procedures voor de bescherming en de veiligheid, die door de Organisatie voor het verbod op chemische wapens is vastgesteld. Het monster van de chemische stof mag pas worden vervoerd, nadat de bevoegde autoriteit of de Directeur-generaal van de Organisatie voor het verbod op chemische wapens goedkeuring heeft verleend.

b) 1654 nicotine,

1656 nicotinehydrochloride of

1656 nicotinehydrochloride, oplossing,

1657 nicotinesalicylaat,

1658 nicotinesulfaat, vast of

1658 nicotinesulfaat, oplossing,

1659 nicotinetartraat,

1544 alkaloïden, vast, n.e.g. of

1544 alkaloïdezouten, vast, n.e.g.,

1655 nicotineverbinding, vast, n.e.g. of

1655 nicotinepreparaat, vast, n.e.g.,

1851 medicament, vloeibaar, giftig, n.e.g.,

3140 alkaloïden, vloeibaar, n.e.g. of

3140 alkaloïdezouten, vloeibaar, n.e.g.,

3144 nicotineverbinding, vloeibaar, n.e.g. of

3144 nicotinepreparaat, vloeibaar, n.e.g.,

3172 toxinen, gewonnen uit levende organismen, n.e.g.,

3249 medicament, vast, giftig, n.e.g.;

c) 1544 alkaloïden, vast, n.e.g. of

1544 alkaloïdezouten, vast, n.e.g.,

1655 nicotineverbinding, vast, n.e.g. of

1655 nicotinepreparaat, vast, n.e.g.,

1851 medicament, vloeibaar, giftig, n.e.g.,

3140 alkaloïden, vloeibaar, n.e.g. of

3140 alkaloïdezouten, vloeibaar, n.e.g.,

3144 nicotineverbinding, vloeibaar, n.e.g. of

3144 nicotinepreparaat, vloeibaar, n.e.g.,

3172 toxinen, gewonnen uit levende organismen, n.e.g.,

3249 medicament, vast, giftig, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Werkzame stoffen, alsmede trituraties en mengsels van stoffen van cijfer 90 met andere stoffen moeten overeenkomstig hun giftigheid worden ingedeeld [zie rn. 600 (3)].

2. Farmaceutische producten, gereed voor gebruik, b.v. cosmetica en medicamenten, die zijn vervaardigd en verpakt in verpakkingen van een type bestemd voor de detailhandel of distributie, voor persoonlijk of huishoudelijk gebruik, die anders stoffen van cijfer 90 zouden zijn geweest, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

3. Stoffen en preparaten die alkaloïden of nicotine bevatten, dienend als pesticide, zijn stoffen van cijfer 71 t/m 73.

H. Lege verpakkingen

Opmerking: Lege verpakkingen, waarbij aan de buitenzijde nog resten van de voorgaande inhoud kleven, zijn niet ten vervoer toegelaten.

91. Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (lege IBC's), lege reservoirwagens en lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, die stoffen van klasse 6.1 hebben bevat.

Opmerking: Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (IBC's), die stoffen van deze klasse hebben bevat, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, indien geschikte maatregelen zijn genomen om mogelijke gevaren uit te sluiten. Deze gevaren zijn uitgesloten, indien maatregelen zijn genomen om de gevaren van de klassen 1 t/m 9 op te heffen.

601a Aan de voorschriften van hoofstuk 2 "Vervoersvoorwaarden" zijn - met uitzondering van de in lid (3) genoemde bepalingen - niet onderworpen:

(1) De stoffen die onder b) en c) vallen van de cijfers 11, 12, 14 t/m 28, 32 t/m 36, 41, 42, 44, 51 t/m 55, 57 t/m 68, 71 t/m 73 en 90, die onder de hierna genoemde voorwaarden worden vervoerd:

a) de stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen:

vloeistoffen in hoeveelheden tot 500 ml per binnenverpakking en tot 2 liter per collo;

vaste stoffen in hoeveelheden tot 1 kg per binnenverpakking en tot 4 kg per collo;

b) de stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen:

vloeistoffen in hoeveelheden tot 3 liter per binnenverpakking en tot 12 liter per collo;

vaste stoffen in hoeveelheden tot 6 kg per binnenverpakking en tot 24 kg per collo.

Deze hoeveelheden van de stoffen moeten in samengestelde verpakkingen worden vervoerd, die ten minste voldoen aan de voorschriften van rn. 1538.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7) zijn van toepassing.

(2) De stoffen, bedoeld in lid (1), in binnenverpakkingen van metaal of kunststof, die op trays met krimp- of rekfolie als buitenverpakking worden vervoerd, onder de volgende voorwaarden:

a) vaste stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen: tot 500 g per binnenverpakking en tot 4 kg per collo;

b) vloeistoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen: tot 100 ml per binnenverpakking en tot 2 liter per collo;

c) vaste stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen: tot 3 kg per binnenverpakking;

d) vloeistoffen, die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen: tot 1 liter per binnenverpakking en tot 12 liter per collo.

De totale massa van het collo mag in geen geval meer bedragen dan 20 kg.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7) zijn van toepassing.

(3) Bij vervoer overeenkomstig lid (1) en (2) moet de aanduiding van het goed in de vrachtbrief voldoen aan de voorschriften van rn. 614 en de woorden "gelimiteerde hoeveelheid" omvatten. Elk collo moet op duidelijke en duurzame wijze voorzien zijn van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

2. Vervoersvoorwaarden (De vervoersvoorwaarden voor lege verpakkingen zijn samengevat onder F.)

A. Colli 1

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

602 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel V, tenzij in hoofdstuk A.2 voor bepaalde stoffen bijzondere verpakkingsvoorschriften zijn opgenomen.

(2) IBC's moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel VI.

(3) Overeenkomstig het bepaalde in rn. 600 (3) en 1511 (2) of 1611 (2) moeten worden gebruikt:

voor zeer giftige stoffen, die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep I, gekenmerkt met de letter "X",

voor giftige stoffen, die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep II of I, gekenmerkt met de letter "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep II, gekenmerkt met de letter "Y",

voor zwak giftige stoffen, die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep III, II of I, gekenmerkt met de letter "Z", "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep III of II, gekenmerkt met de letter "Z" of "Y".

Opmerking: Voor het vervoer van stoffen van klasse 6.1 in reservoirwagens, zie Aanhangsel XI, in tankcontainers, zie Aanhangsel X. Voor het losgestort vervoer, zie rn. 616 en 617 (3).

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

603 (1) Cyaanwaterstof, gestabiliseerd, van cijfer 1 moet zijn verpakt:

a) wanneer het door een inerte poreuze massa volledig is geadsorbeerd: in stevige metalen houders met een inhoud van ten hoogste 7,5 liter, die op zodanige wijze in houten kisten zijn geplaatst, dat zij elkaar niet kunnen raken. Een dergelijke samengestelde verpakking moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

1. de houders moeten beproefd zijn met een druk van ten minste 0,6 MPa (6 bar) (overdruk);

2. de houders moeten volledig zijn gevuld met de poreuze massa, die niet mag inzakken of gevaarlijke lege ruimten vormen, zelfs na langdurig gebruik en bij schokken, zelfs bij temperaturen tot 50 °C. De datum van vulling moet op duurzame wijze op het deksel van elke houder zijn aangegeven;

3. de samengestelde verpakking moet volgens Aanhangsel V zijn beproefd en toegelaten voor verpakkingsgroep I. Een collo mag niet meer wegen dan 120 kg.

b) wanneer het zich in vloeibare toestand bevindt, doch niet is geadsorbeerd door een poreuze massa: in drukbestendige flessen van koolstofstaal, die moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:

1. de flessen moeten vóór ingebruikneming worden onderworpen aan een hydraulische proefpersing met een druk van ten minste 10 MPa (100 bar) (overdruk). De proefpersing moet om de twee jaar worden herhaald en moet samengaan met een nauwkeurige inspectie van het inwendige van de houder en een controle van de massa van de lege houder;

2. de flessen moeten voldoen aan de desbetreffende voorschriften van de klasse 2 [zie rn. 211 (1) t/m 213, 215 t/m 217 en 223];

3. de massa van de vulling mag niet meer bedragen dan 0,55 kg per liter inhoud.

(2) Oplossingen van cyaanwaterstof van cijfer 2 moeten zijn verpakt in dichtgesmolten glazen ampullen met een inhoud van ten hoogste 50 g of in dicht gesloten glazen flessen met een inhoud van ten hoogste 250 g.

De ampullen en de flessen moeten worden vervoerd in samengestelde verpakkingen, die moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) de ampullen en de flessen moeten door toevoeging van voor opvulling dienende, absorberende stoffen zijn vastgezet in dichte buitenverpakkingen van staal of van aluminium; een collo mag niet meer wegen dan 15 kg; of

b) de ampullen en de flessen moeten door toevoeging van voor opvulling dienende, absorberende stoffen zijn vastgezet in houten kisten met een dichte binnenbekleding van blik; een collo mag niet meer wegen dan 75 kg.

De onder a) en b) genoemde samengestelde verpakkingen moeten volgens Aanhangsel V zijn beproefd en toegelaten voor verpakkingsgroep I.

604 IJzerpentacarbonyl en nikkeltetracarbonyl van cijfer 3 moeten zijn verpakt:

(1) in naadloze flessen van zuiver aluminium met een inhoud van ten hoogste 1 liter en een wanddikte van ten minste 1 mm, die met een druk van ten minste 1 MPa (10 bar) (overdruk) moeten zijn beproefd. De flessen moeten met een metalen schroefstop en een inerte pakking worden gesloten, waarbij de schroefstop stevig moet zijn vastgedraaid in de hals van de fles en op zodanige wijze zijn vastgezet, dat deze onder normale vervoersomstandigheden niet kan losgaan.

Ten hoogste vier van dergelijke aluminium flessen mogen door toevoeging van voor opvulling dienende, niet brandbare, absorberende stoffen zijn vastgezet in een buitenverpakking van hout of van karton. Een dergelijke samengestelde verpakking moet overeenkomen met een constructietype, dat volgens Aanhangsel V is beproefd en toegelaten voor verpakkingsgroep I.

Een collo mag niet meer wegen dan 10 kg;

(2) in metalen houders, voorzien van volkomen dichte sluitingsinrichtingen, die zo nodig door beschermkappen tegen mechanische beschadiging moeten worden beschermd. Stalen houders met een inhoud van niet meer dan 150 liter moeten een wanddikte bezitten van ten minste 3 mm, grotere houders en houders van andere materialen een minimum wanddikte, die het daarmee overeenkomende mechanische weerstandsvermogen waarborgt. De inhoud van de houders mag ten hoogste 250 l bedragen. De massa van de vulling mag niet meer bedragen dan 1 kg per liter inhoud.

De houders moeten vóór ingebruikneming worden onderworpen aan een hydraulische proefpersing met een druk van ten minste 1 MPa (10 bar) (overdruk). De proefpersing moet om de vijf jaar worden herhaald en moet samengaan met een nauwkeurige inspectie van het inwendige van de houder en een controle van de massa van de lege houder. Metalen houders moeten goed leesbaar en duurzaam van de volgende merktekens zijn voorzien:

a) de onverkorte benaming van de stof (in geval van afwisselend gebruik mogen de twee stoffen ook beide zijn aangegeven),

b) de naam van de eigenaar van de houder,

c) de massa van de lege houder met inbegrip van de uitrustingsdelen, zoals afsluiters, beschermkappen, etc.,

d) de datum (maand, jaar) van de eerste beproeving en de laatst uitgevoerde beproeving, alsmede het waarmerk van de deskundige die de beproevingen heeft uitgevoerd,

e) de hoogst toegestane massa van de inhoud van de houder in kg,

f) de bij de hydraulische proefpersing toe te passen inwendige druk (beproevingsdruk).

605 (1) a) Ethyleenimine, gestabiliseerd, van cijfer 4 moet verpakt zijn in stalen houders met voldoende wanddikte, die met behulp van een ingedraaide stop of een opgeschroefde kap en geschikte pakkingconstructie gas- en vloeistofdicht zijn gesloten. De houders moeten vóór ingebruikneming en periodiek, steeds na ten hoogste 5 jaren, worden beproefd volgens het bepaalde in rn. 215 t/m 217 met een beproevingsdruk van ten minste 0,3 MPa (3 bar) (overdruk). Elke houder moet door toevoeging van voor opvulling dienende, absorberende stoffen zijn vastgezet in een stevige, dichte, beschermende verpakking van metaal. Deze beschermende verpakking moet hermetisch zijn gesloten en de sluiting ervan moet zodanig zijn gezekerd, dat deze niet onverwachts kan opengaan. De massa van de inhoud mag niet meer bedragen dan 0,67 kg per liter. Een collo mag niet meer wegen dan 75 kg. Voor zover zij niet als wagenlading worden verzonden, moeten colli die meer wegen dan 30 kg, van handvatten zijn voorzien.

b) Ethyleenimine, gestabiliseerd, van cijfer 4 mag bovendien verpakt zijn in stalen houders met voldoende wanddikte, die met behulp van een ingedraaide stop en een opgeschroefde kap of een gelijkwaardige inrichting gas- en vloeistofdicht zijn gesloten. De houders moeten vóór ingebruikneming en periodiek, steeds na ten hoogste 5 jaren, worden beproefd volgens het bepaalde in rn. 215 t/m 217 met een beproevingsdruk van ten minste 1 MPa (10 bar) (overdruk). De massa van de inhoud mag niet meer bedragen dan 0,67 kg per liter. Een collo mag niet meer wegen dan 75 kg.

c) De houders volgens a) en b) moeten goed leesbaar en duurzaam van de volgende merktekens zijn voorzien:

de naam of het merk van de fabrikant en het nummer van de houder;

de aanduiding "ethyleenimine";

de massa van de lege houder en de hoogste toegestane massa van de houder in gevulde toestand;

de datum (maand, jaar) van de eerste beproeving en de laatst uitgevoerde periodieke beproeving;

het waarmerk van de deskundige, die de beproevingen heeft uitgevoerd.

(2) Methylisocyanaat van cijfer 5 moet zijn verpakt:

a) in hermetisch gesloten houders van zuiver aluminium met een inhoud van ten hoogste 1 liter, die tot ten hoogste 90 % van de inhoud mogen zijn gevuld. Ten hoogste 10 van deze houders moeten met geschikte voor opvulling dienende stoffen in een houten kist zijn vastgezet. Een dergelijk collo moet voldoen aan de beproevingseisen voor samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538 voor verpakkingsgroep I, en het mag niet meer wegen dan 30 kg; of

b) in houders van zuiver aluminium met een wanddikte van ten minste 5 mm of van roestvast staal. De houders moeten volledig gelast zijn, en zij moeten vóór ingebruikneming en periodiek, steeds na ten hoogste 5 jaren, worden beproefd volgens het bepaalde in rn. 215 t/m 217 met een beproevingsdruk van ten minste 0,5 MPa (5 bar) (overdruk). Zij moeten dicht zijn gesloten door twee boven elkaar liggende sluitingen, waarvan één geschroefd of op gelijkwaardige wijze bevestigd moet zijn.

De vullingsgraad mag niet meer bedragen dan 90 %.

Vaten die meer wegen dan 100 kg, moeten van rolbanden of versterkingsringen zijn voorzien.

c) De houders volgens b) moeten goed leesbaar en duurzaam van de volgende merktekens zijn voorzien:

de naam of het merk van de fabrikant en het nummer van de houder;

de aanduiding "methylisocyanaat";

de massa van de lege houder en de hoogste toegestane massa van de houder in gevulde toestand;

de datum (maand, jaar) van de eerste beproeving en de laatst uitgevoerde periodieke beproeving;

het waarmerk van de deskundige, die de beproevingen heeft uitgevoerd.

606 (1) De onder a) vallende stoffen van de verschillende cijfers moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1522, of

d) in kunststof vaten met niet-afneembaar deksel met een inhoud van ten hoogste 60 liter of in kunststof jerrycans met niet-afneembaar deksel, volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen van glas, kunststof of metaal, volgens rn. 1538.

(2) De vaste stoffen in de zin van rn. 600 (13) mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten met afneembaar deksel, van staal volgens rn. 1520, van aluminium volgens rn. 1521, van gelamineerd hout volgens rn. 1523, van karton volgens rn. 1525 of van kunststof volgens rn. 1526, of in jerrycans met afneembaar deksel, van staal of van aluminium volgens rn. 1522 of van kunststof volgens rn. 1526, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, met één of meer stofdichte binnenzakken.

(3) Natriumcyanide van cijfer 41a) mag bovendien verpakt zijn: in metalen IBC's volgens rn. 1622, of in houten IBC's met een stofdichte binnenzak volgens rn. 1627, onder voorwaarde dat het een wagenlading betreft.

607 (1) De onder b) vallende stoffen van de verschillende cijfers moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten of jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538.

Opmerking: ad a), b), c) en d). Op vaten en jerrycans met afneembaar deksel voor dikvloeibare stoffen, waarvan de viscositeit bij 23 °C meer bedraagt dan 200 mm2/s, en voor vaste stoffen, zijn vereenvoudigde voorwaarden van toepassing (zie rn. 1512, 1553, 1554 en 1561).

(2) Stoffen, vallende onder b) van de afzonderlijke cijfers, met een dampdruk bij 50 °C van ten hoogste 110 kPa (1,10 bar) mogen bovendien verpakt zijn in metalen IBC's volgens rn. 1622, in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624 of in combinatie-IBC's met binnenhouder van stijve kunststof volgens rn. 1625.

(3) De stoffen van cijfer 15b) mogen bovendien verpakt zijn in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1539.

(4) De vaste stoffen in de zin van rn. 600 (13) mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523, of van karton volgens rn. 1525, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in waterbestendige zakken, van textiel volgens rn. 1533, van kunststof weefsel volgens rn. 1534, van kunststof folie volgens rn. 1535 of in zakken van waterbestendig papier volgens rn. 1536, onder voorwaarde dat het een wagenlading betreft of zakken, gestapeld of pallets, of

c) in combinatie-IBC's met binnenhouder van flexibele kunststof volgens rn. 1625, in kartonnen IBC's volgens rn. 1626 of in houten IBC's volgens rn. 1627, of

d) in flexibele IBC's volgens rn. 1623, met uitzondering van de flexibele IBC's van de typen 13H1, 13L1 en 13M1, onder voorwaarde dat het een wagenlading betreft of flexibele IBC's, die op pallets zijn geladen.

608 (1) De onder c) vallende stoffen van de verschillende cijfers moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten of jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, of

g) in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1539, of

h) in lichte metalen verpakkingen volgens rn. 1540.

Opmerking: ad a), b), c), d) en h). Op vaten, jerrycans en lichte metalen verpakkingen met afneembaar deksel voor dikvloeibare stoffen, waarvan de viscositeit bij 23 °C meer bedraagt dan 200 mm2/s, en voor vaste stoffen, zijn vereenvoudigde voorwaarden van toepassing (zie rn. 1512, 1552 t/m 1554 en 1561).

(2) Stoffen, vallende onder c) van de afzonderlijke cijfers met een dampdruk bij 50 °C van ten hoogste 110 kPa (1,10 bar) mogen bovendien verpakt zijn in metalen IBC's volgens rn. 1622, in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624 of in combinatie-IBC's met binnenhouder van kunststof volgens rn. 1625. IBC's van het type 31HZ2 moeten tot ten minste 80 % van de inhoud van de uitwendige omhulling zijn gevuld.

(3) De vaste stoffen in de zin van rn. 600 (13) mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten met afneembaar deksel van gelamineerd hout volgens rn. 1523, of van karton volgens rn. 1525, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in waterbestendige zakken, van textiel volgens rn. 1533, van kunststof weefsel volgens rn. 1534, van kunststof folie volgens rn. 1535 of in zakken van waterbestendig papier volgens rn. 1536, of

c) in flexibele IBC's volgens rn. 1623, met uitzondering van de flexibele IBC's van de typen 13H1, 13L1 en 13M1, of in combinatie-IBC's met binnenhouder van flexibele kunststof volgens rn. 1625, in kartonnen IBC's volgens rn. 1626 of in houten IBC's volgens rn. 1627.

609 3315 Monster van chemische stof, giftig, van cijfer 90a) moet volgens de verpakkingsinstructie 623 van de ICAO-Technical Instructions zijn verpakt.

610

3. Gezamenlijke verpakking

611 (1) Stoffen die onder één cijfer vallen, mogen gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538.

(2) Stoffen van verschillende cijfers van klasse 6.1 mogen in hoeveelheden die per binnenverpakking niet meer bedragen dan 3 liter voor vloeistoffen en/of 5 kg voor vaste stoffen, gezamenlijk worden verpakt en/of worden verpakt met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538, onder voorwaarde dat zij niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

(3) De stoffen van de cijfers 1, 3, 4 en 5 mogen niet in één collo met andere goederen gezamenlijk worden verpakt.

(4) De stoffen van cijfer 2 en de onder a) vallende stoffen van de verschillende cijfers mogen niet gezamenlijk worden verpakt met stoffen en voorwerpen van de klassen 1, 5.2 en 7.

(5) Voor zover bijzondere voorwaarden niet anders bepalen, mogen de stoffen van cijfer 2 en de onder a) vallende vloeistoffen van de verschillende cijfers in hoeveelheden die niet meer bedragen dan 0,5 liter per binnenverpakking en 1 liter per collo, en de onder b) of c) vallende stoffen in hoeveelheden die per binnenverpakking niet meer bedragen dan 3 liter voor vloeistoffen en/of 5 kg voor vaste stoffen, gezamenlijk worden verpakt met stoffen of voorwerpen van andere klassen - voor zover gezamenlijke verpakking ook voor stoffen of voorwerpen van deze klassen is toegestaan - en/of met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538, onder voorwaarde dat zij niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

(6) Als gevaarlijke reacties worden beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanmerkelijke warmteontwikkeling;

b) de ontwikkeling van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van bijtende vloeistoffen;

d) de vorming van instabiele stoffen.

(7) De voorschriften van de rn. 8 en 602 dienen in acht genomen te worden.

(8) Bij gebruik van houten kisten of kartonnen dozen mag een collo niet meer wegen dan 100 kg.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie Aanhangsel IX)

Opschriften

612 (1) Elk collo moet op duidelijke en duurzame wijze zijn voorzien van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

Gevaarsetiketten

(2) Colli die stoffen of voorwerpen van deze klasse bevatten, moeten zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 6.1.

(3) Colli die stoffen bevatten van de cijfers 1 t/m 6, 7a)2, 8a)2, 9, 11a) en b)2, 13, 16, 18, 20, 22, 26a)1 en 26b)1, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 3.

(4) Colli die brandbare pesticiden met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 °C van cijfer 72 bevatten, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 3.

(5) Colli die stoffen bevatten van de cijfers 7a)1, 8a)1, 10, 11b)1 en 28, moeten bovendien zijn voorzien van etiketten volgens model nr. 3 en 8.

(6) Colli die stoffen bevatten van de cijfers 26a)2, 26b)2 en 54b)1, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 4.1.

(7) Colli die stoffen bevatten van cijfer 66, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 4.2.

(8) Colli die stoffen bevatten van cijfer 44, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 4.3.

(9) Colli die stoffen bevatten van cijfer 68, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 05.

(10) Colli die stoffen bevatten van de cijfers 24b)2, 27 en 67 moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 8.

(11) Colli die vloeistoffen bevatten in houders, waarvan de sluitingen aan de buitenzijde niet waarneembaar zijn, alsmede colli met houders voorzien van ontluchtingsinrichtingen, of houders met ontluchtingsinrichtingen zonder buitenverpakking, moeten bovendien op twee tegenover elkander gelegen zijden zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 11.

B. Wijze van verzending, beperkende bepalingen betreffende de verzending

613 (1) Met uitzondering van de stoffen van de cijfers 1 t/m 5 en de stoffen die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen, mogen colli die andere stoffen van deze klasse bevatten, als expresgoed worden verzonden, indien zij bevatten:

van de stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 2 liter per collo voor vloeistoffen en 4 kg per collo voor vaste stoffen;

van de stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 12 liter per collo voor vloeistoffen en 24 kg per collo voor vaste stoffen.

(2) Stoffen en preparaten, dienend als pesticide, van de cijfers 71 t/m 73, verpakt in niet breekbare houders, mogen als expresgoed worden verzonden. Een collo mag niet meer wegen dan 25 kg.

(3) Edelmetaalhoudende anorganische cyaniden en mengsels daarvan, van cijfer 41a), mogen als expresgoed worden verzonden in samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen van glas, kunststof of metaal volgens rn. 1538. Een collo mag niet meer dan 2 kg van de stof bevatten.

Het vervoer in bagagerijtuigen of bagagecompartimenten, die voor reizigers toegankelijk zijn, is toegestaan, indien de colli met behulp van geschikte maatregelen buiten bereik van onbevoegde personen zijn neergezet.

C. Aanduidingen in de vrachtbrief

614 De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de cursief gedrukte identificatienummers en benamingen in rn. 601.

Indien de stof niet met name is genoemd, maar in een n.e.g.-positie of in een verzamelaanduiding is ingedeeld, moet de aanduiding van het goed bestaan uit het identificatienummer en de benaming van de n.e.g.-positie of van de verzamelaanduiding, gevolgd door de chemische of technische benaming() van de stof.

De aanduiding van het goed moet worden aangevuld met de vermelding van de klasse, het cijfer en eventueel de groep a), b) of c) van de stofopsomming, en de afkorting "RID", b.v. 6.1, 11a), RID.

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie rn. 3 (4)] moet de aanduiding van het goed luiden: "Afval, bevat ", waarbij de voor de indeling van het afval volgens rn. 3 (3) bepalende gevaarlijke component(en) met zijn (hun) chemische benaming(en) moet(en) worden aangegeven, b.v. "Afval, bevat 2570 cadmiumverbinding, 6.1, 61c), RID".

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) met meerdere aan deze Richtlijn onderworpen componenten, behoeven in het algemeen niet meer dan twee componenten, die bepalend zijn voor de gevaarlijkheid van de oplossingen en mengsels, te worden aangegeven.

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels die slechts één aan deze Richtlijn onderworpen component bevatten, moet in de vrachtbrief het woord "oplossing" resp. "mengsel" als onderdeel van de benaming worden toegevoegd [zie rn. 3 (3)].

Indien een vaste stof in gesmolten toestand ten vervoer wordt aangeboden, moet de aanduiding van het goed worden aangevuld met de vermelding "gesmolten", voor zover deze daarin al niet voorkomt.

Bij het vervoer van stoffen en preparaten, gebruikt als pesticide, moet de aanduiding van het goed ook de benaming van de werkzame stof(fen) omvatten overeenkomstig de nomenclatuur (), goedgekeurd door de ISO of overeenkomstig de tabel onder de cijfers 71 t/m 73 van rn. 601 of de chemische benaming van de werkzame stof(fen), b.v. "2783. pesticide, organische fosforverbinding, vast, giftig (propafos), 6.1, 73c), RID".

Bij het vervoer van 3315 monster van chemische stof, giftig, van cijfer 90a) moet bij de vrachtbrief een exemplaar van het document houdende de vervoersvergunning worden gevoegd, waarin de maximumhoeveelheden en de verpakkingsvoorschriften zijn aangegeven [zie ook de Opmerking onder cijfer 90a)].

Indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, moet bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed. Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

Indien een met name genoemde oplossing of een met name genoemd mengsel resp. een oplossing of een mengsel, die/dat een met name genoemde stof bevat, volgens rn. 600 (5) niet onderworpen is aan de voorschriften van deze klasse, heeft de afzender het recht in de vrachtbrief te vermelden: "Geen goed van klasse 6.1".

D. Vervoermiddelen en technische hulpmiddelen

1. Voorschriften betreffende de wagens en het laden

a. Voor colli

615 (1) Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

(2) De colli moeten in de wagens zo worden geladen, dat zij zich niet op gevaarlijke wijze kunnen verplaatsen en niet kunnen vallen of omvallen.

Bovendien mogen IBC's van het type 31HZ2 slechts in gesloten wagens worden vervoerd.

(3) Wagens, waarin stoffen van klasse 6.1 als wagenlading zijn vervoerd, moeten na lossing worden onderzocht op ladingresten die mogelijk zijn achtergebleven (zie ook rn. 624).

b. Voor vervoer als losgestort goed

616 De stoffen van cijfer 60c), 3243 vaste stoffen die giftige vloeistoffen bevatten van cijfer 65b), alsmede vaste stoffen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, mogen losgestort vervoerd worden in open wagens met dekzeilen of in wagens met beweegbaar dak.

Wagens die losgestorte stoffen bevatten van identificatienummer 3243 van cijfer 65b), moeten dicht zijn of dicht zijn gemaakt, b.v. door middel van een voldoende stevige binnenbekleding.

c. Vervoer in kleine containers

617 (1) Colli die stoffen van deze klasse bevatten, mogen in kleine containers worden vervoerd.

(2) De samenladingsverboden, bedoeld in rn. 620, zijn ook van toepassing in kleine containers.

(3) De stoffen van cijfer 60c), 3243 vaste stoffen die giftige vloeistoffen bevatten van cijfer 65b), alsmede vaste stoffen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, mogen ook losgestort worden vervoerd in kleine containers van het gesloten type met dichte wanden.

Kleine containers die losgestorte stoffen bevatten van identificatienummer 3243 van cijfer 65b), moeten dicht zijn of dicht zijn gemaakt, b.v. door middel van een voldoende stevige binnenbekleding.

(4) De voorschriften van de rn. 615 (3) en 624 zijn op overeenkomstige wijze ook van toepassing op het vervoer in kleine containers.

2. Opschriften en gevaarsetiketten op de wagens, op de reservoirwagens, op de tankcontainers en op de kleine containers (zie Aanhangsel IX)

618 (1) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen worden vervoerd van deze klasse, moeten aan beide zijden voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 6.1.

(2) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen als bedoeld in rn. 612 (3) t/m (10) worden vervoerd, moeten bovendien aan beide zijden voorzien zijn van etiketten volgens rn. 612 (3) t/m (10).

(3) Kleine containers moeten volgens rn. 612 (2) t/m (10) van etiketten zijn voorzien.

619

E. Verbod van samenlading

620 Colli, voorzien van een etiket volgens model nr. 6.1, mogen niet samen worden geladen in één wagen met colli, voorzien van een etiket volgens model nr. 1, 1.4, 1.5, 1.6 of 01. Deze voorschriften zijn niet van toepassing op colli die van een etiket volgens model nr. 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn voorzien.

621 Voor zendingen, die niet in één wagen samengeladen mogen worden, moeten afzonderlijke vrachtbrieven worden opgemaakt.

F. Lege verpakkingen

622 (1) Indien ongereinigde lege verpakkingen van cijfer 91 zakken of flexibele IBC's zijn, dan moeten deze in kisten of waterdichte zakken worden geplaatst, waardoor verlies van de stoffen geheel is uitgesloten.

(2) Andere ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, van cijfer 91 moeten op dezelfde wijze gesloten zijn en dezelfde waarborgen van dichtheid bieden als in gevulde toestand.

(3) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, van cijfer 91, moeten van dezelfde gevaarsetiketten zijn voorzien als in gevulde toestand. Verpakkingen met zakken of flexibele IBC's volgens lid (1) hierboven moeten van dezelfde gevaarsetiketten zijn voorzien als de zakken of flexibele IBC's in gevulde toestand.

(4) De aanduiding in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de in cijfer 91 cursief gedrukte benamingen, aangevuld met "6.1, 91, RID", b.v. "Lege verpakking, 6.1, 91, RID".

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje aangebracht worden.

Bij ongereinigde lege reservoirwagens of lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, moet deze aanduiding worden aangevuld met de vermelding "Laatste inhoud" alsmede het gevaarsidentificatienummer, het stofidentificatienummer, de benaming, het cijfer en eventueel de groep a), b) of c) van de stofopsomming, van het laatst vervoerde goed, b.v. "Laatste inhoud 60 2312 fenol, gesmolten, 24b)1".

(5) Wat betreft de scheiding tussen ongereinigde lege verpakkingen van cijfer 91 die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

G. Verdere voorschriften

623 Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

624 Indien stoffen van deze klasse naar buiten zijn getreden en in een wagen zijn verspreid, dan mag deze wagen pas na grondige reiniging en zo nodig ontsmetting weer worden gebruikt. Alle andere goederen en voorwerpen, die in dezelfde wagen zijn vervoerd, moeten op mogelijke verontreiniging onderzocht worden.

625-

649

KLASSE 6.2 INFECTUEUZE STOFFEN (BESMETTELIJKE STOFFEN)

1. Opsomming van de stoffen

650 (1) Van de stoffen (), aangeduid in de titel van klasse 6.2 zijn die, welke genoemd zijn in rn. 651 of die, welke vallen onder een verzamelaanduiding van dat randnummer, onderworpen aan de in rn. 650 (2) t/m 675 gegeven voorschriften en derhalve stoffen van deze Richtlijn.

(2) De titel van klasse 6.2 omvat stoffen, waarvan bekend is of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij ziekteverwekkers - gedefinieerd als micro-organismen (zoals onder meer bacteriën, virussen, rickettsia, parasieten en schimmels) of gerecombineerde micro-organismen (hybride of gemuteerde micro-organismen) - bevatten, waarvan bekend is of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij infectieziekten veroorzaken bij mensen of dieren. Zij zijn onderworpen aan de voorschriften van deze klasse, wanneer zij op mensen of dieren, die aan deze stoffen zijn blootgesteld, ziekten kunnen overdragen.

Opmerkingen: 1. Genetisch gemodificeerde micro-organismen en organismen, biologische producten, diagnostische monsters en geïnfecteerde levende dieren moeten in deze klasse worden ingedeeld, indien zij voldoen aan de voorwaarden van deze klasse.

2. Toxinen afkomstig van planten, dieren of bacteriën, die geen infectueuze stoffen of organismen bevatten of die niet aanwezig zijn in infectueuze stoffen of organismen, zijn stoffen van klasse 6.1 (zie rn. 601, cijfer 90, identificatienummer 3172).

(3) De stoffen van klasse 6.2 zijn als volgt onderverdeeld:

A. Infectueuze stoffen met een hoog risicopotentieel

B. Andere infectueuze stoffen

C. Lege verpakkingen.

Op grond van de mate van gevaarlijkheid moeten de stoffen van de cijfers 3 en 4 van rn. 651 worden ingedeeld in groep b):

b) gevaarlijke stoffen.

(4) De indeling van stoffen, die niet met name zijn genoemd, in de cijfers 1, 2 en 3 van rn. 651 moet geschieden op grond van de huidige stand van de wetenschap, overeenkomstig de volgende risicogroepen ():

i) Risicogroep 4: Een ziekteverwekker die onder normale omstandigheden bij mensen of dieren ernstige ziekten kan veroorzaken en die, direct of indirect, van een individu op een ander kan worden overgedragen en waartegen in het algemeen geen effectieve behandeling en profylaxe bestaat (d.w.z. hoog individueel risico en hoog collectief risico).

ii) Risicogroep 3: Een ziekteverwekker die onder normale omstandigheden bij mensen of dieren ernstige ziekten kan veroorzaken, maar die gewoonlijk niet van een besmet individu op een ander kan worden overgedragen en waartegen in het algemeen een effectieve behandeling en profylaxe bestaat (d.w.z. hoog individueel risico en gering collectief risico).

iii) Risicogroep 2: Een ziekteverwekker die bij mensen of dieren ziekten kan veroorzaken, zonder dat sprake is van een ernstig gevaar en waartegen, hoewel deze bij mensen of dieren na blootstelling een ernstige infectie kan veroorzaken, in het algemeen een effectieve behandeling en profylaxe bestaat, zodat het risico van verspreiding van de infectie beperkt is. (d.w.z. matig individueel risico en beperkt collectief risico).

Opmerkingen: 1. Risicogroep 1 omvat micro-organismen, waarvan het onwaarschijnlijk is dat deze bij mensen of dieren ziekten veroorzaken (d.w.z. geen of zeer gering individueel risico en geen of zeer gering collectief risico). Stoffen die slechts deze micro-organismen bevatten, worden niet als infectueus beschouwd in de zin van deze voorschriften.

2. Genetisch gemodificeerde micro-organismen en organismen () zijn micro-organismen en organismen waarin het genetisch materiaal opzettelijk veranderd is door middel van technische methoden of op een wijze die niet in de natuur voorkomt.

3. Genetisch gemodificeerde micro-organismen die infectueus zijn in de zin van deze klasse, zijn stoffen van cijfer 1, 2 of 3. Zij mogen echter niet worden ingedeeld in cijfer 4. Genetisch gemodificeerde micro-organismen, die geen infectueuze stoffen zijn in de zin van deze klasse, kunnen stoffen zijn van klasse 9 (zie rn. 901, cijfer 13, identificatienummer 3245).

4. Genetisch gemodificeerde organismen, waarvan bekend is of waarvan kan worden aangenomen, dat zij gevaarlijk zijn voor mensen of dieren, moeten worden vervoerd onder de voorwaarden vastgelegd door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst.

(5) Als vaste stoffen in de zin van de verpakkingsvoorschriften van de rn. 654 en 655 worden stoffen en mengsels van stoffen beschouwd die bij een temperatuur lager dan 45 °C geen vrije (ongebonden) vloeistof bevatten.

(6) Onder "biologische producten" worden verstaan producten afkomstig van levende organismen, die worden vervaardigd en in omloop gebracht overeenkomstig de voorschriften van nationale overheidsautoriteiten, die bijzondere toelatingsvoorwaarden voor het gebruik kunnen opleggen, en die worden gebruikt ofwel ter voorkoming, behandeling of diagnose van ziekten bij mens of dier, dan wel voor daarmee verband houdende ontwikkelings-, experimentele of onderzoeksdoeleinden. Ze kunnen onder meer eind- of tussenproducten omvatten, zoals vaccins en diagnostische producten.

Onder "diagnostische monsters" worden verstaan menselijke of dierlijke materialen, waaronder excrementen en afscheidingsstoffen, bloed en bloedbestanddelen, weefsel en weefselvloeistoffen, die worden vervoerd voor diagnostische of onderzoeksdoeleinden, echter met uitzondering van geïnfecteerde levende dieren.

Opmerking: "Biologische producten" en "diagnostische monsters" worden niet beschouwd als stoffen van deze klasse, indien bekend is dat zij geen infectueuze stoffen bevatten.

(7) Levende gewervelde of ongewervelde dieren mogen niet worden gebruikt om een infectueus agens te verzenden, tenzij het onmogelijk is dit agens op een andere wijze te vervoeren. Dergelijke dieren moeten worden verpakt, van aanduidingen en kenmerken zijn voorzien en worden vervoerd volgens de reglementen die van toepassing zijn op het vervoer van dieren ().

(8) Voor het vervoer van stoffen van deze klasse kan het aanhouden van een bepaalde temperatuur noodzakelijk zijn.

A. Infectueuze stoffen met een hoog risicopotentieel

651 1. 2814 infectueuze stof, gevaarlijk voor mensen (besmettelijke stof, gevaarlijk voor mensen),

2900 infectueuze stof, alleen gevaarlijk voor dieren (besmettelijke stof, alleen gevaarlijk voor dieren).

Opmerkingen: 1. Onder dit cijfer moeten stoffen worden ingedeeld, die volgens rn. 650 (4) in risicogroep 4 zijn ingedeeld.

2. Voor deze stoffen gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 653 en 654).

2. 2814 infectueuze stof, gevaarlijk voor mensen (besmettelijke stof, gevaarlijk voor mensen),

2900 infectueuze stof, alleen gevaarlijk voor dieren (besmettelijke stof, alleen gevaarlijk voor dieren).

Opmerkingen: 1. Onder dit cijfer moeten stoffen worden ingedeeld, die volgens rn. 650 (4) in risicogroep 3 zijn ingedeeld.

2. Voor deze stoffen gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 653 en 654).

B. Andere infectueuze stoffen

3. b) 2814 infectueuze stof, gevaarlijk voor mensen (besmettelijke stof, gevaarlijk voor mensen),

2900 infectueuze stof, alleen gevaarlijk voor dieren (besmettelijke stof, alleen gevaarlijk voor dieren).

Opmerking: Onder dit cijfer moeten stoffen worden ingedeeld, die volgens rn. 650 (4) in risicogroep 2 zijn ingedeeld.

4. b) 3291 ziekenhuisafval, ongespecificeerd, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Onder dit cijfer moeten niet gespecificeerde afvalstoffen worden ingedeeld, die afkomstig zijn van een medische behandeling van mensen of dieren of van biologisch onderzoek en waarbij de waarschijnlijkheid gering is dat zij stoffen van deze klasse bevatten.

2. Afvalstoffen, die gespecificeerd kunnen worden, moeten in cijfer 1, 2 of 3 worden ingedeeld.

3. Ontsmette afvalstoffen, afkomstig van ziekenhuizen of van biologisch onderzoek, die infectueuze stoffen hebben bevat, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze klasse.

C. Lege verpakkingen

11. Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (lege IBC's), lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens voor vervoer als losgestort goed, die stoffen van klasse 6.2 hebben bevat (zie rn. 672).

2. Vervoersvoorwaarden (De vervoersvoorwaarden voor lege verpakkingen zijn samengevat onder F.)

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

652 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel V, tenzij in hoofdstuk A.2 voor bepaalde stoffen bijzondere verpakkingsvoorschriften zijn opgenomen.

(2) Grote verpakkingen (IBC's) moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel VI.

(3) Overeenkomstig het bepaalde in rn. 650 (3) en 1511 (2) of 1611 (2) moeten de volgende verpakkingen worden gebruikt:

Voor gevaarlijke stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep II of I, gekenmerkt met de letter "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep II, gekenmerkt met de letter "Y".

Opmerking: Voor het vervoer van stoffen van klasse 6.2 in reservoirwagens, zie Aanhangsel XI, in tankcontainers, zie Aanhangsel X. Voor het vervoer als losgestort goed, zie rn. 666.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

653 (1) De verpakkingen voor de stoffen van de cijfers 1 en 2 moeten bestaan uit de volgende essentiële bestanddelen:

a) een binnenverpakking bestaande uit:

een lekdichte houder als primaire verpakking;

een lekdichte secundaire verpakking;

absorberend materiaal tussen de primaire houder en de secundaire verpakking. Indien meerdere primaire houders worden geplaatst in een enkele secundaire verpakking, dan moeten deze afzonderlijk omwikkeld worden, zodat onderlinge aanraking is uitgesloten. Er moet voldoende absorberend materiaal, zoals bijvoorbeeld watten, worden gebruikt om de totale inhoud van de primaire houders te absorberen.

Onafhankelijk van de te verwachten temperatuur tijdens het vervoer moeten de primaire houder en de secundaire verpakking zonder lekkage weerstand kunnen bieden aan een inwendige druk die leidt tot een drukverschil van ten minste 95 kPa (0,95 bar) en aan temperaturen van P 40 °C tot +55 °C.

Opmerking: Binnenverpakkingen die infectueuze stoffen bevatten mogen niet worden vastgezet in buitenverpakkingen die andere soorten goederen bevatten.

b) een buitenverpakking van voldoende sterkte met betrekking tot de inhoud, de massa en het gebruik waarvoor deze bestemd is en waarvan de kleinste buitenafmeting ten minste 10 cm moet bedragen.

(2) Verpakkingen volgens lid (1) moeten zijn beproefd volgens de voorschriften van rn. 654; het constructietype van de verpakking moet zijn toegelaten door de bevoegde autoriteit. Elke verpakking die overeenkomstig het toegelaten constructietype wordt vervaardigd, moet volgens rn. 1512 van een kenmerk zijn voorzien.

Beproevingen voor de verpakkingen volgens rn. 653

654 (1) Behalve bij verpakkingen voor levende dieren en organismen, moeten monsters van elke verpakking volgens het bepaalde in lid (2) worden voorbereid voor de beproevingen, en vervolgens worden onderworpen aan de beproevingen volgens leden (3) t/m (5). Wanneer de aard van de verpakking dit vereist, zijn gelijkwaardige voorbereiding en beproevingen toegestaan onder voorwaarde dat kan worden aangetoond dat deze even doeltreffend zijn.

(2) De monsters van elke verpakking moeten als voor verzending zijn gereedgemaakt, behalve dat de te vervoeren stof moet zijn vervangen door water of, wanneer conditionering bij P 18 °C is vastgelegd, door een mengsel van water en antivries. Elke primaire houder [zie rn. 653 (1)a)] moet tot 98 % van de inhoud zijn gevuld.

(3) De voor verzending gereedgemaakte verpakkingen moeten worden onderworpen aan de beproevingen aangegeven in de Tabel, waarin de verpakkingen voor beproevingsdoeleinden zijn ingedeeld overeenkomstig de typen materiaal. Voor de buitenverpakkingen hebben de titels van de kolommen betrekking op:

karton of overeenkomstige materialen, waarvan het prestatievermogen snel kan worden beïnvloed door vocht;

kunststoffen, die bros kunnen worden bij lage temperatuur;

andere materialen, zoals metalen, waarvan het prestatievermogen niet wordt beïnvloed door vocht of temperatuur.

Indien de primaire houder en de secundaire verpakking, die tezamen een binnenverpakking vormen [zie rn. 653 (1)a)], zijn vervaardigd van verschillende materialen, dan is het materiaal van de primaire houder bepalend voor de uit te voeren beproevingen. Indien een primaire houder bestaat uit twee materialen, dan bepaalt het materiaal dat het gemakkelijkst beschadigd kan worden de uit te voeren beproevingen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

a) De monsters moeten worden onderworpen aan een vrije valproef van een hoogte van 9 m op een star, niet veerkrachtig, vlak en horizontaal oppervlak.

Indien de monsters de vorm hebben van een kist of doos, dan moeten achtereenvolgens vijf monsters vallen:

één plat op de bodem,

één plat op het bovendeel,

één plat op de lengtezijde,

één plat op de dwarszijde,

één plat op een hoek.

Indien de monsters de vorm hebben van een vat, dan moeten achtereenvolgens drie monsters vallen:

één diagonaal op de felsrand van de deksel, met het zwaartepunt recht boven het trefpunt,

één diagonaal op de bodemfelsrand,

één plat op de zijkant.

Als gevolg van de serie van aangegeven valproeven mag vanuit de primaire houder(s), die door het absorberende materiaal in de secundaire verpakking beschermd moet(en) blijven, geen lekkage plaatsvinden.

b) De monsters moeten gedurende ten minste één uur worden onderworpen aan een besproeiing met water, die de blootstelling aan een hoeveelheid neerslag nabootst van ca. 5 cm per uur. Vervolgens moeten zij worden onderworpen aan de beproevingen, beschreven onder letter a).

c) De monsters moeten worden geconditioneerd in een omgeving van P 18 °C of lager gedurende ten minste 24 uur; ten hoogste 15 minuten nadat zij uit deze omgeving zijn verwijderd, moeten zij worden onderworpen aan de beproevingen, beschreven onder letter a). Indien de monsters droog ijs bevatten, mag de conditionering worden teruggebracht tot 4 uur.

d) Indien het de bedoeling is dat de verpakking droog ijs bevat, moet behalve de beproevingen omschreven onder de letters a), b) of c) een aanvullende beproeving worden uitgevoerd. De monsters moeten zodanig worden opgeslagen dat het droog ijs volledig kan ontwijken, en vervolgens moeten zij aan de beproevingen, beschreven onder letter a), worden onderworpen.

(4) De bevoegde autoriteit kan akkoord gaan met de selectieve beproeving van verpakkingen die slechts op minder belangrijke aspecten verschillen van een reeds beproefd constructietype: b.v. verpakkingen met binnenverpakkingen van kleinere afmetingen of binnenverpakkingen met een kleinere netto massa, of verpakkingen zoals vaten, zakken, kisten en dozen, waarvan één of meer van de buitenmaten iets verkleind zijn.

(5) Verpakkingen met een bruto massa van ten hoogste 7 kg moeten worden onderworpen aan de beproevingen, beschreven onder de hierna volgende letter a); verpakkingen met een bruto massa van meer dan 7 kg moeten worden onderworpen aan de beproevingen, beschreven onder de hierna volgende letter b).

a) De monsters moeten geplaatst worden op een vlak en hard oppervlak. Een cilindrische stalen staaf met een massa van ten minste 7 kg, een doorsnede van ten hoogste 38 mm, waarvan het stooteinde is afgerond met een straal van ten hoogste 6 mm, moet vanuit een hoogte van 1 m, gemeten van het stooteinde tot het oppervlak waar het monster geraakt wordt, met een vrije val verticaal op het monster vallen. Een monster moet op zijn bodem worden geplaatst en een tweede loodrecht op de positie gebruikt voor het eerste monster. In beide gevallen moet men de stalen staaf zodanig laten vallen, dat deze gericht is op de primaire houder. De penetratie van de secundaire verpakking is bij iedere stoot toelaatbaar onder voorwaarde dat geen lekkage plaatsvindt vanuit de primaire houder(s).

b) De monsters moeten vallen op het uiteinde van een cilindrische stalen staaf die verticaal moet zijn opgesteld op een vlak en hard oppervlak. De staaf moet een doorsnede van 38 mm bezitten en aan het bovenste uiteinde zijn afgerond met een straal van ten hoogste 6 mm. De stalen staaf moet boven het oppervlak uitsteken over een afstand die ten minste zo groot is als de afstand die de primaire houder(s) scheidt van het buitenoppervlak van de buitenverpakking, echter ten minste 200 mm. Men moet een monster vrij en verticaal laten vallen van een hoogte van 1 m gemeten van de top van de stalen staaf. Men moet een tweede monster laten vallen van dezelfde hoogte in een positie loodrecht op de positie gebruikt voor het eerste monster. In beide gevallen moet de positie van het collo zodanig zijn, dat de stalen staaf in de primaire houder(s) kan doordringen. De penetratie van de secundaire verpakking is bij iedere stoot toelaatbaar onder voorwaarde dat geen lekkage plaatsvindt vanuit de primaire houder(s).

(6) Indien een gelijkwaardig prestatieniveau is gewaarborgd, zijn de volgende wijzigingen van de primaire houders die in een secundaire verpakking zijn geplaatst, toegestaan, zonder dat het gehele collo aan verdere beproevingen dient te worden onderworpen:

Primaire houders met afmetingen gelijk aan of kleiner dan die van de beproefde primaire houders mogen worden gebruikt, onder voorwaarde dat:

a) het ontwerp van de primaire houders overeenkomstig is met dat van de beproefde primaire houders (b.v. rond, rechthoekig);

b) het materiaal voor de constructie van de primaire houders (glas, kunststof, metaal, etc.) een weerstand biedt tegen de belastingen van stoot of stapeling, die gelijk is aan of hoger is dan die van de oorspronkelijk beproefde primaire houders;

c) de primaire houders openingen met gelijke of kleinere afmeting bezitten, en dat het ontwerp van de sluiting overeenkomstig is (b.v. schroefdop, drukdeksel);

d) een voldoende hoeveelheid extra absorberend materiaal wordt gebruikt om de lege ruimten op te vullen en om beduidende beweging van de primaire houders te verhinderen;

e) de primaire houders in de secundaire verpakking op dezelfde wijze georiënteerd zijn als in het beproefde collo.

(7) Binnenhouders van alle typen mogen in een (tweede) tussenverpakking worden samengevoegd en vervoerd zonder dat deze aan beproevingen in een buitenverpakking zijn onderworpen, onder de volgende voorwaarden:

a) de combinatie tussenverpakking/buitenverpakking moet met succes zijn onderworpen aan de valproef volgens lid (3)a) met breekbare binnenhouders (bijvoorbeeld van glas);

b) de totale bruto massa van alle binnenhouders mag niet hoger zijn dan de helft van de bruto massa van de binnenhouders die voor de hierboven onder a) bedoelde valproef zijn gebruikt;

c) de dikte van het opvulmateriaal tussen de binnenhouders onderling en tussen de binnenhouders en de buitenzijde van de tussenverpakking mag niet teruggebracht worden tot een waarde, lager dan de overeenkomstige dikte van de oorspronkelijk beproefde verpakking; indien bij de oorspronkelijke beproeving gebruik is gemaakt van één binnenhouder, mag de dikte van het opvulmateriaal tussen de binnenhouders niet lager zijn dan de dikte van het opvulmateriaal tussen de buitenzijde van de tussenverpakking en de binnenhouder bij de oorspronkelijke beproeving. Indien gebruikgemaakt wordt van minder of kleinere binnenhouders (in vergelijking tot de binnenhouders, gebruikt bij de valproef), moet voldoende opvulmateriaal worden toegevoegd om de tussenruimte op te vullen;

d) de buitenverpakking moet in ledige toestand de in rn. 1555 beschreven stapelproef hebben doorstaan. De totale massa van identieke colli moet gebaseerd zijn op de totale massa van de binnenhouders die voor de hierboven onder a) bedoelde valproef zijn gebruikt;

e) binnenhouders die vloeistoffen bevatten, moeten volledig zijn omringd door een hoeveelheid absorberend materiaal, die voldoende is om de volledige hoeveelheid vloeistof die aanwezig is in de binnenhouders te absorberen;

f) indien de buitenverpakking die bestemd is voor binnenhouders met vloeistoffen, niet vloeistofdicht is of indien de buitenverpakking die bestemd is voor binnenhouders met vaste stoffen, niet stofdicht is, moet een geschikt middel worden gebruikt om de vloeibare of vaste inhoud in geval van lekkage binnen te houden, zoals een dichte bekleding, kunststof zak of een ander even werkzaam middel.

g) het kenmerk van de verpakkingen die overeenkomen met dit lid moet worden aangevuld met de letter "U" onmiddellijk na de code voorgeschreven in rn. 1512 (1)c) iii).

655 (1) De onder b) vallende stoffen van de cijfers 3 en 4 moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten en jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, of

g) in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1539, of

h) in metalen IBC's volgens rn. 1622, of

i) in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624, of

k) in combinatie-IBC's met binnenhouder van kunststof volgens rn. 1625, met uitzondering van de typen 11HZ2 en 31HZ2.

(2) De vaste stoffen in de zin van rn. 650 (5) mogen bovendien verpakt zijn in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523 of van karton volgens rn. 1525, zo nodig voorzien van één of meer waterdichte binnenzakken.

656 Biologische producten en diagnostische monsters van de cijfers 1 t/m 3 waarbij een naar verhouding geringe waarschijnlijkheid bestaat dat infectueuze stoffen aanwezig zijn (bijvoorbeeld in het geval van routine-controle onderzoeken of eerste diagnosen), moeten voldoen aan alle voorschriften van deze klasse, tenzij de volgende voorwaarden in acht genomen worden:

(1) de primaire houders bevatten niet meer dan

50 ml biologische producten of

100 ml diagnostische monsters;

(2) de buitenverpakking bevat niet meer dan

50 ml biologische producten indien breekbare primaire houders worden gebruikt, of

100 ml biologische producten indien andere dan breekbare primaire houders worden gebruikt, of

500 ml diagnostische monsters;

(3) de primaire houders zijn lekdicht; en

(4) de verpakking komt overeen met de voorschriften van deze klasse; de verpakking behoeft echter niet aan de beproevingen te worden onderworpen.

657 Indien stoffen van deze klasse worden vervoerd in sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte stikstof, moeten de binnenverpakkingen voldoen aan de voorschriften van deze klasse en de houders voor de stikstof aan de voorschriften van klasse 2.

658 (1) De openingen van de primaire houders, bestemd voor vloeibare stoffen van de cijfers 1 en 2, moeten dicht gesloten kunnen worden met behulp van twee boven elkaar liggende inrichtingen, waarvan één geschroefd of op gelijkwaardige wijze bevestigd moet zijn.

(2) Houders bestemd voor stoffen van de cijfers 3 en 4, die gassen ontwikkelen en die worden vervoerd bij een omgevingstemperatuur hoger dan 15 °C, moeten voorzien zijn van een deksel met een ontluchtingsinrichting die geen ziekteverwekkers kan doorlaten en die beschermd is tegen uitwendige mechanische belastingen.

In het geval van houders, geschikt voor hergebruik, moet het filter van de ontluchtingsinrichting worden vervangen voordat de houder opnieuw wordt gevuld.

(3) Verpakkingen van kunststof of van karton, bestemd voor het vervoer van afvalstoffen van cijfer 4, moeten resistent zijn en moeten bovendien, indien de afvalstoffen scherpe voorwerpen bevatten, bestendig zijn tegen perforatie.

(4) De sluiting van verpakkingen, bestemd voor het vervoer van stoffen van cijfer 4, moet zodanig zijn uitgevoerd, dat deze na het vullen hermetisch afsluit en dat duidelijk zichtbaar is, wanneer deze na het vullen is heropend.

659-

660

3. Gezamenlijke verpakking

661 (1) Stoffen die onder één cijfer vallen, mogen gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538.

(2) De stoffen van de cijfers 1, 2 en 3 mogen gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538, indien het collo is beproefd en toegelaten volgens de voorschriften die van toepassing zijn op de stoffen van de cijfers 1 en 2.

(3) De stoffen van klasse 6.2 mogen niet gezamenlijk worden verpakt met stoffen en voorwerpen van andere klassen en ook niet met goederen, die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn. Deze bepaling is niet van toepassing op biologische producten en diagnostische monsters, die zijn verpakt overeenkomstig rn. 656, en ook niet op stoffen die zijn toegevoegd als koelmiddel, bijvoorbeeld ijs, koolzuursneeuw (droog ijs) of sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte stikstof.

(4) De voorschriften van de rn. 8 en 652 moeten in acht genomen worden.

(5) Bij gebruik van houten kisten of kartonnen dozen mag een collo niet meer wegen dan 100 kg.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie Aanhangsel IX)

Opschriften

662 (1) Elk collo moet op duidelijke en duurzame wijze zijn voorzien van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

Gevaarsetiketten

(2) Colli die stoffen van deze klasse bevatten, moeten zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 6.2.

(3) Colli die stoffen van deze klasse bevatten, welke worden vervoerd in sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte stikstof, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 2.

(4) Colli die vloeistoffen van cijfer 3 bevatten in houders, waarvan de sluitingen aan de buitenzijde niet waarneembaar zijn, alsmede colli met houders, voorzien van ontluchtingsinrichtingen, of houders met ontluchtingsinrichtingen zonder buitenverpakking, moeten bovendien op twee tegenover elkander gelegen zijden zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 11.

B. Wijze van verzending, beperkende bepalingen betreffende de verzending

663 (1) Colli met stoffen van deze klasse, waarvoor een bepaalde omgevingstemperatuur moet worden gehandhaafd, mogen slechts als wagenlading worden vervoerd. De voorwaarden voor het vervoer moeten tussen de spoorweg en de afzender worden overeengekomen.

(2) Met uitzondering van de stoffen bedoeld in lid (1), mogen colli met stoffen van deze klasse als expresgoed worden verzonden, indien zij bevatten:

stoffen, niet bedoeld in rn. 656:

tot ten hoogste 50 ml per collo voor vloeistoffen en ten hoogste 50 g per collo voor vaste stoffen;

stoffen, bedoeld in rn. 656:

tot de hoeveelheden aangegeven in dat randnummer;

lichaamsdelen of organen:

een collo mag niet meer wegen dan 50 kg.

C. Aanduidingen in de vrachtbrief

664 De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de cursief gedrukte identificatienummers en benamingen in rn. 651, - en in geval van de stoffen van de cijfers 1 t/m 3 - gevolgd door de biologische benaming van de stof ().

Voor biologische producten en diagnostische monsters, die ten vervoer worden aangeboden onder de voorwaarden van rn. 656, moet de aanduiding van het goed luiden: "Biologisch product / Diagnostisch monster, bevat ", waarbij de infectueuze stof die bepalend is voor de indeling in cijfer 1, 2 of 3 moet worden aangegeven.

Indien het een genetisch gemodificeerde infectueuze stof betreft moet worden toegevoegd: "Genetisch gemodificeerd micro-organisme".

De aanduiding van het goed moet worden aangevuld met de vermelding van de klasse, het cijfer en eventueel de groep b) van de stofopsomming en de afkorting "RID", b.v. 6.2, 3b), RID.

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie rn. 3 (4)] moet de aanduiding van het goed luiden: "Afval bevat ", waarbij de voor de indeling van het afval volgens rn. 3 (3) bepalende gevaarlijke component(en) met zijn (hun) chemische of biologische benaming moet(en) worden aangegeven, b.v. "Afval, bevat 2814 infectueuze stof, gevaarlijk voor mensen, Marburg-virus, 6.2, 2, RID".

Bij het vervoer van afvalstoffen van cijfer 4 is de cursief gedrukte aanduiding voldoende: "3291 ziekenhuisafval, ongespecificeerd, n.e.g., 6.2, 4b), RID".

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) met meerdere aan deze Richtlijn onderworpen componenten, behoeven in het algemeen niet meer dan twee componenten, die bepalend zijn voor de gevaarlijkheid van de oplossingen en mengsels, te worden aangegeven.

Indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, moet bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed. Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

D. Vervoermiddelen en technische hulpmiddelen

1. Voorschriften betreffende de wagens en het laden

a. voor colli

665 (1) Colli die stoffen van deze klasse bevatten, moeten zo worden geladen, dat zij gemakkelijk toegankelijk zijn.

(2) Colli die stoffen van deze klasse bevatten, moeten worden vervoerd in gesloten wagens of in wagens met beweegbaar dak.

(3) Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 6.2, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

b. voor vervoer als losgestort goed

666 (1) De stoffen van cijfer 4 mogen losgestort worden vervoerd in speciaal daarvoor ingerichte wagens.

(2) De houders van de speciaal daarvoor ingerichte wagens moeten zo zijn gebouwd dat de openingen voor het laden of het lossen hermetisch gesloten kunnen worden.

(3) De houders moeten zodanig met stoffen van cijfer 4 worden gevuld, dat gevaren voor mensen, dieren en het milieu worden vermeden.

c. vervoer in kleine containers

667 (1) Colli die stoffen van deze klasse bevatten, mogen in kleine containers worden vervoerd.

(2) De samenladingsverboden, bedoeld in rn. 670, zijn ook van toepassing in kleine containers.

(3) De voorschriften van rn. 674 zijn op overeenkomstige wijze ook van toepassing op het vervoer in kleine containers.

2. Opschriften en gevaarsetiketten op de wagens, op de reservoirwagens, op de tankcontainers en op de kleine containers (zie Aanhangsel IX)

668 (1) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen en voorwerpen van deze klasse worden vervoerd, moeten aan beide zijden voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 6.2.

(2) Wagens, waarin stoffen als bedoeld in rn. 662 (3) worden vervoerd, moeten bovendien aan beide zijden voorzien zijn van een etiket, voorgeschreven in dat randnummer.

(3) Kleine containers moeten volgens rn. 662 (2) en (3) van etiketten zijn voorzien.

669

E. Verbod van samenlading

670 Colli, voorzien van een etiket volgens model nr. 6.2, mogen niet samen worden geladen in één wagen met colli, voorzien van een etiket volgens model nr. 1, 1.4, 1.5, 1.6 of 01. Deze voorschriften zijn niet van toepassing op colli die van een etiket volgens model nr. 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn voorzien.

671 Voor zendingen die niet in één wagen samengeladen mogen worden, moeten afzonderlijke vrachtbrieven worden opgemaakt.

F. Lege verpakkingen

672 (1) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens voor vervoer als losgestort goed, van cijfer 11, moeten op dezelfde wijze gesloten zijn en dezelfde waarborgen van dichtheid bieden als in gevulde toestand.

(2) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens voor vervoer als losgestort goed, van cijfer 11, moeten van dezelfde gevaarsetiketten zijn voorzien als in gevulde toestand.

(3) De aanduiding in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de in cijfer 11 cursief gedrukte benamingen, aangevuld met "6.2, 11, RID", b.v. "Lege verpakking, 6.2, 11, RID".

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje aangebracht worden.

Bij ongereinigde lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens voor vervoer als losgestort goed moet de aanduiding worden aangevuld met de vermelding "Laatste inhoud" alsmede het gevaarsidentificatienummer, het stofidentificatienummer, de benaming, het cijfer en de groep b) van de stofopsomming, van het laatst vervoerde goed, b.v. "Laatste inhoud: 606 2900 infectueuze stof, gevaarlijk voor dieren, 3b)".

(4) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, van cijfer 11, moeten in de wagens en de goederenloodsen gescheiden worden gehouden van levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren.

Wat betreft de scheiding tussen ongereinigde lege verpakkingen van cijfer 11, die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.2, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

G. Verdere voorschriften

673 Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.2, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

674 Indien stoffen van deze klasse naar buiten zijn getreden en in een wagen zijn verspreid, dan mag deze wagen pas na grondige reiniging en zonodig ontsmetting weer worden gebruikt. Alle andere goederen en voorwerpen, die in dezelfde wagen zijn vervoerd, moeten op mogelijke verontreiniging onderzocht worden. Houten onderdelen van de wagen die met stoffen van de cijfers 1 en 2 in aanraking zijn gekomen, moeten worden verwijderd en verbrand.

675 Andere voorschriften voor stoffen van deze klasse die zijn uitgevaardigd om andere redenen dan de veiligheid van het vervoer, blijven onverminderd van kracht (b.v. voorschriften inzake invoer en uitvoer, in de handel brengen of afvalverwijdering, arbeidsomstandigheden, veterinaire diensten).

676-

699

KLASSE 7 RADIOACTIEVE STOFFEN

INLEIDING

700 (1) Toepassingsgebied

a) Van de stoffen waarvan de specifieke activiteit hoger is dan 70 kBq/kg (2 nCi/g) en de voorwerpen, die dergelijke stoffen bevatten, worden slechts tot het vervoer toegelaten die, welke in rn. 701 zijn opgesomd of zijn ingedeeld in een n.e.g.-positie van dat randnummer, en dan nog voor zover zij voldoen aan de voorwaarden (), vastgesteld in de overeen-komstige bladen van rn. 704 alsmede in rn. 1700 t/m 1771.

b) De stoffen en voorwerpen bedoeld onder a) worden stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn genoemd.

Opmerking: Radioactieve stoffen bevattende hartstimulatoren die door een operatieve ingreep in het lichaam van een patiënt zijn geïmplanteerd, en de bij een geneeskundige behandeling aan een patiënt toegediende radiofarmaca zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

(2) Definities en omschrijvingen

A1 en A2

1. Onder A1 wordt verstaan de hoogste activiteit van radioactieve stoffen in speciale toestand, welke is toegelaten in een collo van type A. Onder A2 wordt verstaan de hoogste activiteit van radioactieve stoffen, anders dan radioactieve stoffen in speciale toestand, welke is toegelaten in een collo van type A. (Zie rn. 1700, tabel I.)

Alfastralers met geringe toxiciteit

2. Onder alfastralers met geringe toxiciteit verstaat men natuurlijk uranium, verarmd uranium, natuurlijk thorium, uranium-235 of uranium-238 en thorium-232 alsmede thorium-228 en thorium-230, wanneer die in ertsen of in langs fysische of chemische weg verkregen concentraten voorkomen; radionucliden met een halveringstijd van minder dan 10 dagen.

Goedkeuring

3. Onder "multilaterale goedkeuring" verstaat men de goedkeuring, gegeven zowel door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst van het model van het collo of van de zending, als door de bevoegde autoriteit van elk der landen over het grondgebied waarvan het vervoer moet plaatsvinden.

4. Onder "unilaterale goedkeuring" verstaat men de goedkeuring van het model van het collo, uitsluitend door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst.

Indien het land van herkomst geen Lid-Staat is, moet de goedkeuring geldig worden verklaard door de bevoegde autoriteit van de eerste Lid-Staat van de COTIF, die bij het vervoer betrokken wordt.

Container

5. De containers voor het vervoer van stoffen van deze klasse moeten van het type met een permanente, stijve omhulling zijn en stevig genoeg om verscheidene malen te kunnen worden gebruikt. Ze kunnen worden gebruikt als verpakking wanneer aan de van toepassing zijnde voorschriften is voldaan en zij kunnen ook als oververpakking dienen.

Borghouder

6. Onder "borghouder" verstaat men het samenstel van onderdelen van de verpakking die, volgens de specificatie van de ontwerper, bestemd zijn om vrijkomen van de radioactieve stoffen tijdens het vervoer te verhinderen.

Besmetting

7. Onder "besmetting" verstaat men de aanwezigheid van radioactieve stoffen op een oppervlak in hoeveelheden van meer dan 0,4 Bq/cm2 (10 P5 ìCi/cm2) voor beta- en gammastralers, en alfastralers van geringe toxiciteit, of 0,04 Bq/cm2 (10 P6 ìCi/cm2) voor alle andere alfastralers. Onder "niet afwrijfbare besmetting" wordt verstaan elke besmetting anders dan afwrijfbare besmetting.Onder "afwrijfbare besmetting" verstaat men een besmetting, die onder normale omstandigheden van behandeling van het oppervlak kan worden verwijderd.

Model

8. Onder "model" verstaat men de beschrijving van een radioactieve stof in speciale toestand, van een collo of een verpakking, die een duidelijke identificatie daarvan mogelijk maakt. De beschrijving kan bestaan uit specificaties, constructietekeningen, rapporten betreffende het voldoen aan de wettelijke voorschriften en andere ter zake doende documenten.

Exclusief gebruik

9. Onder "exclusief gebruik" verstaat men het gebruik van een wagen of een grote container met een lengte van ten minste 6 m door één enkele afzender, waarbij alle laad- en loshandelingen vóór, tijdens en na het vervoer overeenkomstig de aanwijzingen van de afzender of van de geadresseerde worden uitgevoerd.

Splijtbare stoffen

10. Onder "splijtbare stoffen" verstaat men uranium-233, uranium-235, plutonium-238, plutonium-239 of plutonium-241 of elk mengsel van deze radionucliden. Deze omschrijving is niet van toepassing op niet-bestraald natuurlijk uranium en verarmd uranium en niet op natuurlijk uranium of verarmd uranium, dat slechts in thermische reactoren is bestraald.

Stoffen met geringe specifieke activiteit

11. Onder "stoffen met geringe specifieke activiteit" (LSA) verstaat men radioactieve stoffen die van nature een beperkte specifieke activiteit bezitten, of radioactieve stoffen, waarvoor grenswaarden voor de geschatte gemiddelde specifieke activiteit van toepassing zijn. Met afschermingsmateriaal, dat de LSA-stoffen omgeeft, moet bij de bepaling van de geschatte gemiddelde specifieke activiteit geen rekening worden gehouden.

LSA-stoffen worden in drie groepen verdeeld:

a) LSA-I

i) ertsen die natuurlijke radionucliden bevatten (b.v. uranium, thorium) en uranium- of thorium-concentraten van zulke ertsen;

ii) niet-bestraald natuurlijk uranium of niet-bestraald verarmd uranium, of niet-bestraald natuurlijk thorium, alle in vaste vorm, of verbindingen of mengsels daarvan in vaste of vloeibare vorm;

iii) radioactieve stoffen, anders dan splijtbare stoffen, waarvoor de A2-waarde niet begrensd is.

b) LSA-II

i) water met een concentratie aan tritium van ten hoogste 0,8 TBq/l (20 Ci/l),

ii) andere stoffen, waarin de activiteit gelijkmatig verdeeld is en waarin de geschatte gemiddelde specifieke activiteit bij vaste stoffen en gassen niet hoger dan 10 P4 A2/g en bij vloeistoffen niet hoger dan 10 P25 A2/g is.

c) LSA-III

Vaste stoffen (b.v. in vaste vorm gebrachte afvalstoffen of geactiveerde stoffen) waarin:

i) de radioactieve stoffen gelijkmatig verdeeld zijn in een vast voorwerp of een verzameling vaste voorwerpen of in wezen gelijkmatig verdeeld zijn in een vast compact bindmiddel (zoals beton, bitumen, keramiek);

ii) de radioactieve stoffen relatief onoplosbaar zijn of bestanddeel zijn van een relatief onoplosbaar basismateriaal, zodat zelfs bij verloren gaan van de verpakking het verlies aan radioactieve stoffen per collo door uitloging als gevolg van een algehele onderdompeling in water gedurende zeven dagen 0,1 A2 niet overschrijdt;

iii) de geschatte gemiddelde specifieke activiteit van de vaste stof, met uitzondering van het afschermingsmateriaal, 2 × 10 P3 A2/g niet overschrijdt.

Hoogste normale bedrijfsdruk

12. Onder "hoogste normale bedrijfsdruk" verstaat men de hoogste druk boven de atmosferische druk op gemiddeld zeeniveau die zich in de loop van een jaar binnen de borghouder zou vormen, onder omstandigheden waarbij de temperatuur en zoninstraling heersen, die overeenkomen met de omstandigheden van de omgeving gedurende het vervoer, zonder dat er druknivellering, uitwendige koeling door een hulpsysteem of controlemaatregelen plaatsvinden.

Oververpakking

13. Onder "oververpakking" wordt verstaan een omhulsel (zoals een kist of een zak), dat niet aan de aan containers gestelde voorwaarden hoeft te voldoen en dat door één enkele afzender wordt gebruikt om een uit twee of meer colli bestaande zending tot een eenheid samen te voegen, teneinde de behandeling, de stuwage en het vervoer te vergemakkelijken. Een oververpakking is niet hetzelfde als een "buitenverpakking" zoals gedefinieerd in rn. 1510.

Collo

14. Onder "collo" wordt verstaan een verpakking met radioactieve inhoud, gereed voor verzending. De prestatie-eisen van de colli en de verpakkingen hangen, wat betreft het behoud van de insluiting en de afscherming, af van de hoeveelheid en de aard van de vervoerde radioactieve stof.

De aan de colli gestelde prestatie-eisen zijn meer of minder streng, afhankelijk van de gevaren verbonden aan de vervoersomstandigheden, die in verband daarmee als volgt worden onderscheiden.

omstandigheden, die te verwachten zijn onder normale vervoersomstandigheden (zonder incidenten);

vervoersomstandigheden, waarbij rekening wordt gehouden met kleinere incidenten;

omstandigheden, waarbij ongevallen plaatsvinden tijdens het vervoer.

De prestatie-eisen houden tevens voorschriften voor het ontwerp en de beproevingen in. De colli zijn als volgt ingedeeld:

a) een vrijgesteld collo is een verpakking die radioactieve stoffen bevat (zie rn. 1713, tabel V), en is ontworpen om te voldoen aan de aan alle verpakkingen en colli gestelde algemene voorschriften (zie rn. 1732).

b) I) een industrieel collo van type 1 (IP-1) is een verpakking, een reservoirwagen, tankcontainer of container die stoffen met een geringe specifieke activiteit (LSA) of voorwerpen met een besmetting aan het oppervlak (SCO) bevat (zie de definities 11 en 22), en is ontworpen om te voldoen aan de aan alle verpakkingen en colli gestelde algemene voorschriften (zie rn. 1732) en bovendien aan de speciale voorschriften (zie rn. 1733).

II) een industrieel collo van type 2 (IP-2) is een verpakking, een reservoirwagen, tankcontainer of container die stoffen met een geringe specifieke activiteit (LSA) of voorwerpen met een besmetting aan het oppervlak (SCO) bevat (zie de definities 11 en 22), en is ontworpen om te voldoen aan de aan alle verpakkingen en colli gestelde algemene voorschriften (zie rn. 1732) en bovendien aan de volgende bijzondere voorschriften:

i) voor een collo zie rn. 1734,

ii) voor een reservoirwagen of tankcontainer, zie rn. 1736, alsmede de Aanhangsels X en XI,

iii) voor een container zie rn. 1736.

III) een industrieel collo van type 3 (IP-3) is een verpakking, een reservoirwagen, tankcontainer of container die stoffen met geringe specifieke activiteit (LSA) of voorwerpen met besmetting aan het oppervlak (SCO) bevat (zie definities 11 en 22), en is ontworpen om te voldoen aan de aan alle verpakkingen en colli gestelde algemene voorschriften (zie rn. 1732) en bovendien aan de volgende bijzondere voorschriften:

i) voor een collo zie rn. 1735;

ii) voor een reservoirwagen of tankcontainer, zie rn. 1736 alsmede de Aanhangsels X en XI;

iii) voor een container zie rn. 1736.

c) een collo van type A is een verpakking, een reservoirwagen, tankcontainer of container die een activiteit van ten hoogste A1 bevat indien de stof zich in speciale toestand bevindt of een activiteit van ten hoogste A2, indien de radioactieve stof zich niet in speciale toestand bevindt en is ontworpen om te voldoen aan de aan alle verpakkingen en colli gestelde algemene voorschriften (zie rn. 1732) en - voor zover van toepassing - aan de bijzondere voorschriften van rn. 1737.

d) een collo van type B is een verpakking, een reservoirwagen, tankcontainer of container die een activiteit bevat die groter kan zijn dan A1 wanneer de stof zich in speciale toestand bevindt, of groter kan zijn dan A2 wanneer de stof zich niet in speciale toestand bevindt en is ontworpen om te voldoen aan de aan alle verpakkingen en colli gestelde algemene voorschriften (zie rn. 1732) en voor zover van toepassing aan de bijzondere voorschriften in rn. 1737 en van rn. 1738 t/m 1740.

Verpakking

15. Onder "verpakking" wordt verstaan het geheel van alle voor de volledige omsluiting van de radioactieve inhoud noodzakelijke onderdelen. De verpakking kan in het bijzonder bestaan uit één of meer houders, absorberende stoffen, onderdelen die een veilige afstand waarborgen, een afscherming tegen straling en inrichtingen voor het vullen, ledigen, ventilatie, drukontlasting, koeling en voor demping van mechanische schokken, voor de behandeling en vastzetten, voor warmte-isolatie, alsmede ingebouwde bedieningsinrichtingen. De verpakking kan overeenkomstig definitie 14 een kist, een vat of een soortgelijke houder of ook een container, een reservoirwagen of een tankcontainer zijn.

Kwaliteitsborging

16. Onder "kwaliteitsborging" verstaat men een systematisch controle- en inspectieprogramma, dat door iedere in het vervoer van radioactieve stoffen betrokken organisatie of instantie toegepast moet worden met het doel te garanderen dat de in Aanhangsel VII voorgeschreven veiligheidsnormen in de praktijk in acht worden genomen.

Stralingsniveau

17. Onder "stralingsniveau" verstaat men het overeenkomstige dosisequivalenttempo, uitgedrukt in millisievert (millirem) per uur ().

Radioactieve inhoud

18. Onder "radioactieve inhoud" verstaat men de radioactieve stoffen met alle besmette vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, die zich in de verpakking bevinden.

Speciale regeling

19. Onder "speciale regeling" verstaat men de bepalingen, goedgekeurd door de bevoegde autoriteit, op grond waarvan een zending die niet aan alle van toepassing zijnde voorschriften van blad 5 t/m 12 van rn. 704 voldoet, kan worden vervoerd. Bij dit soort zendingen is een multilaterale goedkeuring vereist.

Radioactieve stof in speciale toestand

20. Onder "radioactieve stof in speciale toestand" verstaat men hetzij een niet verspreidbare vaste radioactieve stof, hetzij een gesloten capsule, die een radioactieve stof bevat (zie rn. 1731).

Specifieke activiteit

21. Onder "specifieke activiteit" verstaat men de activiteit van een radionuclide per massaeenheid van dat nuclide. De specifieke activiteit van een stof, waarin de verdeling van het radionuclide in wezen gelijkmatig is, is de activiteit per massaeenheid van die stof.

Voorwerpen met besmetting aan het oppervlak

22. Onder "een voorwerp met besmetting aan het oppervlak" verstaat men een vast voorwerp, dat zelf niet radioactief is, doch waarbij het oppervlak ervan een radioactieve stof verspreid is. Voorwerpen met besmetting aan het oppervlak zijn ingedeeld in twee groepen:

a) SCO-I: Een vast voorwerp, waarop:

i) de afwrijfbare radioactieve besmetting op de bereikbare oppervlakte, gemiddeld over 300 cm2 (of over de totale oppervlakte indien kleiner dan 300 cm2), voor beta- of gammastralers, en alfastralers van geringe toxiciteit, niet hoger dan 4 Bq/cm2 (10 P4 ìCi/cm2), of voor alle andere alfastralers niet hoger dan 0,4 Bq/cm2 (10 P5 ìCi/cm2) is en

ii) de niet afwrijfbare besmetting op de bereikbare oppervlakte, gemiddeld over 300 cm2 (of over de totale oppervlakte indien kleiner dan 300 cm2) voor beta- of gammastralers, en alfastralers van geringe toxiciteit, niet hoger dan 4 × 104 Bq/cm2 (1 ìCi/cm2), of voor alle andere alfastralers niet hoger dan 4 × 103 Bq/cm2 (0,1 ìCi/cm2) is en

iii) de som van de afwrijfbare en niet afwrijfbare besmetting op de niet bereikbare oppervlakte, gemiddeld over 300 cm2 (of over de totale oppervlakte indien kleiner dan 300 cm2) voor beta- of gammastralers, en alfastralers van geringe toxiciteit, niet hoger dan 4 × 104 Bq/cm2 (1 ìCi/cm2) of voor alle andere alfastralers niet hoger dan 4 × 103 Bq/cm2 (0,1 ìCi/cm2) is.

b) SCO-II: Een vast voorwerp waarvan, op de oppervlakte hetzij de niet afwrijfbare, hetzij de afwrijfbare radioactieve besmetting hoger is dan de onder a) voor SCO-I vastgelegde van toepassing zijnde grenswaarden, en waarop:

i) de afwrijfbare besmetting op de bereikbare oppervlakte, gemiddeld over 300 cm2 (of over de totale oppervlakte indien kleiner dan 300 cm2) voor beta- of gammastralers, en alfastralers van geringe toxiciteit, niet hoger dan 400 Bq/cm2 (10 P2 ìCi/cm2) of voor alle andere alfastralers niet hoger dan 40 Bq/cm2 (10 P3 ìCi/cm2) is en

ii) de niet afwrijfbare radioactieve besmetting op de bereikbare oppervlakte, gemiddeld over 300 cm2 (of over de totale oppervlakte indien kleiner dan 300 cm2) voor beta- of gammastralers, en voor alfastralers van geringe toxiciteit, niet hoger dan 8 × 105 Bq/cm2 (20 ìCi/cm2) en voor alle andere alfastralers niet hoger dan 8 × 104 Bq/cm2 (2 ìCi/cm2) is en

iii) de som van de afwrijfbare en niet afwrijfbare besmetting op de niet bereikbare oppervlakte, gemiddeld over 300 cm2 (of over de totale oppervlakte indien kleiner dan 300 cm2) voor beta- of gammastralers, en alfastralers van geringe toxiciteit, niet hoger dan 8 × 105 Bq/cm2 (20 ìCi/cm2) en voor alle andere alfastralers 8 × 104 Bq/cm2 (2 ìCi/cm2) is.

Transportindex

23. Onder "transportindex" (TI) verstaat men een getal, dat is toegekend aan een collo, oververpakking, een reservoirwagen, tankcontainer of container of aan een niet verpakte LSA-I stof of SCO-I, en dat zowel ten doel heeft te verzekeren dat het gevaar van criticaliteit is voorkomen, als het beperken van stralingsniveau (zie rn. 1715).

Het heeft bovendien ten doel: beperkingen voor de inhoud van bepaalde colli, oververpakkingen, reservoirwagens, tankcontainers en containers vast te leggen, de categorie voor de gevaarsetiketten vast te stellen en of vervoer onder de conditie "exclusief gebruik" vereist is; en het geeft de voorschriften voor de afstand bij tussenopslag tijdens het vervoer aan. Het wordt gebruikt ter bepaling van de beperkingen t.a.v. samenlading van colli tijdens het vervoer op grond van een speciale regeling en bij tussenopslag tijdens het vervoer en ter bepaling van het aantal colli, dat in een container of in een wagen is toegelaten (zie Aanhangsel VII, hoofdstuk II).

Niet bestraald thorium

24. Onder "niet bestraald thorium" verstaat men thorium, dat niet meer dan 10 P7 g uranium-233 per gram thorium-232 bevat.

Niet bestraald uranium

25. Onder "niet bestraald uranium" verstaat men uranium, dat niet meer dan 10 P6 g plutonium per gram uranium-235 en niet meer dan 9 MBq (0,20 mCi) splijtingsproducten per gram uranium-235 bevat.

Natuurlijk, verarmd en verrijkt uranium

26. Onder "natuurlijk uranium" verstaat men door een chemisch scheidingsproces verkregen uranium waarin de uraniumisotopen zich in de natuurlijke verhouding bevinden (ca. 99,28 massa-% uranium-238 en 0,72 massa-% uranium-235). Onder "verarmd uranium" verstaat men uranium met een geringer massapercentage uranium-235 dan natuurlijk uranium. Onder "verrijkt uranium" verstaat men uranium met een hoger massapercentage uranium-235 dan natuurlijk uranium. In alle gevallen is uranium-234 in zeer geringe concentratie aanwezig.

701 (1) Opsomming van stoffen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(2) De stoffen en voorwerpen van deze klasse bevatten radionucliden, genoemd in de rn. 1700 en 1701.

(3) De onderstaande lijst omvat de bladen van rn. 704:

1. beperkte hoeveelheden radioactieve stoffen in vrijgestelde colli.

2. instrumenten of industriële voorwerpen in vrijgestelde colli.

3. industriële voorwerpen van natuurlijk uranium of verarmd uranium of natuurlijk thorium als vrijgestelde colli.

4. lege verpakkingen als vrijgestelde colli.

5. stoffen met geringe specifieke activiteit (LSA-I).

6. stoffen met geringe specifieke activiteit (LSA-II).

7. stoffen met geringe specifieke activiteit (LSA-III).

8. voorwerpen met besmetting aan het oppervlak (SCO-I en SCO-II).

9. radioactieve stoffen in colli van type A.

10. radioactieve stoffen in colli van type B(U).

11. radioactieve stoffen in colli van type B(M).

12. splijtbare stoffen.

13. radioactieve stoffen, die op grond van een speciale regeling worden vervoerd.

(4) Expresgoed

De radioactieve stoffen mogen ook als expresgoed worden vervoerd. Daarbij mag de som van de op de gevaarsetiketten vermelde transportindices per bagagewagen of bagageafdeling niet meer dan 10 bedragen. De Spoorweg kan bij colli van categorie III-GEEL de tijd bepalen van aanbieding ten vervoer. Een collo mag niet meer wegen dan 50 kg.

(5) De voorschriften voor de verschillende soorten zendingen zijn overeenkomstig rn. 2 (1) in 13 rubrieken vervat:

a) gelijkluidende voorschriften voor de bladen 1 t/m 4 zijn in rn. 702 samengevat;

b) gelijkluidende voorschriften voor de bladen 5 t/m 13 zijn in rn. 703 samengevat.

Gelijkluidende voorschriften voor de bladen 1 t/m 4 van rn. 704

702 1. Stoffen

Zie het desbetreffende blad.

2. Verpakking/collo

Zie het desbetreffende blad.

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau

5 ìSv/h (0,5 mrem/h) op een willekeurige plaats aan het buitenoppervlak van het collo.

4. Besmetting op colli, wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

De afwrijfbare besmetting op alle buitenoppervlakken en bovendien op de binnenoppervlakken van de wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen die voor het vervoer van vrijgestelde colli worden gebruikt, moet op een zo laag mogelijk niveau worden gehouden en mag de hierna volgende grenswaarden niet overschrijden:

a) beta- of gammastralers en alfastralers met geringe toxiciteit: 0,4 Bq/cm2 (10 P5 ìCi/cm2);

b) alle andere alfastralers: 0,04 Bq/cm2 (10 P6 ìCi/cm2).

5. Ontsmetting en gebruik van wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan

Wagens en uitrusting of onderdelen daarvan die zijn besmet moeten zo spoedig mogelijk en in ieder geval voordat zij opnieuw worden gebruikt, worden ontsmet tot een niveau dat de volgende waarden niet te boven gaat:

a) voor afwrijfbare besmetting:

voor beta- en gammastralers alsmede voor alfastralers met geringe toxiciteit: 0,4 Bq/cm2 (10 P5 ìCi/cm2)

en voor alle andere alfastralers: 0,04 Bq/cm2 (10 P6 ìCi/cm2)

b) voor niet afwrijfbare besmetting:

een stralingsniveau aan het oppervlak van 5 ìSv/h (0,5 mrem/h).

6. Gezamenlijke verpakking

Geen bepalingen.

7. Samenlading

Geen bepalingen.

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Zie het desbetreffende blad.

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens

Zie het desbetreffende blad.

10. Document voor het vervoer

Zie het desbetreffende blad.

11. Opslag en wijze van verzending

Geen bepalingen.

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Geen bepalingen.

13. Overige voorschriften

a) voorschriften bij ongevallen - zie rn. 710 en 1712

b) beschadigde of lekkende colli - zie rn. 1712

c) controle op besmetting - zie rn. 1712 (3)

d) kwaliteitsborging - zie rn. 1766

e) zendingen die niet afgeleverd kunnen worden - zie rn. 715

Gelijkluidende voorschriften voor de bladen 5 t/m 13 van rn. 704

703 1. Stoffen

Zie het desbetreffende blad.

2. Verpakking/collo

Zie het desbetreffende blad.

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau

a) Het stralingsniveau voor colli of oververpakkingen die niet onder exclusief gebruik worden vervoerd, mag niet hoger zijn dan:

i) op een willekeurige plaats aan het oppervlak van het collo 2 mSv/h (200 mrem/h), en

ii) op een afstand van 1 m van dit oppervlak 0,1 mSv/h (10 mrem/h).

b) Het stralingsniveau op het buitenoppervlak van colli en oververpakkingen die onder exclusief gebruik worden vervoerd, mag 2 mSv/h (200 mrem/h) overschrijden, echter in geen geval 10 mSv/h (1000 mrem/h), onder de volgende voorwaarden:

i) de wagen tijdens het vervoer is uitgerust met een omhulling, die de toegang tot de lading voor onbevoegden verhindert, en

ii) het collo of de oververpakking moet zodanig zijn vastgezet, dat de plaats binnen de omhulling zich onder normale vervoersomstandigheden niet kan wijzigen, en

iii) tussen het begin en het einde van het vervoer vinden geen laad- of loshandelingen plaats.

4. Besmetting op colli, wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

De afwrijfbare besmetting op alle buitenoppervlakken en bovendien op de binnenoppervlakken van wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen die voor het vervoer van deze colli worden gebruikt, moet op een zo laag mogelijk niveau worden gehouden en mag de hierna volgende grenswaarden niet overschrijden:

a) beta- of gammastralers, en alfastralers van geringe toxiciteit:

0,4 Bq/cm2 (10 P5 ìCi/cm2) voor zendingen, waarvan ook vrijgestelde colli en/of niet radioactieve goederen deel uitmaken;

4 Bq/cm2 (10 P4 ìCi/cm2) voor alle andere zendingen;

b) alle andere alfastralers:

0,04 Bq/cm2 (10 P6 ìCi/cm2) voor zendingen, waarvan ook vrijgestelde colli en/of niet radioactieve goederen deel uitmaken;

0,4 Bq/cm2 (10 P5 ìCi/cm2) voor alle andere zendingen.

5. Ontsmetting en gebruik van wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan

Wagens en uitrusting of onderdelen daarvan die boven de grenswaarden, aangegeven in rubriek 4, zijn besmet, of waarvan het stralingsniveau aan het oppervlak 5 ìSv/h (0,5 mrem/h) overschrijdt, moeten zo spoedig mogelijk en in ieder geval voordat zij opnieuw gebruikt worden, worden ontsmet tot een niveau dat de volgende waarden niet te boven gaat:

a) voor de afwrijfbare besmetting: zie de voorschriften in rubriek 4,

b) voor niet afwrijfbare besmetting: een stralingsniveau aan het oppervlak van:

5 ìSv/h (0,5 mrem/h).

6. Gezamenlijke verpakking

Zie rn. 1711 (1).

7. Samenlading

a) Colli, die van een etiket volgens model 7A, 7B of 7C zijn voorzien, mogen niet samen worden geladen in één wagen met colli, voorzien van een etiket volgens model 1, 1.4, 1.5, 1.6 of 01.

Deze voorschriften zijn niet van toepassing op colli die van een etiket volgens model nr. 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn voorzien.

b) Andere gevallen van samenlading zijn toegestaan. Bij een zending onder exclusief gebruik mag samenlading echter slechts door de afzender worden uitgevoerd.

c) Voor zendingen, die niet in één wagen samengeladen mogen worden, moeten afzonderlijke vrachtbrieven worden opgemaakt.

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakking

De volgende bepalingen hebben betrekking op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen, die geen splijtbare stoffen bevatten. Voor colli die splijtbare stoffen bevatten en voor containers en oververpakkingen, die colli met splijtbare stoffen bevatten, zie bovendien blad 12.

a) Colli en oververpakkingen niet zijnde containers, reservoirwagens en tankcontainers:

i) Dergelijke colli en oververpakkingen moeten, al naar gelang de categorie (zie rn. 1718), zijn voorzien van etiketten volgens model 7A, 7B en 7C, die volgens rn. 706 (3) moeten zijn ingevuld. De etiketten moeten op twee tegenover elkaar gelegen zijden van de colli en oververpakkingen zijn aangebracht.

ii) Op ieder etiket moet de hoogste activiteit van de radioactieve inhoud tijdens het vervoer zijn aangegeven.

iii) Op ieder geel etiket moet de transportindex van het collo of de oververpakking zijn aangegeven.

iv) Voor stoffen met de volgende identificatienummers volgens rn. 701 (1) moeten bovendien de volgende etiketten zijn aangebracht:

2975 Thorium, metallisch, pyrofoor model nr. 4.2

2979 Uranium, metallisch, pyrofoor model nr. 4.2

2976 Thoriumnitraat, vast model nr. 05

2981 Uranylnitraat, vast model nr. 05

2977 Uraniumhexafluoride, splijtbaar, met meer dan 1 % uranium-235 model nr. 8

2978 Uraniumhexafluoride, splijtbaar vrijgesteld of niet splijtbaar model nr. 8

2980 Uranylnitraat-hexahydraat in oplossing model nr. 8

v) Bij colli met een bruto massa van meer dan 50 kg moet de toelaatbare bruto massa duidelijk en duurzaam op de buitenkant staan aangegeven.

vi) Elke collo moet op duidelijke en duurzame wijze zijn voorzien van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

vii) Gevaarsetiketten, die geen betrekking op de inhoud hebben, moeten zijn verwijderd of afgedekt.

b) Containers, ook bij gebruik als oververpakking, reservoirwagens en tankcontainers, alsmede wagens en containers voor losgestort vervoer:

i) Dergelijke containers, reservoirwagens en tankcontainers moeten al naar gelang de categorie (zie rn. 1718) zijn voorzien van etiketten volgens model nr. 7A, 7B of 7C die overeenkomstig rn. 706 (3) moeten zijn ingevuld.

Reservoirwagens en tankcontainers alsmede grote containers met colli - uitgezonderd vrijgestelde colli - moeten bovendien zijn voorzien van etiketten volgens model nr. 7D.

In plaats van etiketten volgens model nr. 7A, 7B of 7C in combinatie met etiketten volgens model nr. 7D, mogen vergrote etiketten volgens model nr. 7A, 7B of 7C met de afmetingen van model nr. 7D, worden gebruikt.

De etiketten moeten op alle vier zijden van de containers en tankcontainers of op beide zijden van de reservoirwagens zijn aangebracht.

ii) Voor stoffen met de volgende identificatienummers volgens rn. 701 (1) moeten bovendien de volgende etiketten zijn aangebracht:

2975 Thorium, metallisch, pyrofoor model nr. 4.2

2979 Uranium, metallisch, pyrofoor model nr. 4.2

2976 Thoriumnitraat, vast model nr. 05

2981 Uranylnitraat, vast model nr. 05

2977 Uraniumhexafluoride, splijtbaar, met meer dan 1 % uranium-235 model nr. 8

2978 Uraniumhexafluoride, splijtbaar vrijgesteld of niet splijtbaar model nr. 8

2980 Uranylnitraat-hexahydraat in oplossing model nr. 8

iii) Op reservoirwagens en tankcontainers, alsmede op wagens en containers voor vervoer als losgestort goed, moet naast de gevaarsetiketten de oranje kenmerking volgens rn. 13 en Aanhangsel VIII worden aangebracht.

iv) Behalve in geval van samenladingen moet op ieder etiket de hoogste activiteit van de radioactieve inhoud van de container of van de oververpakking tijdens het vervoer opgeteld voor de gehele inhoud, zijn aangegeven. Voor samenladingen zie rn. 706 (3).

v) Op ieder geel etiket moet de transportindex van de container of van de oververpakking zijn aangegeven.

vi) Op containers, reservoirwagens en tankcontainers moet aan de buitenkant duidelijk en duurzaam de toelaatbare bruto massa zijn aangegeven.

vii) Kenmerkingen en gevaarsetiketten die niet op de inhoud betrekking hebben, moeten zijn verwijderd of afgedekt.

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens

a) i) Bij zendingen van al dan niet verpakte radioactieve stoffen moeten verticaal op de beide zijwanden van de wagen etiketten volgens model nr. 7D zijn aangebracht.

ii) Bij stoffen van de navolgende identificatienummers volgens rn. 701 (1) moeten bovendien de volgende etiketten zijn aangebracht:

2975 Thorium, metallisch, pyrofoor model nr. 4.2

2979 Uranium, metallisch, pyrofoor model nr. 4.2

2976 Thoriumnitraat, vast model nr. 05

2981 Uranylnitraat, vast model nr. 05

2977 Uraniumhexafluoride, splijtbaar, met meer dan 1 % uranium-235 model nr. 8

2978 Uraniumhexafluoride, splijtbaar vrijgesteld of niet splijtbaar model nr. 8

2980 Uranylnitraat-hexahydraat in oplossing model nr. 8

b) Gevaarsetiketten die geen betrekking op de inhoud hebben, moeten zijn verwijderd of afgedekt.

10. Documenten voor het vervoer

Zie het desbetreffende blad.

11. Opslag en wijze van verzending

a) Gedurende de opslag moeten de stoffen zijn gescheiden van andere gevaarlijke goederen, van personen en van niet ontwikkelde fotografische platen en films.

i) Voor de scheiding van andere gevaarlijke goederen: zie de bepalingen in rubriek 7.

ii) Voor de scheiding van personen, van colli met het opschrift "FOTO" en van postzakken, zie rn. 711 (1) met de tabellen voor de scheiding.

b) Grenswaarden voor de totale transportindex bij opslag, behalve voor LSA-I:

i) het aantal colli, oververpakkingen, reservoirwagens, tankcontainers en containers van categorie-II-GEEL en III-GEEL, dat gezamenlijk op één plaats wordt opgeslagen, moet dusdanig worden beperkt, dat de som van de transportindices in iedere afzonderlijke groep van dergelijke colli, oververpakkingen, reservoirwagens, tankcontainers of containers 50 niet overschrijdt. Dergelijke groepen moeten op zodanige wijze worden opgeslagen dat onderling een afstand van 6 m gehandhaafd blijft.

ii) indien de transportindex van een collo, een oververpakking, een reservoirwagen, een tankcontainer of een container 50 overschrijdt, of indien de som van de transportindices van een wagen 50 overschrijdt, moet de opslag op zodanige wijze plaatsvinden, dat een afstand van ten minste 6 m ten opzichte van andere colli, oververpakkingen, reservoirwagens, tankcontainers, containers en andere wagens met radioactieve stoffen gehandhaafd blijft.

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

1) Zie het desbetreffende blad.

2) a) Gedurende het vervoer moeten de stoffen zijn gescheiden van andere gevaarlijke stoffen, van personen en van niet ontwikkelde fotografische platen en films:

i) voor de scheiding van andere gevaarlijke goederen, zie de voorschriften in rubriek 7;

ii) voor de scheiding van personen, van colli met opschrift "FOTO" en van postzakken, zie rn. 711 (1) met de tabellen voor de scheiding.

b) Grenswaarden voor de totale transportindex tijdens het vervoer, behalve voor LSA-I:

het totale aantal colli, oververpakkingen, tankcontainers, containers op één wagen moet zodanig worden beperkt, dat de som van de transportindices 50 niet overschrijdt. Voor zendingen, die onder exclusief gebruik worden vervoerd, geldt deze grenswaarde niet [zie rn. 1711 (3)].

c) Elke collo of oververpakking met een transportindex hoger dan 10 mag slechts onder exclusief gebruik worden vervoerd.

d) Maximaal toelaatbaar stralingsniveau aan wagens:

i) aan het oppervlak van de wagen 2 mSv/h (200 mrem/h)

ii) op 2 m afstand van het oppervlak van de wagen 0,1 mSv/h (10 mrem/h).

13. Overige voorschriften

a) Bepaling van de transportindex, zie rn. 1715;

b) Voorschriften bij ongevallen, zie rn. 710 en 1712;

c) Beschadigde of lekkende colli, zie rn. 1712;

d) Controle op besmetting, zie rn. 1712 (3);

e) Kwaliteitsborging, zie rn. 1766;

f) Zendingen die niet afgeleverd kunnen worden, zie rn. 715.

Blad 1 Beperkte hoeveelheden radioactieve stoffen in vrijgestelde colli

704 Opmerkingen: 1. Radioactieve stoffen in hoeveelheden die een zeer beperkt risico opleveren, mogen in vrijgestelde colli worden vervoerd.

2. Voor bijkomende gevaarseigenschappen, zie ook het bepaalde in rn. 3 (5) en (6) en 1770.

1. Stoffen

2910 Radioactieve stoffen, vrijgesteld collo, beperkte hoeveelheden stof

a) Niet splijtbare radioactieve stoffen in hoeveelheden die de in tabel 1 genoemde grenswaarden niet overschrijden.

b) Splijtbare stoffen, waarvan de activiteit de in tabel 1 aangegeven grenswaarden niet overschrijdt en die bovendien wat betreft hoeveelheden, vorm en verpakking aan de voorwaarden van rn. 1741 voldoen, zodat het mogelijk is deze te beschouwen als colli met niet splijtbare radioactieve stoffen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Verpakking/collo

Radioactieve stoffen in beperkte hoeveelheden van de stof mogen in verpakkingen, reservoirwagens, tankcontainers en containers worden vervoerd.

a) De verpakking moet aan de algemene voorschriften voor alle verpakkingen en colli volgens rn. 1732, en bovendien in geval van reservoirwagens en tankcontainers, aan de voorschriften van de Aanhangsels X en XI voldoen.

b) Colli die een splijtbare stof bevatten, moeten ten minste aan één van de voorschriften overeenkomstig rn. 1741 voldoen.

c) In het bijzonder moet het collo zodanig zijn ontworpen, dat onder normale vervoersomstandigheden geen verlies van de radioactieve inhoud optreedt.

De stoffen mogen niet los gestort worden vervoerd.

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau

Zie rn. 702.

4. Besmetting op colli, wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Zie rn. 702.

5. Ontsmetting en gebruik van wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan

Zie rn. 702.

6. Gezamenlijke verpakking

Geen bepalingen.

7. Samenlading

Geen bepalingen.

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Colli

i) Geen gevaarsetiket vereist.

ii) Op een binnenoppervlak van de verpakking moet de aanduiding "Radioactief" zijn aangebracht om bij het openen van het collo te waarschuwen voor de aanwezigheid van radioactieve stoffen.

b) Containers

Geen bepalingen.

c) Tankcontainers en reservoirwagens

Zie rn. 13 en Aanhangsel VIII alsmede Aanhangsel X/XI, rn. 7.6.

d) Oververpakkingen

Geen bepalingen.

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens

Geen bepalingen.

10. Documenten voor het vervoer

De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet luiden: '2910 radioactieve stof, vrijgesteld collo, beperkte hoeveelheid stof, 7, blad 1, RID'. Bij vervoer in reservoirwagens of tankcontainers moet, indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, bovendien het gevaarsidentificatienummer volgens Aanhangsel VIII vóór de aanduiding van het goed worden vermeld. Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens aanhangsel VIII. In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

11. Opslag en wijze van verzending

Geen bepalingen.

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Geen bepalingen.

13. Overige voorschriften

Zie rn. 702.

Blad 2 Instrumenten of industriële voorwerpen in vrijgestelde colli

Opmerkingen: 1. Vastgestelde hoeveelheden radioactieve stoffen in instrumenten of industriële voorwerpen of die daarvan onderdeel zijn en die een zeer beperkt radiologisch risico opleveren, mogen in vrijgestelde colli worden vervoerd.

2. Voor bijkomende gevaarseigenschappen, zie ook het bepaalde in rn. 1770.

1. Stoffen

2910 Radioactieve stoffen, vrijgesteld collo, instrumenten of industriële voorwerpen

a) Instrumenten en industriële voorwerpen zoals: horloges, elektronenbuizen of elektronische instrumenten die radioactieve stoffen bevatten, waarvan de activiteit niet de grenswaarden per eenheid en per collo overschrijdt, aangegeven in de kolommen 2 en 3 van tabel 2, onder voorwaarde dat het stralingsniveau op een afstand van 10 cm van het buitenoppervlak van elk niet verpakt instrument of voorwerp 0,1 mSv/h (10 mrem/h) niet overschrijdt.

b) Instrumenten en industriële voorwerpen die splijtbare stoffen bevatten, waarvan de activiteit de grenswaarden in tabel 2 niet overschrijdt en die bovendien wat betreft de hoeveelheden, vorm en verpakking aan de voorwaarden in rn. 1741 voldoen, zodat het mogelijk is deze te beschouwen als colli met niet splijtbare radioactieve stof, onder voorwaarde dat het stralingsniveau op een afstand van 10 cm van het buitenoppervlak van elk niet verpakt instrument of voorwerp 0,1 mSv/h (10 mrem/h) niet overschrijdt.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. Verpakking/collo

a) De verpakking moet aan de algemene voorschriften voor alle verpakkingen en colli volgens rn. 1732 voldoen.

b) Colli die een splijtbare stof bevatten, moeten ten minste aan één van de voorschriften overeenkomstig rn. 1741 voldoen.

c) De instrumenten en industriële voorwerpen moeten veilig verpakt zijn.

d) Het vervoer van niet verpakte radioactieve stoffen is niet toegestaan.

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau

Zie rn. 702.

4. Besmetting op colli, wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Zie rn. 702.

5. Ontsmetting en gebruik van wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan

Zie rn. 702.

6. Gezamenlijke verpakking

Geen bepalingen.

7. Samenlading

Geen bepalingen.

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Instrumenten en industriële voorwerpen

Ieder instrument of voorwerp (met uitzondering van radioactieve lichtgevende horloges en uurwerken of andere inrichtingen) moet van het opschrift "Radioactief" zijn voorzien.

b) Colli

Geen bepalingen.

c) Containers

Geen bepalingen.

d) Tankcontainers en reservoirwagens

Niet van toepassing.

e) Oververpakkingen

Geen bepalingen.

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens

Geen bepalingen.

10. Documenten voor het vervoer

De aanduiding van het goed in het vervoerdocument moet luiden: "2910 radioactieve stof, vrijgesteld collo, instrumenten of industriële voorwerpen, 7, blad 2, RID". Indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII, moet vóór de aanduiding van het goed bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld. In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

11. Opslag en wijze van verzending

Geen bepalingen.

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Geen bepalingen.

13. Overige voorschriften

Zie rn. 702.

Blad 3

Industriële voorwerpen van natuurlijk uranium of verarmd uranium of van natuurlijk thorium als vrijgestelde colli

Opmerkingen: 1. Industriële voorwerpen van niet bestraald natuurlijk uranium of niet bestraald verarmd uranium of niet bestraald natuurlijk thorium die een zeer beperkt radiologisch risico opleveren, mogen als vrijgestelde colli worden vervoerd.

2. Voor bijkomende gevaarseigenschappen, zie ook het bepaalde in rn. 1770.

1. Stoffen

2910 Radioactieve stoffen, vrijgesteld collo, industriële voorwerpen van natuurlijk uranium of verarmd uranium of van natuurlijk thorium

Industriële voorwerpen, die als enige radioactieve stof niet bestraald natuurlijk uranium, niet bestraald verarmd uranium of niet bestraald natuurlijk thorium bevatten, onder voorwaarde dat het buitenoppervlak van het uranium of van het thorium door een niet actieve omhulling van metaal of van een ander stevig materiaal is omsloten.

Opmerking: Dergelijke voorwerpen kunnen b.v. zijn: nog niet gebruikte verpakkingen voor het vervoer van radioactieve stoffen.

2. Verpakking/collo

Het voorwerp dat als verpakking gebruikt wordt, moet aan de algemene voorschriften voor alle verpakkingen en colli van rn. 1732 voldoen.

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau

Zie rn. 702.

4. Besmetting op colli, wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Zie rn. 702.

5. Ontsmetting en gebruik van de wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan

Zie rn. 702.

6. Gezamenlijke verpakking

Geen bepalingen.

7. Samenlading

Geen bepalingen.

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Colli

Geen bepalingen.

b) Containers

Geen bepalingen.

c) Tankcontainers en reservoirwagens

Geen bepalingen.

d) Oververpakkingen

Geen bepalingen.

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens

Geen bepalingen.

10. Documenten voor het vervoer

De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet luiden: '2910 radioactieve stof, vrijgesteld collo, industriële voorwerpen van natuurlijk uranium of van verarmd uranium of van natuurlijk thorium, 7, blad 3, RID'. Indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII, moet vóór de aanduiding van het goed bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld. In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

11. Opslag en wijze van verzending

Geen bepalingen.

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Geen bepalingen.

13. Overige voorschriften

Zie rn. 702.

Blad 4 Lege verpakkingen als vrijgestelde colli

Opmerkingen: 1. Lege, niet gereinigde verpakkingen, die een radioactieve stof hebben bevat en die een zeer beperkt radiologisch risico opleveren, mogen als vrijgestelde colli worden vervoerd.

2. a) Lege, ongereinigde verpakkingen, die als gevolg van beschadiging of andere mechanische defecten niet meer op veilige wijze kunnen worden gesloten, moeten worden vervoerd op grond van een speciale regeling (blad 13), indien zij niet vervoerd kunnen worden in andere verpakkingen overeenkomstig de bepalingen van deze klasse;

b) Lege, ongereinigde verpakkingen, waarbij de inwendige, afwrijfbare besmetting (activiteit van de achtergebleven inhoud) de in rubriek 1c) aangegeven grenswaarden overschrijdt, mogen slechts worden vervoerd als colli overeenkomstig de verschillende bladen [rn. 701 (3)], afhankelijk van de hoeveelheid en de vorm van de achtergebleven activiteit en de besmetting;

c) Lege verpakkingen, die zover gereinigd zijn dat geen besmetting meer aanwezig is, die de waarde van 0,4 Bq/cm2 (10-5 ìCi/cm2) voor beta- of gammastralers en 0,04 Bq/cm2 (10-6 ìCi/cm2) voor alfastralers overschrijdt, en geen radioactieve stoffen bevatten met een specifieke activiteit hoger dan 70 kBq/kg (2 nCi/g), zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze klasse.

3. Voor bijkomende gevaarseigenschappen, zie ook het bepaalde in rn. 1770.

1. Stoffen

2910 Radioactieve stoffen, vrijgesteld collo, lege verpakkingen

a) Onder lege, niet gereinigde verpakkingen vallen ook niet gereinigde containers, reservoirwagens en tankcontainers die voor het vervoer van radioactieve stoffen zijn gebruikt.

b) Indien de opbouw van de verpakking uranium of thorium bevat, is de bepaling onder 2c) van toepassing.

c) De inwendige afwrijfbare besmetting (activiteit van de achtergebleven inhoud) mag niet hoger zijn dan:

i) Beta- of gammastralers, en alfastralers met geringe toxiciteit: 400 Bq/cm2 (10-2 ìCi/cm2).

ii) Alle andere alfastralers: 40 Bq/cm2 (10-3 ìCi/cm2).

2. Verpakking/collo

a) De verpakking moet aan de algemene voorschriften voor alle verpakkingen en voor colli volgens rn. 1732 voldoen.

b) De verpakking moet in goede staat verkeren en veilig gesloten zijn.

c) Indien de opbouw van de lege verpakking natuurlijk uranium of verarmd uranium of natuurlijk thorium bevat, moet het buitenoppervlak van het uranium resp. van het thorium een niet actieve omhulling van metaal of van een ander stevig materiaal bezitten.

d) Geen gevaarsetiket, aangebracht om te voldoen aan rn. 706, mag meer zichtbaar zijn.

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau

Zie rn. 702.

4. Besmetting op colli, wagens, containers, tankcontainers en oververpakkingen

Zie rn. 702.

5. Ontsmetting en gebruik van wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan

Zie rn. 702.

6. Gezamenlijke verpakking

Geen bepalingen.

7. Samenlading

Geen bepalingen.

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Colli

i) Kenmerking of gevaarsetiketten zijn niet vereist.

ii) Duurzame opschriften op de colli, als bedoeld in rn. 705 moeten niet worden verwijderd.

b) Containers

Geen bepalingen.

c) Tankcontainers en reservoirwagens

Zie rn. 13 en Aanhangsel VIII alsmede Aanhangsel X/XI onder 7.6.

d) Oververpakkingen

Geen bepalingen.

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens

Geen bepalingen.

10. Documenten voor het vervoer

De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet luiden: "2910 radioactieve stof, vrijgesteld collo, lege verpakking, 7, blad 4, RID". In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht. Deze aanduiding moet bij ongereinigde, lege reservoirwagens of tankcontainers worden aangevuld met de vermelding "Laatste inhoud", alsmede met de benaming en het blad van het laatste vervoerde goed. Bij vervoer in reservoirwagens of tankcontainers moet, indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed, b.v. "Laatste inhoud 78 2980 uranylnitraat-hexahydraat in oplossing, blad 5". Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

11. Opslag en wijze van verzending

Geen bepalingen.

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Geen bepalingen.

13. Overige voorschriften

Zie rn. 702.

Blad 5 Stoffen met geringe specifieke activiteit (LSA-I)

Opmerkingen: 1. LSA-I is de eerste van drie groepen radioactieve stoffen die van nature een beperkte specifieke activiteit bezitten, of waarop grenswaarden voor de gemiddelde geschatte specifieke activiteit van toepassing zijn.

2. Splijtbare stoffen mogen niet als LSA-I stoffen worden vervoerd.

3. Voor bijkomende gevaarseigenschappen, zie ook het bepaalde in rn. 1770.

1. Stoffen

2912 Radioactieve stoffen met een geringe specifieke activiteit (LSA-I), n.e.g.

2976 Thoriumnitraat, vast

2978 Uraniumhexafluoride, splijtbaar vrijgesteld of niet splijtbaar

2980 Uranylnitraat-hexahydraat in oplossing

2981 Uranylnitraat, vast

Stoffen met geringe specifieke activiteit (LSA-I): Radioactieve stoffen waarvan het stralingsniveau op een afstand van 3 m van de niet afgeschermde inhoud van een afzonderlijk collo of een lading van niet verpakte stoffen 10 mSv/h (1 000 mrem/h) niet te boven gaat en die aan één der volgende beschrijvingen voldoen:

a) ertsen, die natuurlijk voorkomende radionucliden bevatten (b.v. uranium, thorium), of

b) concentraten van uranium of thorium, gewonnen uit mineralen met natuurlijk voorkomende radionucliden, of

c) natuurlijk uranium of verarmd uranium of natuurlijk thorium, niet bestraald en in vaste vorm, of

d) vaste of vloeibare verbindingen of mengsels van niet bestraald natuurlijk uranium of verarmd uranium of van natuurlijk thorium, of

e) niet splijtbare radioactieve stoffen, waarvan de A2-waarde niet begrensd is.

2. Verpakking/collo

a) LSA-I-stoffen kunnen in verpakkingen, reservoirwagens, tankcontainers of containers worden vervoerd, indien:

i) de verpakking, die ook een reservoirwagen, tankcontainer of een container kan zijn, aan de voorschriften voor het ontwerp van industriële colli IP-1 of IP-2 (zie rn. 1733 of 1734 en, voor reservoirwagens en tankcontainers bovendien rn. 1736 en de Aanhangsels X en XI) - overeenkomstig de toestand van de LSA-I-stof als in tabel 3 weergegeven - voldoet, en

ii) de stoffen dusdanig in de verpakking zijn gevuld, dat er bij normale vervoersomstandigheden geen inhoud kan ontwijken en geen verlies van de afscherming kan optreden.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

b) LSA-I-stoffen mogen los gestort vervoerd worden, indien:

i) de stoffen - met uitzondering van natuurlijke ertsen - zodanig vervoerd worden, dat onder normale vervoersomstandigheden geen verlies van de inhoud uit de wagen plaatsvindt en geen verlies van afscherming kan optreden en indien de stoffen onder exclusief gebruik worden vervoerd;

ii) de stoffen in geval van natuurlijke ertsen in een wagen onder exclusief gebruik worden vervoerd.

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau

Zie rn. 703.

4. Besmetting op colli, wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703.

b) Oververpakkingen of containers die slechts worden gebruikt voor het vervoer van LSA-I-stoffen onder exclusief gebruik, worden uitsluitend voor wat betreft de inwendige besmetting slechts van de onder a) genoemde voorschriften uitgezonderd en slechts zolang zij onder dit exclusief gebruik blijven.

5. Ontsmetting en gebruik van wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan

a) Zie rn. 703.

b) Een wagen, gebruikt voor het vervoer van LSA-I-stoffen onder exclusief gebruik, is uitsluitend wat betreft de inwendige besmetting van de onder a) genoemde voorschriften uitgezonderd en slechts zolang hij onder dit exclusieve gebruik blijft.

6. Gezamenlijke verpakking

Zie rn. 703.

7. Samenlading

Zie rn. 703.

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703.

b) Voor tankcontainers en reservoirwagens zie bovendien Aanhangsel X/XI onder 7.6.

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens

Zie rn. 703.

10. Documenten voor het vervoer

a) Voor de samenvatting van de bepalingen inzake goedkeuring en kennisgeving, zie rn. 716;

b) De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet omvatten:

i) het identificatienummer en de benaming volgens rubriek 1 en de woorden "radioactieve stof met geringe specifieke activiteit (LSA-I), 7, blad 5, RID" b.v. "2976. thoriumnitraat, vast, radioactieve stof met geringe specifieke activiteit (LSA-I), 7, blad 5, RID"; of

ii) in geval van niet elders genoemde stoffen "2912 radioactieve stof met geringe specifieke activiteit (LSA-I), n.e.g., 7, blad 5, RID".

Bij vervoer in reservoirwagens of tankcontainers moet, indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed.

Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht. De overige aanduidingen, opgesomd in de rn. 709 en 710 moeten ook worden vermeld.

11. Opslag en wijze van verzending

a) Zie rn. 703.

b) Grenswaarden voor de som van de transportindices: geen.

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703, 12. 2)a) tot en met d).

b) Totale activiteit per wagen: geen grenswaarde.

13. Overige voorschriften

Zie rn. 703.

Blad 6 Stoffen met geringe specifieke activiteit (LSA-II)

Opmerkingen: 1. LSA-II is de tweede van drie groepen radioactieve stoffen die van nature een begrensde specifieke activiteit bezitten of waarop grenswaarden voor de gemiddelde, geschatte, specifieke activiteit van toepassing zijn.

2. Indien een splijtbare stof aanwezig is, zijn behalve de bepalingen van dit blad ook de bepalingen van blad 12 van toepassing.

3. Voor bijkomende gevaarseigenschappen, zie ook het bepaalde in rn. 1770.

1. Stoffen

2912 Radioactieve stoffen met geringe specifieke activiteit (LSA-II), n.e.g.

2976 Thoriumnitraat, vast

2978 Uraniumhexafluoride, splijtbaar vrijgesteld of niet splijtbaar

2980 Uranylnitraat-hexahydraat in oplossing

2981 Uranylnitraat, vast

Stoffen met geringe specifieke activiteit (LSA-II): radioactieve stoffen waarvan het stralingsniveau op een afstand van 3 m van de niet afgeschermde inhoud van een afzonderlijk collo 10 mSv/h (1 000 mrem/h) niet te boven gaat en die aan één van de volgende beschrijvingen voldoen:

a) water met een concentratie van tritium van niet meer dan 0,8 TBq/l (20 Ci/l), of

b) vaste stoffen en gassen met een gelijkmatig verdeelde activiteit van niet meer dan 10-4 × A2/g, of

c) vloeistoffen met een gelijkmatig verdeelde activiteit van niet meer dan 10-5 × A2/g.

2. Verpakking/collo

a) LSA-II-stoffen moeten worden vervoerd in verpakkingen, die ook reservoirwagens, tankcontainers of containers kunnen zijn.

b) De verpakking, de reservoirwagen, de tankcontainer of de container moet voldoen aan de voorschriften voor het ontwerp van industriële colli IP-2 of IP-3 (zie rn. 1734 of 1735 en, voor reservoirwagens en tankcontainers bovendien rn. 1736 en de Aanhangsels X en XI) - overeenkomstig de toestand van de LSA-II-stof als in tabel 4 weergegeven.

c) De stof moet zodanig in de verpakking, de reservoirwagen, de tankcontainer of de container zijn gevuld, dat er onder normale vervoersomstandigheden geen inhoud kan ontwijken en geen verlies van de afscherming kan optreden.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau

Zie rn. 703.

4. Besmetting op colli, wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703.

b) Oververpakkingen of containers, die slechts worden gebruikt voor het vervoer van LSA-II stoffen onder exclusief gebruik, zijn uitsluitend wat betreft de inwendige besmetting van de onder a) genoemde voorschriften uitgezonderd, en slechts zolang zij onder dit exclusief gebruik blijven.

5. Ontsmetting en gebruik van wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan

a) Zie rn. 703.

b) Een wagen, gebruikt voor het vervoer van LSA-II-stoffen onder exclusief gebruik, is uitsluitend wat betreft de inwendige besmetting van de onder a) genoemde voorschriften uitgezonderd en slechts zolang hij onder dit exclusieve gebruik blijft.

6. Gezamenlijke verpakking

Zie rn. 703.

7. Samenlading

Zie rn. 703.

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703.

b) Voor tankcontainers en reservoirwagens, zie bovendien Aanhangsel X/XI onder 7.6.

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens

Zie rn. 703.

10. Documenten voor het vervoer

a) Voor de samenvatting van de bepalingen inzake goedkeuring en kennisgeving, zie rn. 716.

b) De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet omvatten:

i) het identificatienummer en de benaming volgens rubriek 1 en de woorden "Radioactieve stof met geringe specifieke activiteit (LSA-II), 7, blad 6, RID", b.v. "2976 thoriumnitraat, vast, radioactieve stof met geringe specifieke activiteit (LSA-II), 7, blad 6, RID", of

ii) in geval van niet elders genoemde stoffen "2912 radioactieve stof met geringe specifieke activiteit (LSA-II), n.e.g., 7, blad 6, RID".

Bij vervoer in reservoirwagens of tankcontainers moet, indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed.

Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht. De overige aanduidingen, opgesomd in de rn. 709 en 710 moeten ook worden vermeld.

11. Opslag en wijze van verzending

Zie rn. 703.

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703, 12. 2) a) tot en met d).

b) De totale activiteit per wagen mag de grenswaarden in tabel 5 niet te boven gaan.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

13. Overige voorschriften

Zie rn. 703.

Blad 7 Stoffen met geringe specifieke activiteit (LSA-III)

Opmerkingen: 1. LSA-III is de derde van drie groepen radioactieve stoffen die van nature een beperkte specifieke activiteit bezitten, of waarop grenswaarden voor de gemiddelde geschatte specifieke activiteit van toepassing zijn.

2. Indien een splijtbare stof aanwezig is, zijn behalve de bepalingen van dit blad ook de bepalingen van blad 12 van toepassing.

3. Voor bijkomende gevaarseigenschappen, zie ook het bepaalde in rn. 1770.

1. Stoffen

2912 Radioactieve stoffen met geringe specifieke activiteit (LSA-III), n.e.g.

Stoffen met geringe specifieke activiteit (LSA-III): vaste radioactieve stoffen waarvan het stralingsniveau op een afstand van 3 m van de niet afgeschermde inhoud van een afzonderlijk collo 10 mSv/h (1 000 mrem/h) niet te boven gaat en die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) De radioactieve stoffen zijn gelijkmatig over het geheel van een vaste stof of in een verzameling vaste voorwerpen verdeeld, of de radioactieve stoffen zijn in wezen uniform verdeeld in een compact bindmiddel (b.v. beton, bitumen, keramiek); en

b) De radioactieve stof is naar verhouding onoplosbaar of in een naar verhouding onoplosbaar basismateriaal opgenomen; en

c) De geschatte gemiddelde specifieke activiteit overschrijdt 2 × 10-3 A2/g niet.

2. Verpakking/collo

a) LSA-III-stoffen moeten worden vervoerd in verpakkingen die ook containers kunnen zijn. Het vervoer in reservoirwagens en tankcontainers is niet van toepassing.

b) De verpakking of de container moet voldoen aan de voorschriften voor het ontwerp van industriële colli IP-2 (zie rn. 1734) bij vervoer onder exclusief gebruik, of die van industriële colli IP-3 (zie rn. 1735) bij vervoer niet onder exclusief gebruik.

c) De stoffen moeten zodanig in de verpakking of de container gevuld zijn, dat er onder normale vervoersomstandigheden geen inhoud kan ontwijken en geen verlies van de afscherming kan optreden.

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau

Zie rn. 703.

4. Besmetting op colli, wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703.

b) Oververpakkingen of containers die slechts worden gebruikt voor het vervoer van LSA-III-stoffen onder exclusief gebruik, zijn uitsluitend wat betreft de inwendige besmetting van de onder a) genoemde voorschriften uitgezonderd en slechts zolang zij onder dit exclusief gebruik blijven.

5. Ontsmetting en gebruik van wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan

a) Zie rn. 703.

b) Een wagen gebruikt voor het vervoer van LSA-III-stoffen onder exclusief gebruik is uitsluitend wat betreft de inwendige besmetting van de onder a) genoemde voorschriften uitgezonderd en slechts zolang het onder dit exclusief gebruik blijft.

6. Gezamenlijke verpakking

Zie rn. 703.

7. Samenlading

Zie rn. 703.

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Zie rn. 703.

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens

Zie rn. 703.

10. Documenten voor het vervoer

a) Voor de samenvatting van de bepalingen inzake goedkeuring en kennisgeving, zie rn. 716.

b) De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet luiden: "2912 radioactieve stof met geringe specifieke activiteit (LSA-III), n.e.g., 7, blad 7, RID". Indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII, moet vóór de aanduiding van het goed bovendien het gevaarsidentificatienummer volgens Aanhangsel VIII worden vermeld. In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht. De overige aanduidingen, opgesomd in rn. 709 en 710 moeten ook worden vermeld.

11. Opslag en wijze van verzending

Zie rn. 703.

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703, 12. 2)a) tot en met d).

b) De totale activiteit per wagen mag de grenswaarden in tabel 6 niet te boven gaan.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

13. Overige voorschriften

Zie rn. 703.

Blad 8 Voorwerpen met besmetting aan het oppervlak (SCO-I en SCO-II)

Opmerkingen: 1. Een voorwerp met besmetting aan het oppervlak (SCO) is een vast voorwerp dat zelf niet radioactief is, doch waarvan over de oppervlakken een radioactieve stof verspreid is. Voorwerpen met besmetting aan het oppervlak moeten al naar gelang het maximaal toelaatbare niveau van de besmetting (zie tabel 7) zijn ingedeeld in één van de twee groepen - SCO-I of SCO-II.

2. Indien splijtbare stoffen aanwezig zijn, zijn behalve de bepalingen van dit blad, ook de bepalingen van blad 12 van toepassing.

3. Voor bijkomende gevaarseigenschappen, zie ook het bepaalde in rn. 1770.

1. Stoffen

2913 Radioactieve stoffen, voorwerpen met besmetting aan het oppervlak (SCO-I of SCO-II)

a) Vaste, niet radioactieve voorwerpen, waarvan de oppervlakken besmet zijn tot een niveau dat de grenswaarden van tabel 7 niet te boven gaat, indien het gemiddelde van die besmetting wordt berekend over een oppervlak van 300 cm2 (of over het totale oppervlak, indien dat kleiner dan 300 cm2 is).

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

b) Het stralingsniveau op een afstand van 3 m van de niet afgeschermde inhoud van een verpakking of van een verzameling voorwerpen, indien deze niet verpakt zijn, mag 10 mSv/h (1 000 mrem/h) niet overschrijden.

2. Verpakking/collo

a) Voorwerpen van de groepen SCO-I en SCO-II mogen in verpakkingen worden vervoerd, onder voorwaarde dat:

i) de verpakking, die een container kan zijn, aan de voorschriften voor het ontwerp van industriële colli IP-1 (zie rn. 1733) voor de SCO-I of die van industriële colli IP-2 (zie rn. 1734) voor de SCO-II voldoet, en

ii) de voorwerpen zodanig in de verpakking zijn opgevuld, dat onder normale vervoersomstandigheden geen inhoud kan ontwijken en geen verlies van de afscherming kan optreden.

b) Voorwerpen van groep SCO-I met besmetting aan het oppervlak, kunnen onverpakt worden vervoerd, onder voorwaarde dat:

i) zij in een wagen of een container zodanig worden vervoerd, dat er onder normale vervoersomstandigheden geen inhoud kan ontwijken en geen verlies van de afscherming kan optreden, en

ii) zij onder exclusief gebruik worden vervoerd indien de besmetting op de bereikbare en niet bereikbare oppervlakken de volgende waarden overschrijdt: voor beta- of gammastralers, en alfastralers van geringe toxiciteit: 4 Bq/cm2 (10-4 ìCi/cm2) of voor alle andere alfastralers: 0,4 Bq/cm2 (10-5 ìCi/cm2), en

iii) voorzorgsmaatregelen getroffen zijn, die de zekerheid bieden dat de radioactieve stof niet in de wagen vrijkomt, indien verwacht wordt dat de afwrijfbare besmetting op de niet bereikbare oppervlakken de volgende grenswaarden overschrijdt: voor beta- of gammastralers, en alfastralers van geringe toxiciteit: 4 Bq/cm2 (10-4 ìCi/cm2) of voor alle andere alfastralers: 0,4 Bq/cm2 (10-5 ìCi/cm2).

c) Voorwerpen met besmetting aan het oppervlak van de groep SCO-II mogen niet onverpakt worden vervoerd.

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau

Zie rn. 703.

4. Besmetting op colli, wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703.

b) Oververpakkingen of containers die slechts worden gebruikt voor het vervoer van SCO-I en SCO-II-voorwerpen onder exclusief gebruik, zijn uitsluitend wat betreft de inwendige besmetting van de onder a) genoemde voorschriften uitgezonderd, en slechts zolang zij onder dit exclusief gebruik blijven.

5. Ontsmetting en gebruik van wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan

a) Zie rn. 703.

b) Een wagen, gebruikt voor het vervoer van SCO-voorwerpen onder exclusief gebruik, is uitsluitend wat betreft de inwendige besmetting van de onder a) genoemde voorschriften uitgezonderd, en slechts zolang hij onder dit exclusieve gebruik blijft.

6. Gezamenlijke verpakking

Zie rn. 703.

7. Samenlading

Zie rn. 703.

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Zie rn. 703.

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens

Zie rn. 703.

10. Documenten voor het vervoer

a) Voor de samenvatting van de bepalingen inzake goedkeuring en kennisgeving, zie rn. 716.

b) De aanduiding van het goed in het vervoerdocument moet luiden: "2913 radioactieve stof, voorwerpen met besmetting aan het oppervlak (SCO-I of SCO-II), 7, blad 8, RID". In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

Indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII, moet vóór de aanduiding van het goed bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld. De overige aanduidingen, opgesomd in rn. 709 en 710 moeten ook worden vermeld.

11. Opslag en wijze van verzending

Zie rn. 703.

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703, 12. 2)a) tot en met d).

b) De totale activiteit op één wagen mag 100 × A2 niet te boven gaan.

13. Overige voorschriften

Zie rn. 703.

Blad 9

Radioactieve stoffen in colli van type A

Opmerkingen: 1. Radioactieve stoffen in hoeveelheden die een beperkt radiologisch risico opleveren [zie rn. 700 (2) 1.], mogen worden vervoerd in colli van type A, die moeten zijn ontworpen om bestand te zijn tegen kleinere incidenten tijdens het vervoer.

2. Indien splijtbare stoffen aanwezig zijn, zijn behalve de bepalingen van dit blad ook de bepalingen van blad 12 van toepassing.

3. Voor bijkomende gevaarseigenschappen, zie ook het bepaalde in rn. 1770.

1. Stoffen

2974 Radioactieve stoffen in speciale toestand, n.e.g.

2975 Thorium, metallisch, pyrofoor

2976 Thoriumnitraat, vast

2979 Uranium, metallisch, pyrofoor

2980 Uranylnitraat-hexahydraat in oplossing

2981 Uranylnitraat, vast

2982 Radioactieve stoffen, n.e.g.

De inhoud van de colli van type A moet beperkt zijn tot radioactieve stoffen:

a) waarvan de activiteit A1 niet overschrijdt, indien de stof zich in speciale toestand bevindt (zie rn. 1700 en 1701);

b) waarvan de activiteit A2 niet overschrijdt, indien de stof zich niet in speciale toestand bevindt (zie rn. 1700 en 1701).

2. Verpakking/collo

a) De verpakking, die ook een reservoirwagen, een tankcontainer of een container kan zijn, moet aan de voorschriften voor colli van type A overeenkomstig rn. 1737 en voor reservoirwagens en tankcontainers bovendien aan de voorschriften van de Aanhangsels X en XI voldoen.

b) Het collo van type A in het bijzonder moet zodanig zijn ontworpen, dat in geval van kleinere incidenten tijdens het vervoer geen verlies aan of verspreiding van de radioactieve inhoud kan voorkomen en ook geen aantasting van de ongeschondenheid van de afscherming, die tot een stijging van het uitwendige stralingsniveau op welke plaats dan ook van meer dan 20 % zou kunnen leiden.

c) Indien de radioactieve inhoud bestaat uit radioactieve stoffen in speciale toestand is de goedkeuring door de bevoegde autoriteit van het model voor de stof in speciale toestand, vereist.

d) Aan de buitenkant van het collo van type A moet een voorziening, zoals b.v. een zegel, zijn aangebracht, die niet gemakkelijk kan worden verbroken en waarvan de onbeschadigde toestand bewijst dat het collo niet is geopend.

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau

Zie rn. 703.

4. Besmetting op colli, wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Zie rn. 703.

5. Ontsmetting en gebruik van wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan

Zie rn. 703.

6. Gezamenlijke verpakking

Zie rn. 703.

7. Samenlading

Zie rn. 703.

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703.

b) Ieder collo van type A moet aan de buitenkant duidelijk en duurzaam van het opschrift "TYPE A" zijn voorzien.

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens

Zie rn. 703.

10. Documenten voor het vervoer

a) Voor de samenvatting van de bepalingen inzake goedkeuring en kennisgeving, zie rn. 716;

b) De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet omvatten:

i) het identificatienummer en de benaming volgens rubriek 1 en de woorden "Radioactieve stof in collo van type A, 7, blad 9, RID" (b.v. 2976. thoriumnitraat, vast, radioactieve stof in collo van type A, 7, blad 9, RID), of

ii) voor niet elders genoemde stoffen "2974 radioactieve stof in speciale toestand, n.e.g., in collo van type A, 7, blad 9, RID" resp. "2982 radioactieve stof, n.e.g., in collo van type A, 7, blad 9, RID".

Bij vervoer in reservoirwagens of tankcontainers moet, indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed. Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht. De overige aanduidingen, opgesomd in rn. 709 en 710 moeten ook worden vermeld.

11. Opslag en wijze van verzending

Zie rn. 703.

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Zie rn. 703, 12. 2).

13. Overige voorschriften

Zie rn. 703.

Blad 10 Radioactieve stoffen in colli van type B(U)

Opmerkingen: 1. Een radioactieve stof in een hoeveelheid, die de grenswaarden voor de colli van type A overschrijdt mag worden vervoerd in een collo van type B(U), dat zodanig moet zijn ontworpen, dat het onwaarschijnlijk is dat de radioactieve inhoud ontwijkt of aantasting van de ongeschondenheid van de afscherming optreedt onder ongevalsomstandigheden.

2. Indien splijtbare stoffen aanwezig zijn, zijn behalve de bepalingen van dit blad ook de bepalingen van blad 12 van toepassing.

3. Voor bijkomende gevaarseigenschappen, zie ook het bepaalde in rn. 1770.

1. Stoffen

2974 Radioactieve stoffen in speciale toestand, n.e.g.

2975 Thorium, metallisch, pyrofoor

2976 Thoriumnitraat, vast

2979 Uranium, metallisch, pyrofoor

2980 Uranylnitraat-hexahydraat in oplossing

2981 Uranylnitraat, vast

2982 Radioactieve stoffen, n.e.g.

De grenswaarde van de totale activiteit in een collo van type B(U) is voorgeschreven in het certificaat van goedkeuring van het model van het collo.

2. Verpakking/collo

a) De verpakking, die ook een reservoirwagen, een tankcontainer of een container kan zijn, moet aan de voorschriften voor colli van type B overeenkomstig rn. 1738, verder aan de voorschriften voor colli van type B(U) overeenkomstig rn. 1739 en voor reservoirwagens en tankcontainers bovendien aan de voorschriften van de Aanhangsels X en XI voldoen.

b) In het bijzonder moet het collo van type B(U) zodanig zijn ontworpen dat:

i) in geval van kleine transportincidenten het verlies aan of de verspreiding van de radioactieve inhoud tot maximaal A2 × 10 P6 per uur beperkt blijft en dat aantasting van de ongeschondenheid van de afscherming beperkt blijft, zodat het uitwendige stralingsniveau op welke plaats dan ook niet meer dan 20 % toeneemt, en

ii) het collo in staat is weerstand te bieden tegen de schade veroorzakende effecten van een vervoersongeval, zoals wordt aangetoond door het behoud van de ongeschonden staat van de borghouder en de afscherming vereist in de rn. 1738 en 1739.

c) het model van het collo van type B(U) moet door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst overeenkomstig rn. 1752 zijn goedgekeurd (unilaterale goedkeuring).

d) indien de radioactieve inhoud bestaat uit radioactieve stoffen in speciale toestand is goedkeuring door de bevoegde autoriteit van het model van de stof in speciale toestand vereist.

e) aan de buitenzijde van het collo van type B(U) moet een voorziening, zoals b.v. een zegel, zijn aangebracht, die niet gemakkelijk kan worden verbroken en waarvan de ongeschonden toestand bewijst dat het collo niet is geopend.

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau

Zie rn. 703.

4. Besmetting op colli, wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Zie rn. 703.

5. Ontsmetting en gebruik van wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan

Zie rn. 703.

6. Gezamenlijke verpakking

Zie rn. 703.

7. Samenlading

Zie rn. 703.

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703.

b) Ieder collo van type B(U) moet aan de buitenkant duidelijk en duurzaam van de volgende opschriften zijn voorzien:

i) het kenmerk, dat door de bevoegde autoriteit is verleend,

ii) het serienummer, teneinde elke verpakking die overeenkomt met het model te identificeren,

iii) het opschrift "TYPE B(U)",

iv) het in rn. 705 (5) aangegeven klaverbladsymbool, ingeperst of ingeslagen op de buitenste vuurvaste en waterbestendige omhulling.

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens

Zie rn. 703.

10. Documenten voor het vervoer

a) Voor de samenvatting van de bepalingen inzake goedkeuring en kennisgeving, zie rn. 716.

b) De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet omvatten:

i) het identificatienummer en de benaming volgens rubriek 1 en de woorden "Radioactieve stof in collo van type B(U), 7, blad 10, RID" (b.v. "2976 thoriumnitraat, vast, radioactieve stof in collo van type B(U), 7, blad 10, RID", of

ii) voor niet elders genoemde stoffen "2974 radioactieve stof in speciale toestand, n.e.g., in collo van type B(U), 7, blad 10, RID" resp. "2982 radioactieve stof, n.e.g., in collo van type B(U), 7, blad 10, RID".

Bij vervoer in reservoirwagens of tankcontainers moet, indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed. Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht. De overige aanduidingen, opgesomd in rn. 709 en 710 moeten ook worden vermeld.

c) Voor het model van het collo is een certificaat van unilaterale goedkeuring vereist.

d) Vóór iedere verzending van een collo van type B(U) moet de afzender in het bezit zijn van alle noodzakelijke certificaten van goedkeuring van de bevoegde autoriteiten en moet hij voor de eerste verzending controleren dat kopieën daarvan zijn voorgelegd aan de bevoegde autoriteit van de verschillende landen over wiens grondgebied het collo zal worden vervoerd.

e) Vóór ieder vervoer waarvan de activiteit 3 × 103 A2 of 3 × 103 A1, afhankelijk van het geval, of 1 000 TBq (20 kCi) overschrijdt, waarbij de laagste van deze waarden bepalend is, moet de afzender een kennisgeving zenden aan de bevoegde autoriteit van de verschillende landen, over wiens grondgebied het collo zal worden vervoerd, bij voorkeur 7 dagen van te voren.

11. Opslag en wijze van verzending

a) Zie rn. 703.

b) De afzender moet vóór het gebruik en de verzending hebben voldaan aan de bepalingen van rn. 1710, die van toepassing zijn.

c) Aan alle bepalingen van het certificaat van goedkeuring van de bevoegde autoriteit moet zijn voldaan.

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703, 12. 2) a) t/m d).

b) Indien de gemiddelde warmtestroomdichtheid door de buitenzijde van het collo van type B(U) 15 W/m2 kan overschrijden, moet zijn voldaan aan alle bepalingen voor de stuwage zoals aangegeven in het certificaat van goedkeuring van het model door de bevoegde autoriteit.

c) Indien de temperatuur van een toegankelijk uitwendig oppervlak van een collo van type B(U) in de schaduw 50 °C kan overschrijden, is het vervoer slechts onder exclusief gebruik toegestaan waarbij de temperatuur van het oppervlak beperkt is tot 85 °C. Er kan rekening worden gehouden met afsluitingen of schermen bestemd om het bij het vervoer betrokken personeel te beschermen, zonder dat deze afsluitingen of schermen behoeven te zijn beproefd.

13. Overige voorschriften

Zie rn. 703.

Blad 11 Radioactieve stoffen in colli van type B(M)

Opmerkingen: 1. Een radioactieve stof in een hoeveelheid, die de grenswaarden voor de colli van type A overschrijdt mag worden vervoerd in een collo van type B(M), dat zodanig moet zijn ontworpen dat het onwaarschijnlijk is dat de radioactieve inhoud ontwijkt of aantasting van de ongeschondenheid van de afscherming optreedt onder ongevalsomstandigheden.

2. Indien splijtbare stoffen aanwezig zijn, zijn behalve de bepalingen van dit blad ook de bepalingen van blad 12 van toepassing.

3. Voor bijkomende gevaarseigenschappen, zie ook het bepaalde in rn. 1770.

1. Stoffen

2974 Radioactieve stoffen in speciale toestand, n.e.g.

2975 Thorium, metallisch, pyrofoor

2976 Thoriumnitraat, vast

2979 Uranium, metallisch, pyrofoor

2980 Uranylnitraat-hexahydraat in oplossing

2981 Uranylnitraat, vast

2982 Radioactieve stoffen, n.e.g.

De grenswaarde van de totale activiteit in een collo van type B(M) is voorgeschreven in het certificaat van goedkeuring van het model van het collo.

2. Verpakking/collo

a) De verpakking, die ook een reservoirwagen, een tankcontainer of een container kan zijn, moet aan de voorschriften voor colli van type B overeenkomstig rn. 1738, verder aan de voorschriften voor colli van type B(M) overeenkomstig rn. 1740, voor reservoirwagens en tankcontainers bovendien aan de voorschriften van de Aanhangsels X en XI voldoen.

b) In het bijzonder moet het collo van type B(M) zodanig zijn ontworpen dat:

i) in geval van kleine transportincidenten het verlies aan of de verspreiding van de radioactieve inhoud tot maximaal A2 × 10 P6 per uur beperkt blijft en dat verliezen aan afscherming beperkt blijven, zodat het uitwendige stralingsniveau op welke plaats dan ook niet meer dan 20 % toeneemt;

ii) het collo in staat is weerstand te bieden tegen de schade veroorzakende effecten van een vervoersongeval, zoals wordt aangetoond door het behoud van de ongeschonden staat van de borghouder en de afscherming, vereist in de rn. 1738 en 1739.

c) Bij colli van type B(M) kan een intermitterende druknivellering tijdens het vervoer worden toegestaan onder voorwaarde dat de operationele controles zijn goedgekeurd door alle betrokken bevoegde autoriteiten.

d) De aanvullende operationele controles, noodzakelijk om de veiligheid van colli van type B(M) gedurende het vervoer te waarborgen of die de onvolkomenheden in vergelijking met de voorschriften voor type B(U) moeten ondervangen en alle beperkingen inzake de wijze waarop en de voorwaarden waaronder het vervoer plaatsvindt, moeten door alle betrokken bevoegde autoriteiten worden goedgekeurd.

e) De goedkeuring van het model van het collo van type B(M) is overeenkomstig rn. 1753 vereist zowel door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst van het model als van alle landen waarheen of waardoor de colli worden vervoerd (multilaterale goedkeuring).

f) Indien de radioactieve inhoud bestaat uit radioactieve stoffen in speciale toestand, is de goedkeuring door de bevoegde autoriteit van het model van de stof in speciale toestand vereist.

g) Aan de buitenzijde van het collo van type B(M) moet een voorziening, zoals b.v. een zegel, zijn aangebracht, die niet gemakkelijk kan worden verbroken en waarvan de ongeschonden toestand bewijst dat het collo niet is geopend.

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau

Zie rn. 703.

4. Besmetting op colli, wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Zie rn. 703.

5. Ontsmetting en gebruik van wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan

Zie rn. 703.

6. Gezamenlijke verpakking

Zie rn. 703.

7. Samenlading

Zie rn. 703.

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703.

b) Ieder collo van type B(M) moet aan de buitenkant duidelijk en duurzaam van de volgende opschriften zijn voorzien:

i) het kenmerk, dat door de bevoegde autoriteit is verleend,

ii) het serienummer, teneinde elke verpakking die overeenkomt met het model te identificeren,

iii) het opschrift "TYPE B(M)", en

iv) het in rn. 705 (5) aangegeven klaverbladsymbool, ingeperst of ingeslagen op de buitenste vuurvaste en waterbestendige omhulling.

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens

Zie rn. 703.

10. Documenten voor het vervoer

a) Voor de samenvatting van de bepalingen inzake goedkeuring en kennisgeving, zie rn. 716.

b) De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet omvatten:

i) het identificatienummer en de benaming volgens rubriek 1 en de woorden "Radioactieve stof in collo van type B(M), 7, blad 11, RID" (b.v. "2976 thoriumnitraat, vast, radioactieve stof in collo van type B(M), 7, blad 11, RID"), of

ii) voor niet elders genoemde stoffen "2974 Radioactieve stof in speciale toestand, n.e.g., in collo van type B(M), 7, blad 11, RID" resp. "2982 Radioactieve stof, n.e.g., in collo van type B(M), 7, blad 11, RID".

Bij vervoer in reservoirwagens of tankcontainers moet, indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed. Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht. De overige aanduidingen, opgesomd in rn. 709 en 710 moeten ook worden vermeld.

c) Voor het model van het collo is een certificaat van multilaterale goedkeuring vereist.

d) Indien het collo is ontworpen voor de mogelijkheid van gecontroleerde intermitterende druknivellering of indien de activiteit van de inhoud 3 × 103 A2 of 3 × 103 A1, afhankelijk van het geval, of 1 000 TBq (20 kCi) overschrijdt, waarbij de laagste van deze waarden bepalend is, zijn multilaterale certificaten van goedkeuring vereist, tenzij de betrokken bevoegde autoriteiten dit vervoer op grond van een speciale bepaling in het certificaat van goedkeuring van het model van het collo hebben toegestaan.

e) Vóór iedere zending van een collo van type B(M) moet de afzender in het bezit zijn van alle daarvoor vereiste certificaten van goedkeuring.

f) Vóór iedere verzending moet de afzender aan de bevoegde autoriteiten van alle bij het vervoer betrokken landen, bij voorkeur zeven dagen van te voren, een kennisgeving zenden.

11. Opslag en wijze van verzending

a) Zie rn. 703.

b) De afzender moet vóór het gebruik en de verzending hebben voldaan aan de bepalingen van rn. 1710, die van toepassing zijn.

c) Aan alle bepalingen van de certificaten van goedkeuring van de bevoegde autoriteit voor het model en de verzending moet zijn voldaan.

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703, 12. 2) a) t/m d).

b) Indien de gemiddelde warmtestroomdichtheid door de buitenzijde van een collo van type B(M) 15 W/m2 kan overschrijden moet zijn voldaan aan alle bepalingen voor de stuwage, zoals aangegeven in het certificaat van goedkeuring van het model door de bevoegde autoriteit.

c) Indien de temperatuur van een toegankelijk uitwendig oppervlak van een collo van type B(U) in de schaduw 50 °C kan overschrijden, is het vervoer slechts onder exclusief gebruik toegestaan, waarbij de temperatuur van het uitwendige oppervlak tot 85 °C moet worden beperkt. Daarbij kan rekening worden gehouden met afsluitingen en schermen, bestemd om het bij het vervoer betrokken personeel te beschermen, zonder dat die afsluitingen of schermen behoeven te zijn beproefd.

13. Overige voorschriften

Zie rn. 703.

Blad 12 Splijtbare stoffen

Opmerkingen: 1. Een radioactieve stof, die ook een splijtbare stof is, moet zodanig verpakt, vervoerd en opgeslagen zijn dat aan de voorschriften inzake nucleaire veiligheid met betrekking tot criticaliteit van dit blad en aan de voorschriften inzake de radioactiviteit van de stof omschreven in de betreffende bladen 6 t/m 11 is voldaan.

2. Voor bijkomende gevaarseigenschappen, zie ook het bepaalde in rn. 1770.

1. Stoffen

2918 Radioactieve stoffen, splijtbaar, n.e.g.

2977 Uraniumhexafluoride, splijtbaar, met meer dan 1 % uranium-235

Splijtbare stoffen zijn uranium-233, uranium-235, plutonium-238, plutonium-239, plutonium-241 of iedere combinatie van deze stoffen met uitzondering van niet bestraald natuurlijk uranium en verarmd uranium, alsmede natuurlijk uranium of verarmd uranium, dat slechts in thermische reactoren bestraald is geworden.

Zendingen met splijtbare stoffen moeten ook volledig voldoen aan de bepalingen van één van de andere bladen in overeenstemming met de radioactiviteit van de zending.

2. Verpakking/collo

a) De volgende stoffen zijn uitgezonderd van de bijzondere bepalingen voor de verpakking omschreven in dit blad, maar zij moeten overeenkomstig de radioactiviteit van de stof, aan de bepalingen van één van de andere bladen voldoen:

i) splijtbare stof in een hoeveelheid van ten hoogste 15 g per collo, onder de voorwaarden gesteld in rn. 1741.

ii) homogene waterstof bevattende oplossingen in beperkte concentraties en hoeveelheden overeenkomstig tabel III van rn. 1703.

iii) verrijkt uranium dat niet meer dan 1 massa- % homogeen verdeeld uranium-235 bevat en een totaal gehalte aan plutonium en uranium-233 van niet meer dan 1 % van de massa aan uranium-235, onder voorwaarde dat er, indien het uranium-235 in de vorm van metaal, oxyde of carbide aanwezig is, binnen de verpakking geen roosterstructuur wordt gevormd.

iv) stoffen die niet meer dan 5 g splijtbaar materiaal bevatten per volume van 10 liter.

v) colli, die niet meer dan 1 kg plutonium bevatten, waarbij niet meer dan 20 % van de massa uit plutonium-239, plutonium-241 of een combinatie van deze radionucliden bestaat.

vi) uranylnitraat-oplossingen, verrijkt met uranium-235 tot een gehalte van ten hoogste 2 massa- % met een totaal gehalte aan plutonium en uranium-233 van niet meer dan 0,1 % van de massa uranium-235 en een minimale verhouding van stikstof- tot uranium-atomen van 2.

b) In andere gevallen moeten de colli voor splijtbare stoffen voldoen aan de voorschriften voor het ontwerp van het type collo, dat aangepast is aan de radioactiviteit van de splijtbare stof en bovendien aan de aanvullende voorschriften van toepassing op colli, die splijtbare stoffen bevatten, omschreven in rn. 1741.

c) Ieder model van een collo voor splijtbare stoffen moet worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst van het model en door de bevoegde autoriteiten van alle landen, waardoor of waarheen het collo moet worden vervoerd, dat wil zeggen, dat er een multilaterale goedkeuring vereist is.

d) Aan de buitenzijde van een collo voor splijtbare stoffen moet een voorziening, zoals b.v. een zegel, zijn aangebracht, die niet gemakkelijk kan worden verbroken en waarvan de ongeschonden toestand bewijst dat het collo niet is geopend.

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau

Zie het dienovereenkomstige blad.

4. Besmetting van colli, wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Zie het dienovereenkomstige blad.

5. Ontsmetting en gebruik van wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan

Zie het dienovereenkomstige blad.

6. Gezamenlijke verpakking

Alleen artikelen of documenten noodzakelijk voor het gebruik van de radioactieve inhoud zijn in het collo toegelaten, voor zover er geen interactie tussen deze artikelen en documenten en het collo en de materialen daarvan optreedt, waardoor de veiligheid van het collo (met inbegrip van de nucleaire veiligheid met betrekking tot de criticaliteit) kan verminderen.

7. Samenlading

Zie rn. 703.

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie het dienovereenkomstige blad.

b) Colli moeten aan de buitenzijde goed leesbaar en duurzaam van de volgende opschriften zijn voorzien:

i) "TYPE A", "TYPE B(U)", "TYPE B(M)" al naar gelang

ii) het kenmerk van het model verleend door de bevoegde autoriteit.

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens

Zie rn. 703.

10. Documenten voor het vervoer

a) Voor de samenvatting van de bepalingen inzake goedkeuring en kennisgeving, zie rn. 716.

b) De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet luiden:

"2918 radioactieve stof, splijtbaar, n.e.g., in collo van type I-F, type AF, type B(U)F of type B(M)F al naar gelang, 7, blad 12, RID" of "2977 uraniumhexafluoride, splijtbaar, met meer dan 1 % uranium-235, radioactieve stof in goedgekeurd collo, 7, blad 12, RID". In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht. De overige aanduidingen opgesomd in rn. 709 en 710 moeten ook worden vermeld.

c) Voor het model van het collo voor splijtbare stoffen is een certificaat van multilaterale goedkeuring vereist.

d) Voor iedere verzending van een collo met splijtbare stoffen moet de afzender in het bezit van alle desbetreffende certificaten van goedkeuring zijn.

e) Voor het vervoer van colli die splijtbare stoffen bevatten zijn multilaterale certificaten van goedkeuring vereist, indien de som van de transportindices van de zending 50 overschrijdt.

f) Zie voor verdere voorschriften voor de documenten het desbetreffende blad.

11. Opslag en wijze van verzending

Zie rn. 703.

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers, oververpakkingen

a) Zie rn. 703, 12. 2)a) t/m d).

b) Voor zendingen onder exclusief gebruik is de transportindex beperkt tot 100.

c) Colli met splijtbare stoffen, waarvan de transportindex in verband met de controle van de criticaliteit 0 overschrijdt, mogen niet in oververpakkingen worden vervoerd.

13. Overige voorschriften

Zie rn. 703.

Blad 13 Radioactieve stoffen, die op grond van een speciale regeling worden vervoerd

Opmerking: Zendingen met radioactieve stoffen die niet aan alle van toepassing zijnde voorschriften van de bladen 5 t/m 12 voldoen, kunnen op grond van een speciale regeling 1 () worden vervoerd; op deze zendingen zijn speciale bepalingen van toepassing, goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten. Deze bepalingen moeten waarborgen, dat het algemene veiligheidsniveau tijdens het vervoer en tussentijdse opslag ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat zou zijn bereikt, indien zou zijn voldaan aan alle regels, die van toepassing zijn.

1. Stoffen

Stoffen met de volgende identificatienummers:

2912, 2913, 2918, 2974, 2975, 2976, 2977, 2978, 2979, 2980, 2981, 2982

Zie rn. 701.

De radioactieve stoffen, die op grond van een speciale regeling mogen worden verzonden, zijn alle onder de bladen 5 t/m 11 en - voor zover van toepassing - onder blad 12 vallende stoffen.

2. Verpakking/collo

a) Zoals toegelaten in het certificaat van goedkeuring voor de speciale regeling, afgegeven door de bevoegde autoriteiten.

b) Een multilaterale goedkeuring is vereist.

3. Maximaal toelaatbaar stralingsniveau

Zoals toegelaten in het certificaat voor de speciale regeling afgegeven door de bevoegde autoriteiten.

4. Besmetting van colli, wagens, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

Zoals toegelaten in het certificaat voor de speciale regeling afgegeven door de bevoegde autoriteiten.

5. Ontsmetting en gebruik van wagens en van de uitrusting en onderdelen daarvan

Zie rn. 703.

6. Gezamenlijke verpakking

Zoals toegelaten in het certificaat voor de speciale regeling afgegeven door de bevoegde autoriteiten.

7. Samenlading

Samenlading is slechts mogelijk, indien deze speciaal door de bevoegde autoriteiten is toegestaan.

8. Kenmerking en gevaarsetiketten op colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703. Zendingen op grond van een speciale regeling moeten echter altijd van gevaarsetiketten III-GEEL volgens model nr. 7C zijn voorzien.

b) Bovendien moet zijn voldaan aan alle andere voorschriften bepaald door de bevoegde autoriteit inzake kenmerking en gevaarsetiketten.

9. Gevaarsetiketten op wagens met uitzondering van reservoirwagens

a) Zie rn. 703.

b) Bovendien moet zijn voldaan aan alle andere voorschriften bepaald door de bevoegde autoriteit.

10. Documenten voor het vervoer

a) Voor de samenvatting van de bepalingen inzake goedkeuring en kennisgeving zie rn. 716.

b) De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet omvatten:

i) Het identificatienummer volgens rubriek 1, de benaming volgens rn. 701 en de woorden: "Radioactieve stof op grond van een speciale regeling, 7, blad 13, RID", b.v. "2976 thoriumnitraat, vast, radioactieve stof op grond van een speciale regeling, 7, blad 13, RID", of

ii) Voor niet elders genoemde stoffen: het identificatienummer volgens rubriek 1, de benaming volgens rn. 701 en de woorden: "Op grond van een speciale regeling, 7, blad 13, RID", b.v. "2918 radioactieve stof, splijtbaar, n.e.g., op grond van een speciale regeling, 7, blad 13, RID".

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht. De overige aanduidingen opgesomd in rn. 709 en 710 moeten ook worden vermeld.

c) Voor iedere zending onder een speciale regeling is een multilaterale goedkeuring vereist.

d) Vóór iedere verzending van radioactieve stoffen moet de afzender in het bezit zijn van alle desbetreffende certificaten.

e) Vóór ieder vervoer moet de afzender - bij voorkeur zeven dagen van tevoren - aan de bevoegde autoriteiten van alle bij het vervoer betrokken landen een kennisgeving zenden.

11. Opslag en wijze van verzending

a) Zie rn. 703.

b) Aan bijzondere bepalingen voor de opslag en wijze van verzending, goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten, moet zijn voldaan.

c) Tenzij deze uitdrukkelijk zijn uitgesloten in de certificaten van de bevoegde autoriteiten, moet de afzender vóór het gebruik en de verzending voldoen aan de bepalingen van rn. 1710, die van toepassing zijn.

12. Vervoer van colli, containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen

a) Zie rn. 703.

b) Aan de bijzondere bepalingen voor het vervoer, goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten moet zijn voldaan.

13. Overige voorschriften

Zie rn. 703.

Merktekens en gevaarsetiketten

Opmerking: Bij radioactieve stoffen met andere gevaarseigenschappen moet de etikettering ook overeenstemmen met de bepalingen die verband houden met de bijkomende gevaarseigenschappen [zie rn. 1770 (3)].

Merktekens op colli, met inbegrip van reservoirwagens, tankcontainers en containers

705 (1) Elk collo met een bruto massa van meer dan 50 kg moet op het buitenoppervlak van de verpakking duidelijk leesbaar en duurzaam van de aanduiding van de toegestane bruto massa zijn voorzien.

(2) Elk collo, met uitzondering van containers, reservoirwagens, tankcontainers en oververpakkingen en met uitzondering van de vrijgestelde colli van de bladen 1 t/m 4, moet op duidelijke en duurzame wijze zijn voorzien van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

(3) Elk collo overeenkomstig het model van het collo van type A moet op het buitenoppervlak van de verpakking duidelijk leesbaar en duurzaam van het opschrift "TYPE A" zijn voorzien.

(4) Elk collo, overeenkomstig een goedgekeurd model krachtens rn. 1752-1755 moet op het buitenoppervlak van de verpakking van de volgende, duidelijk leesbare en duurzaam aangebrachte merktekens zijn voorzien:

a) het kenmerk, dat door de bevoegde autoriteit aan het model is verleend;

b) een serienummer ter identificatie van elke verpakking die met het model overeenkomt; en

c) in geval van modellen van colli van type B(U) of type B(M), de aanduiding "TYPE B(U)" of "TYPE B(M)".

(5) Elk collo overeenkomstig het model van het collo van type B(U) of type B(M) moet op het buitenoppervlak van de buitenste vuur- en waterbestendige omhulling zijn voorzien van het hieronder afgebeelde klaverbladsymbool, op duidelijke wijze aangebracht, ingeperst of ingeslagen, of op een andere vuur- of waterbestendige wijze weergegeven.

Geschematiseerd klaverbladsymbool. De verhoudingen zijn gebaseerd op een centrale cirkel met een straal X. De lengte van de straal X moet ten minste 4 mm bedragen.

Gevaarsetiketten op colli met inbegrip van reservoirwagens, tankcontainers, containers en oververpakkingen

706 (1) Elk collo, oververpakking, reservoirwagen, tankcontainer en container, overeenkomstig de categorie waartoe deze behoort, moet van etiketten volgens model 7A, 7B of 7C zijn voorzien. Etiketten, die geen betrekking hebben op de inhoud, moeten zijn verwijderd of afgedekt. Voor radioactieve stoffen met andere gevaarseigenschappen, zie rn. 1770.

(2) De etiketten moeten aan de buitenzijde op twee tegenover elkaar gelegen zijden zijn aangebracht bij colli, reservoirwagens of oververpakkingen en op vier zijden bij een tankcontainer of een container.

(3) Elk etiket moet voorzien zijn van de volgende gegevens op goed leesbare en onuitwisbare wijze:

a) inhoud:

i) behalve bij LSA-I stoffen, naam van het radionuclide zoals aangegeven in tabel I van Aanhangsel VII onder gebruikmaking van de daar vermelde symbolen. In geval van mengsels van radionucliden moeten de nucliden worden aangegeven, waarvoor de meest restrictieve waarde geldt, voor zover de beschikbare ruimte op de regel daartoe plaats biedt. Achter de naam van het radionuclide moet de LSA- of SCO-groep worden aangegeven. Hiervoor moeten de aanduidingen "LSA-II", "LSA-III", "SCO-I" en "SCO-II" worden gebruikt.

ii) voor LSA-I stoffen is alleen de aanduiding "LSA-I" noodzakelijk. Het is niet vereist de naam van het radionuclide te vermelden.

b) activiteit:

de hoogste activiteit van de radioactieve inhoud tijdens het vervoer uitgedrukt in Becquerel (Bq) [en eventueel in Curie (Ci)] met het desbetreffende SI-voorvoegsel [zie rn. 4 (1)].

Bij splijtbare stoffen kan in plaats van de activiteit de massa in de eenheid gram (g) of in een veelvoud van deze eenheid worden aangegeven.

c) bij oververpakkingen, reservoirwagens, tankcontainers en containers moeten de rubrieken "inhoud" en "activiteit" op het etiket de in lid (3) onder a) en b) voorgeschreven informatie geven, respectievelijk opgeteld voor de totale inhoud van de oververpakking, de reservoirwagen, de tankcontainer of de container. Dit geldt niet voor etiketten op oververpakkingen en containers waarin gemengde ladingen van colli met verschillende radionucliden zijn samengeladen; in dat geval kan in deze rubrieken de aanduiding "zie vrachtbrief" worden ingevuld.

d) transportindex:

zie rn. 1715 (3) (voor categorie I-WIT is het niet nodig de transportindex in te vullen).

Oranje kenmerking op reservoirwagens en tankcontainers, alsmede op wagens en containers voor losgestort vervoer

707 Zie rn. 13 en Aanhangsel VIII.

Aanvullende etikettering van containers, reservoirwagens, tankcontainers en wagens

708 (1) Reservoirwagens, tankcontainers, alsmede grote containers, waarin colli - met uitzondering van vrijgestelde colli - worden vervoerd, moeten van etiketten volgens model nr. 7D zijn voorzien. Het is echter toegestaan om, in plaats van een etiket volgens model nr. 7A, 7B of 7C in combinatie met een etiket volgens model nr. 7D, vergrote gevaarsetiketten volgens model nr. 7A, 7B of 7C met de afmetingen van model nr. 7D te gebruiken.

De etiketten moeten verticaal op de vier zijwanden van een container of tankcontainer of op de beide zijden van een reservoirwagen zijn aangebracht.

(2) Wagens, waarmee colli, oververpakkingen, tankcontainers of containers worden vervoerd, die van een etiket volgens model nr. 7A, 7B of 7C zijn voorzien, moeten aan beide zijden van het etiket volgens model 7D zijn voorzien. Bovendien moeten wagens, waarin zendingen onder exclusief gebruik worden vervoerd aan beide zijden voorzien zijn van een etiket volgens model 7D.

(3) Etiketten, die geen betrekking hebben op de inhoud, mogen niet meer zichtbaar zijn.

Aanvullende gegevens over de zending

709 De afzender moet voor iedere zending van radioactieve stoffen, behalve de aanduiding van het goed, die in het betreffende blad staat vermeld, de volgende gegevens in het vervoerdocument vermelden:

a) de vermelding "De aard van het goed en de verpakking zijn in overeenstemming met de voorschriften van het RID".

b) naam of symbool van elk der radionucliden of, bij mengsels van radionucliden, een geschikte algemene beschrijving of een lijst van de meest beperkende nucliden.

c) de beschrijving van de fysische en de chemische toestand van de stof, of de aanduiding dat het een radioactieve stof in speciale toestand betreft. Voor de chemische hoedanigheid is een chemische verzamelaanduiding voldoende.

d) de hoogste activiteit van de radioactieve inhoud gedurende het vervoer, uitgedrukt in Becquerel (Bq) [en eventueel in Curie (Ci)] met het bijbehorende SI-voorvoegsel [zie rn. 4 (1)]. Bij splijtbare stoffen mag in plaats van de activiteit de totale massa van de splijtbare stof in de eenheid gram (g) of in een geschikt veelvoud van deze eenheid worden aangegeven.

e) de categorie van het collo, b.v. I-WIT, II-GEEL of III-GEEL.

f) de transportindex (alleen bij de categorieën II-GEEL en III-GEEL).

g) bij een zending van splijtbare stoffen, waarvan alle colli volgens rn. 1703 zijn vrijgesteld, de woorden "vrijgestelde splijtbare stoffen".

h) het identificatiekenmerk van elk goedkeuringscertificaat van een bevoegde autoriteit (radioactieve stoffen in speciale toestand, speciale regeling, model van collo of vervoer), voor zover op de zending van toepassing.

i) voor zendingen van colli in een oververpakking of in een container: een gedetailleerde opgave van de inhoud van elk collo binnen de oververpakking of de container en, indien van toepassing, van elke oververpakking of elke container van de zending. Wanneer op een losplaats tussentijds colli uit de oververpakking of de container moeten worden verwijderd, moeten de daarvoor vereiste vervoersdocumenten beschikbaar worden gesteld.

j) wanneer een zending onder exclusief gebruik wordt verzonden, aanduiding "Verzending onder exclusief gebruik".

Gegevens voor de spoorweg

710 (1) De afzender moet bij de vrachtbrief informatie voegen over de maatregelen die eventueel door de spoorweg moeten worden genomen. Deze informatie moet ten minste de volgende punten omvatten:

a) de aanvullende maatregelen voor het laden, het vastzetten, het vervoer, de behandeling en het lossen van het collo, de oververpakking, de container, reservoirwagen of de tankcontainer, daaronder begrepen de bijzondere bepalingen voor de plaatsing in verband met de warmte-afvoer [zie rn. 712 (2)] of een verklaring dat dergelijke maatregelen niet noodzakelijk zijn.

b) de noodzakelijke aanwijzingen voor de te volgen route.

c) de bij de verzending behorende schriftelijke instructies. Bij zendingen die slechts radioactieve stoffen bedoeld in blad 1 t/m 4 bevatten, zijn schriftelijke instructies niet noodzakelijk.

(2) In alle gevallen, waarin goedkeuring voor de verzending of een voorafgaande kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten noodzakelijk is, moeten alle spoorwegen - voor zover mogelijk - ten minste 15 dagen, doch in elk geval ten minste 5 dagen van te voren daarvan in kennis worden gesteld, zodat zij tijdig alle voor het vervoer noodzakelijke maatregelen kunnen treffen.

(3) De afzender moet de goedkeuringscertificaten van de bevoegde autoriteiten aan de spoorwegen kunnen aanbieden, voordat er geladen, gelost of overgeladen wordt.

Vervoer Scheiding tijdens het vervoer

711 (1) Colli, oververpakkingen, containers, reservoirwagens, tankcontainers moeten tijdens het vervoer gescheiden zijn:

a) van plaatsen, waar zich personen ophouden volgens tabel 8, en, teneinde de blootstelling aan straling te beperken, van niet-ontwikkelde fotografische films en van postzakken volgens tabel 9; en

Opmerking: Postzakken worden verondersteld niet-ontwikkelde films en platen te bevatten en moeten derhalve op dezelfde wijze van radioactieve stoffen zijn gescheiden als niet-ontwikkelde fotografische films en platen.

b) van alle andere gevaarlijke goederen overeenkomstig rn. 703, rubriek 7.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Opmerking: De bovenstaande tabel is gebaseerd op een begrenzing van de dosering van 5 mSv (500 mrem) gedurende een periode van 12 maanden.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(2) Colli of oververpakkingen van de categorieën II-GEEL of III-GEEL mogen niet worden vervoerd in compartimenten van reizigersmaterieel, waarin zich personen bevinden, met uitzondering van compartimenten, die uitsluitend gereserveerd zijn voor personen, die speciaal zijn belast met de bewaking van deze colli of oververpakkingen.

Wijze van beladen voor het vervoer

712 (1) De colli moeten in de wagens zo worden geladen, dat zij zich niet op gevaarlijke wijze kunnen verplaatsen en niet kunnen vallen of omvallen.

(2) Onder voorwaarde dat de gemiddelde warmtestroomdichtheid aan het oppervlak 15 W/m2 niet overschrijdt en de goederen in de onmiddellijke nabijheid niet in zakken zijn verpakt mag een collo of een oververpakking zonder bijzondere voorzorgsmaatregelen voor de wijze van beladen samen met gewone goederen worden vervoerd, tenzij de bevoegde autoriteit dergelijke eisen uitdrukkelijk stelt in het certificaat van goedkeuring.

(3) Met uitzondering van zendingen op grond van een speciale regeling mogen colli, van verschillende typen radioactieve stoffen, met inbegrip van splijtbare stoffen en colli van verschillende typen met verschillende transportindices zonder bijzondere toestemming van de bevoegde autoriteit gezamenlijk worden vervoerd. In geval van zendingen op grond van een speciale regeling is gezamenlijk vervoer niet toegestaan, tenzij dit in de speciale regeling uitdrukkelijk is toegestaan.

(4) De volgende voorschriften zijn van toepassing op de lading van reservoirwagens en het laden van colli, oververpakkingen, tankcontainers en containers op wagens:

a) de transportindex van een reservoirwagen mag de grenswaarden van tabel 10 niet overschrijden. Het totale aantal colli, oververpakkingen, tankcontainers en containers op één wagen moet dusdanig worden beperkt dat de totale som van de transportindices van de wagen de in tabel 10 aangegeven waarden niet overschrijdt.

Voor zendingen met LSA-I-stoffen is de som van de transportindices niet begrensd.

b) het stralingsniveau onder voorwaarden die waarschijnlijk zijn onder normale vervoersomstandigheden, mag op geen enkel punt van het uitwendige oppervlak van de wagen 2 mSv/h (200 mrem/h) en op een afstand van 2 m van het buitenoppervlak van de wagen 0,1 mSv/h (10 mrem) overschrijden.

(5) Colli of oververpakkingen met een transportindex hoger dan 10 mogen onder exclusief gebruik worden vervoerd.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Aanvullende voorschriften

713 (1) Het stralingsniveau mag bij zendingen onder exclusief gebruik de volgende waarden niet overschrijden:

a) 10 mSv/h (1 000 mrem/h) op geen enkel punt van het uitwendige oppervlak van alle colli of oververpakkingen. Het stralingsniveau mag 2 mSv/h (200 mrem/h) slechts overschrijden indien:

i) de wagen tijdens het vervoer is uitgerust met een omhulling, die de toegang tot de lading voor onbevoegden verhindert, en

ii) maatregelen zijn getroffen om het collo of de oververpakking zodanig vast te zetten, dat deze tijdens het vervoer onder normale vervoersomstandigheden in de wagen op dezelfde plaats blijft, en

iii) tussen het begin en het einde van het vervoer geen laad- of loshandelingen plaatsvinden.

b) 2 mSv/h (200 mrem/h) op geen enkel punt van het uitwendig oppervlak van de wagen, met inbegrip van het boven- en onderoppervlak of, in geval van een open wagen, op geen enkel punt van de vlakken verticaal in het verlengde van de wanden van de wagen, het bovenoppervlak van de lading en het onderste uitwendig oppervlak van de wagen en

c) 0,1 mSv/h (10 mrem/h) op geen enkel punt op een afstand van 2 m van de verticale vlakken, die door de uitwendige zijoppervlakken van de wagen worden gevormd, of, wanneer de lading op een open wagen wordt vervoerd, op geen enkel punt op een afstand van 2 m van de vlakken verticaal in het verlengde van de wanden van de wagen.

(2) Het stralingsniveau mag op geen enkele plaats in de wagen, waar onder normale omstandigheden personen aanwezig zijn 0,02 mSv/h (2 mrem/h) overschrijden, tenzij de personen, die op deze plaats aanwezig zijn beschikken over een persoonsdosismeter.

Tussenopslag tijdens het vervoer

714 (1) Colli, oververpakkingen, containers, reservoirwagens en tankcontainers moeten gedurende de tussenopslag tijdens het vervoer gescheiden zijn:

a) van plaatsen, waar zich personen ophouden, volgens tabel 8 van rn. 711 (1), en, teneinde de blootstelling aan straling te beperken, van niet-ontwikkelde fotografische films en van postzakken volgens tabel 9 van rn. 711 (1); en

Opmerkingen: Postzakken moeten worden verondersteld niet-ontwikkelde films en platen te bevatten en moeten derhalve op dezelfde wijze van radioactieve stoffen zijn gescheiden als niet-ontwikkelde fotografische films en platen.

b) van andere gevaarlijke goederen overeenkomstig rn. 703, rubriek 7.

(2) Het aantal colli, oververpakkingen, reservoirwagens, tankcontainers en containers van de categorieën II-GEEL en III-GEEL die voor tussenopslag tijdens het vervoer op dezelfde plaats aanwezig zijn, moet zodanig worden beperkt, dat de som van de transportindices van iedere afzonderlijke groep van colli, oververpakkingen, reservoirwagens, tankcontainers of containers de waarde van 50 niet overschrijdt.

De tussenopslag van groepen van colli, oververpakkingen, reservoirwagens, tankcontainers of containers moet zodanig plaatsvinden, dat een afstand van ten minste 6 m onderling en tot andere groepen van colli, oververpakkingen, reservoirwagens, tankcontainers en containers aangehouden wordt.

(3) Indien de transportindex van een collo, een oververpakking, een reservoirwagen, een tankcontainer of een container hoger dan 50 is, of wanneer de totale transportindex in een wagen, zoals toegestaan volgens tabel 10 hoger dan 50 is, moet de tussenopslag zodanig plaatsvinden dat een afstand van ten minste 6 m ten opzichte van andere groepen van colli, oververpakkingen, reservoirwagens, tankcontainers of containers of ten opzichte van andere wagens, die radioactieve stoffen bevatten, gehandhaafd blijft.

(4) Zendingen, waarvan de radioactieve inhoud slechts bestaat uit LSA-I-stoffen, zijn uitgezonderd van de onder (2) en (3) genoemde voorschriften.

(5) Met uitzondering van zendingen op grond van een speciale regeling mogen colli van verschillende typen radioactieve stoffen met inbegrip van splijtbare stoffen en verschillende typen colli met verschillende transportindices, zonder uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteit gezamenlijk worden opgeslagen.

In geval van zendingen op grond van een speciale regeling is gezamenlijke opslag niet toegestaan, tenzij dit uitdrukkelijk in de speciale regeling is toegestaan.

Zendingen, die niet afgeleverd kunnen worden

715 Indien noch afzender, noch ontvanger kan worden vastgesteld, of indien de zending niet aan de geadresseerde kan worden afgeleverd en de vervoerder geen aanwijzingen van de afzender heeft, moet de zending op een veilige plaats worden neergezet en moet de bevoegde autoriteit zo spoedig mogelijk worden ingelicht met het verzoek aanwijzingen te verstrekken hoe verder moet worden gehandeld.

Samenvatting van de voorschriften voor de goedkeuring en voorafgaande kennisgeving

716

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Opmerkingen: 1. Vóór het eerste vervoer van een collo, waarvoor de goedkeuring van het model door de bevoegde autoriteit vereist is, moet de afzender zich ervan vergewissen, dat een kopie van het certificaat van goedkeuring van het model van het collo aan de bevoegde autoriteiten van alle bij het vervoer betrokken landen is toegezonden; zie rn. 1719 (1).

2. De kennisgeving is noodzakelijk, indien de inhoud 3 × 103 A1 of 3 × 103 A2, of 1 000 TBq (20 kCi) overschrijdt [zie rn. 1719 (2)].

3. Een multilaterale goedkeuring voor de verzending is vereist, indien de inhoud 3 × 103 A1 of 3 × 103 A2, of 1 000 TBq (20 kCi) overschrijdt, of indien een intermitterende druknivellering is toegestaan (zie rn. 1757).

4. Zie voor de goedkeuring en voorafgaande kennisgeving het desbetreffende collo.

717-

799

KLASSE 8

BIJTENDE STOFFEN

1. Opsomming van de stoffen

800 (1) Van de stoffen en voorwerpen, aangeduid in de titel van klasse 8, zijn die, welke genoemd zijn in rn. 801 of die, welke vallen onder een verzamelaanduiding van dat randnummer, onderworpen aan de in rn. 800 (2) t/m 824 gegeven voorschriften en derhalve stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn.

Opmerking: Wat betreft de hoeveelheden van de in rn. 801 opgesomde stoffen, die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het hoofdstuk "Vervoersvoorwaarden", zie rn. 801a.

(2) De titel van klasse 8 omvat stoffen, alsmede voorwerpen die stoffen van deze klasse bevatten, die door hun chemische werking het epitheelweefsel van de huid of de slijmvliezen, waarmee zij in aanraking komen, aantasten, of die in geval van lekkage schade aan andere goederen of vervoermiddelen kunnen veroorzaken of deze kunnen vernielen, en die tevens aanleiding kunnen geven tot andere gevaren. Onder de titel van deze klasse vallen ook stoffen die pas in aanwezigheid van water een bijtende vloeistof vormen of die in aanwezigheid van de natuurlijke luchtvochtigheid bijtende dampen of nevels ontwikkelen.

(3) a) De stoffen en voorwerpen van klasse 8 zijn als volgt onderverdeeld:

A. Stoffen met een zuur karakter;

B. Stoffen met een basisch karakter;

C. Andere bijtende stoffen;

D. Voorwerpen die bijtende stoffen bevatten;

E. Lege verpakkingen.

b) Op grond van de mate van bijtende werking moeten de stoffen en voorwerpen van klasse 8, met uitzondering van de stoffen van de cijfers 6, 14 en 15, in de afzonderlijke cijfers van rn. 801 worden ingedeeld in één van de volgende groepen:

a) sterk bijtende stoffen,

b) bijtende stoffen,

c) zwak bijtende stoffen.

c) De indeling van de stoffen in de groepen a), b) en c) van klasse 8 is gebaseerd op ervaringsfeiten, waarbij rekening is gehouden met bijkomende factoren zoals het gevaar van inademen () en de reactiviteit met water (in het bijzonder de vorming van gevaarlijke ontledingsproducten). De bijtende werking van de niet met name genoemde stoffen, met inbegrip van de mengsels, kan worden beoordeeld aan de hand van de tijdsduur die nodig is om de destructie van de menselijke huid over de volledige dikte te bereiken.

Bij stoffen, waarvan wordt aangenomen dat zij niet de destructie van de menselijke huid over de volledige dikte veroorzaken, moet nochtans worden nagegaan wat hun vermogen is om corrosie van bepaalde metalen oppervlakken te veroorzaken. Bij deze indeling in een groep moet rekening gehouden worden met bij mensen opgedane ervaringen in het geval van blootstelling bij ongevallen. Indien dergelijke menselijke ervaringen ontbreken, moet de indeling worden uitgevoerd op basis van de resultaten van proeven overeenkomstig OECD-Guideline 404 ().

d) Stoffen die de volledige destructie van het onbeschadigde huidweefsel over de volledige dikte veroorzaken binnen een observatieperiode van 60 minuten na een inwerkingstijd van 3 minuten of minder, zijn stoffen van groep a).

e) Stoffen die de volledige destructie van het onbeschadigde huidweefsel over de volledige dikte veroorzaken binnen een observatieperiode van 14 dagen na een inwerkingstijd van meer dan 3 minuten, maar ten hoogste 60 minuten, zijn stoffen van groep b).

f) Stoffen van groep c) zijn:

stoffen die de volledige destructie van het onbeschadigde huidweefsel over de volledige dikte veroorzaken binnen een observatieperiode van 14 dagen na een inwerkingstijd van meer dan 60 minuten, maar ten hoogste 4 uren;

stoffen, waarvan kan worden aangenomen, dat zij niet de volledige destructie van het onbeschadigde huidweefsel over de volledige dikte veroorzaken, maar waarvan de corrosiesnelheid op oppervlakken van staal of aluminium 6,25 mm per jaar overschrijdt bij een beproevingstemperatuur van 55 °C. Bij beproevingen op staal moet het type P235 [ISO 9328 (II): 1991] of een soortgelijk type worden gebruikt, bij beproevingen op aluminium de niet geanodiseerde typen 7075-T6 of AZ5GU-T6. Een aanvaardbare beproeving is beschreven in de norm ASTM G31-72 ( herzien in 1990).

(4) Indien de stoffen van klasse 8 als gevolg van toevoegingen overgaan naar andere gevaarscategorieën, dan die waartoe de met name genoemde stoffen van rn. 801 behoren, dan moeten deze mengsels of oplossingen worden ingedeeld in de cijfers of de groepen, waartoe zij op grond van hun werkelijke gevaar behoren.

Opmerking: Voor de indeling van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), zie ook rn. 3 (3).

(5) Op grond van de criteria van lid (3) kan ook worden vastgesteld of de aard van een met name genoemde oplossing of een met name genoemd mengsel, respectievelijk een oplossing of een mengsel, die/dat een met name genoemde stof bevat, zodanig is, dat deze oplossing of dit mengsel niet is onderworpen aan de voorwaarden van deze klasse.

(6) Als vaste stoffen in de zin van de verpakkingsvoorschriften van de rn. 805 (2), 806 (3) en 807 (3) worden stoffen of mengsels van stoffen beschouwd met een smeltpunt hoger dan 45 °C.

(7) a) Bijtende brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan 23 °C, met uitzondering van stoffen van de cijfers 54a) en 68a), zijn stoffen van klasse 3 (zie rn. 301, cijfer 21 t/m 26).

b) Brandbare, zwak bijtende vloeistoffen met een vlampunt van 23 °C t/m 61 °C zijn stoffen van klasse 3 (zie rn. 301, cijfer 33).

c) Bijtende stoffen die volgens rn. 600 (3) zeer giftig zijn bij inademen, zijn stoffen van klasse 6.1 (zie rn. 601).

(8) De chemisch instabiele stoffen van klasse 8 mogen slechts ten vervoer worden aangeboden, indien de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen om een gevaarlijke ontleding of polymerisatie tijdens het vervoer te verhinderen. Daartoe moet er in het bijzonder zorg voor worden gedragen, dat de houders geen stoffen bevatten, die deze reacties kunnen bevorderen.

(9) Calciumoxide van identificatienummer 1910 en natriumaluminaat van identificatienummer 2812 van de Aanbevelingen van de VN zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

(10) Het hierna bedoelde vlampunt moet worden bepaald zoals aangegeven in Aanhangsel III.

A. Stoffen met een zuur karakter

Anorganische stoffen

801 1. Zwavelzuur en dergelijke stoffen:

a) 1829 zwaveltrioxide, gestabiliseerd (zwavelzuuranhydride, gestabiliseerd),

1831 zwavelzuur, rokend (oleum),

2240 chroomzwavelzuur;

Opmerking: 1829 Zwaveltrioxide moet door toevoeging van een inhibitor zijn gestabiliseerd. Zwaveltrioxide zonder inhibitor (niet gestabiliseerd) is niet ten vervoer toegelaten.

b) 1794 loodsulfaat met meer dan 3 % vrij zuur,

1830 zwavelzuur met meer dan 51 % zuur,

1832 zwavelzuur, afgewerkt,

1833 zwaveligzuur,

1906 afvalzwavelzuur,

2308 nitrosylzwavelzuur,

2583 alkylsulfonzuren, vast, met meer dan 5 % vrij zwavelzuur, of

2583 arylsulfonzuren, vast, met meer dan 5 % vrij zwavelzuur,

2584 alkylsulfonzuren, vloeibaar, met meer dan 5 % vrij zwavelzuur, of

2584 arylsulfonzuren, vloeibaar, met meer dan 5 % vrij zwavelzuur,

2796 zwavelzuur met ten hoogste 51 % zuur, of

2796 accumulatorvloeistof, zuur (elektrolyt voor batterijen, zuur),

2837 waterstofsulfaten, oplossing in water (bisulfaten, oplossing in water);

Opmerkingen: 1. 2585 Alkyl- of arylsulfonzuren, vast, en 2586 alkyl- of arylsulfonzuren, vloeibaar, met 5 % of minder vrij zwavelzuur zijn stoffen van cijfer 34.

2. Loodsulfaat met ten hoogste 3 % vrij zwavelzuur is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

3. Chemisch instabiele mengsels van afvalzwavelzuur zijn niet ten vervoer toegelaten.

c) 2837 waterstofsulfaten, oplossing in water (bisulfaten, oplossing in water).

2. Salpeterzuren:

a) 1. 2031 salpeterzuur, anders dan roodrokend, met meer dan 70 % zuur;

2. 2032 salpeterzuur, roodrokend;

b) 2031 salpeterzuur, anders dan roodrokend, met ten hoogste 70 % zuur.

3. Nitreerzuurmengsels:

a) 1796 nitreerzuurmengsel, met meer dan 50 % salpeterzuur,

1826 nitreerzuurmengsel, afgewerkt, met meer dan 50 % salpeterzuur;

b) 1796 nitreerzuurmengsel, met ten hoogste 50 % salpeterzuur,

1826 nitreerzuurmengsel, afgewerkt, met ten hoogste 50 % salpeterzuur.

Opmerkingen: 1. Het mengsel van salpeterzuur en zoutzuur, identificatienummer 1798, is niet ten vervoer toegelaten.

2. Chemisch instabiele mengsels van nitreerzuur of niet gedenitreerde afgewerkte mengzuren zijn niet ten vervoer toegelaten.

4. Oplossing van perchloorzuur:

b) 1802 Perchloorzuur, oplossing in water met ten hoogste 50 massa- % zuur.

Opmerkingen: 1. 1873 Perchloorzuur, oplossing in water met meer dan 50 massa- % maar ten hoogste 72 massa- % zuur, is een stof van klasse 5.1 [zie rn. 501, cijfer 3a)].

2. Oplossingen in water van perchloorzuur met meer dan 72 massa- % zuur, alsmede mengsels van perchloorzuur met andere vloeistoffen dan water, zijn niet ten vervoer toegelaten.

5. Oplossingen van halogeenwaterstofverbindingen in water, met uitzondering van fluorwaterstof:

b) 1787 joodwaterstofzuur,

1788 broomwaterstofzuur,

1789 chloorwaterstofzuur (zoutzuur);

c) 1787 joodwaterstofzuur,

1788 broomwaterstofzuur,

1789 chloorwaterstofzuur (zoutzuur),

1840 zinkchloride, oplossing,

2580 aluminiumbromide, oplossing,

2581 aluminiumchloride, oplossing,

2582 ijzer(III)chloride, oplossing.

Opmerking: 1048 Broomwaterstof, watervrij, en 1050 chloorwaterstof, watervrij, zijn stoffen van klasse 2 (zie rn. 201, cijfer 2 TC).

6. Fluorwaterstof en fluorwaterstofzuur met meer dan 85 % fluorwaterstof:

1052 fluorwaterstof, watervrij,

1790 fluorwaterstofzuur, met meer dan 85 % fluorwaterstof.

Opmerking: Voor deze stoffen gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 803).

7. Oplossingen van fluorwaterstof met ten hoogste 85 % fluorwaterstof:

a) 1786 mengsel van fluorwaterstofzuur en zwavelzuur,

1790 fluorwaterstofzuur, met meer dan 60 % maar ten hoogste 85 % fluorwaterstof;

b) 1790 fluorwaterstofzuur, met ten hoogste 60 % fluorwaterstof,

2817 ammoniumwaterstofdifluoride, oplossing (ammoniumbifluoride, oplossing);

c) 2817 ammoniumwaterstofdifluoride, oplossing (ammoniumbifluoride, oplossing).

8. Fluorhoudende zuren:

a) 1777 fluorsulfonzuur;

b) 1757 chroom(III)fluoride, oplossing (chroomtrifluoride, oplossing),

1768 difluorfosforzuur, watervrij,

1775 fluorboorzuur,

1776 fluorfosforzuur, watervrij,

1778 silicofluorwaterstofzuur,

1782 hexafluorfosforzuur;

c) 1757 chroom(III)fluoride, oplossing (chroomtrifluoride, oplossing).

9. Vaste fluoriden en andere fluorhoudende stoffen, die in contact met vochtige lucht of water fluorwaterstof ontwikkelen:

b) 1727 ammoniumwaterstofdifluoride, vast (ammoniumbifluoride, vast),

1756 chroom(III)fluoride, vast (chroomtrifluoride, vast),

1811 kaliumwaterstofdifluoride (kaliumbifluoride),

2439 natriumwaterstofdifluoride (natriumbifluoride),

1740 waterstofdifluoriden, n.e.g.

c) 1740 waterstofdifluoriden, n.e.g.

Opmerking: 2505 Ammoniumfluoride, 1812 kaliumfluoride, 1690 natriumfluoride, 2674 natriumfluorosilicaat en 2856 fluorosilicaten, n.e.g., zijn stoffen van klasse 6.1 [zie rn. 601, cijfers 63c), 64c) of 71 t/m 73].

10. Vloeibare fluoriden en andere fluorhoudende stoffen, die in contact met vochtige lucht of water fluorwaterstof ontwikkelen:

b) 1732 antimoonpentafluoride,

2851 boortrifluoride-dihydraat.

Opmerking: 1745 Broompentafluoride, 1746 broomtrifluoride en 2495 joodpentafluoride zijn stoffen van klasse 5.1 (zie rn. 501, cijfer 5).

11. Vaste halogeniden en andere vaste gehalogeneerde stoffen, met uitzondering van de fluorverbindingen, die in contact met vochtige lucht of water zure nevels ontwikkelen:

b) 1725 aluminiumbromide, watervrij,

1726 aluminiumchloride, watervrij,

1733 antimoontrichloride,

1806 fosforpentachloride,

1939 fosforoxybromide,

2691 fosforpentabromide,

2869 titaantrichloride, mengsel;

Opmerking: Aluminiumbromide en aluminiumchloride in vaste gehydrateerde vorm zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

c) 1773 ijzer(III)chloride, watervrij (ijzertrichloride, watervrij),

2331 zinkchloride, watervrij,

2440 tintetrachloride-pentahydraat,

2475 vanadiumtrichloride

2503 zirkoniumtetrachloride,

2508 molybdeenpentachloride,

2802 koperchloride,

2869 titaantrichloride, mengsel.

Opmerking: IJzer(III)chloride-hexahydraat is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

12. Vloeibare halogeniden en andere vloeibare gehalogeneerde stoffen, met uitzondering van de fluorverbindingen, die in contact met vochtige lucht of water zure nevels ontwikkelen:

a) 1754 chloorsulfonzuur, met of zonder zwaveltrioxide,

1758 chroomoxychloride (chromylchloride)

1828 zwavelchloriden,

1834 sulfurylchloride,

1836 thionylchloride,

2444 vanadiumtetrachloride,

2692 boortribromide,

2879 seleenoxychloride (seleenoxydichloride);

b) 1730 antimoonpentachloride, vloeibaar,

1731 antimoonpentachloride, oplossing,

1792 joodmonochloride,

1808 fosfortribromide,

1810 fosforoxychloride,

1817 pyrosulfurylchloride,

1818 siliciumtetrachloride,

1827 tintetrachloride, watervrij,

1837 thiofosforylchloride,

1838 titaantetrachloride,

2443 vanadiumoxytrichloride;

c) 1731 antimoonpentachloride, oplossing.

13. Vaste waterstofsulfaten:

b) 2506 ammoniumwaterstofsulfaat (ammoniumbisulfaat),

2509 kaliumwaterstofsulfaat (kaliumbisulfaat).

14. Broom of broomoplossingen:

1744 broom of

1744 broom, oplossing.

Opmerking: Voor deze stoffen gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 804).

15. Zure anorganische stoffen in gesmolten toestand:

2576 fosforoxybromide, gesmolten.

16. Zure anorganische vaste stoffen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 1905 seleenzuur,

3260 bijtende zure anorganische vaste stof, n.e.g.;

b) 1807 fosforpentoxide (fosforzuuranhydride),

3260 bijtende zure anorganische vaste stof, n.e.g.;

c) 2507 hexachloorplatinazuur, vast,

2578 fosfortrioxide,

2834 fosforigzuur,

2865 hydroxylaminesulfaat,

2967 sulfaminezuur (aminosulfonzuur),

3260 bijtende zure anorganische vaste stof, n.e.g.

17. Zure anorganische vloeistoffen alsmede oplossingen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 3264 bijtende zure anorganische vloeistof, n.e.g.;

b) 1755 chroomzuur, oplossing,

3264 bijtende zure anorganische vloeistof, n.e.g.;

c) 1755 chroomzuur, oplossing,

1805 fosforzuur,

2693 waterstofsulfieten, oplossing in water, n.e.g.,

3264 bijtende zure anorganische vloeistof, n.e.g.

Opmerking: Chroomtrioxide, watervrij (chroomzuur, vast), is een stof van klasse 5.1 [zie rn. 501, cijfer 31b)].

Organische stoffen

31. Vaste carbonzuren en anhydriden daarvan, alsmede vaste halogeencarbonzuren en anhydriden daarvan:

b) 1839 trichloorazijnzuur,

1938 broomazijnzuur;

c) 2214 ftaalzuuranhydride met meer dan 0,05 % maleïnezuuranhydride,

2215 maleïnezuuranhydride,

2698 tetrahydroftaalzuuranhydriden met meer dan 0,05 % maleïnezuuranhydride,

2823 crotonzuur.

Opmerkingen: 1. Ftaalzuuranhydride en tetrahydroftaalzuuranhydriden met ten hoogste 0,05 % maleïnezuuranhydride zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze klasse.

2. Ftaalzuuranhydride met ten hoogste 0,05 % maleïnezuuranhydride, dat in gesmolten toestand, bij een temperatuur hoger dan het vlampunt, ten vervoer aangeboden of vervoerd wordt, is een stof van klasse 3 [zie rn. 301, cijfer 61c)].

32. Vloeibare carbonzuren en anhydriden daarvan, alsmede vloeibare halogeencarbonzuren en anhydriden daarvan:

a) 2699 trifluorazijnzuur;

b) 1. 1764 dichloorazijnzuur,

1779 mierezuur,

1940 thioglycolzuur,

2564 trichloorazijnzuur, oplossing

2790 azijnzuur, oplossing, met ten minste 50 massa- % en ten hoogste 80 massa- % zuur;

2. 1715 azijnzuuranhydride,

2218 acrylzuur, gestabiliseerd,

2789 ijsazijn (azijnzuur) of

2789 azijnzuur, oplossing, met meer dan 80 massa- % zuur;

c) 1848 propionzuur,

2496 propionzuuranhydride,

2511 alfa-chloorpropionzuur,

2531 methacrylzuur, gestabiliseerd,

2564 trichloorazijnzuur, oplossing,

2739 boterzuuranhydride,

2790 azijnzuur, oplossing, met meer dan 25 massa- % maar minder dan 50 massa- % zuur,

2820 boterzuur,

2829 capronzuur.

Opmerking: Azijnzuur-oplossingen ten hoogste 25 massa- % zuur zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

33. Boortrifluoride-complexen:

a) 2604 boortrifluoride-diethyletheraat (boortrifluoride-ether-complex);

b) 1742 boortrifluoride-azijnzuur-complex,

1743 boortrifluoride-propionzuur-complex.

Opmerking: 2965 Boortrifluoride-dimethyletheraat is een stof van klasse 4.3 [zie rn. 471, cijfer 2b)]

34. Alkyl- en arylsulfonzuren en alkylzwavelzuren:

b) 1803 fenolsulfonzuur, vloeibaar,

2305 nitrobenzeensulfonzuur,

2571 alkylzwavelzuren;

c) 2585 alkylsulfonzuren, vast, met ten hoogste 5 % vrij zwavelzuur, of

2585 arylsulfonzuren, vast, met ten hoogste 5 % vrij zwavelzuur,

2586 alkylsulfonzuren, vloeibaar, met ten hoogste 5 % vrij zwavelzuur, of

2586 arylsulfonzuren, vloeibaar, met ten hoogste 5 % vrij zwavelzuur.

Opmerking: Alkyl- of arylsulfonzuren, vast, en 2584 alkyl- of arylsulfonzuren, vloeibaar, met meer dan 5 % vrij zwavelzuur zijn stoffen van cijfer 1b).

35. Organische zuurhalogeniden:

b) 1. 1716 acetylbromide,

1729 anisoylchloride,

1736 benzoylchloride,

1765 dichlooracetylchloride,

1780 fumarylchloride,

1898 acetyljodide,

2262 N,N-dimethylcarbamoylchloride,

2442 trichlooracetylchloride,

2513 broomacetylbromide,

2577 fenylacetylchloride,

2751 diethylthiofosforylchloride,

2798 fenylfosfordichloride,

2799 fenylfosforthiodichloride;

2. 2502 valerylchloride (valeriaanzuurchloride);

c) 2225 benzeensulfonylchloride

36. Alkyl- en arylchloorsilanen met een vlampunt hoger dan 61 °C:

b) 1728 amyltrichloorsilaan,

1753 chloorfenyltrichloorsilaan,

1762 cyclohexenyltrichloorsilaan,

1763 cyclohexyltrichloorsilaan,

1766 dichloorfenyltrichloorsilaan,

1769 difenyldichloorsilaan,

1771 dodecyltrichloorsilaan,

1781 hexadecyltrichloorsilaan,

1784 hexyltrichloorsilaan,

1799 nonyltrichloorsilaan,

1800 octadecyltrichloorsilaan,

1801 octyltrichloorsilaan,

1804 fenyltrichloorsilaan,

2434 dibenzyldichloorsilaan,

2435 ethylfenyldichloorsilaan,

2437 methylfenyldichloorsilaan,

2987 chloorsilanen, bijtend, n.e.g.

Opmerking: Chloorsilanen die in contact met water of vochtige lucht brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 (zie rn. 471, cijfer 1).

37. Alkyl- en arylchloorsilanen met een vlampunt van 23 °C t/m 61 °C:

b) 1724 allyltrichloorsilaan, gestabiliseerd,

1747 butyltrichloorsilaan,

1767 diethyldichloorsilaan,

1816 propyltrichloorsilaan,

2986 chloorsilanen, bijtend, brandbaar, n.e.g.

Opmerking: Chloorsilanen die in contact met water of vochtige lucht brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3 (zie rn. 471, cijfer 1).

38. Alkylfosforzuren:

c) 1718 butylfosfaat,

1793 isopropylfosfaat,

1902 diisooctylfosfaat,

2819 amylfosfaat.

39. Zure organische vaste stoffen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 2430 alkylfenolen, vast, n.e.g. (met inbegrip van de homologe reeks C2-C12),

3261 bijtende zure organische vaste stof, n.e.g.;

b) 2670 cyanuurchloride,

2430 alkylfenolen, vast, n.e.g. (met inbegrip van de homologe reeks C2-C12),

3261 bijtende zure organische vaste stof, n.e.g.;

c) 2430 alkylfenolen, vast, n.e.g. (met inbegrip van de homologe reeks C2-C12),

3261 bijtende zure organische vaste stof, n.e.g.

40. Zure organische vloeistoffen alsmede oplossingen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 3145 alkylfenolen, vloeibaar, n.e.g. (met inbegrip van de homologe reeks C2-C12),

3265 bijtende zure organische stof, n.e.g.;

b) 3145 Alkylfenolen, vloeibaar, n.e.g. (met inbegrip van de homologe reeks C2-C12),

3265 bijtende zure organische vloeistof, n.e.g.;

c) 3145 alkylfenolen, vloeibaar, n.e.g. (met inbegrip van de homologe reeks C2-C12),

3265 bijtende zure organische vloeistof, n.e.g.;

B. Stoffen met een basisch karakter

Anorganische Stoffen

41. Vaste, basische verbindingen van de alkalimetalen:

b) 1813 kaliumhydroxide, vast (caustische potas),

1823 natriumhydroxide, vast (caustische soda),

1825 natriummonoxide (natriumoxide),

2033 kaliummonoxide (kaliumoxide),

2678 rubidiumhydroxide,

2680 lithiumhydroxide-monohydraat,

2682 cesiumhydroxide;

c) 1907 natronkalk, met meer dan 4 % natriumhydroxide.

3253 dinatriumtrioxosilicaat (natriummetasilicaat).

Opmerking: Natronkalk met ten hoogste 4 % natriumhydroxide is niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

42. Oplossingen van alkalische stoffen:

b) 1814 kaliumhydroxide, oplossing (kaliloog),

1819 natriumaluminaat, oplossing,

1824 natriumhydroxide, oplossing (natronloog),

2677 rubidiumhydroxide, oplossing,

2679 lithiumhydroxide, oplossing,

2681 cesiumhydroxide, oplossing,

2797 accumulatorvloeistof, alkalisch (elektrolyt voor batterijen, alkalisch),

3320 natriumboorhydride en natriumhydroxide, oplossing, met ten hoogste 12 massa- % natriumboorhydride en ten hoogste 40 massa- % natriumhydroxide,

1719 bijtende alkalische vloeistof, n.e.g.;

c) 1814 kaliumhydroxide, oplossing (kaliloog),

1819 natriumaluminaat, oplossing,

1824 natriumhydroxide, oplossing (natronloog),

2677 rubidiumhydroxide, oplossing,

2679 lithiumhydroxide, oplossing,

2681 cesiumhydroxide, oplossing,

3320 natriumboorhydride en natriumhydroxide, oplossing, met ten hoogste 12 massa- % natriumboorhydride en ten hoogste 40 massa- % natriumhydroxide,

1719 bijtende alkalische vloeistof, n.e.g.

43. Ammoniakoplossingen:

c) 2672 ammoniak, oplossing in water, relatieve dichtheid tussen 0,880 en 0,957 bij 15 °C, met meer dan 10 % maar ten hoogste 35 % ammoniak.

Opmerkingen: 1. 1005 Ammoniak, watervrij, 3318 ammoniak, oplossing in water, met meer dan 50 % ammoniak, en 2073 ammoniak, oplossing in water, met meer dan 35 % maar ten hoogste 50 % ammoniak, zijn stoffen van klasse 2 (zie rn. 201, cijfers 2 TC, 4 TC en 4 A).

2. Ammoniak-oplossingen met ten hoogste 10 % ammoniak zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

44. Hydrazine en waterige oplossingen daarvan:

a) 2029 hydrazine, watervrij;

b) 2030 hydrazinehydraat of

2030 hydrazine, oplossing in water, met ten minste 37 massa- % en ten hoogste 64 massa- % hydrazine (N2H4),

Opmerking: 3293 Hydrazine, oplossing in water, met ten hoogste 37 massa- % is een stof van klasse 6.1 [zie rn. 601, cijfer 65c)]

45. Sulfiden en waterstofsulfiden en hun oplossingen in water:

b) 1. 1847 kaliumsulfide, gehydrateerd met ten minste 30 % kristalwater,

1849 natriumsulfide, gehydrateerd met ten minste 30 % kristalwater,

2818 ammoniumpolysulfide, oplossing,

2949 natriumwaterstofsulfide, gehydrateerd met ten minste 25 % kristalwater;

2. 2683 ammoniumsulfide, oplossing;

c) 2818 ammoniumpolysulfide, oplossing.

Opmerking: Kaliumsulfide, watervrij, en 1385 natriumsulfide, watervrij, alsmede hydraten daarvan met minder dan 30 % kristalwater en 2318 natriumwaterstofsulfide met minder dan 25 % kristalwater, zijn stoffen van klasse 4.2 [zie rn. 431, cijfer 13b)].

46. Basische anorganische vaste stoffen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 3262 bijtende basische anorganische vaste stof, n.e.g.;

b) 3262 bijtende basische anorganische vaste stof, n.e.g.;

c) 3262 bijtende basische anorganische vaste stof, n.e.g.

47. Basische anorganische vloeistoffen alsmede oplossingen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 3266 bijtende basische anorganische vloeistof, n.e.g.;

b) 3266 bijtende basische anorganische vloeistof, n.e.g.;

c) 3266 bijtende basische anorganische vloeistof, n.e.g.

Organische stoffen

51. Tetraalkylammoniumhydroxiden:

b) 1835 tetramethylammoniumhydroxide.

52. Vaste aminen en polyaminen:

a) 3259 aminen, vast, bijtend, n.e.g. of

3259 polyaminen, vast, bijtend, n.e.g.;

b) 3259 aminen, vast, bijtend, n.e.g. of

3259 polyaminen, vast, bijtend, n.e.g.;

c) 2280 hexamethyleendiamine, vast,

2579 piperazine (diethyleendiamine),

3259 aminen, vast, bijtend, n.e.g. of

3259 polyaminen, vast, bijtend, n.e.g.

53. Vloeibare aminen en polyaminen of alkanolaminen, sterk bijtend of bijtend, met een vlampunt hoger dan 61 °C:

a) 2735 aminen, vloeibaar, bijtend, n.e.g. of

2735 polyaminen, vloeibaar, bijtend, n.e.g.;

b) 1761 koperethyleendiamine, oplossing,

1783 hexamethyleendiamine, oplossing,

2079 diethyleentriamine,

2259 triethyleentetramine,

2735 aminen, vloeibaar, bijtend, n.e.g. of

2735 polyaminen, vloeibaar, bijtend, n.e.g.;

c) 1761 koperethyleendiamine, oplossing,

1783 hexamethyleendiamine, oplossing,

2269 3,3'-iminobispropylamine (dipropyleentriamine),

2289 isoforondiamine,

2320 tetraethyleenpentamine,

2326 trimethylcyclohexylamine,

2327 trimethylhexamethyleendiaminen,

2491 ethanolamine of

2491 ethanolamine, oplossing,

2565 dicyclohexylamine,

2815 N-aminoethylpiperazine,

3055 2-(2-aminoethoxy)ethanol,

2735 aminen, vloeibaar, bijtend, n.e.g. of

2735 polyaminen, vloeibaar, bijtend, n.e.g.

54. Vloeibare aminen en polyaminen, sterk bijtend of bijtend, brandbaar, met een kookpunt hoger dan 35 °C:

a) 2734 aminen, vloeibaar, bijtend, brandbaar, n.e.g. of

2734 polyaminen, vloeibaar, bijtend, brandbaar, n.e.g.;

b) 1604 ethyleendiamine,

2051 2-dimethylaminoethanol,

2248 di-n-butylamine,

2258 1,2-propyleendiamine,

2264 N,N-dimethylcyclohexylamine,

2357 cyclohexylamine,

2619 benzyldimethylamine,

2685 N,N-diethylethyleendiamine,

2686 2-diethylaminoethanol,

2734 aminen, vloeibaar, bijtend, brandbaar, n.e.g. of

2734 polyaminen, vloeibaar, bijtend, brandbaar, n.e.g.

55. Basische organische vaste stoffen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 3263 bijtende basische organische vaste stof, n.e.g.;

b) 3263 bijtende basische organische vaste stof, n.e.g.;

c) 3263 bijtende basische organische vaste stof, n.e.g.

56. Basische organische vloeistoffen alsmede oplossingen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 3267 bijtende basische organische vloeistof, n.e.g.;

b) 3267 bijtende basische organische vloeistof, n.e.g.;

c) 3267 bijtende basische organische vloeistof, n.e.g.

C. Andere bijtende stoffen

61. Oplossingen van chloriet en hypochloriet:

b) 1791 hypochloriet, oplossing,

1908 chloriet, oplossing;

c) 1791 hypochloriet, oplossing,

1908 chloriet, oplossing.

Opmerking: Vaste chlorieten en hypochlorieten zijn stoffen van klasse 5.1 (zie rn. 501, cijfers 14, 15 en 29).

62. Chloorfenolaten en fenolaten:

c) 2904 chloorfenolaten, vloeibaar, of

2904 fenolaten, vloeibaar,

2905 chloorfenolaten, vast, of

2905 fenolaten, vast.

63. Oplossingen van formaldehyde:

c) 2209 formaldehyde, oplossing, met ten minste 25 % formaldehyde.

Opmerkingen: 1. 1198 Formaldehyde, oplossing, brandbaar, is een stof van klasse 3 [zie rn. 301, cijfer 33c)].

2. Formaldehyde-oplossingen, niet brandbaar, met minder dan 25 % formaldehyde zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

64. Chloorformiaten en chloorthioformiaten:

a) 1739 benzylchloorformiaat;

b) 2826 ethylchloorthioformiaat.

Opmerking: Chloorformiaten met overwegend giftige eigenschappen zijn stoffen van klasse 6.1 (zie rn. 601, cijfers 10, 17, 27 en 28).

65. Bijtende vaste stoffen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 1759 bijtende vaste stof, n.e.g.;

b) 1770 difenylbroommethaan,

1759 bijtende vaste stof, n.e.g.,

3147 kleurstof, vast, bijtend, n.e.g. of

3147 tussenproduct voor kleurstof, vast, bijtend, n.e.g.,

3244 vaste stoffen die bijtende vloeistof bevatten, n.e.g.;

Opmerking: Mengsels van vaste stoffen, die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, met bijtende vloeistoffen, mogen worden vervoerd onder identificatienummer 3244, zonder dat eerst de indelingscriteria van rn. 800 (3) worden toegepast, onder voorwaarde dat geen overtollige vloeistof zichtbaar is op het moment van het laden van de stof of van het sluiten van de verpakking of van de wagen. Elke verpakking moet overeenkomen met een constructietype dat met goed gevolg de dichtheidsproef voor verpakkingsgroep II heeft doorstaan.

c) 2803 gallium

1759 bijtende vaste stof, n.e.g.,

3147 kleurstof, vast, bijtend, n.e.g of

3147 tussenproduct voor kleurstof, vast, bijtend, n.e.g.

Opmerking: Voor 2803 gallium gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften [zie rn. 807 (4)].

66. Bijtende vloeistoffen alsmede oplossingen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 1760 bijtende vloeistof, n.e.g.,

1903 desinfectiemiddel, vloeibaar, bijtend, n.e.g.,

2801 kleurstof, vloeibaar, bijtend, n.e.g., of

2801 tussenproduct voor kleurstof, vloeibaar, bijtend, n.e.g.;

b) 2226 benzotrichloride (trichloormethylbenzeen),

2705 1-pentol (3-methylpenteen-2-yn-4-ol-1),

3066 verf (waaronder begrepen verf, lakverf, emaillak, beits, schellakoplossing, vernis, polijstmiddel, vloeibare plamuur, vloeibare lakbasis), of

3066 verf-verwante producten (waaronder begrepen verfverdunners en verfoplosmiddelen),

1760 bijtende vloeistof, n.e.g.,

1903 desinfectiemiddel, vloeibaar, bijtend, n.e.g.,

2801 kleurstof, vloeibaar, bijtend, n.e.g., of

2801 tussenproduct voor kleurstof, vloeibaar, bijtend, n.e.g.;

c) 2809 kwik,

3066 verf (waaronder begrepen verf, lakverf, emaillak, beits, schellakoplossing, vernis, polijstmiddel, vloeibare plamuur, vloeibare lakbasis), of

3066 verf-verwante producten (waaronder begrepen verfverdunners en verfoplosmiddelen),

1760 bijtende vloeistof, n.e.g.,

1903 desinfectiemiddel, vloeibaar, bijtend, n.e.g.,

2801 kleurstof, vloeibaar, bijtend, n.e.g., of

2801 tussenproduct voor kleurstof, vloeibaar, bijtend, n.e.g.

Opmerkingen: 1. Voor 2809 kwik gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften [zie rn. 807 (4)].

2. Stoffen die met name genoemd zijn onder andere posities van deze Richtlijn mogen niet worden vervoerd onder de positie 3066 verf of 3066 verf-verwante producten. Stoffen die onder identificatienummer 3066 worden vervoerd mogen ten hoogste 20 % nitrocellulose bevatten onder voorwaarde dat de nitrocellulose ten hoogste 12,6 % stikstof bevat.

67. Bijtende vaste stoffen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), brandbaar, die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 2921 bijtende vaste stof, brandbaar, n.e.g.;

b) 2921 bijtende vaste stof, brandbaar, n.e.g.

68. Bijtende vloeistoffen alsmede oplossingen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), brandbaar, met een kookpunt hoger dan 35 °C, die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 2920 bijtende vloeistof, brandbaar, n.e.g.;

b) 2920 bijtende vloeistof, brandbaar, n.e.g.

69. Bijtende vaste stoffen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), voor zelfverhitting vatbaar, die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 3095 bijtende vaste stof, voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.;

b) 3095 bijtende vaste stof, voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.

70. Bijtende vloeistoffen alsmede oplossingen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), voor zelfverhitting vatbaar, die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 3301 bijtende vloeistof, voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.;

b) 3301 bijtende vloeistof, voor zelfverhitting vatbaar, n.e.g.

71. Bijtende vaste stoffen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, en die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 3096 bijtende vaste stof, reactief met water, n.e.g.;

b) 3096 bijtende vaste stof, reactief met water, n.e.g.

Opmerking: De uitdrukking "reactief met water" duidt op een stof die in contact met water brandbare gassen ontwikkelt.

72. Bijtende vloeistoffen alsmede oplossingen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, en die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 3094 bijtende vloeistof, reactief met water, n.e.g.;

b) 3094 bijtende vloeistof, reactief met water, n.e.g.

Opmerking: De uitdrukking "reactief met water" duidt op een stof die in contact met water brandbare gassen ontwikkelt.

73. Bijtende vaste stoffen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), oxiderend, die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 3084 bijtende vaste stof, oxiderend, n.e.g.;

b) 3084 bijtende vaste stof, oxiderend, n.e.g.

74. Bijtende vloeistoffen alsmede oplossingen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), oxiderend, die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 3093 bijtende vloeistof, oxiderend, n.e.g.;

b) 3093 bijtende vloeistof, oxiderend, n.e.g.

75. Bijtende vaste stoffen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), giftig, die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 2923 bijtende vaste stof, giftig, n.e.g.;

b) 2923 bijtende vaste stof, giftig, n.e.g.;

c) 2923 bijtende vaste stof, giftig, n.e.g.

76. Bijtende vloeistoffen alsmede oplossingen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), giftig, die niet onder een andere verzamelaanduiding kunnen worden ingedeeld:

a) 2922 bijtende vloeistof, giftig, n.e.g.;

b) 2922 bijtende vloeistof, giftig, n.e.g.;

c) 2922 bijtende vloeistof, giftig, n.e.g.

D. Voorwerpen die bijtende stoffen bevatten

81. Accumulatoren

c) 2794 accumulatoren (batterijen), nat, gevuld met zure elektrolyt,

2795 accumulatoren (batterijen), nat, gevuld met alkalische elektrolyt,

2800 accumulatoren (batterijen), nat, van het gesloten type,

3028 accumulatoren (batterijen), droog, met vast kaliumhydroxide .

Opmerkingen: 1. Voor deze voorwerpen gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften [zie rn. 807 (5)].

2. Accumulatoren (batterijen) (identificatienummer 2800) worden beschouwd van het gesloten type te zijn, indien zij de hieronder aangegeven vibratie-beproeving en drukverschil-beproeving kunnen doorstaan, zonder dat accumulatorvloeistof vrijkomt.

Vibratie-beproeving: De accumulator wordt stevig vastgezet op het plateau van een vibratie-machine en blootgesteld aan een sinusvormige beweging met een amplitude van 0,8 mm (1,6 mm totale uitslag). De frequentie wordt gewijzigd in stappen van 1 Hz/min tussen 10 Hz en 55 Hz. De volledige reeks van frequenties wordt in beide richtingen doorlopen in 95 ± 5 minuten voor elke positie, waarin de accumulator is gemonteerd (vibratierichting). De accumulator wordt beproefd in drie posities, die loodrecht op elkaar staan (hierbij inbegrepen een positie, waarbij de vulopeningen en de ontluchtingsopeningen, voor zover aanwezig, zich in een omgekeerde positie bevinden) gedurende perioden van gelijke tijdsduur.

Drukverschil-beproeving: In aansluiting op de vibratietest wordt de accumulator gedurende zes uren onderworpen aan een drukverschil van ten minste 88 kPa bij een temperatuur van 24 °C ± 4 °C. De accumulator wordt beproefd in drie posities, die loodrecht op elkaar staan (hierbij inbegrepen een positie, waarbij de vulopeningen en de ontluchtingsopeningen, voor zover aanwezig, zich in een omgekeerde positie bevinden) gedurende ten minste zes uren in elke positie.

82. Andere voorwerpen die bijtende stoffen bevatten:

b) 1774 vullingen voor brandblussers, bijtende vloeistof,

2028 rookbommen, niet ontplofbaar, die een bijtende vloeistof bevatten, zonder ontsteker.

E. Lege verpakkingen

91. Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (lege IBC's), lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, die stoffen van klasse 8 hebben bevat.

Opmerking: Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (IBC's), die stoffen van deze klasse hebben bevat, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, indien geschikte maatregelen zijn genomen om mogelijke gevaren uit te sluiten. Deze gevaren zijn uitgesloten, indien maatregelen zijn genomen om de gevaren van de klassen 1 t/m 9 op te heffen.

801a Aan de voorschriften van hoofdstuk 2 "Vervoersvoorwaarden" zijn - met uitzondering van de in lid (3) genoemde bepalingen - niet onderworpen:

(1) De stoffen van de cijfers 1 t/m 5, 7 t/m 13, 16, 17, 31 t/m 47, 51 t/m 56 en 61 t/m 76, die onder de hierna genoemde voorwaarden worden vervoerd:

a) de stoffen die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen:

vloeistoffen in hoeveelheden tot 100 ml per binnenverpakking en tot 400 ml per collo;

vaste stoffen in hoeveelheden tot 500 g per binnenverpakking en tot 2 kg per collo;

b) de stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen:

vloeistoffen in hoeveelheden tot 1 liter per binnenverpakking en tot 4 liter per collo;

vaste stoffen in hoeveelheden tot 3 kg per binnenverpakking en tot 12 kg per collo;

c) de stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen:

vloeistoffen in hoeveelheden tot 3 liter per binnenverpakking en tot 12 liter per collo;

vaste stoffen in hoeveelheden tot 6 kg per binnenverpakking en tot 24 kg per collo.

Deze hoeveelheden van de stoffen moeten in samengestelde verpakkingen worden vervoerd, die ten minste voldoen aan de voorschriften van rn. 1538.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7) zijn van toepassing.

(2) Stoffen, bedoeld in lid (1), in binnenverpakkingen van metaal of kunststof, die op trays met krimp- of rekfolie als buitenverpakking worden vervoerd, onder de volgende voorwaarden:

a) vloeistoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen: in hoeveelheden tot 500 ml per binnenverpakking en tot 4 liter per collo;

b) vaste stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen: in hoeveelheden tot 1 kg per binnenverpakking en tot 12 kg per collo;

c) vloeistoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen: in hoeveelheden tot 1 liter per binnenverpakking en tot 12 liter per collo.

d) vaste stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen: in hoeveelheden tot 2 kg per binnenverpakking.

De totale massa van het collo mag in geen geval meer bedragen dan 20 kg.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7) zijn van toepassing.

(3) Bij vervoer overeenkomstig lid (1) en (2) moet de aanduiding van het goed in de vrachtbrief voldoen aan de voorschriften van rn. 814 en de woorden "gelimiteerde hoeveelheid" omvatten.

Elke collo moet op duidelijke en duurzame wijze voorzien zijn van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

(4) a) Nieuwe accumulatoren (batterijen), indien:

zij zodanig zijn vastgezet dat zij niet kunnen glijden, omvallen en beschadigen;

zij van handvatten zijn voorzien, behalve indien de accumulatoren bijvoorbeeld op pallets zijn gestapeld;

zich aan de buitenzijde van de voorwerpen geen gevaarlijke sporen van logen of zuren bevinden;

zij tegen kortsluiting zijn beveiligd.

b) Gebruikte accumulatoren (batterijen), indien:

hun omhulsel geen beschadiging vertoont;

zij zijn beschermd tegen lekkage, glijden, omvallen en beschadigen, bijvoorbeeld door stapeling op pallets;

zich aan de buitenzijde van de voorwerpen geen gevaarlijke sporen van logen of zuren bevinden;

zij tegen kortsluiting zijn beveiligd.

Onder "gebruikte accumulatoren" worden verstaan accumulatoren die na normaal gebruik worden vervoerd voor kringloopdoeleinden.

(5) Accumulatoren (batterijen) van het gesloten type van cijfer 81 (identificatienummer 2800), indien bij een temperatuur van 55 °C het elektrolyt niet uitstroomt in geval van breuk of een scheur van het huis en geen vloeistof aanwezig is die kan uitstromen, en bovendien de polen beschermd zijn tegen kortsluiting wanneer de accumulatoren gereed voor verzending zijn verpakt.

(6) Instrumenten en industriële voorwerpen die niet meer dan 1 kg kwik van cijfer 66c) bevatten.

2. Vervoersvoorwaarden

(De vervoersvoorwaarden voor lege verpakkingen zijn samengevat onder F.)

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

802 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel V, tenzij in hoofdstuk A.2 voor bepaalde stoffen bijzondere verpakkingsvoorschriften zijn opgenomen.

(2) IBC's moeten voldoen aan de voorschriften van Aanhangsel VI.

(3) Overeenkomstig het bepaalde in rn. 800 (3) b) en 1511 (2) of 1611 (2) moeten worden gebruikt:

voor sterk bijtende stoffen, die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep I, gekenmerkt met de letter "X",

voor bijtende stoffen, die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep II of I, gekenmerkt met de letter "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep II, gekenmerkt met de letter "Y",

voor zwak bijtende stoffen, die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep III, II of I, gekenmerkt met de letter "Z", "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep III of II, gekenmerkt met de letter "Z" of "Y".

Opmerking: Voor het vervoer van stoffen van klasse 8 in reservoirwagens, zie Aanhangsel XI, in tankcontainers, zie Aanhangsel X. Voor het losgestort vervoer, zie rn. 816.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

803 Fluorwaterstof en fluorwaterstofzuur met meer dan 85 % fluorwaterstof van cijfer 6 moeten verpakt worden in drukhouders van koolstofstaal of een geschikte soort gelegeerd staal. De volgende drukhouders zijn toegelaten:

a) flessen met een inhoud van niet meer dan 150 liter;

b) houders met een inhoud van ten minste 100 liter en niet meer dan 1000 liter (b.v. cilindervormige houders, voorzien van rolbanden, en houders op sleden).

De drukhouders moeten voldoen aan de desbetreffende voorschriften van klasse 2 (zie rn. 212, 213, 215 t/m 217 en 223).

De wanddikte van de drukhouders mag niet minder zijn dan 3 mm.

De drukhouders moeten vóór ingebruikneming worden onderworpen aan een hydraulische proefpersing met een druk van ten minste 1 MPa (10 bar) (overdruk). De proefpersing moet om de 8 jaar worden herhaald en moet samengaan met een inwendige inspectie van de drukhouders en een controle van de uitrusting daarvan. Bovendien moet om de twee jaar de aantasting van de drukhouders door corrosie met behulp van geschikte meetinstrumenten (b.v. ultrasoon), alsmede de toestand van de uitrusting, worden onderzocht.

De beproevingen en onderzoeken moeten onder toezicht van een deskundige, erkend door de bevoegde autoriteit, worden uitgevoerd.

De massa van de vulling mag per liter inhoud niet meer bedragen dan 0,84 kg voor fluorwaterstof en fluorwaterstofzuur.

804 (1) Broom en broomoplossing van cijfer 14 moeten verpakt zijn in glazen binnenverpakkingen, waarvan de inhoud niet meer dan 2,5 liter per binnenverpakking mag bedragen of in binnenverpakkingen van polyvinyldifluoride (PVDF), waarvan de inhoud niet meer dan 15 liter mag bedragen en die in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538 geplaatst moeten zijn. De samengestelde verpakkingen moeten volgens Aanhangsel V zijn beproefd en toegelaten voor verpakkingsgroep I.

(2) Broom met een watergehalte van minder dan 0,005 % of met een watergehalte van 0,005 % t/m 0,2 % - in het laatste geval moeten maatregelen zijn genomen ter verhindering van corrosie van de bekleding van de houders - mag bovendien worden vervoerd in houders die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) de houders moeten zijn vervaardigd van staal, voorzien van een dichte binnenbekleding van lood of van een ander materiaal, dat een gelijkwaardige bescherming waarborgt, en van een hermetische sluiting; houders van de legering Monel, van nikkel of voorzien van een bekleding van nikkel zijn ook toegelaten;

b) de inhoud van de houders mag niet meer bedragen dan 450 liter;

c) de houders mogen tot ten hoogste 92 % van de inhoud of 2,86 kg per liter inhoud worden gevuld;

d) de houders moeten gelast zijn, en zij moeten voor een druk van ten minste 2,1 MPa (21 bar) (overdruk) berekend zijn. Materiaal en uitvoering moeten voorts voldoen aan de desbetreffende voorschriften van klasse 2 (zie rn. 212).

Voor de eerste beproeving van niet beklede stalen houders gelden de desbetreffende voorschriften van klasse 2 (zie rn. 215 t/m 217);

e) de sluitingsinrichtingen moeten zo weinig mogelijk uitsteken buiten de houder en van een beschermkap voorzien zijn. Deze inrichtingen en de beschermkap moeten voorzien zijn van pakkingen van een materiaal, dat niet door broom wordt aangetast. De sluitingen moeten zich in het bovenste deel van de houder bevinden, zodat zij in geen geval voortdurend met de vloeistoffase in aanraking kunnen komen;

f) aan de houders moeten voorzieningen zijn aangebracht, die het mogelijk maken hen op stabiele wijze rechtop te plaatsen op hun bodem, en zij moeten aan de bovenzijde voorzien zijn van inrichtingen voor het ophijsen (ringen, flenzen, etc.) die met een massa gelijk aan tweemaal de nuttige massa moeten zijn beproefd.

(3) De houders volgens (2) moeten vóór ingebruikneming worden onderworpen aan een dichtheidsproef met een druk van ten minste 200 kPa (2 bar) (overdruk). De dichtheidsproef moet om de 2 jaar worden herhaald en moet samengaan met een inwendige inspectie van de houder en een controle van de massa van de lege houder. Deze beproeving en dit onderzoek moeten onder toezicht van een deskundige, erkend door de bevoegde autoriteit, worden uitgevoerd.

(4) De houders volgens (2) moeten goed leesbaar en duurzaam van de volgende merktekens zijn voorzien:

de naam of het merk van de fabrikant en het nummer van de houder;

de aanduiding "Broom";

de massa van de lege houder en de hoogst toegestane massa van de houder in gevulde toestand;

de datum (maand, jaar) van de eerste beproeving en de laatst uitgevoerde periodieke beproeving;

het waarmerk van de deskundige, die de beproevingen en onderzoeken heeft uitgevoerd.

805 (1) De onder a) vallende stoffen van de verschillende cijfers moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1522, of

d) in kunststof vaten met niet-afneembaar deksel met een inhoud van ten hoogste 60 liter of in kunststof jerrycans met niet-afneembaar deksel volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen van glas, kunststof of metaal, volgens rn. 1538, of

g) in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1539.

Opmerkingen: 1. ad d). De toegestane gebruiksduur van verpakkingen, bestemd voor het vervoer van salpeterzuur van cijfer 2a) en van fluorwaterstofzuur van cijfer 7a), bedraagt 2 jaar na de datum van fabricage.

2. ad f) en g). Binnenverpakkingen van glas zijn niet toegelaten voor de fluorhoudende stoffen van de cijfers 7a), 8a) en 33a).

(2) De vaste stoffen in de zin van rn. 800 (6) mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten met afneembaar deksel, van staal volgens rn. 1520, van aluminium volgens rn. 1521, van gelamineerd hout volgens rn. 1523, van karton volgens rn. 1525 of van kunststof volgens rn. 1526, of in jerrycans met afneembaar deksel, van staal of van aluminium volgens rn. 1522 of van kunststof volgens rn. 1526, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, met één of meer stofdichte binnenzakken.

806 (1) De onder b) vallende stoffen van de verschillende cijfers moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten of jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, of

g) in combinatieverpakkingen (glas, porselein, aardewerk) volgens rn. 1539.

Opmerkingen: 1. ad a), b), c) en d). Op vaten en jerrycans met afneembaar deksel voor dikvloeibare stoffen, waarvan de viscositeit bij 23 °C meer bedraagt dan 200 mm2/s, en voor vaste stoffen zijn vereenvoudigde voorwaarden van toepassing (zie rn. 1512, 1553, 1554 en 1561).

2. ad d). De toegestane gebruiksduur van verpakkingen, bestemd voor het vervoer van salpeterzuur met meer dan 55 % zuur van cijfer 2b) en van fluorwaterstofzuur van cijfer 7b), bedraagt 2 jaar, te rekenen vanaf de datum van fabricage.

3. ad f) en g). Binnenhouders van glas zijn niet toegestaan voor de fluorhoudende stoffen van de cijfers 7b), 8b), 9b), 10b) en 33b).

(2) De onder b) vallende stoffen van de afzonderlijke cijfers met een dampdruk bij 50 °C van ten hoogste 110 kPa (1,10 bar) mogen bovendien verpakt zijn in metalen IBC's volgens rn. 1622, in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624 of in combinatie-IBC's met binnenhouder van stijve kunststof volgens rn. 1625.

(3) De vaste stoffen in de zin van rn. 800 (6) mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523 of van karton volgens rn. 1525, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in waterbestendige zakken, van textiel volgens rn. 1533, van kunststofweefsel volgens rn. 1534, van kunststoffolie volgens rn. 1535 of in zakken van waterbestendig papier volgens rn. 1536, onder voorwaarde dat het een wagenlading betreft of zakken, gestapeld op pallets, of

c) in combinatie-IBC's met binnenhouder van flexibele kunststof volgens rn. 1625, in kartonnen IBC's volgens rn. 1626 of in houten IBC's volgens rn. 1627, of

d) in flexibele IBC's volgens rn. 1623, met uitzondering van de typen 13H1, 13L1 en 13M1, onder voorwaarde dat het een wagenlading betreft of flexibele IBC's, die op pallets zijn geladen.

(4) De voorwerpen van cijfer 82 moeten als volgt verpakt zijn:

a) Vullingen voor brandblussers, bijtende vloeistof

in kisten van hout volgens rn. 1527, 1528 of 1529,

in dozen van karton volgens rn. 1530, of

in dozen van geëxpandeerde kunststof van type 4H1 volgens rn. 1531.

b) Rookbommen, niet ontplofbaar, die een bijtende vloeistof bevatten, zonder ontsteker

afzonderlijk met voor opvulling dienende stoffen vastgezet in kisten, hulzen of gescheiden vakken, die geplaatst zijn in houten kisten volgens rn. 1527, 1528 of 1529 of in stalen kisten van type 4A volgens rn. 1532.

807 (1) De onder c) vallende stoffen van de verschillende cijfers - met uitzondering van gallium van cijfer 65c) en van kwik van cijfer 66c) - moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten of jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, of

g) in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1539, of

h) in lichte metalen verpakkingen volgens rn. 1540.

Opmerking: ad a), b), c), d) en h). Op vaten, jerrycans en lichte metalen verpakkingen met afneembaar deksel voor dikvloeibare stoffen, waarvan de viscositeit bij 23 °C meer bedraagt dan 200 mm2/s, en voor vaste stoffen, zijn vereenvoudigde voorwaarden van toepassing (zie rn. 1512, 1552 t/m 1554 en 1561).

(2) De onder c) vallende stoffen van de verschillende cijfers - met uitzondering van gallium van cijfer 65c) en van kwik van cijfer 66c) - met een dampdruk bij 50 °C van ten hoogste 110 kPa (1,10 bar) mogen bovendien verpakt zijn in metalen IBC's volgens rn. 1622, in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624 of in combinatie-IBC's met binnenhouder van kunststof volgens rn. 1625. IBC's van het type 31HZ2 moeten tot ten minste 80 % van de inhoud van de uitwendige omhulling zijn gevuld.

(3) De vaste stoffen in de zin van rn. 800 (6) mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523, of van karton volgens rn. 1525, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in waterbestendige zakken, van textiel volgens rn. 1533, van kunststofweefsel volgens rn. 1534, van kunststoffolie volgens rn. 1535 of in zakken van waterbestendig papier volgens rn. 1536, of

c) in flexibele IBC's volgens rn. 1623, met uitzondering van de typen 13H1, 13L1 en 13M1, in combinatie-IBC's met binnenhouder van flexibele kunststof volgens rn. 1625, in kartonnen IBC's volgens rn. 1626 of in houten IBC's volgens rn. 1627.

(4) a) Gallium van cijfer 65c) en kwik van cijfer 66c) moeten verpakt zijn in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538. Deze samengestelde verpakkingen mogen bestaan uit binnenverpakkingen van glas, porselein, aardewerk of kunststof met een hoogst toelaatbare massa van de vulling van 10 kg.

Als buitenverpakkingen mogen gebruikt worden:

kisten van natuurlijk hout volgens rn. 1527,

kisten van gelamineerd hout volgens rn. 1528,

kisten van houtvezelmateriaal volgens rn 1529,

kartonnen dozen volgens rn. 1530,

dozen van kunststof volgens rn. 1531,

stalen vaten met afneembaar deksel volgens rn. 1520,

stalen jerrycans met afneembaar deksel volgens rn. 1522,

vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523,

kartonnen vaten volgens rn. 1525,

of kunststof vaten met afneembaar deksel volgens rn. 1526.

b) Kwik mag bovendien verpakt zijn in gelaste stalen flessen met naar binnen gewelfde bodem. De sluiting moet bestaan uit een bout met conische draad en de opening mag niet groter zijn dan 20 mm

(5) a) De voorwerpen van cijfer 81 - met uitzondering van accumulatoren van het gesloten type - moeten met behulp van een inert opvulmateriaal of op een gelijkwaardige wijze zijn vastgezet in kisten van hout of in kisten van stijve kunststof of in een houten krat. De accumulatoren moeten beschermd zijn tegen kortsluiting.

b) Accumulatoren van het gesloten type (identificatienummer 2800) moeten beschermd zijn tegen kortsluiting en moeten veilig verpakt zijn in stevige buitenverpakkingen.

Opmerking: Accumulatoren van het gesloten type, die voor het functioneren van een mechanisch of elektronisch apparaat nodig zijn en daarvan een integrerend bestanddeel vormen, moeten in de batterijhouder van het apparaat stevig bevestigd zijn en tegen beschadigingen en kortsluiting beschermd zijn.

c) De voorwerpen van cijfer 81 mogen worden vervoerd op pallets. Indien zij worden gestapeld moeten zij op geschikte wijze in lagen worden geplaatst, die gescheiden zijn door een laag van niet geleidend materiaal. De polen van de batterijen mogen in geen geval blootgesteld zijn aan het gewicht van de daarop geplaatste elementen. De accumulatoren moeten beschermd zijn tegen kortsluiting.

Elke afzonderlijke accumulator behoeft niet van een opschrift en een gevaarsetiket te zijn voorzien, indien de gepalletiseerde lading van een opschrift en een gevaarsetiket is voorzien.

(6) Gebruikte accumulatoren van cijfer 81c) mogen onder de volgende voorwaarden ook worden vervoerd in accubakken van roestvrij staal of van massieve kunststof, met een inhoud van ten hoogste 1 m3:

a) De accubakken moeten bestendig zijn tegen de in de accumulatoren aanwezige bijtende stoffen.

b) Onder normale vervoersomstandigheden mogen geen bijtende stoffen uit de accubakken naar buiten treden en andere stoffen (bijvoorbeeld water) mogen niet in de accubakken kunnen komen. Aan de buitenwanden van de accubakken mogen zich geen gevaarlijke resten bevinden van de in de accumulatoren aanwezige bijtende stoffen.

c) De accubakken mogen niet hoger dan hun wanden met accumulatoren worden beladen.

d) In de accubakken mogen zich geen stoffen in de accumulatoren of andere gevaarlijke goederen bevinden, die op gevaarlijke wijze met elkaar kunnen reageren [zie rn. 811 (6)].

e) De accubakken moeten:

i) afgedekt zijn, of

ii) in gesloten of in open wagens met dekzeilen worden vervoerd.

(7) Gebruikte accumulatoren van cijfer 81c) mogen ook worden vervoerd in IBC's van staal volgens rn. 1522, IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624 of in combinatie-IBC's met een binnenhouder van stijve kunststof en een uitwendige omhulling van staal of kunststof volgens rn. 1625.

IBC's moeten aan beproevingen volgens rn. 1652, 1653, 1655 en 1658 worden onderworpen. De bepalingen voor stoffen van verpakkingsgroep III zijn van toepassing.

Het constructietype moet door de bevoegde autoriteit zijn toegelaten. De IBC's moeten dicht zijn gesloten en voldoen aan de overige voorschriften van lid (6).

808 Verpakkingen met inbegrip van IBC's die hypochlorietoplossing (identificatienummer 1791) van cijfer 61 bevatten, moeten voorzien zijn van een ontluchtingsinrichting volgens rn. 1500 (8) of 1601 (6).

809 Fosforoxybromide, gesmolten, van cijfer 15 mag slechts worden vervoerd in reservoirwagens (zie Aanhangsel XI) of in tankcontainers (zie Aanhangsel X).

810

3. Gezamenlijke verpakking

811 (1) Stoffen die onder één cijfer vallen, mogen gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538.

(2) Stoffen van verschillende cijfers van deze klasse mogen in hoeveelheden dieper binnenverpakking niet meer bedragen dan 3 liter voor vloeistoffen en/of 5 kg voor vaste stoffen, gezamenlijk worden verpakt en/of worden verpakt met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538, onder voorwaarde dat zij niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

(3) De stoffen van cijfer 4 mogen niet gezamenlijk worden verpakt in één collo met andere goederen, behalve met de stoffen van cijfer 3 van rn. 501 van klasse 5.1.

De stoffen van de cijfers 6 en 14 mogen niet in één collo gezamenlijk worden verpakt met andere goederen.

(4) De onder a) vallende stoffen van de verschillende cijfers mogen niet gezamenlijk worden verpakt met stoffen en voorwerpen van de klassen 1, 5.2 en 7.

(5) Voor zover de onderstaande bijzondere voorwaarden niet anders bepalen, mogen de onder a) vallende vloeistoffen van de verschillende cijfers in hoeveelheden die niet meer bedragen dan 0,5 liter per binnenverpakking en 1 liter per collo, en de onder b) of c) vallende stoffen in hoeveelheden die per binnenverpakking niet meer bedragen dan 5 liter voor vloeistoffen en/of 5 kg voor vaste stoffen, gezamenlijk worden verpakt met stoffen of voorwerpen van andere klassen - voor zover gezamenlijke verpakking ook voor stoffen of voorwerpen van deze klassen is toegestaan - en/of met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538, onder voorwaarde dat zij niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

(6) Als gevaarlijke reacties worden beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanmerkelijke warmteontwikkeling;

b) de ontwikkeling van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van bijtende vloeistoffen;

d) de vorming van instabiele stoffen.

(7) De voorschriften van de rn. 8 en 802 dienen in acht genomen te worden.

(8) Bij gebruik van houten kisten of kartonnen dozen mag een collo niet meer wegen dan 100 kg.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie Aanhangsel IX)

Opschriften

812 (1) Elke collo moet op duidelijke en duurzame wijze zijn voorzien van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

Gevaarsetiketten

(2) Colli die stoffen of voorwerpen van deze klasse bevatten, moeten zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 8.

(3) Colli die stoffen bevatten van de cijfers 32b)2, 33a), 35b)2, 37, 54, 64b) en 68, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 3.

(4) Colli die stoffen bevatten van de cijfers 44a) en 45b)2, moeten bovendien voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 3 en 6.1.

(5) Colli die stoffen bevatten van cijfer 67, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 4.1.

(6) Colli die stoffen bevatten van de cijfers 69 en 70, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 4.2.

(7) Colli die stoffen bevatten van de cijfers 71 en 72, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 4.3.

(8) Colli die stoffen bevatten van de cijfers 3a), 4, 73 en 74, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 05.

(9) Colli die stoffen bevatten van cijfer 2a)2, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 05 en 6.1.

(10) Colli die de hieronder genoemde stoffen bevatten, moeten bovendien voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 6.1:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(11) Colli die vloeistoffen bevatten in houders, waarvan de sluitingen aan de buitenzijde niet waarneembaar zijn, alsmede colli met houders voorzien van ontluchtingsinrichtingen, of houders met ontluchtingsinrichtingen zonder buitenverpakking, moeten bovendien op twee tegenover elkander gelegen zijden zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 11.

B. Wijze van verzending, beperkende bepalingen betreffende de verzending

813 Met uitzondering van de stoffen van de cijfers 6 en 14 en de stoffen die onder a) van de afzonderlijke cijfers vallen, mogen colli die andere stoffen van deze klasse bevatten, als expresgoed worden verzonden, indien zij bevatten:

van de stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 4 liter per collo voor vloeistoffen en 12 kg per collo voor vaste stoffen;

van de stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 12 liter per collo voor vloeistoffen en 24 kg per collo voor vaste stoffen.

C. Aanduidingen in de vrachtbrief

814 De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de cursief gedrukte identificatienummers en benamingen in rn. 801.

Indien de stof niet met name is genoemd, maar in een n.e.g.-positie is ingedeeld, moet de aanduiding van het goed bestaan uit het identificatienummer en de benaming van de n.e.g.-positie, gevolgd door de chemische of technische benaming () van de stof.

De aanduiding van het goed moet worden aangevuld met de vermelding van de klasse, het cijfer en eventueel de groep a), b) of c) van de stofopsomming, en de afkorting "RID", b.v. 8, 1a), RID.

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie rn. 3 (4)] moet de aanduiding van het goed luiden: "Afval, bevat ..", waarbij de voor de indeling van het afval volgens rn. 3 (3) bepalende gevaarlijke component(en) met zijn (hun) chemische benaming(en) moet(en) worden aangegeven, b.v. 'Afval, bevat 1824 natriumhydroxide, oplossing, 8, 42b), RID'.

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) met meerdere aan deze Richtlijn onderworpen componenten, behoeven in het algemeen niet meer dan twee componenten, die bepalend zijn voor de gevaarlijkheid van de oplossingen en mengsels, te worden aangegeven.

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels die slechts één aan deze Richtlijn onderworpen component bevatten, moet in de vrachtbrief het woord "oplossing" resp. "mengsel" als onderdeel van de benaming worden toegevoegd [zie rn. 3 (3)].

Indien een vaste stof in gesmolten toestand ten vervoer wordt aangeboden, moet de aanduiding van het goed worden aangevuld met de vermelding "gesmolten", voor zover deze daarin al niet voorkomt.

Indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, moet bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed. Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

Indien een met name genoemde oplossing of een met name genoemd mengsel resp. een oplossing of een mengsel, die/dat een met name genoemde stof bevat, volgens rn. 800 (5) niet onderworpen is aan de voorschriften van deze klasse, heeft de afzender het recht in de vrachtbrief te vermelden: "Geen goed van klasse 8".

D. Vervoermiddelen en technische hulpmiddelen

1. Voorschriften betreffende de wagens en het laden

a. Voor colli

815 (1) Wagens, bestemd voor het vervoer van stoffen van de cijfers 2a)2, 3a), 4b), 73 en 74, moeten vóór de belading zorgvuldig gereinigd worden, en in het bijzonder moeten alle brandbare resten (stro, hooi, papier, etc.) verwijderd worden.

(2) Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

(3) De colli moeten in de wagens zo worden geladen, dat zij zich niet op gevaarlijke wijze kunnen verplaatsen en niet kunnen vallen of omvallen.

Bovendien mogen IBC's van het type 31HZ2 slechts in gesloten wagens worden vervoerd.

(4) Voor het vastzetten van de colli met de in lid (1) genoemde stoffen in de wagens is het gebruik van gemakkelijk brandbare materialen verboden.

b. Voor vervoer als losgestort goed

816 (1) 1794 Loodsulfaat van cijfer 1b), de stoffen van cijfer 13b), 3244 vaste stoffen die bijtende vloeistof bevatten van cijfer 65b), alsmede vaste stoffen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, mogen losgestort vervoerd worden in open wagens met dekzeilen of in wagens met beweegbaar dak.

Wagens die stoffen bevatten van identificatienummer 3244 van cijfer 65b) moeten dicht zijn of dicht zijn gemaakt, b.v. door middel van een voldoende stevige binnenbekleding.

(2) a) Gebruikte accumulatoren van cijfer 81c) mogen losgestort worden vervoerd in speciaal ingerichte wagens.

b) De laadruimten van de wagens moeten zijn vervaardigd van staal dat bestendig is tegen de bijtende stoffen die in de accumulatoren aanwezig zijn. Minder bestendige staalsoorten mogen worden gebruikt indien de wand voldoende dik is of voorzien is van een tegen de bijtende stoffen bestendige laag of bekleding van kunststof. De laadruimten van de wagens moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat ze bestendig zijn tegen mogelijke elektrische restladingen en tegen het stoten van batterijen.

Opmerking: Als bestendig worden staalsoorten beschouwd, die bij inwerking van bijtende stoffen een corrosiesnelheid van ten hoogste 0,1 mm per jaar vertonen.

c) Door constructieve maatregelen moet worden verzekerd, dat bij het vervoer geen lekkage van bijtende stoffen uit de laadruimten van de wagens kan optreden. Open laadruimten moeten met een materiaal zijn afgedekt, dat bestendig is tegen de bijtende stoffen.

d) De laadruimten van de wagens met inbegrip van hun uitrusting moeten voor de belading worden onderzocht. Wagens met beschadigde laadruimten mogen niet worden beladen.

De laadruimten van de wagens mogen niet hoger worden beladen dan de wanden van de wagens.

e) In de laadruimten van de wagens mogen zich geen accumulatoren bevinden met verschillende stoffen en geen andere goederen, die met elkaar gevaarlijk kunnen reageren [rn. 811 (6)].

Tijdens het vervoer mogen zich aan de buitenzijde van de laadruimten van de wagens geen gevaarlijke resten van de in de accumulatoren aanwezige bijtende stoffen bevinden.

c. Vervoer in kleine containers

817 (1) Colli die stoffen van deze klasse bevatten, mogen in kleine containers worden vervoerd.

(2) De samenladingsverboden, bedoeld in rn. 820, zijn ook van toepassing in kleine containers.

(3) 1794 Loodsulfaat van cijfer 1b), de stoffen van cijfer 13b), 3244 vaste stoffen die bijtende vloeistof bevatten van cijfer 65b), alsmede vaste stoffen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, mogen ook losgestort worden vervoerd in kleine containers van het gesloten type met dichte wanden met een geschikte binnenbekleding.

Kleine containers die losgestorte stoffen bevatten van identificatienummer 3244 van cijfer 65b), moeten dicht zijn of dicht zijn gemaakt, b.v. door middel van een voldoende stevige binnenbekleding.

(4) Gebruikte accumulatoren van cijfer 81c) mogen onder de voorwaarden van rn. 816 (2)a) t/m e) in kleine containers als losgestort goed worden vervoerd. Kleine containers van kunststof moeten bij P 18 °C bij volle belading een valproef vanaf een hoogte van 0,8 meter op een hard oppervlak plat op de bodem zonder breuk kunnen doorstaan.

(5) De voorschriften van de rn. 815 (1) en 824 zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op het vervoer in kleine containers.

2. Opschriften en gevaarsetiketten op de wagens, op de reservoirwagens, op de tankcontainers en op de kleine containers (zie Aanhangsel IX)

818 (1) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen worden vervoerd van deze klasse, moeten aan beide zijden voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 8.

(2) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen als bedoeld in rn. 812 (3) t/m (10) worden vervoerd, moeten bovendien aan beide zijden voorzien zijn van etiketten volgens dat randnummer.

(3) Kleine containers moeten volgens rn. 812 (2) t/m (10) van etiketten zijn voorzien.

819

E. Verbod van samenlading

820 Colli, voorzien van een etiket volgens model nr. 8, mogen niet samen worden geladen in één wagen met colli, voorzien van een etiket volgens model nr. 1, 1.4, 1.5, 1.6 of 01.

Deze voorschriften zijn niet van toepassing op colli die van een etiket volgens model nr. 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn voorzien.

821 Voor zendingen, die niet in één wagen samengeladen mogen worden, moeten afzonderlijke vrachtbrieven worden opgemaakt.

F. Lege verpakkingen

822 (1) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, van cijfer 91 moeten op dezelfde wijze gesloten zijn en dezelfde waarborgen van dichtheid bieden als in gevulde toestand.

(2) Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege IBC's, lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, van cijfer 91 moeten van dezelfde gevaarsetiketten zijn voorzien als in gevulde toestand.

(3) De aanduiding in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de in cijfer 91 cursief gedrukte benamingen, aangevuld met "8, 91, RID", b.v. "Lege verpakking, 8, 91, RID".

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje aangebracht worden.

Bij ongereinigde lege reservoirwagens of lege tankcontainers, alsmede lege wagens en lege kleine containers voor vervoer als losgestort goed, moet deze aanduiding worden aangevuld met de vermelding "Laatste inhoud" alsmede het gevaarsidentificatienummer, het stofidentificatienummer, de benaming, het cijfer en eventueel de groep a), b) of c) van de stofopsomming van het laatst vervoerde goed, b.v. "Laatste inhoud 80 1830 zwavelzuur, 1b)".

(4) Wat betreft de scheiding tussen ongereinigde lege verpakkingen van cijfer 91 die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

G. Verdere voorschriften

823 Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 6.1, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

824 Indien stoffen naar buiten zijn getreden uit colli, voorzien van een etiket volgens model nr 6.1, en in een wagen zijn verspreid, dan mag deze wagen pas na grondige reiniging en zo nodig ontsmetting weer worden gebruikt. Alle andere goederen en voorwerpen, die in dezelfde wagen zijn vervoerd, moeten op mogelijke verontreiniging onderzocht worden.

825-

899

KLASSE 9 DIVERSE GEVAARLIJKE STOFFEN EN VOORWERPEN

1. Opsomming van de stoffen

900 (1) De titel van klasse 9 omvat stoffen en voorwerpen die tijdens het vervoer een gevaar opleveren, dat niet onder de omschrijvingen van andere klassen valt. Van deze stoffen en voorwerpen zijn die welke in rn. 901 genoemd zijn, onderworpen aan de in rn. 901 t/m 924 gegeven voorschriften en derhalve stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn ().

(2) De stoffen en voorwerpen van klasse 9 zijn als volgt onderverdeeld:

A. Stoffen die bij inademing als fijn stof de gezondheid in gevaar kunnen brengen

B. Stoffen en apparaten, waarbij in geval van brand dioxines kunnen ontstaan

C. Stoffen die brandbare dampen ontwikkelen

D. Lithiumbatterijen

E. Reddingsmiddelen

F. Milieugevaarlijke stoffen

G. Verwarmde stoffen

H. Andere stoffen, die tijdens het vervoer een gevaar vertonen maar die niet onder de definities van een andere klasse vallen

I. Lege verpakkingen.

Op grond van de mate van gevaarlijkheid moeten de stoffen en voorwerpen van klasse 9 in de afzonderlijke cijfers van rn. 901 worden ingedeeld in één van de volgende groepen:

b) gevaarlijke stoffen

c) minder gevaarlijke stoffen.

Opmerking: Voor de indeling van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), zie ook rn. 3 (3).

(3) De volgende stoffen en voorwerpen, die zijn ingedeeld onder identificatienummers van de VN-Aanbevelingen, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn: 1845 kooldioxide, vast (droogijs), 2071 ammoniumnitraathoudende meststoffen, 2216 vismeel (visafval), gestabiliseerd, 2807 gemagnetiseerd materiaal, 3166 verbrandingsmotoren, ook indien ingebouwd in machines of voertuigen en 3171 voertuig of apparaat met accuvoeding (met vloeibaar elektrolyt).

A. Stoffen die bij inademing als fijn stof de gezondheid in gevaar kunnen brengen

901 1. Asbest alsmede asbesthoudende mengsels, zoals:

b) 2212 asbest, blauw (crocidoliet),

2212 asbest, bruin (amosiet, mysoriet);

c) 2590 asbest, wit (chrysotiel, actinoliet, anthofylliet, tremoliet).

Opmerking: Talk dat tremoliet en/of actinoliet bevat, is een stof van cijfer 1c), identificatienummer 2590.

B. Stoffen en apparaten, waarbij in geval van brand dioxines kunnen ontstaan

2. Polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's en PCT's), polyhalogeenbifenylen en polyhalogeenterfenylen, alsmede mengsels die deze stoffen bevatten:

b) 2315 polychloorbifenylen,

3151 polyhalogeenbifenylen, vloeibaar, of

3151 polyhalogeenterfenylen, vloeibaar,

3152 polyhalogeenbifenylen, vast, of

3152 polyhalogeenterfenylen, vast.

Opmerking: Mengsels met een gehalte aan PCB of PCT van niet meer dan 50 mg/kg zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

3. Apparaten, zoals transformatoren, condensatoren en hydraulische apparaten, die stoffen of mengsels van cijfer 2b) bevatten.

Opmerking: Voor deze apparaten gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 905).

C. Stoffen die brandbare dampen ontwikkelen

4. Polymeren die brandbare vloeistoffen met een vlampunt van ten hoogste 55 °C bevatten:

c) 2211 expandeerbare polymeerkorrels, die brandbare dampen ontwikkelen.

3314 kunststof persmassa, in de vorm van pasta, vellen of geëxtrudeerde draden, die brandbare dampen ontwikkelen.

Opmerking: Polymeren in granulaatvorm en persmassa's kunnen bestaan uit polystyreen, polymethylmethacrylaat of een ander polymeer.

D. Lithiumbatterijen

Opmerking: Voor deze voorwerpen gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 906).

5. 3090 lithiumbatterijen,

3091 lithiumbatterijen in apparatuur of

3091 lithiumbatterijen, verpakt met apparatuur.

Opmerkingen: 1. De afzonderlijke cellen mogen niet meer dan 12 g lithium of lithiumlegering bevatten. De hoeveelheid lithium of lithiumlegering per batterij mag niet meer zijn dan 500 g. Indien de bevoegde autoriteit van het land van herkomst daarin toestemt, mag de hoeveelheid lithium of lithiumlegering per cel ten hoogste 60 g bedragen en mag een collo ten hoogste 2 500 g lithium of lithiumlegering bevatten; de bevoegde autoriteit moet de vervoersvoorwaarden alsmede het type en de omvang van de beproeving vaststellen. Indien het land van herkomst geen Lid-Staat is, moet de toestemming worden erkend door de bevoegde autoriteit van de eerste Lid-Staat van de COTIF, die bij de zending betrokken is.

2. De cellen en de batterijen moeten zijn uitgerust met een doeltreffende inrichting ter voorkoming van uitwendige kortsluitingen. Elke cel en elke batterij moet voorzien zijn van een veiligheidsinrichting voor de ontluchting of moeten zodanig zijn ontworpen dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet met geweld kunnen bezwijken. Batterijen die cellen of series van parallel geschakelde cellen bevatten, moeten worden uitgerust met diodes, ter voorkoming van een retourstroom. Cellen of batterijen in apparatuur moeten zijn beschermd tegen kortsluiting en moeten op veilige wijze op hun plaats worden gehouden.

3. De cellen en de batterijen moeten zodanig zijn ontworpen en vervaardigd dat zij de volgende beproevingen kunnen doorstaan:

a) Tien cellen en een batterij van elk type worden genomen uit de productie van elke week en onderworpen aan de in het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 38.3 voorgeschreven beproevingen onder blootstelling aan extreme temperaturen en onder kortsluiting of aan vergelijkbare beproevingen, goedgekeurd door de bevoegde autoriteit. Tijdens de beproeving onder blootstelling aan extreme temperaturen mag geen teken van vervorming, lekkage of inwendige opwarming worden vastgesteld. Indien zich bij de kortsluitbeproeving gassen ontwikkelen, dan mogen deze gassen in contact met een open vlam niet ontploffen;

b) Cellen en batterijen zijn niet onderworpen aan de bepalingen van lid a), indien ze hermetisch zijn gesloten en indien vóór de eerste verzending tien cellen of vier batterijen van elk type, die ten vervoer zullen worden aangeboden, worden onderworpen aan de in het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 38.3 voorgeschreven hoogte-simulatiebeproevingen, beproevingen onder extreme temperaturen, trillings- en valproeven of aan vergelijkbare beproevingen, goedgekeurd door de bevoegde autoriteit, zonder dat daarbij een zichtbare lekkage van gas of vloeistof, verlies van massa of vervorming optreedt.

4. Cellen van batterijen die zich in apparatuur bevinden, mogen tijdens het vervoer niet zover kunnen worden ontladen dat de onbelaste celspanning daalt beneden 2 volt of tweederde van de spanning van de niet ontladen cel, al naar gelang welke van deze twee spanningen de laagste is.

5. Voorwerpen van cijfer 5 die niet aan deze voorwaarden voldoen, zijn niet ten vervoer toegelaten.

E. Reddingsmiddelen

Opmerking: Voor de voorwerpen van cijfers 6 en 7 gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 907).

6. 2990 reddingsmiddelen, automatisch opblaasbaar, zoals noodglijbanen en overlevingsuitrustingen voor vliegtuigen en reddingsmiddelen voor op zee.

Opmerking: Deze middelen leveren gevaar op indien de automatische opblaasinrichting tijdens het vervoer in werking gesteld wordt; deze middelen kunnen ook zijn uitgerust met één of meer van de volgende stoffen of voorwerpen van deze Richtlijn:

seinmiddelen van klasse 1, zoals rook- en lichtsignalen;

niet brandbare, niet giftige gassen van klasse 2;

brandbare stoffen van de klasse 3 of 4.1;

organische peroxiden van klasse 5.2 als bestanddelen van reparatiesets;

elektrische accumulatoren van klasse 8.

7. 3072 reddingsmiddelen, niet automatisch opblaasbaar, die met één of meer van de volgende stoffen of voorwerpen van deze Richtlijn zijn uitgerust:

seinmiddelen van klasse 1, zoals rook- en lichtsignalen;

niet brandbare, niet giftige gassen van klasse 2;

brandbare stoffen van de klasse 3 of 4.1;

organische peroxiden van klasse 5.2 als bestanddelen van reparatiesets;

elektrische accumulatoren of bijtende vaste stoffen van klasse 8.

8. Auto-onderdelen

c) 3268 gasgeneratoren (voor airbags) of

3268 airbagmodules of

3268 aanspaninrichtingen voor veiligheidsgordels.

Opmerkingen: 1. Dit cijfer is van toepassing op voorwerpen die volgens rn. 100 (2)b) kunnen worden ingedeeld in klasse 1, en die worden gebruikt als airbags of als veiligheidsgordels, voor zover zij worden vervoerd als onderdelen en voor zover de gasgeneratoren (voor airbags), de aanspaninrichtingen voor veiligheidsgordels of de airbagmodules in de verpakking gereed voor de verzending zijn beproefd overeenkomstig de beproevingsserie 6c) in het Handboek beproevingen en criteria, deel I, hoofdstuk 16, waarbij noch een explosie van de inrichting, noch een verbrijzeling van de behuizing van de inrichting, noch gevaar van scherfwerking of een thermisch effect is opgetreden, welke de brandbestrijding of andere hulpverlening bij ongevallen in de onmiddellijke nabijheid zou kunnen hinderen.

2. Airbags of veiligheidsgordels, die zijn ingebouwd in voertuigen of in geassembleerde onderdelen van voertuigen, zoals stuurkolommen, deurpanelen, etc. zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

F. Milieugevaarlijke stoffen

Opmerking: De indeling van stoffen in de cijfers 11 en 12 moet geschieden op grond van het bepaalde in Aanhangsel III, hoofdstuk C, rn. 1320 t/m 1326.

11. Vloeistoffen die het aquatisch milieu verontreinigen en oplossingen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet kunnen worden ingedeeld in andere klassen of in de cijfers 1 t/m 8, 13, 14, 20, 33 en 34 van deze klasse:

c) 3082 milieugevaarlijke vloeistof, n.e.g., zoals:

poly (3-6) ethoxylaten van secundaire alcoholen (C6-C17)

poly (1-3) ethoxylaten van alcoholen (C12-C15)

poly (1-6) ethoxylaten van alcoholen (C13-C15)

alfa-cypermethrin

butylbenzylftalaat

gechloreerde paraffinen (C10-C13)

1-chlooroctaan

cresyldifenylfosfaat

cyfluthrin

decylacrylaat

di-n-butylftalaat

1,6-dichloorhexaan

diisopropylbenzenen

isodecylacrylaat

isodecyldifenylfosfaat

isooctylnitraat

malathion

resmethrin

triarylfosfaten

tricresylfosfaten

triethylbenzeen

trixylenylfosfaat.

12. Vaste stoffen die het aquatisch milieu verontreinigen en mengsels van deze stoffen (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen), die niet kunnen worden ingedeeld in andere klassen of in de cijfers 1 t/m 8, 13, 14, 21, 31, 32 en 35 van deze klasse:

c) 3077 milieugevaarlijke vaste stof, n.e.g., zoals:

chloorhexidine

gechloreerde paraffinen (C10-C13)

p-dichloorbenzeen

difenyl

difenylether

fenbutatin-oxide

kwik(I)chloride (calomel)

tributyltinfosfaat

zinkbromide.

13. Genetisch gemodificeerde micro-organismen

Opmerkingen: 1. Genetisch gemodificeerde micro-organismen zijn micro-organismen waarin het genetisch materiaal opzettelijk veranderd is door middel van technische methoden of op een wijze die niet in de natuur voorkomt.

2. Genetisch gemodificeerde micro-organismen, die infectueuze stoffen zijn, zijn stoffen van klasse 6.2 (zie rn. 651, cijfers 1 t/m 3, identificatienummers 2814 en 2900).

3. Genetisch gemodificeerde micro-organismen in de zin van dit cijfer zijn micro-organismen, die niet gevaarlijk zijn voor mensen of dieren, maar die dieren, planten, microbiologische stoffen en ecosystemen kunnen veranderen op een wijze die niet in de natuur voorkomt.

b) 3245 genetisch gemodificeerde micro-organismen

Opmerkingen: 1. Genetisch gemodificeerde micro-organismen, waarvoor een vergunning is verleend voor verspreiding in het milieu (), zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze klasse.

2. Als vaste stoffen in de zin van de verpakkingsvoorschriften van rn. 903 worden stoffen en mengsels van stoffen beschouwd die bij een temperatuur lager dan 45 °C geen vrije (ongebonden) vloeistof bevatten.

3. Levende gewervelde of ongewervelde dieren mogen niet worden gebruikt om stoffen van dit cijfer te vervoeren, tenzij het onmogelijk is deze stoffen op een andere wijze te vervoeren.

14. Genetisch gemodificeerde organismen

Opmerking: Genetisch gemodificeerde organismen, waarvan bekend is of waarvan kan worden aangenomen, dat zij gevaarlijk zijn voor het milieu, moeten worden vervoerd volgens de voorwaarden, vastgelegd door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst.

G. Verwarmde stoffen

Opmerking: Voor deze stoffen gelden bijzondere verpakkingsvoorschriften (zie rn. 909).

20. Stoffen die in vloeibare toestand bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan 100 °C en, voorzover zij een vlampunt bezitten, bij een temperatuur lager dan hun vlampunt worden vervoerd of ten vervoer worden aangeboden:

c) 3257 verwarmde vloeistof, n.e.g. (met inbegrip van gesmolten metalen, gesmolten zouten, etc.), bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan 100 °C en, bij stoffen met een vlampunt, lager dan haar vlampunt.

Opmerkingen: 1. Dit cijfer mag slechts worden gebruikt indien de stof niet beantwoordt aan de criteria van een andere klasse.

2. 3256 Verwarmde vloeistof, brandbaar, n.e.g., met een vlampunt hoger dan 61 °C, bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan haar vlampunt, is een stof van klasse 3 [zie rn. 301, cijfer 61c)].

21. Vaste stoffen die bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan 240 °C worden vervoerd of ten vervoer worden aangeboden:

c) 3258 verwarmde vaste stof, n.e.g., bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan 240 °C.

Opmerking: Dit cijfer mag slechts worden gebruikt indien de stof niet beantwoordt aan de criteria van een andere klasse.

H. Andere stoffen, die tijdens het vervoer een gevaar vertonen maar die niet onder de definities van een andere klasse vallen

31. Vaste ammoniakverbinding met een vlampunt lager dan 61 °C:

c) 1841 aceetaldehydeammoniak.

32. Minder gevaarlijk dithioniet:

c) 1931 zinkdithioniet.

Opmerking: Dithionieten in voor zelfontbranding vatbare vorm zijn stoffen van klasse 4.2 [zie rn. 431, cijfer 13b)].

33. Bijzonder vluchtige vloeistof:

c) 1941 dibroomdifluormethaan (difluordibroommethaan).

34. Stof die schadelijke dampen afgeeft:

c) 1990 benzaldehyde.

35. Stoffen die allergenen bevatten:

Opmerking: Stoffen die een voldoende warmtebehandeling hebben ondergaan, zodat zij tijdens het vervoer geen gevaar vertonen, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

b) 2969 ricinuszaad of

2969 ricinusmeel of

2969 ricinuskoeken of

2969 ricinusvlokken.

36. Chemische reagentiasets en sets voor eerste hulp:

b) 3316 chemische reagentiaset of

3316 set voor eerste hulp

c) 3316 chemische reagentiaset of

3316 set voor eerste hulp

Opmerking: De positie 3316 chemische reagentiaset of 3316 set voor eerste hulp heeft betrekking op dozen, cassettes, etc., die kleine hoeveelheden gevaarlijke stoffen bevatten, die voor medische, analyse- of beproevingsdoeleinden worden gebruikt.

Deze sets mogen geen gevaarlijke stoffen bevatten van klasse 1, van klasse 2 groep O, F, T, TF, TC, TO, TFC of TOC (met uitzondering van spuitbussen), van klasse 4.1 cijfer 21 t/m 40, van klasse 4.2, van klasse 5.1 cijfer 5, van klasse 6.1 cijfer 1 t/m 5, van klasse 6.2, van klasse 7, van klasse 8 cijfer 6 en 14 of andere stoffen die onder a) van de afzonderlijke klassen en cijfers vallen.

De bestanddelen van deze sets mogen niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren [zie rn. 911 (4)]. De gevaarlijke stoffen in de sets moeten worden verpakt in binnenverpakkingen met een inhoud van ten hoogste 250 ml of 250 g en moeten beschermd zijn tegen de andere stoffen, die in de sets aanwezig zijn. De totale hoeveelheid gevaarlijke stoffen per set mag niet meer zijn dan 1 l of 1 kg. De maximale hoeveelheid gevaarlijke stoffen per buitenverpakking mag niet meer zijn dan 10 kg. De verpakkingsgroep, die wordt toegekend aan de complete set, is de meest stringente verpakkingsgroep toegekend aan de afzonderlijke stoffen in de set.

De sets moeten worden verpakt in verpakkingen die voldoen aan de voorschriften van die verpakkingsgroep, waarin de gehele set is ingedeeld. Sets die worden vervoerd op wagens bestemd voor eerste hulpdoeleinden of voor gebruik ter plaatse, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn.

I. Lege verpakkingen

Opmerkingen: 1. Lege verpakkingen waarbij aan de buitenzijde resten van hun vorige inhoud kleven, zijn niet ten vervoer toegelaten.

2. Lege, ongereinigde opvanghouders (opvangbakken) voor apparaten van cijfer 3 zijn niet ten vervoer toegelaten.

71. Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (lege IBC's), lege reservoirwagens en lege tankcontainers, die stoffen van de cijfers 1, 2, 4, 11, 12, 20, 21 en 31 t/m 35 hebben bevat.

Opmerking: Ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van lege grote verpakkingen (IBC's), die stoffen van deze klasse hebben bevat, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, indien geschikte maatregelen zijn genomen om mogelijke gevaren uit te sluiten. Deze gevaren zijn uitgesloten, indien maatregelen zijn genomen om de gevaren van de klassen 1 t/m 9 op te heffen.

901a (1) De onder b) en c) vallende stoffen van de cijfers 1, 2, 4, 11, 12, 31, 32, 33 en 34 die onder de hierna genoemde voorwaarden worden vervoerd, zijn - met uitzondering van de in lid (2) genoemde bepalingen - niet onderworpen aan de voorschriften van hoofdstuk 2 ("Vervoersvoorwaarden"):

a) De stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen:

vloeistoffen in hoeveelheden tot 500 ml per binnenverpakking en tot 2 liter per collo;

vaste stoffen in hoeveelheden tot 1 kg per binnenverpakking en tot 4 kg per collo.

b) De stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen:

vloeistoffen in hoeveelheden tot 3 liter per binnenverpakking en tot 12 liter per collo;

vaste stoffen in hoeveelheden tot 6 kg per binnenverpakking en tot 24 kg per collo.

Deze hoeveelheden van de stoffen moeten in samengestelde verpakkingen worden vervoerd, die ten minste voldoen aan de voorwaarden van rn. 1538. Deze hoeveelheden van de stoffen, die zich in binnenverpakkingen van metaal of kunststof bevinden, mogen ook worden vervoerd op trays met krimp- of rekfolie als buitenverpakking, onder voorwaarde dat de hierboven aangegeven totale massa van de colli niet wordt overschreden en de totale bruto massa van het collo in geen geval meer bedraagt dan 20 kg.

De "Algemene verpakkingsvoorschriften" van rn. 1500 (1) en (2), alsmede (5) t/m (7) zijn van toepassing.

(2) Bij vervoer overeenkomstig lid (1) moet de aanduiding van het goed in de vrachtbrief voldoen aan de voorschriften van rn. 914 en de woorden "gelimiteerde hoeveelheid" omvatten.

Elk collo moet op duidelijke en duurzame wijze voorzien zijn van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

(3) Bovendien zijn de volgende stoffen en voorwerpen van cijfer 1 niet onderworpen aan de voorschriften van hoofdstuk 2 ("Vervoersvoorwaarden"):

a) asbest, dat zodanig in een natuurlijk of kunstmatig bindmiddel (zoals cement, kunststof, asfalt, harsen of ertsen) is opgenomen of daaraan is gebonden, dat tijdens het vervoer geen gevaarlijke hoeveelheden asbestvezels, die ingeademd kunnen worden, kunnen vrijkomen;

b) asbesthoudende fabrikaten, die zodanig verpakt zijn, dat tijdens het vervoer geen gevaarlijke hoeveelheden asbestvezels, die ingeademd kunnen worden, kunnen vrijkomen.

(4) Voorwerpen van cijfer 3 met vloeistoffen van cijfer 2b) in een hoeveelheid tot 500 ml per apparaat en tot 2 liter per collo zijn niet onderworpen aan de voorschriften van hoofdstuk 2 ("Vervoers-voorwaarden"). De apparaten moeten echter volgens rn. 905 (1)a) verpakt zijn. De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet voldoen aan de voorschriften van rn. 914 en de woorden "gelimiteerde hoeveelheid" omvatten.

Elk collo moet op duidelijke en duurzame wijze voorzien zijn van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

(5) Lithiumcellen en -batterijen, afzonderlijk of met apparatuur verpakt, van cijfer 5, die voldoen aan de volgende voorschriften, alsmede apparatuur die slechts dergelijke cellen of batterijen bevat, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van hoofdstuk 2 "Vervoersvoorwaarden":

a) elke cel met een vloeibare kathode mag hoogstens 0,5 g lithium of lithiumlegering bevatten, en elke cel met een vaste kathode mag hoogstens 1 g lithium of lithiumlegering bevatten;

b) elke batterij met een vaste kathode mag in totaal hoogstens 2 g lithium of lithiumlegering bevatten, en elke batterij met een vloeibare kathode mag in totaal hoogstens 1 g lithium of lithiumlegering bevatten;

c) elke cel of batterij met een vloeibare kathode moet hermetisch zijn gesloten;

d) de cellen moeten zodanig van elkaar gescheiden zijn dat kortsluiting wordt voorkomen;

e) de batterijen moeten zodanig van elkaar gescheiden zijn dat kortsluiting wordt voorkomen, en zij moeten, behalve indien zij in elektronische apparaten zijn ingebouwd, zijn verpakt in stevige verpakkingen;

f) indien een batterij met vloeibare kathode meer dan 0,5 g lithium of lithiumlegering bevat of indien een batterij met vaste kathode meer dan 1 g lithium of lithiumlegering bevat, dan mag de batterij geen vloeistof of gas bevatten die/dat als gevaarlijk wordt beschouwd, tenzij de vloeistof of het gas in geval van vrijkomen volledig geabsorbeerd of geneutraliseerd wordt door andere stoffen die zich in de batterij bevinden.

Lithiumcellen en -batterijen kunnen ook worden beschouwd als niet te zijn onderworpen aan de voorschriften van hoofdstuk 2 "Vervoersvoorwaarden", indien zij voldoen aan de volgende voorschriften:

g) elke cel bevat hoogstens 5 g lithium of lithiumlegering;

h) elke batterij bevat hoogstens 25 g lithium of lithiumlegering;

i) elke cel of batterij is van een type, waarvan is aangetoond, dat het niet is onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn gelet op de resultaten, verkregen bij de beproevingen voorgeschreven in het Handboek beproevingen en criteria deel III, sectie 38.3. Deze beproevingen moeten worden uitgevoerd voor elk type, alvorens dit voor de eerste maal ten vervoer wordt aangeboden onder deze voorwaarden; en

j) de cellen en batterijen zijn zodanig ontworpen of verpakt, dat onder normale vervoersvoorwaarden kortsluiting wordt voorkomen.

2. Vervoersvoorwaarden (De vervoersvoorwaarden voor lege verpakkingen zijn samengevat onder F.)

A. Colli

1. Algemene verpakkingsvoorschriften

902 (1) De verpakkingen moeten voldoen aan de voorwaarden van Aanhangsel V, tenzij in hoofdstuk A.2 voor bepaalde stoffen bijzondere verpakkingsvoorschriften zijn opgenomen.

(2) IBC's moeten voldoen aan de voorwaarden van Aanhangsel VI.

(3) Overeenkomstig het bepaalde in rn. 900 (2) en 1511 (2) of 1611 (2) moeten de volgende verpakkingen worden gebruikt:

voor gevaarlijke stoffen, die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep II of I, gekenmerkt met de letter "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep II, gekenmerkt met de letter "Y",

voor minder gevaarlijke stoffen, die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, verpakkingen van verpakkingsgroep III, II of I, gekenmerkt met de letter "Z", "Y" of "X", of IBC's van verpakkingsgroep III of II, gekenmerkt met de letter "Z" of "Y".

Opmerking: Voor het vervoer van stoffen van klasse 9 in reservoirwagens, zie Aanhangsel XI, in tankcontainers, zie Aanhangsel X. Voor het losgestort vervoer, zie rn. 916.

2. Individuele verpakkingsvoorschriften

903 (1) De onder b) vallende stoffen van de verschillende cijfers van rn. 901 moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten en jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, of

g) in metalen IBC's volgens rn. 1622, in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624 of in combinatie-IBC's met binnenhouder van stijve kunststof volgens rn. 1625.

Opmerking ad a), b), c) en d): Op vaten en jerrycans met afneembaar deksel voor dikvloeibare stoffen, waarvan de viscositeit bij 23 °C meer bedraagt dan 200 mm2/s, en voor vaste stoffen zijn vereenvoudigde voorwaarden van toepassing (zie rn. 1512, 1553, 1554 en 1561).

(2) De vaste stoffen met een smeltpunt hoger dan 45 °C mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523 of van karton volgens rn. 1525, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in waterbestendige zakken, van textiel volgens rn. 1533, van kunststof weefsel volgens rn. 1534, van kunststof folie volgens rn. 1535 of in zakken van waterbestendig papier volgens rn. 1536, onder voorwaarde dat het een wagenlading betreft of zakken, gestapeld op pallets, of

c) in combinatie-IBC's met binnenhouder van flexibele kunststof volgens rn. 1625, in IBC's van karton volgens rn. 1626 of in IBC's van hout volgens rn. 1627, of

d) in flexibele IBC's volgens rn. 1623, met uitzondering van de typen 13H1, 13L1 en 13M1, onder voorwaarde dat het een wagenlading betreft of flexibele IBC's, die op pallets zijn geladen.

904 (1) De onder c) vallende stoffen van de verschillende cijfers van rn. 901 moeten verpakt zijn:

a) in stalen vaten volgens rn. 1520, of

b) in aluminium vaten volgens rn. 1521, of

c) in stalen of aluminium jerrycans volgens rn. 1522, of

d) in vaten en jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, of

e) in combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, of

f) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, of

g) in combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1539, of

h) in lichte metalen verpakkingen volgens rn. 1540, of

i) in metalen IBC's volgens rn. 1622, in IBC's van stijve kunststof volgens rn. 1624 of in combinatie-IBC's volgens rn. 1625.

Opmerking ad a), b), c), d) en h): Op vaten, jerrycans en lichte metalen verpakkingen met afneembaar deksel voor dikvloeibare stoffen, waarvan de viscositeit bij 23 °C meer bedraagt dan 200 mm2/s, en voor vaste stoffen zijn vereenvoudigde voorwaarden van toepassing (zie rn. 1512, 1552 t/m 1554 en 1561).

(2) De vaste stoffen met een smeltpunt hoger dan 45 °C mogen bovendien verpakt zijn:

a) in vaten van gelamineerd hout volgens rn. 1523 of van karton volgens rn. 1525, zo nodig voorzien van één of meer stofdichte binnenzakken, of

b) in waterbestendige zakken, van textiel volgens rn. 1533, van kunststof weefsel volgens rn. 1534, van kunststof folie volgens rn. 1535 of in zakken van waterbestendig papier volgens rn. 1536, of

c) in flexibele IBC's volgens rn. 1623, in kartonnen IBC's volgens rn. 1626 of in houten IBC's volgens rn. 1627.

Opmerking: IBC's volgens rn. 1626 met stoffen van cijfer 4c), die als wagenlading worden vervoerd, zijn slechts onderworpen aan de voorschriften van rn. 1621 (1) t/m (3), (5) en (6).

(3) De stoffen van cijfer 4c) mogen bovendien zijn verpakt in goed gesloten en dichte verpakkingen die slechts hoeven te voldoen aan de voorwaarden van rn. 1500 (1), (2) en (5) t/m (7).

(4) De voorwerpen van cijfer 8c) moeten verpakt zijn in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538, waarvan het constructietype is beproefd en toegelaten voor verpakkingsgroep III. Voorwerpen van cijfer 8c) mogen ook direct worden verpakt in buitenverpakkingen volgens rn. 1538 b), die voor verpakkingsgroep III zijn beproefd.

Opmerking: 3268 Gasgeneratoren (voor airbags) of 3268 airbagmodules of 3268 aanspaninrichtingen voor veiligheidsgordels mogen onverpakt worden vervoerd in speciaal daarvoor bedoelde inrichtingen voor de behandeling of speciaal ingerichte wagens of grote containers, indien zij worden vervoerd van de plaats van fabricage naar een fabriek van montage.

905 (1) De apparaten van cijfer 3 moeten verpakt zijn:

a) in vloeistofdichte verpakkingen of

b) in vloeistofdichte containers.

(2) De apparaten van cijfer 3 mogen bovendien worden vervoerd in vloeistofdichte opvanghouders (opvangbakken) die, behalve de apparaten, ten minste 1,25 maal de in de apparaten aanwezige hoeveelheden stoffen van cijfer 2b) moeten kunnen bevatten. In de houders moeten zich zoveel inerte stoffen bevinden, dat daardoor ten minste 1,1 maal de hoeveelheid van de zich in de apparaten bevindende stoffen van cijfer 2b) kan worden geabsorbeerd. De apparaten en de opvanghouders moeten op zodanige wijze zijn ontworpen, dat lekkage van vloeistof onder normale vervoersomstandigheden wordt voorkomen.

906 (1) De voorwerpen van cijfer 5 moeten verpakt zijn:

a) in kisten van natuurlijk hout volgens rn. 1527, van gelamineerd hout volgens rn. 1528 of in kartonnen dozen volgens rn. 1530, of

b) in vaten met afneembaar deksel, van gelamineerd hout volgens rn. 1523, van karton volgens rn. 1525 of van kunststof volgens rn. 1526, of

c) in samengestelde verpakkingen volgens rn. 1538 met binnenverpakkingen van karton en buitenverpakkingen van staal of aluminium. De binnenverpakkingen moeten van elkaar en van de binnenwanden van de buitenverpakkingen zijn gescheiden door een niet brandbaar vulmateriaal met een dikte van ten minste 25 mm; dit voorschrift is echter niet van toepassing op cellen of batterijen van een type dat overeenkomt met de voorwaarden van rn. 901, cijfer 5, opmerking 3 b).

Deze verpakkingen moeten overeenkomen met een constructietype dat volgens Aanhangsel V is beproefd en toegelaten voor verpakkingsgroep II. Dit voorschrift is echter niet van toepassing op cellen of batterijen van een type, dat overeenkomt met de voorwaarden van rn. 901, cijfer 5, opmerking 3 b). Geen enkele enkelvoudige verpakking en geen enkele binnenverpakking van een samengestelde verpakking mag meer dan 500 g lithium of lithiumverbinding bevatten (zie echter rn. 901, cijfer 5, opmerking 1).

(2) Lithiumbatterijen van cijfer 5 moeten zodanig worden verpakt en vastgezet, dat bewegingen, die tot kortsluiting zouden kunnen leiden, zijn uitgesloten.

(3) Gebruikte lithiumcellen en -batterijen zijn ten vervoer toegelaten onder de in lid (1) en (2) voorgeschreven voorwaarden. Niet goedgekeurde verpakkingen zijn echter toegelaten, onder voorwaarde dat:

zij voldoen aan de "Algemene verpakkingsvoorschriften" van rn. 1500 (1), (2), (5) en (6),

de cellen en batterijen zodanig zijn verpakt en vastgezet, dat ieder gevaar voor kortsluiting wordt vermeden,

de colli niet meer wegen dan 30 kg.

(4) Indien de lithiumcellen of -batterijen bij de apparatuur zijn verpakt, dan moeten zij zijn geplaatst in binnenverpakkingen van karton, die overeenkomen met de voorwaarden van verpakkingsgroep II. Indien lithiumcellen of -batterijen in de apparatuur worden vervoerd, dan moet deze apparatuur worden verpakt in sterke buitenverpakkingen, zodat zij tijdens het vervoer niet onbedoeld in werking kan treden.

907 (1) Reddingsmiddelen van cijfer 6 moeten afzonderlijk zijn verpakt in stevige buitenverpakkingen.

(2) De stoffen en voorwerpen van deze Richtlijn, die aanwezig zijn in de uitrusting van de reddingsmiddelen van cijfer 6 of 7, moeten verpakt zijn in binnenverpakkingen. Deze binnenverpakkingen moeten zo zijn vastgezet dat bewegingen binnen het reddingsmiddel onmogelijk zijn.

(3) Niet brandbare, niet giftige gassen van klasse 2 moeten zich bevinden in houders volgens rn. 202, die met de reddingsmiddelen mogen zijn verbonden.

(4) Seinmiddelen van klasse 1 moeten verpakt zijn in binnenverpakkingen van kunststof of van karton.

(5) 1331 Wrijvingslucifers (geen veiligheidslucifers) van klasse 4.1, rn. 401, cijfer 2c), moeten zodanig verpakt zijn in de binnenverpakkingen dat elke beweging is uitgesloten.

908 (1) Indien de stoffen van cijfer 13 worden vervoerd in sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte stikstof, moeten de binnenverpakkingen voldoen aan de voorschriften van deze klasse en de houders voor de stikstof aan de voorschriften van klasse 2.

(2) Levende dieren volgens Opmerking 3 bij cijfer 13b) moeten worden verpakt, van aanduidingen en kenmerken zijn voorzien en worden vervoerd volgens de reglementen die van toepassing zijn op het vervoer van dieren ().

909 (1) De stoffen van cijfer 20 mogen slechts worden vervoerd in reservoirwagens (zie Aanhangsel XI), in tankcontainers (zie Aanhangsel X) of in speciale wagens [zie rn. 916 (2)].

(2) De stoffen van cijfer 21 moeten worden vervoerd overeenkomstig de voorwaarden, vastgelegd door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst. Indien het land van herkomst geen Lid-Staat is, moeten de vastgestelde voorwaarden worden erkend door de bevoegde autoriteit van de eerste Lid-Staat van de COTIF, die bij de zending betrokken is.

910

3. Gezamenlijke verpakking

911 (1) Stoffen die onder één cijfer vallen, mogen gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538.

(2) Stoffen van verschillende cijfers van klasse 9 - met uitzondering van de stoffen van cijfers 13, 20 en 21 - mogen in hoeveelheden die per binnenverpakking niet meer bedragen dan 3 liter voor vloeistoffen en/of 5 kg voor vaste stoffen, gezamenlijk worden verpakt en/of worden verpakt met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538.

(3) De stoffen van klasse 9 - met uitzondering van de stoffen van cijfers 13, 20 en 21 - mogen in hoeveelheden die per binnenverpakking niet meer bedragen dan 3 liter voor vloeistoffen en/of 5 kg voor vaste stoffen, gezamenlijk worden verpakt met stoffen en voorwerpen van andere klassen - voor zover gezamenlijke verpakking ook voor stoffen en voorwerpen van deze klassen is toegestaan - en/of met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van deze Richtlijn, in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538, onder voorwaarde dat zij niet op gevaarlijke wijze met elkaar reageren.

(4) Als gevaarlijke reacties worden beschouwd:

a) een verbranding en/of een aanmerkelijke warmteontwikkeling;

b) de ontwikkeling van brandbare en/of giftige gassen;

c) de vorming van bijtende vloeistoffen;

d) de vorming van instabiele stoffen.

(5) De stoffen van cijfer 13 mogen niet met andere goederen gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens rn. 1538. Deze bepaling is niet van toepassing op stoffen die zijn toegevoegd als koelmiddel, bijvoorbeeld ijs, koolzuursneeuw (droog ijs) of sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte stikstof.

(6) De voorschriften van rn. 8 en 902 dienen in acht genomen te worden.

(7) Bij gebruik van houten kisten of kartonnen dozen mag een collo niet meer wegen dan 100 kg.

4. Opschriften en gevaarsetiketten op de colli (zie Aanhangsel IX)

Opschriften

912 (1) Elk collo - met uitzondering van colli met stoffen van cijfer 14 - moet op duidelijke en duurzame wijze zijn voorzien van het in de vrachtbrief aan te geven identificatienummer van het goed, voorafgegaan door de letters "UN".

(2) Colli die stoffen van cijfer 4c) bevatten, moeten zijn voorzien van het volgende opschrift: "Weghouden van ontstekingsbronnen". Dit opschrift moet zijn gesteld in een officiële taal van het land van afzending en indien deze taal niet Frans, Duits, Italiaans of Engels is, bovendien in het Frans, Duits, Italiaans of Engels, voor zover de internationale tarieven of overeenkomsten tussen de spoorwegmaatschappijen niet anders voorschrijven.

(3) Colli met gebruikte cellen of batterijen van cijfer 5 in verpakkingen zonder kenmerking moeten zijn voorzien van het opschrift "Gebruikte lithiumbatterijen".

Gevaarsetiketten

(4) Colli met stoffen of voorwerpen van deze klasse - met uitzondering van stoffen van cijfer 4c) - moeten zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 9.

(5) Colli die stoffen van cijfer 2b) bevatten, met een vlampunt lager dan of gelijk aan 61 °C, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 3.

(6) Colli die voorwerpen van cijfer 6 of 7 bevatten, moeten slechts van een etiket volgens model nr. 9 zijn voorzien indien het voorwerp volledig wordt omsloten door de verpakking, het krat of door een ander middel, waardoor een snelle identificatie van het voorwerp wordt verhinderd.

(7) Colli die stoffen van cijfer 13 bevatten, welke worden vervoerd in sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte stikstof, moeten bovendien zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 2.

(8) Colli die vloeistoffen bevatten in houders, waarvan de sluitingen aan de buitenzijde niet waarneembaar zijn, moeten op twee tegenover elkander gelegen zijden zijn voorzien van een etiket volgens model nr. 11.

B. Wijze van verzending, beperkende bepalingen betreffende de verzending

913 (1) Colli met stoffen van de cijfers 13 en 14, waarvoor een bepaalde omgevingstemperatuur moet worden gehandhaafd, mogen slechts als wagenlading worden vervoerd. De voorwaarden voor het vervoer moeten tussen de spoorweg en de afzender worden overeengekomen. De stoffen van cijfer 20 mogen slechts worden vervoerd in reservoirwagens (zie Aanhangsel XI) of in tankcontainers (zie Aanhangsel X) en de stoffen van cijfer 21 mogen slechts worden vervoerd overeenkomstig de voorwaarden, vastgelegd door de bevoegde autoriteit [zie rn. 909 (2)].

(2) Colli met stoffen of voorwerpen van deze klasse mogen - met uitzondering van de stoffen bedoeld in lid (1) - als expresgoed worden verzonden, indien zij bevatten:

van de stoffen die onder b) van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 2 liter per collo voor vloeistoffen en 4 kg per collo voor vaste stoffen;

van de stoffen die onder c) van de afzonderlijke cijfers vallen, ten hoogste 12 liter per collo voor vloeistoffen en 24 kg per collo voor vaste stoffen.

(3) Colli die voorwerpen van cijfer 5 t/m 8 bevatten, mogen ook als expresgoed worden verzonden. In dergelijk geval mag een collo niet meer wegen dan 40 kg.

C. Aanduidingen in de vrachtbrief

914 (1) De aanduiding van het goed in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de cursief gedrukte identificatienummers - behalve voor stoffen van cijfer 14 - en benamingen in rn. 901. Indien de stof niet met name is genoemd, maar in een n.e.g.-positie is ingedeeld, moet de aanduiding van het goed bestaan uit het identificatienummer en de benaming van de n.e.g.-positie, gevolgd door de chemische of technische benaming () van de stof of, voor stoffen van cijfer 13, de biologische benaming () van de stof.

De aanduiding van het goed moet worden aangevuld met de vermelding van de klasse, het cijfer en eventueel de letter van de stofopsomming en de afkorting "RID", b.v. 9, 1b), RID.

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje worden aangebracht.

Bij het vervoer van afvalstoffen [zie rn. 3 (4)] moet de aanduiding van het goed luiden: "Afval, bevat ", waarbij de voor de indeling van het afval volgens rn. 3 (3) bepalende gevaarlijke component(en) met zijn (hun) chemische benaming moet(en) worden aangegeven, b.v. "Afval, bevat 2212 asbest, bruin, 9,1b), RID".

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) met meerdere aan deze Richtlijn onderworpen componenten, behoeven in het algemeen niet meer dan twee componenten, die bepalend zijn voor de gevaarlijkheid van de oplossingen en mengsels, te worden aangegeven.

Bij het vervoer van oplossingen en mengsels die slechts één aan deze Richtlijn onderworpen component bevatten, moet in de vrachtbrief het woord "oplossing" resp. "mengsel" als onderdeel van de benaming worden toegevoegd [zie rn. 3 (3)a)].

Indien een vaste stof in gesmolten toestand ten vervoer wordt aangeboden, moet de aanduiding van het goed worden aangevuld met de vermelding "gesmolten", voor zover deze daarin al niet voorkomt.

Indien een kenmerking volgens Aanhangsel VIII is voorgeschreven, moet bovendien het gevaarsidentificatienummer overeenkomstig Aanhangsel VIII worden vermeld vóór de aanduiding van het goed. Het gevaarsidentificatienummer moet ook worden aangegeven, indien wagens, die een wagenlading colli met één en hetzelfde goed bevatten, zijn voorzien van een kenmerking volgens Aanhangsel VIII.

(2) Bij het vervoer van voorwerpen van cijfer 5 waarvoor een toestemming van de bevoegde autoriteit vereist is, moet bij de vrachtbrief een kopie worden gevoegd van de toestemming, waarin de vervoersvoorwaarden zijn vastgelegd (zie opmerking 1 bij cijfer 5 van rn. 901). Deze toestemming moet zijn gesteld in een officiële taal van het land van afzending en indien deze taal niet Frans, Duits, Italiaans of Engels is, bovendien in het Frans, Duits, Italiaans of Engels, voor zover de internationale tarieven of overeenkomsten tussen de spoorwegmaatschappijen niet anders voorschrijven.

D. Vervoermiddelen en technische hulpmiddelen

1. Voorschriften betreffende de wagens en het laden

a. voor colli

915 (1) Colli met stoffen van deze klasse moeten worden vervoerd in gesloten wagens of in open wagens met dekzeil.

(2) Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 9 en stoffen bevatten van de cijfers 1, 2, 3 of 13, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

(3) De colli moeten in de wagens zo worden geladen, dat zij zich niet op gevaarlijke wijze kunnen verplaatsen en niet kunnen vallen of omvallen.

(4) Colli met stoffen van cijfer 13 moeten zodanig worden geplaatst, dat zij gemakkelijk toegankelijk zijn.

(5) Wagens, waarin stoffen van klasse 9 als wagenlading vervoerd zijn, moeten na lossing worden onderzocht op ladingresten die mogelijk zijn achtergebleven (zie ook rn. 924).

b. voor vervoer als losgestort goed

916 (1) 2211 Expandeerbare polymeerkorrels van cijfer 4 en stoffen van de cijfers 31, 32 en 35 alsmede vaste stoffen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) van cijfer 12 mogen losgestort vervoerd worden in open wagens met dekzeilen of in wagens met beweegbaar dak. De wagens voor 2211 expandeerbare polymeerkorrels van cijfer 4c) moeten voldoende geventileerd zijn.

(2) De stoffen van cijfer 20, voor het vervoer waarvan reservoirwagens volgens Aanhangsel XI of tankcontainers volgens Aanhangsel X wegens de hoge temperatuur en de dichtheid van de stof ongeschikt zijn, mogen in speciale wagens worden vervoerd.

De stoffen van cijfer 21 mogen losgestort worden vervoerd in speciaal ingerichte wagens.

Deze speciale wagens voor de stoffen van cijfer 20 alsmede de speciaal ingerichte wagens voor de stoffen van cijfer 21 moeten voldoen aan de normen, vastgesteld door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst.

Indien het land van herkomst geen Lid-Staat is, moeten de vastgestelde voorwaarden worden erkend door de bevoegde autoriteit van de eerste Lid-Staat van de COTIF, die bij de zending betrokken is.

c. vervoer in kleine containers

917 (1) Colli die stoffen of voorwerpen van deze klasse bevatten, mogen in kleine containers worden vervoerd.

(2) De samenladingsverboden, bedoeld in rn. 920, zijn ook van toepassing in kleine containers.

(3) Kleine containers met 2211 expandeerbare polymeerkorrels van cijfer 4 moeten zijn voorzien van het volgende opschrift: "Weghouden van ontstekingsbronnen". Dit opschrift moet zijn gesteld in een officiële taal van het land van afzending en indien deze taal niet Frans, Duits, Italiaans of Engels is, bovendien in het Frans, Duits, Italiaans of Engels, voor zover de internationale tarieven of overeenkomsten tussen de spoorwegmaatschappijen niet anders voorschrijven.

(4) De voorschriften van rn. 915 (5) en 924 zijn op overeenkomstige wijze ook van toepassing op het vervoer in kleine containers.

2. Opschriften en gevaarsetiketten op de wagens, op de reservoirwagens, op de tankcontainers en op de kleine containers (zie Aanhangsel IX)

918 (1) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen of voorwerpen van deze klasse, met uitzondering van stoffen van cijfer 4c), worden vervoerd, moeten aan beide zijden voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 9.

(2) Wagens, reservoirwagens en tankcontainers, waarin stoffen van cijfer 2b) worden vervoerd met een vlampunt lager dan of gelijk aan 61 °C, moeten bovendien aan beide zijden voorzien zijn van een etiket volgens model nr. 3.

(3) Kleine containers moeten volgens rn. 912 (4) en (5) van etiketten zijn voorzien.

(4) De speciale wagens, waarin stoffen van cijfer 20 worden vervoerd en de speciaal ingerichte wagens, waarin stoffen van cijfer 21 worden vervoerd, moeten bovendien aan beide zijden zijn voorzien van het kenmerk volgens Aanhangsel IX, rn. 1910.

919

E. Verbod van samenlading

920 Colli, voorzien van een etiket volgens model nr. 9, mogen niet samen worden geladen in één wagen met colli, voorzien van een etiket volgens model nr. 1, 1.4, 1.5, 1.6 of 01. Deze voorschriften zijn niet van toepassing op colli die van een etiket volgens model nr. 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn voorzien.

921 Voor zendingen, die niet in één wagen samengeladen mogen worden, moeten afzonderlijke vrachtbrieven worden opgemaakt.

F. Lege verpakkingen

922 (1) Indien ongereinigde lege verpakkingen van cijfer 71 zakken zijn, dan moeten deze in kisten of waterdichte zakken worden geplaatst, waardoor verlies van de stoffen geheel is uitgesloten.

(2) Andere ongereinigde lege verpakkingen (met inbegrip van lege IBC's), lege reservoirwagens en lege tankcontainers van cijfer 71 moeten op dezelfde wijze gesloten zijn en dezelfde waarborgen van dichtheid bieden als in gevulde toestand.

(3) Ongereinigde lege verpakkingen (met inbegrip van lege IBC's), lege reservoirwagens en lege tankcontainers van cijfer 71 moeten van dezelfde gevaarsetiketten zijn voorzien als in gevulde toestand.

(4) Wat betreft de scheiding tussen ongereinigde lege verpakkingen van cijfer 71, die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 9 en stoffen hebben bevat van de cijfers 1, 2, 3 of 13, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

(5) De aanduiding in de vrachtbrief moet overeenkomen met één van de in cijfer 71 cursief gedrukte benamingen, aangevuld met "9, 71, RID", b.v. "Lege verpakking, 9, 71, RID".

In het daarvoor bestemde vak van de vrachtbrief moet een kruisje aangebracht worden.

Bij ongereinigde lege reservoirwagens, lege tankcontainers, alsmede lege wagens voor vervoer als losgestort goed moet de aanduiding worden aangevuld met de vermelding "Laatste inhoud" alsmede het gevaarsidentificatienummer, het stofidentificatienummer, de benaming, het cijfer en eventueel de groep b) of c) van de stofopsomming, van het laatst vervoerde goed, b.v. "Laatste inhoud 90 2315 polychloorbifenylen, 2b)".

G. Verdere voorschriften

923 Wat betreft de scheiding tussen colli die voorzien zijn van etiketten volgens model nr. 9 en stoffen bevatten van de cijfers 1, 2, 3 of 13, en levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren, zie rn. 11 (3).

924 (1) Indien stoffen van de cijfers 1, 2, 3, 11 of 12 naar buiten zijn getreden en in een wagen zijn verspreid, dan mag deze wagen pas na grondige reiniging en zo nodig ontsmetting weer worden gebruikt. Alle andere goederen en voorwerpen, die in dezelfde wagen zijn vervoerd, moeten op mogelijke verontreiniging onderzocht worden.

(2) Indien de stoffen van cijfer 13 naar buiten zijn getreden en een wagen verontreinigd hebben, dan mag deze wagen pas na grondige reiniging en zonodig ontsmetting weer worden gebruikt. Alle andere goederen en voorwerpen, die in dezelfde wagen zijn vervoerd, moeten op mogelijke verontreiniging onderzocht worden. Houten onderdelen van de wagen die met stoffen van cijfer 13 in aanraking zijn gekomen, moeten worden verwijderd en verbrand.

925-

1099

DEEL III AANHANGSELS

AANHANGSEL I

A. EISEN BETREFFENDE DE STABILITEIT EN DE VEILIGHEID VAN ONTPLOFBARE STOFFEN EN VOORWERPEN, EN VAN GENITREERDE CELLULOSEMENGSELS

Algemeen

1100 De hierna vermelde voorwaarden zijn minimum eisen voor de ten vervoer toegelaten stoffen en voorwerpen.

Voorwaarden betreffende ontplofbare stoffen en voorwerpen

1101 (1) Beproevingen voor de indeling in klasse 1

Indien een stof of voorwerp explosieve eigenschappen bezit of kan bezitten, moet worden vastgesteld of de stof of het voorwerp in klasse 1 kan worden ingedeeld en wel op grond van de beproevingen, procedures en criteria, vastgelegd in het Handboek beproevingen en criteria, deel I.

Een stof of voorwerp van klasse 1 is slechts ten vervoer toegelaten indien deze onder één van de in rn. 101 vermelde benamingen of n.e.g.-posities is ingedeeld en indien aan de criteria, vermeld in het Handboek beproevingen en criteria, is voldaan.

(2) Classificatie

De stoffen en voorwerpen van klasse 1 moeten in de juiste subklasse en compatibiliteitsgroep zijn ingedeeld en wel volgens de in het Handboek beproevingen en criteria voorgeschreven procedures en criteria.

(3) Indeling onder een cijfer, een identificatienummer en een benaming

De stoffen en voorwerpen van klasse 1 moeten onder een cijfer, een identificatienummer en een benaming of n.e.g.-positie, opgenomen in Tabel 1 van rn. 101, zijn ingedeeld. De ontplofbare stoffen en voorwerpen mogen slechts onder een n.e.g.-positie worden ingedeeld, indien zij niet kunnen worden ingedeeld onder een benaming van Tabel 1 van rn. 101. De indeling in een n.e.g.-positie moet worden uitgevoerd door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst.

De interpretatie van de benamingen in de verschillende cijfers in Tabel 1 van rn. 101 moet zijn gebaseerd op het glossarium (verklarende lijst van benamingen) in rn. 1170.

(4) Beproeving van het uitzweten

a) Stoffen van cijfer 4, identificatienummer 0081 (Springstof, type A), die meer dan 40 % vloeibare salpeterzure esters bevatten, moeten behalve aan de hierboven genoemde beproevingen, ook voldoen aan de hierna vermelde beproeving van het uitzweten:

b) Het toestel voor het beproeven van het uitzweten van springstoffen (zie figuur 1 t/m 3) bestaat uit een bronzen, holle cilinder. Deze cilinder, die aan één zijde door een plaat van hetzelfde metaal afgesloten is, heeft een inwendige diameter van 15,7 mm en een diepte van 40 mm. Hij is voorzien van 20 gaten met een diameter van 0,5 mm (4 rijen van 5 gaatjes) in de wand. Een bronzen zuiger waarvan de lengte van het cilindrische deel 48 mm en de totale lengte 52 mm bedraagt, kan in de rechtop geplaatste cilinder heen en weer schuiven. Deze zuiger, met een diameter van 15,6 mm, wordt met een gewicht van 2 220 g belast, zodat de uitgeoefende druk op de onderkant 120 kPa (1,2 bar) bedraagt.

c) Maak van 5-8 g springstof een rolletje met een lengte van 30 mm en een diameter van 15 mm, verpak dit in zeer fijn gaas en plaats het in de cilinder. Zet hierop de zuiger en het belastingsgewicht, zodat een druk van 120 kPa (1,2 bar) op de springstof wordt uitgeoefend.

Noteer de tijd waarop de eerste olieachtige druppeltjes (nitroglycerine) aan de buitenkant van de gaatjes van de cilinder verschijnen.

d) Wanneer bij een tussen de 15 °C en 25 °C uitgevoerde proef de eerste druppeltjes pas na meer dan 5 minuten verschijnen, voldoet de springstof aan de eisen.

Beproeving van het uitzweten van springstoffen

rn. 1101

Fig. 1: Holle bronzen cilinder, aan een zijde gesloten; verticale en horizontale doorsnede.

Fig. 2: Klokvormig gewicht van 2 220 g, dat op de bronzen zuiger kan worden geplaatst. Fig. 3: Cilindervormige bronzen zuiger.

Alle afmetingen in mm.

4 rijen van 5 gaatjes van 0,5 Ø.

Koper.

Loden plaat met aan de onderzijde een centrale conus.

4 openingen, ongeveer 46 × 56 mm, gelijkmatig over de omtrek verdeeld.

Voorwaarden betreffende genitreerde cellulosemengsels van klasse 1

1102 (1) Nitrocellulose van cijfer 24b) van rn. 401 mag bij verwarming gedurende een half uur op 132 °C geen zichtbare geelbruine nitreuze dampen (nitreuze gassen) afscheiden. De ontbrandingstemperatuur moet hoger zijn dan 180 °C. Zie navolgende leden (3) tot en met (8), (9)a) en (10).

(2) 3 g geplastificeerde nitrocellulose mag bij verwarming gedurende 1 uur op 132 °C geen zichtbare geelbruine nitreuze dampen (nitreuze gassen) afscheiden. De ontbrandingstemperatuur moet hoger zijn dan 170 °C. Zie navolgende leden (3) tot en met (8), (9)b) en (10).

(3) De hierna vermelde proeven moeten genomen worden, indien er verschil van mening bestaat over het al of niet tot het spoorvervoer toelaten.

(4) Indien andere methoden voor het onderzoek der stoffen ten aanzien van de stabiliteitseisen, hiervoren onder A in dit Aanhangsel genoemd, worden gekozen, moeten deze leiden tot dezelfde conclusie als die op grond van de methoden hierna genoemd.

(5) Wanneer in het onderstaande sprake is van stabiliteitsproeven bij verhoogde temperatuur, mag bij de uitvoering der proeven de temperatuur van de stoof, waarin het te onderzoeken monster zich bevindt, niet meer dan 2 °C afwijken van de voorgeschreven temperatuur. De duur van de proef moet tot op 2 minuten nauwkeurig zijn wanneer de proef 30 of 60 minuten moet duren. De inrichting van de stoof moet zodanig zijn, dat de temperatuur na ten hoogste 5 minuten na het inbrengen van het monster weer de vereiste waarde heeft bereikt.

(6) Voordat de proeven volgens navolgende leden (9) en (10) uitgevoerd worden, moeten de te onderzoeken monsters minstens 15 uur bij kamertemperatuur gedroogd worden in een vacuümexsiccator, gevuld met, na smelten, in korrelvorm gebrachte calciumchloride; de stof moet in een dunne laag worden uitgespreid. Hiertoe moeten stoffen die niet poedervormig of draderig zijn, in kleine stukjes gebroken, geraspt of gesneden worden. De druk in de exsiccator moet minder dan 6,6 kPa (0,066 bar) zijn.

(7) Vóór het drogen volgens lid (6) hierboven moeten de stoffen bedoeld in lid (2) onderworpen worden aan een voordroging in een goed geventileerde stoof, waarvan de temperatuur op 70 °C is ingesteld, totdat het massaverlies per kwartier minder dan 0,3 % van de oorspronkelijke massa bedraagt.

(8) Zwak genitreerde nitrocellulose volgens lid (1) moet voorgedroogd worden, zoals aangegeven in bovenstaand lid (7). Het drogen moet minstens 15 uur duren in een exsiccator, gevuld met geconcentreerd zwavelzuur.

(9) Beproeving van de chemische stabiliteit bij verhoogde temperatuur

a) Beproeving van de in lid (1) hierboven genoemde stof

1. In elk van twee reageerbuizen met de volgende afmetingen:

lengte 350 mm,

inwendige diameter 16 mm,

wanddikte 1,5 mm, brengt men 1 g van de boven calciumchloridegedroogde stof. (Indien nodig moet de stof eerst klein gemaakt worden in stukjes met een massa van ten hoogste 0,05 g.) Plaats de beide losjes afgesloten reageerbuizen zodanig in een stoof, dat ze voor ten minste 4/5 van hun lengte zichtbaar zijn en houd de temperatuur gedurende 30 minuten constant op 132 °C. Ga na of zich gedurende deze tijd nitreuze gassen in de vorm van geelbruine dampen, goed zichtbaar tegen een witte achtergrond, ontwikkelen.

2. De stof wordt geacht stabiel te zijn, als de vorming van deze dampen uitblijft.

b) Beproeving van geplastificeerde nitrocellulose [lid (2) hierboven]

1. Breng 3 g geplastificeerde nitrocellulose in elk van de twee reageerbuizen als bedoeld onder a) en plaats deze in een stoof waarvan de constante temperatuur op 132 °C is ingesteld.

2. Laat de reageerbuizen met de geplastificeerde nitrocellulose gedurende 1 uur in de stoof. Gedurende deze tijd mogen geen geelbruine nitreuze dampen (nitreuze gassen) zichtbaar worden. Controleer en beoordeel als onder a).

(10) Ontbrandingstemperatuur [zie leden (1) en (2) hierboven]

1. Bepaal de ontbrandingstemperatuur door 0,2 g stof te verwarmen in een reageerbuisje, gedompeld in een bad van Wood's metaal. Plaats het buisje in het bad bij 100 °C. Voer de temperatuur van het bad met 5 °C per minuut op.

2. De reageerbuisjes moeten de volgende afmetingen hebben:

lengte 125 mm,

inwendige diameter 15 mm,

wanddikte 0,5 mm. Ze moeten 20 mm diep in het bad gedompeld zijn.

3. Voer de proef driemaal uit. Lees telkens de temperatuur af waarbij de stof ontbrandt, dat wil zeggen waarbij een langzame of een snelle verbranding, een explosieve verbranding of een detonatie plaatsvindt.

4. Geef de laagste ontbrandingstemperatuur, waargenomen bij de drie proeven, op als de ontbrandingstemperatuur.

1103-

1169

B. GLOSSARIUM VAN DE BENAMINGEN IN RN. 101 [zie ook rn. 1101 (3)]

1170 Opmerkingen: 1. De omschrijvingen in dit glossarium zijn niet bedoeld om de beproevingsprocedures te vervangen en evenmin om de indeling van een stof of voorwerp van klasse 1 vast te stellen. De indeling in de juiste subklasse en de beslissing of de compatibiliteitsgroep S van toepassing is, moet zijn gebaseerd op de beproeving van het product, in overeenstemming met het Handboek beproevingen en criteria, deel I, of zijn vastgesteld door vergelijking met soortgelijke producten die reeds zijn beproefd en ingedeeld in overeenstemming met de procedures, vermeld in het Handboek beproevingen en criteria, deel I.

2. Na de benamingen zijn, van elkaar gescheiden door een schuine streep, de betreffende cijfers (kolom 1) en identificatienummers (kolom 2) volgens rn. 101, Tabel 1, aangegeven (b.v. 21/0171).

Wat betreft de classificatiecode, zie rn. 100 (4).

Aanvullingsspringladingen 5/0060

Voorwerpen bestaande uit een kleine verwijderbare overdrachtslading, die wordt geplaatst in het buisgat van een projectiel tussen de buis en de hoofdspringlading.

Bestanddelen van een pyrotechnische keten, n.e.g. 1/0461; 13/0382; 35/0383; 47/0384

Voorwerpen die een ontplofbare stof bevatten en die ontworpen zijn om een detonatie of deflagratie over te dragen in een pyrotechnische keten.

Bommen, met springlading 5/0034; 17/0035

Ontplofbare voorwerpen die uit een vliegtuig worden geworpen, zonder inleimiddelen of met inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten.

Bommen, met springlading 7/0033; 19/0291

Ontplofbare voorwerpen die uit een vliegtuig worden geworpen, met inleimiddelen die geen of minder dan twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten.

Bommen, brandbare vloeistof bevattend, met springlading 10/0399; 23/0400

Voorwerpen die uit een vliegtuig worden geworpen en bestaan uit een reservoir, gevuld met brandbare vloeistof, en een springlading.

Brandmunitie, met of zonder verspreidings-, uitstoot- of voortdrijvende lading 21/0009; 30/0010; 43/0300

Munitie die een brandstichtende stof bevat. Voor zover de brandstichtende stof zelf geen ontplofbare stof is, bevat deze munitie bovendien één of meer van de volgende componenten: een voortdrijvende lading met ontsteker en aanvuurlading; een buis met verspreidings- of uitstootlading.

Brandmunitie, met vloeistof of gel, met verspreidings-, uitstoot- of voortdrijvende lading 32/0247

Munitie die een vloeibare of gelatineuze brandstichtende stof bevat. Voor zover de brandstichtende stof zelf geen ontplofbare stof is, bevat deze munitie bovendien één of meer van de volgende componenten: een voortdrijvende lading met ontsteker en aanvuurlading; een buis met verspreidings- of uitstootlading.

Brandmunitie, witte fosfor, met verspreidings-, uitstoot- of voortdrijvende lading 22/0243; 31/0244

Munitie die witte fosfor als brandstichtende stof bevat. Deze munitie bevat bovendien één of meer van de volgende componenten: een voortdrijvende lading met ontsteker en aanvuurlading; een buis met verspreidings- of uitstootlading.

Buizen, detonerend 1/0106; 13/0107; 35/0257; 47/0367

Voorwerpen die ontplofbare bestanddelen bevatten en zijn bestemd om een detonatie in munitie teweeg te brengen. Ze bevatten mechanisch, elektrisch, chemisch of hydrostatisch activeerbare inrichtingen om een detonatie in te leiden. Gewoonlijk bevatten ze veiligheidsvoorzieningen.

Buizen, detonerend, met veiligheidsvoorzieningen 5/0408; 17/0409; 39/0410

Voorwerpen die ontplofbare bestanddelen bevatten en zijn bestemd om een detonatie in munitie teweeg te brengen. Ze bevatten mechanisch, elektrisch, chemisch of hydrostatisch activeerbare inrichtingen om de detonatie in te leiden. De detonerende buis moet ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten.

Buizen, niet detonerend 30/0316; 43/0317; 47/0368

Voorwerpen die bestanddelen met inleispringstoffen bevatten en zijn bestemd om een deflagratie in munitie teweeg te brengen. Ze bevatten mechanisch, elektrisch, chemisch of hydrostatisch activeerbare inrichtingen om de deflagratie te starten. Gewoonlijk bevatten ze veiligheidsvoorzieningen.

Dieptebommen 5/0056

Voorwerpen bestaande uit een springstoflading in een vat of een projectiel, zonder inleimiddelen of met inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten. Ze zijn bestemd om onder water te detoneren.

Dieptepeilvoorwerpen, ontplofbaar 5/0374; 17/0375

Voorwerpen met een springstoflading, zonder inleimiddelen of met inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten. Ze worden vanaf schepen geworpen en komen tot ontploffing als ze een van te voren bepaalde diepte of de zeebodem bereiken.

Dieptepeilvoorwerpen, ontplofbaar 7/0296; 19/0204

Voorwerpen met een springstoflading, met inleimiddelen die geen of minder dan twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten. Ze worden vanaf schepen geworpen en komen tot ontploffing als ze een van te voren bepaalde diepte of de zeebodem bereiken.

Fakkels voor vliegtuigen 9/0420; 21/0421; 30/0093; 43/0403; 47/0404

Voorwerpen die pyrotechnische stoffen bevatten en bestemd zijn om uit een vliegtuig te worden geworpen voor verlichtings-, identificatie-, sein- of waarschuwingsdoeleinden.

Flitslichtbommen 5/0038

Ontplofbare voorwerpen die uit een vliegtuig worden geworpen met het doel om een kortstondige, intense verlichting voor fotografische doeleinden te bewerkstelligen. Ze bevatten een springstoflading, zonder inleimiddelen of met inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten.

Flitslichtbommen 7/0037

Ontplofbare voorwerpen die uit een vliegtuig worden geworpen met het doel om een kortstondige, intense verlichting voor fotografische doeleinden te bewerkstelligen. Ze bevatten een springstoflading, met inleimiddelen die geen of minder dan twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten.

Flitslichtbommen 21/0039; 30/0299

Ontplofbare voorwerpen die uit een vliegtuig worden geworpen met het doel om een kortstondige, intense verlichting voor fotografische doeleinden te bewerkstelligen. Ze bevatten een flitslichtmengsel.

Flitslichtpatronen 9/0049; 30/0050

Voorwerpen bestaande uit een huls, een ontsteker en flitslichtsas. De voorwerpen zijn gereed om te worden afgevuurd.

Flitslichtpoeder 8/0094; 29/0305

Pyrotechnische stof die na ontsteking een intens licht geeft.

Gezwinde lont, niet detonerend 30/0101

Voorwerp bestaande uit katoendraad dat is geïmpregneerd met fijn zwart buskruit. Het brandt met een uitwendige vlam en wordt gebruikt in de ontstekingsketens voor vuurwerk, enz. Zij kunnen in een papieren huls zijn ingesloten teneinde een plotseling of gezwind effect te bereiken.

Granaten, hand- of geweer-, met springlading 5/0284; 17/0285

Voorwerpen die zijn bestemd om met de hand te worden geworpen of met een vuurwapen te worden afgevuurd. Ze zijn niet voorzien van inleimiddelen of ze zijn voorzien van inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten.

Granaten, hand- of geweer-, met springlading 7/0292; 19/0293

Voorwerpen die zijn bestemd om met de hand te worden geworpen of met een vuurwapen te worden afgevuurd. Ze zijn voorzien van inleimiddelen die geen of minder dan twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten.

Grondfakkels 9/0418; 21/0419; 30/0092

Voorwerpen die pyrotechnische stoffen bevatten en bestemd zijn om vanaf het grondoppervlak te worden gebruikt voor verlichtings-, identificatie-, sein- of waarschuwingsdoeleinden.

Grondstof voor rookzwak buskruit, bevochtigd met ten minste 17 massa-% alcohol 2/0433; grondstof voor rookzwak buskruit, bevochtigd met ten minste 25 massa-% water 26/0159

Een stof bestaande uit nitrocellulose, geïmpregneerd met ten hoogste 60 massa-% nitroglycerine of andere vloeibare organische nitraten of mengsels daarvan.

Handseinmiddelen 43/0191; 47/0373

Draagbare voorwerpen die pyrotechnische stoffen bevatten, welke zichtbare waarschuwingssignalen voortbrengen. Kleine grondfakkels, zoals fakkels voor gebruik op de weg, de spoorweg en het water, vallen onder deze benaming.

Hexoliet (Hexotol), droog of bevochtigd met minder dan 15 massa-% water 4/0118

Een stof bestaande uit een innig mengsel van cyclotrimethyleentrinitramine (RDX) en trinitrotolueen (TNT). Deze benaming omvat "compositie B".

Hexotonal 4/0393

Een stof bestaande uit een innig mengsel van cyclotrimethyleentrinitramine (RDX), trinitrotolueen (TNT) en aluminium.

Holle ladingen, buigzaam, gestrekt 5/0288; 39/0237

Voorwerpen bestaande uit een V-vormige kern van springstof in een buigzame mantel.

Holle ladingen voor industriële doeleinden, zonder slagpijpje 5/0059; 17/0439; 39/0440; 47/0441

Voorwerpen bestaande uit een huls die een springstoflading bevat, zonder inleimiddelen. De springstoflading heeft een uitholling die is gevoerd met onbuigzaam materiaal. De voorwerpen zijn bestemd om een krachtig, materiaal doorborend holle lading-effect teweeg te brengen.

Inrichtingen, door water te activeren, met verspreidings-, uitstoot- of voortdrijvende lading 25/0248, 34/0249

Voorwerpen waarvan de werking berust op een fysisch-chemische reactie van hun inhoud met water.

Kabelsnijders, ontplofbaar 47/0070

Voorwerpen bestaande uit een inrichting met een snijkant, die door een kleine lading deflagrerende ontplofbare stof tegen een aambeeld wordt geperst.

Klinknagelpatronen 47/0174

Voorwerpen bestaande uit een kleine lading ontplofbare stof in een metalen klinknagel.

Knalseinen voor spoorwegdoeleinden 9/0192; 30/0492; 43/0493; 47/0193

Voorwerpen die een pyrotechnische stof bevatten, welke met een harde knal ontploft als het voorwerp wordt platgedrukt. Ze zijn bestemd om op een spoorstaaf te worden gelegd.

Lichtmunitie, met of zonder verspreidings-, uitstoot- of voortdrijvende lading 21/0171; 30/0254; 43/0297

Munitie bestemd om een enkele bron van intens licht voort te brengen om een gebied te verlichten. Deze benaming omvat lichtpatronen, lichtgranaten en lichtprojectielen alsmede verlichtings- en doelmarkeringsbommen.

Opmerking: Deze benaming omvat niet de volgende voorwerpen: fakkels voor vliegtuigen; grondfakkels; handseinmiddelen; scheepsnoodsignalen; seinpatronen. Deze zijn afzonderlijk in deze lijst opgenomen.

Lichtspoorelementen voor munitie 30/0212; 43/0306

Gesloten voorwerpen die pyrotechnische stoffen bevatten. Ze zijn bestemd om de baan van een projectiel zichtbaar te maken.

Lijnwerpraketten 21/0238; 30/0240; 43/0453

Voorwerpen bestaande uit een raketaandrijving en bestemd om een lijn voort te trekken.

Losse patronen voor kleinkaliberwapens 27/0327; 37/0338; 47/0014

Munitie bestaande uit een gesloten patroonhuls met een centraal slaghoedje of randvuurontsteking, die een lading van rookzwak kruit of zwart buskruit bevat. De hulzen bevatten geen projectiel. De patronen zijn bestemd om te worden afgevuurd uit vuurwapens met een kaliber van maximaal 19,1 mm en dienen voor het opwekken van een harde knal. Zij worden gebruikt voor oefeningen, saluutschoten, als voortdrijvende lading en voor startpistolen enz.

Losse patronen voor wapens 3/0326; 15/0413; 27/0327; 37/0338; 47/0014

Munitie bestaande uit een gesloten patroonhuls met een centraal slaghoedje of randvuurontsteking, die een lading van rookzwak kruit of zwart buskruit bevat. De hulzen bevatten geen projectiel. Zij produceren een harde knal en worden gebruikt voor oefeningen, saluutschoten, als voortdrijvende lading en voor startpistolen enz. Deze benaming omvat losse flodders.

Mijnen, met springlading 5/0137; 17/0138

Voorwerpen, gewoonlijk bestaande uit een houder van metaal of compositiemateriaal, gevuld met een springstof, zonder inleimiddelen of met inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten. Ze zijn bestemd om tijdens het passeren van schepen, voertuigen of personen in werking te treden. Deze benaming omvat "Bangalore torpedo's".

Mijnen, met springlading 7/0136; 19/0294

Voorwerpen, gewoonlijk bestaande uit een houder van metaal of compositiemateriaal, gevuld met een springstof, met inleimiddelen die geen of minder dan twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten. Ze zijn bestemd om tijdens het passeren van schepen, voertuigen of personen in werking te treden. Deze benaming omvat "Bangalore torpedo's".

Munitie voor beproevingen 43/0363

Munitie die een pyrotechnische stof bevat en wordt gebruikt om de doelmatigheid of sterkte van nieuwe munitie of onderdelen van wapens of wapensystemen te beproeven.

Octoliet, droog of bevochtigd met minder dan 15 massa-% water 4/0266

Een stof bestaande uit een innig mengsel van cyclotetramethyleentetranitramine (HMX) en trinitrotolueen (TNT).

Octonal 4/0496

Een stof bestaande uit een innig mengsel van cyclotetramethyleentetranitramine (HMX), trinitrotolueen (TNT) en aluminium.

Oefengranaten, hand- of geweer- 21/0372; 30/0318; 43/0452; 47/0110

Voorwerpen zonder hoofdspringlading, die zijn bestemd om met de hand te worden geworpen of met een vuurwapen te worden afgevuurd. Ze bevatten het ontstekingsmechanisme en kunnen een markeringslading bevatten.

Oefenmunitie 30/0488; 43/0362

Munitie die geen hoofdspringlading, maar een verspreidings- of uitstootlading bevat. Gewoonlijk is de munitie voorzien van een buis en een voortdrijvende lading.

Opmerking: Deze benaming omvat niet de volgende voorwerpen: oefengranaten. Deze zijn afzonderlijk in deze lijst opgenomen.

Oliepijpdoorboringsapparaten, zonder slagpijpje 5/0124; 39/0494

Voorwerpen bestaande uit een stalen koker of een metalen strip waarin holle ladingen zijn geplaatst, die door slagsnoer met elkaar zijn verbonden, zonder inleimiddelen.

Ontplofbare stof, monster, met uitzondering van inleispringstof 51/0190

Nieuwe of reeds bestaande ontplofbare stoffen of voorwerpen, die nog niet zijn ingedeeld onder één van de benamingen van rn. 101 en die volgens de instructies van de bevoegde autoriteit in het algemeen in kleine hoeveelheden worden vervoerd, onder andere voor doeleinden van beproeving, indeling, onderzoek en ontwikkeling, voor kwaliteitscontrole of als handelsmonster.

Opmerking: Ontplofbare stoffen of voorwerpen, die reeds zijn ingedeeld onder een andere benaming van rn. 101, vallen niet onder dit begrip.

Ontplofbare stoffen, zeer weinig gevoelig (stoffen, EVI) 48/0482

Stoffen met gevaar voor massa-explosie, die echter zo weinig gevoelig zijn dat de waarschijnlijkheid van inleiding of van overgang van verbranding naar detonatie (onder normale vervoersomstandigheden) zeer klein is en die de beproevingen van testserie 5 hebben doorstaan.

Ontplofbare voorwerpen, extreem weinig gevoelig (voorwerpen, EEI) 50/0486

Voorwerpen die alleen extreem weinig gevoelige springstoffen bevatten en die onder normale vervoersomstandigheden een verwaarloosbare kans op een onbedoelde inleiding of detonatie-overdracht vertonen en die de beproevingen van testserie 7 hebben doorstaan.

Ontspanningsontstekers, ontplofbaar 47/0173

Voorwerpen bestaande uit een kleine explosieve lading, een inleimiddel en een stang of verbindingsstuk. Ze dienen ertoe om uitrustingsdelen snel te ontkoppelen door het doorbreken van de stangen of verbindingsstukken.

Ontstekers 9/0121; 21/0314; 30/0315; 43/0325; 47/0454

Voorwerpen die één of meer ontplofbare stoffen bevatten en worden gebruikt om een deflagratie in een ontstekingsketen teweeg te brengen. Ze kunnen op chemische of mechanische wijze dan wel door elektriciteit in werking worden gesteld.

Opmerking: Deze benaming omvat niet de volgende voorwerpen: ontstekers voor vuurkoord; buizen, niet detonerend; gezwinde lont, niet detonerend; ontstekingsdoppen; slaghoedjes; snelkoord; vuurkoord. Deze zijn afzonderlijk in deze lijst opgenomen.

Ontstekers voor vuurkoord 47/0131

Voorwerpen van verschillend ontwerp, die in werking worden gesteld door wrijving, slag of stoot of elektriciteit en worden gebruikt om vuurkoord te ontsteken.

Ontstekingsdoppen 30/0319; 43/0320; 47/0376

Voorwerpen bestaande uit een ontstekingsmiddel en een hulplading deflagrerende ontplofbare stof zoals zwart buskruit. Ze worden gebruikt om de voortdrijvende lading in de hulzen van geschutmunitie, enz., te ontsteken.

Overdrachtsladingen, met slagpijpje 1/0225; 13/0268

Voorwerpen bestaande uit een springstoflading, met inleimiddelen. Ze worden gebruikt om het inleidend vermogen van slagpijpjes of slagsnoer te versterken.

Overdrachtsladingen, zonder slagpijpje 5/0042; 17/0283

Voorwerpen bestaande uit een springstoflading, zonder inleimiddelen. Ze worden gebruikt om het inleidend vermogen van slagpijpjes of slagsnoer te versterken.

Patronen voor kleinkaliberwapens 27/0417; 37/0339; 47/0012

Munitie bestaande uit een patroonhuls met een centraal slaghoedje of randvuurontsteking, die een voortdrijvende lading en een massief projectiel bevat. De patronen zijn bestemd om te worden afgevuurd uit vuurwapens met een kaliber van maximaal 19,1 mm. Deze benaming omvat jachtpatronen (hagelpatronen) van elk kaliber.

Opmerking: Deze benaming omvat niet de volgende voorwerpen: losse patronen voor wapens. Deze zijn afzonderlijk in deze lijst opgenomen. Deze benaming omvat evenmin bepaalde patronen voor militaire kleinkaliberwapens, die onder de in deze lijst opgenomen benaming "patronen voor wapens, met inert projectiel" vallen.

Patronen voor olieboringen 27/0277; 37/0278

Voorwerpen bestaande uit een dunne huls van karton, metaal of een ander materiaal, die uitsluitend een voortdrijvende lading bevat voor het uitstoten van een gehard projectiel teneinde de wand van een olieboorput te doorboren.

Opmerking: Deze benaming omvat niet de volgende voorwerpen: holle ladingen voor industriële doeleinden. Deze zijn afzonderlijk in deze lijst opgenomen.

Patronen voor technische doeleinden 15/0381; 27/0275; 37/0276; 47/0323

Voorwerpen bestemd om mechanische bewegingen tot stand te brengen. Ze bestaan uit een huls met een lading deflagrerende ontplofbare stof en een ontstekingsmiddel. De bij de deflagratie vrijkomende gassen dienen om een uitzetting of een rechtlijnige of draaiende beweging teweeg te brengen of om schuiven, kleppen of schakelaars te activeren of om bevestigingselementen of blusmiddelen uit te stoten.

Patronen voor wapens, met inert projectiel 15/0328; 27/0417; 37/0339; 47/0012

Munitie bestaande uit een projectiel zonder springlading, maar met een voortdrijvende lading met of zonder een ontsteker. De munitie mag voorzien zijn van een lichtspoorelement onder voorwaarde dat het hoofdgevaar wordt gevormd door de voortdrijvende lading.

Patronen voor wapens, met springlading 6/0006; 18/0321; 40/0412

Munitie bestaande uit een projectiel met een springlading, zonder inleimiddelen of met inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten, en een voortdrijvende lading met of zonder een ontsteker. Deze benaming omvat gepatroneerde munitie, gescheiden munitie, en munitie met gescheiden lading waarvan de samenstellende delen gezamenlijk zijn verpakt.

Patronen voor wapens, met springlading 7/0005; 19/0007; 41/0348

Munitie bestaande uit een projectiel met een springlading, met inleimiddelen die geen of minder dan twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten, en een voortdrijvende lading met of zonder een ontsteker. Deze benaming omvat gepatroneerde munitie, gescheiden munitie, en munitie met gescheiden lading waarvan de samenstellende delen gezamenlijk zijn verpakt.

Patroonhulzen, leeg, met ontsteker 37/0379; 47/0055

Voorwerpen bestaande uit een huls van metaal, kunststof of een ander niet brandbaar materiaal, waarin het enige explosieve onderdeel de ontsteker is.

Patroonhulzen, meebrandend, leeg, zonder ontsteker 27/0447; 37/0446

Voorwerpen bestaande uit een patroonhuls, die gedeeltelijk of geheel is vervaardigd uit nitrocellulose.

Pentoliet, droog of bevochtigd met minder dan 15 massa-% water 5/0124

Een stof bestaande uit een innig mengsel van pentaerythriettetranitraat (PETN) en trinitrotolueen (TNT).

Projectielen, inert, met lichtspoorelement 30/0424; 43/0425; 47/0345

Voorwerpen zoals granaten of kogels die worden verschoten uit een kanon of een ander stuk geschut, een geweer of een ander kleinkaliberwapen.

Projectielen, met springlading 5/0168; 17/0169; 39/0344

Voorwerpen zoals granaten of kogels die uit een kanon of een ander stuk geschut worden verschoten. Ze zijn niet voorzien van inleimiddelen of ze zijn voorzien van inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten.

Projectielen, met springlading 7/0167; 19/0324

Voorwerpen zoals granaten of kogels die uit een kanon of een ander stuk geschut worden verschoten. Ze zijn voorzien van inleimiddelen die geen of minder dan twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten.

Projectielen, met verspreidings- of uitstootlading 17/0346; 39/0347

Voorwerpen zoals granaten of kogels die uit een kanon of een ander stuk geschut worden verschoten. Ze zijn niet voorzien van inleimiddelen of ze zijn voorzien van inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten. Ze worden gebruikt om kleurstoffen voor markeringsdoeleinden of andere inerte stoffen te verspreiden.

Projectielen, met verspreidings- of uitstootlading 19/0426; 41/0427

Voorwerpen zoals granaten of kogels die uit een kanon of een ander stuk geschut worden verschoten. Ze zijn voorzien van inleimiddelen die geen of minder dan twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten. Ze worden gebruikt om kleurstoffen voor markeringsdoeleinden of andere inerte stoffen te verspreiden.

Projectielen, met verspreidings- of uitstootlading 21/0434; 43/0435

Voorwerpen zoals granaten of kogels die worden verschoten uit een kanon of een ander stuk geschut, een geweer of een ander kleinkaliberwapen. Ze worden gebruikt om kleurstoffen voor markeringsdoeleinden of andere inerte stoffen te verspreiden.

Pyrofore voorwerpen 25/0380

Voorwerpen die een pyrofore stof (die in contact met de lucht spontaan kan ontbranden) en een ontplofbare stof of ontplofbaar bestanddeel bevatten. Voorwerpen die witte fosfor bevatten, vallen niet onder deze benaming.

Pyrotechnische voorwerpen voor technische doeleinden 9/0428; 21/0429; 30/0430; 43/0431; 47/0432

Voorwerpen die pyrotechnische stoffen bevatten en zijn bestemd voor technische doeleinden zoals ontwikkeling van warmte of gassen, toneeleffecten, enz.

Opmerking: Deze benaming omvat niet de volgende voorwerpen: elke soort munitie; fakkels voor vliegtuigen; grondfakkels; handseinmiddelen; kabelsnijders, ontplofbaar; klinknagelpatronen; knalseinen voor spoorwegdoeleinden; ontspanningsontstekers, ontplofbaar; rooksignalen; scheepsnoodsignalen; seinpatronen; vuurwerk. Deze zijn afzonderlijk in deze lijst opgenomen.

Raketaandrijvingen 3/0280; 15/0281; 27/0186

Voorwerpen bestaande uit een ontplofbare voortdrijvende lading, gewoonlijk in vaste vorm, die zich bevindt in een cilinder, uitgerust met één of meer straalpijpen. Ze zijn bestemd om een raket of een geleid projectiel voort te stuwen.

Raketaandrijvingen met hypergolische vloeistoffen, met of zonder uitstootlading 25/0322, 34/0250

Voorwerpen bestaande uit een cilinder welke een hypergolische brandstof bevat en is voorzien van één of meer straalpijpen. Ze zijn ontworpen om een raket of een geleid projectiel voort te drijven.

Raketaandrijvingen met vloeibare brandstof 23/0395; 32/0396

Voorwerpen bestaande uit een cilinder, uitgerust met één of meer straalpijpen, die een vloeibare brandstof bevat. Ze zijn bestemd om een raket of een geleid projectiel voort te stuwen.

Raketkoppen, met springlading 5/0286; 17/0287

Voorwerpen bestaande uit springstof, zonder inleimiddelen of met inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten. Ze zijn bestemd om op een raketaandrijving te worden gemonteerd. Deze benaming omvat raketkoppen voor geleide projectielen.

Raketkoppen, met springlading 7/0369

Voorwerpen bestaande uit springstof, met inleimiddelen die geen of minder dan twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten. Ze zijn bestemd om op een raketaandrijving te worden gemonteerd. Deze benaming omvat raketkoppen voor geleide projectielen.

Raketkoppen, met verspreidings- of uitstootlading 39/0370

Voorwerpen bestaande uit een inerte nuttige lading en een kleine lading springstof of deflagrerende ontplofbare stof, zonder inleimiddelen of met inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten. Ze zijn bestemd om op een raketaandrijving te worden gemonteerd teneinde de inerte lading te verspreiden. Deze benaming omvat raketkoppen voor geleide projectielen.

Raketkoppen, met verspreidings- of uitstootlading 41/0371

Voorwerpen bestaande uit een inerte nuttige lading en een kleine lading springstof of deflagrerende ontplofbare stof, met inleimiddelen die geen of minder dan twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten. Ze zijn bestemd om op een raketaandrijving te worden gemonteerd teneinde de inerte lading te verspreiden. Deze benaming omvat raketkoppen voor geleide projectielen.

Raketten, met inerte kop 27/0183

Voorwerpen bestaande uit een raketaandrijving en een inerte raketkop. Deze benaming omvat geleide projectielen.

Raketten, met springlading 6/0181; 18/0182

Voorwerpen bestaande uit een raketaandrijving en een raketkop, zonder inleimiddelen of met inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten. Deze benaming omvat geleide projectielen.

Raketten, met springlading 7/0180; 19/0295

Voorwerpen bestaande uit een raketaandrijving en een raketkop, met inleimiddelen die geen of minder dan twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten. Deze benaming omvat geleide projectielen.

Raketten, met uitstootlading 15/0436; 27/0437; 37/0438

Voorwerpen bestaande uit een raketaandrijving en een lading om de nuttige lading van de raketkop uit te stoten. Deze benaming omvat geleide projectielen.

Raketten met vloeibare brandstof, met springlading 10/0397; 23/0398

Voorwerpen bestaande uit een cilinder, uitgerust met één of meer straalpijpen, die een vloeibare brandstof bevat, en een raketkop. Deze benaming omvat geleide projectielen.

Rookmunitie, met of zonder verspreidings-, uitstoot- of voortdrijvende lading 21/0015; 30/0016; 43/0303

Munitie die een rookverwekkende stof bevat zoals een chloorsulfonzuurmengsel, titaantetrachloride of een rookverwekkend pyrotechnisch mengsel op basis van hexachloorethaan of rode fosfor. Voor zover de rookverwekkende stof zelf geen ontplofbare stof is, bevat de munitie bovendien één of meer van de volgende componenten: een voortdrijvende lading met ontsteker en aanvuurlading; een buis met verspreidings- of uitstootlading. Deze benaming omvat rookgranaten.

Opmerking: Deze benaming omvat niet de volgende voorwerpen: rooksignalen. Deze zijn afzonderlijk in deze lijst opgenomen.

Rookmunitie, witte fosfor, met verspreidings-, uitstoot- of voortdrijvende lading 22/0245; 31/0246

Munitie die witte fosfor als rookverwekkende stof bevat. Ze bevat bovendien één of meer van de volgende componenten: een voortdrijvende lading met ontsteker en aanvuurlading; een buis met verspreidings- of uitstootlading. Deze benaming omvat rookgranaten.

Rooksignalen 9/0196; 19/0313; 30/0487; 43/0197

Voorwerpen die pyrotechnische stoffen bevatten, welke rook ontwikkelen. Zij kunnen bovendien inrichtingen bevatten die een geluidssignaal voortbrengen.

Rookzwak buskruit 2/0160; 26/0161

Een stof op basis van nitrocellulose, die als voortdrijvende lading wordt gebruikt. Deze benaming omvat kruit op enkelvoudige basis (alleen nitrocellulose), op dubbele basis (zoals nitrocellulose en nitroglycerine) en op drievoudige basis (zoals nitrocellulose/nitroglycerine/nitroguanidine).

Opmerking: Ladingen van rookzwak buskruit in gegoten of geperste vorm of in kardoeszakken vallen onder de in deze lijst opgenomen benamingen "voortdrijvende ladingen voor geschut" en "voortdrijvende ladingen voor raketaandrijvingen".

Scheepsnoodsignalen 9/0194; 30/0195

Voorwerpen die pyrotechnische stoffen bevatten, bestemd voor het geven van signalen door middel van geluid, vlam of rook of een combinatie daarvan.

Scheurvormende middelen, ontplofbaar, voor olieboringen, zonder slagpijpje 5/0099

Voorwerpen bestaande uit een springlading in een omhulsel, zonder inleimiddelen. Ze worden gebruikt om het gesteente rondom het boorgat te scheuren teneinde het toestromen van de ruwe olie uit dit gesteente te vergemakkelijken.

Seinpatronen 30/0054; 43/0312; 47/0405

Voorwerpen bestemd om gekleurde licht- of andere signalen af te vuren uit seinpistolen, enz.

Slaghoedjes 1/0377; 35/0378; 47/0044

Voorwerpen bestaande uit een metalen of kunststof dopje dat een kleine hoeveelheid ontsteeksas bevat, die door een slag of stoot wordt ontstoken. Ze worden gebruikt als ontstekingsmiddel in patronen voor kleinkaliberwapens en in ontstekingsdoppen voor voortdrijvende ladingen.

Slagpijpjes, elektrisch 1/0030; 35/0255; 47/0456

Voorwerpen, speciaal bestemd voor de inleiding van (industriële) springstofladingen. Ze kunnen zijn ontworpen om onmiddellijk te detoneren of ze kunnen een vertragingselement bevatten. Elektrische slagpijpjes worden door middel van elektrische stroom in werking gesteld.

Slagpijpjes, niet elektrisch 1/0029; 35/0267; 47/0455

Voorwerpen, speciaal bestemd voor de inleiding van (industriële) springstofladingen. Ze kunnen zijn ontworpen om onmiddellijk te detoneren of ze kunnen een vertragingselement bevatten. Niet-elektrische slagpijpjes worden in werking gesteld door middelen zoals schokbuis, vlambuis, veiligheidsvuurkoord, andere (niet-detonerende) ontstekingsmiddelen of buigzaam slagsnoer. Deze benaming omvat overdrachtspijpjes zonder slagsnoer.

Slagpijpjes, samengesteld, niet-elektrisch 1/0360; 35/0361; 47/0500

Niet-elektrische slagpijpjes, verbonden met en in werking gesteld door middelen zoals veiligheidsvuurkoord, schokbuis, vlambuis of slagsnoer. Ze kunnen zijn ontworpen om onmiddellijk te detoneren of ze kunnen een vertragingselement bevatten. Deze benaming omvat overdrachtspijpjes verbonden met slagsnoer.

Slagpijpjes voor munitie 1/0073; 13/0364; 35/0365; 47/0366

Voorwerpen bestaande uit een metalen of kunststof buisje, gevuld met ontplofbare stoffen zoals loodazide, pentriet (PETN) of een combinatie van ontplofbare stoffen. Ze zijn bestemd om een detonatieketen in te leiden.

Slagsnoer, buigzaam 5/0065; 39/0289

Voorwerp bestaande uit een kern van detonerende springstof in een omhulsel van textiel, met of zonder een bekleding van kunststof. De bekleding is niet nodig indien het omhulsel van textiel stofdicht is.

Slagsnoer, met metalen bekleding 5/0290; 17/0102

Voorwerp bestaande uit een kern van springstof, omgeven door een zachte metalen buis met of zonder een beschermende bekleding.

Slagsnoer met gering effect, met metalen bekleding 39/0104

Voorwerp bestaande uit een kern van springstof, omgeven door een zachte metalen buis met of zonder een beschermende bekleding. De hoeveelheid ontplofbare stof is zodanig beperkt dat buiten het slagsnoer slechts een gering effect optreedt.

Snelkoord 43/0066

Voorwerp bestaande uit textieldraden die zijn bedekt met zwart buskruit of met een ander snelbrandend pyrotechnisch mengsel en zijn voorzien van een buigzaam beschermend omhulsel, of bestaande uit een kern van zwart buskruit in een buigzame textielbekleding. Het voorwerp verbrandt in de lengterichting met een uitwendige vlam en wordt gebruikt om de ontsteking vanaf een ontstekingsinrichting over te brengen op een lading of een ontsteker.

Springladingen 5/0048

Voorwerpen die een springstoflading bevatten in een omhulsel van karton, kunststof, metaal of ander materiaal. De voorwerpen zijn niet voorzien van inleimiddelen of zijn voorzien van inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten.

Opmerking: Deze benaming omvat niet de volgende voorwerpen: bommen, mijnen, projectielen. Deze zijn afzonderlijk in deze lijst opgenomen.

Springladingen, kunststofgebonden 5/0457; 17/0458; 39/0459; 47/0460

Voorwerpen bestaande uit een kunststofgebonden springstoflading, vervaardigd in een specifieke vorm, zonder omhulsel en zonder inleimiddelen. Ze worden gebruikt als een onderdeel van munitie zoals raketkoppen.

Springladingen voor industriële doeleinden, zonder slagpijpje 5/0442; 17/0443; 39/0444; 47/0445

Voorwerpen bestaande uit een springstoflading, zonder inleimiddelen, gebruikt voor het lassen, verbinden, vormgeven en andere metallurgische processen die met behulp van springstoffen kunnen worden uitgevoerd.

Springstof, type A 4/0081

Stoffen bestaande uit vloeibare organische nitraten zoals nitroglycerine of een mengsel van deze stoffen. Ze bevatten bovendien één of meer van de volgende componenten: nitrocellulose, ammoniumnitraat of andere anorganische nitraten; aromatische nitroverbindingen; brandbare materialen zoals houtmeel en aluminiumpoeder. Ze kunnen inerte bestanddelen zoals kiezelgoer en toevoegingen zoals kleurstoffen en stabilisatoren bevatten. Deze springstoffen moeten in poedervormige, gelatineuze of elastische toestand voorkomen. Deze benaming omvat dynamiet, springgelatine en gelatinedynamiet.

Springstof, type B 4/0082; 48/0331

Stoffen bestaande uit:

a) ofwel een mengsel van ammoniumnitraat of andere anorganische nitraten met een ontplofbare stof zoals trinitrotolueen (TNT), al dan niet met andere stoffen zoals houtmeel en aluminiumpoeder;

b) dan wel een mengsel van ammoniumnitraat of andere anorganische nitraten met andere stoffen, die brandbaar en niet ontplofbaar zijn.

In beide gevallen mogen ze inerte bestanddelen zoals kiezelgoer en toevoegingen zoals kleurstoffen en stabilisatoren bevatten. Deze springstoffen mogen geen nitroglycerine of soortgelijke vloeibare organische nitraten, of chloraten bevatten.

Springstof, type C 4/0083

Stoffen bestaande uit een mengsel van hetzij kalium- of natriumchloraat, hetzij kalium-, natrium- of ammoniumperchloraat, met organische nitroverbindingen of brandbare stoffen zoals houtmeel, aluminiumpoeder of een koolwaterstof. Ze kunnen inerte bestanddelen zoals kiezelgoer en toevoegingen zoals kleurstoffen en stabilisatoren bevatten. Deze springstoffen mogen geen nitroglycerine of soortgelijke vloeibare organische nitraten bevatten.

Springstof, type D 4/0084

Stoffen bestaande uit een mengsel van genitreerde organische verbindingen met brandbare stoffen zoals koolwaterstoffen of aluminiumpoeder. Ze kunnen inerte bestanddelen zoals kiezelgoer en toevoegingen zoals kleurstoffen en stabilisatoren bevatten. Deze springstoffen mogen geen nitroglycerine of soortgelijke vloeibare organische nitraten, of chloraten of ammoniumnitraat bevatten. Deze benaming omvat in het algemeen kneedspringstoffen.

Springstof, type E 4/0241; 48/0332

Stoffen bestaande uit water als een wezenlijk bestanddeel en met een hoog gehalte aan ammoniumnitraat of andere oxiderend werkende stoffen die geheel of gedeeltelijk zijn opgelost. De andere bestanddelen kunnen nitroverbindingen zoals trinitrotolueen, koolwaterstoffen of aluminiumpoeder zijn. De springstoffen kunnen inerte bestanddelen zoals kiezelgoer en toevoegingen zoals kleurstoffen en stabilisatoren bevatten. Deze benaming omvat "slurry springstoffen", "emulsie springstoffen" en "watergel springstoffen".

Torpedokoppen, met springlading 5/0221

Voorwerpen bestaande uit een springlading, zonder inleimiddelen of met inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten. Ze zijn bestemd om op een torpedo te worden gemonteerd.

Torpedo's, met springlading 5/0451

Voorwerpen bestaande uit een systeem zonder ontplofbare stoffen, bestemd om de torpedo door het water voort te stuwen, en een torpedokop zonder inleimiddelen of met inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten.

Torpedo's, met springlading 6/0329

Voorwerpen bestaande uit een systeem met ontplofbare stoffen, bestemd om de torpedo door het water voort te stuwen, en een torpedokop zonder inleimiddelen of met inleimiddelen die ten minste twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten.

Torpedo's, met springlading 7/0330

Voorwerpen bestaande uit een systeem, al dan niet met ontplofbare stoffen, bestemd om de torpedo door het water voort te stuwen, en een torpedokop met inleimiddelen die geen of minder dan twee doeltreffende veiligheidsvoorzieningen bevatten.

Torpedo's met vloeibare brandstof, met inerte kop 32/0450

Voorwerpen bestaande uit een systeem met vloeibare ontplofbare stoffen, bestemd om de torpedo door het water voort te stuwen, en een inerte kop.

Torpedo's met vloeibare brandstof, met of zonder springlading 10/0449

Voorwerpen bestaande uit hetzij een systeem met vloeibare ontplofbare stoffen, bestemd om de torpedo door het water voort te stuwen, met of zonder een torpedokop, hetzij een systeem met vloeibare, niet ontplofbare stoffen, bestemd om de torpedo door het water voort te stuwen, en een torpedokop.

Traanverwekkende munitie, met verspreidings-, uitstoot- of voortdrijvende lading 21/0018; 30/0019; 43/0301

Munitie die een traanverwekkende stof bevat. Ze bevat ook één of meer van de volgende bestanddelen: een pyrotechnische stof; een voortdrijvende lading met ontsteker en aanvuurlading; een buis met verspreidings- of uitstootlading.

Tritonal 4/0390

Een stof bestaande uit een mengsel van trinitrotolueen (TNT) en aluminium.

Veiligheidsvuurkoord 47/0105

Voorwerp bestaande uit een kern van fijnkorrelig zwart buskruit, omgeven door een omhulsel van soepel textiel, voorzien van één of meer beschermende buitenlagen. Na het aansteken brandt het met een van te voren bepaalde snelheid zonder een uitwendig explosief effect.

Verspreidingsladingen 5/0043

Voorwerpen bestaande uit een kleine lading ontplofbare stof, bedoeld om projectielen of andere munitie open te breken teneinde de inhoud daarvan te verspreiden.

Voortdrijvende ladingen voor geschut 3/0279; 15/0414; 27/0242

Voortdrijvende ladingen in elke mogelijke vorm voor geschutmunitie met gescheiden lading.

Voortdrijvende ladingen 3/0271; 15/0415; 27/0272; 37/0491

Voorwerpen bestaande uit een voortdrijvende lading in een willekeurige vorm met of zonder omhulsel. Zij worden gebruikt als onderdeel van raketaandrijvingen of om het bodemzog van projectielen te reduceren.

Voortdrijvende stof, vast 2/0498; 26/0499

De stof bestaat uit een vaste deflagrerende ontplofbare stof en wordt gebruikt voor voortdrijving.

Voortdrijvende stof, vloeibaar 2/0497; 26/0495

De stof bestaat uit een vloeibare deflagrerende ontplofbare stof en wordt gebruikt voor voortdrijving.

Vuurkoord, kokervormig, met metalen bekleding 43/0103

Voorwerp bestaande uit een metalen koker die een kern van deflagrerende ontplofbare stof bevat.

Vuurwerk 9/0333; 21/0334; 30/0335; 43/0336; 47/0337

Pyrotechnische voorwerpen bestemd voor amusementsdoeleinden.

Zwart buskruit, korrels of fijn poeder 4/0027

Een stof bestaande uit een innig mengsel van houtskool of een andere koolstof en kalium- of natriumnitraat, met of zonder zwavel.

Zwart buskruit, geperst, of zwart buskruit in pellets 4/0028

Een stof bestaande uit geperst zwart buskruit.

1171-

1199

AANHANGSEL II A. VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE EIGENSCHAPPEN DER UIT ALUMINIUMLEGERINGEN VERVAARDIGDE HOUDERS VOOR BEPAALDE GASSEN VAN KLASSE 2

I. Kwaliteit van het materiaal

1200 (1) De materialen van houders uit aluminiumlegeringen, welke toegelaten zijn voor gassen genoemd onder rn. 203 (1)d), moeten aan de volgende eisen voldoen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De werkelijke eigenschappen zijn afhankelijk van de samenstelling van de betreffende legering en ook van de eindbehandeling van de houder; echter, welke legering ook toegepast wordt, de wanddikte van de houder moet berekend worden met behulp van de volgende formule:

e = >NUM>PMPa × D

>DEN>

>NUM>2 × Re

>DEN>1,30

+ PMPa

( e = >NUM>Pbar × D

>DEN>

>NUM>20 × Re

>DEN>1,30

+ Pbar

)hierin is

e = de minimum wanddikte van de houder in mm.

PMPa = de proefdruk in MPa.

Pbar = proefdruk in bar.

D = de nominale buitendiameter van de houder in mm.

Re = de gegarandeerde minimum rekgrens met 0,2 % blijvende rek, in N/mm2.

Daarenboven mag de waarde van de minimaal gegarandeerde rekgrens (Re) die in de formule voorkomt, in geen geval hoger zijn dan 0,85 maal de waarde van de minimaal gegarandeerde treksterkte (Rm), welke legering ook toegepast wordt.

Opmerkingen: 1. Bovenstaande eisen zijn gebaseerd op de tot nu toe opgedane ervaring met de volgende materialen voor houders:

Kolom A: aluminium, ongelegeerd, 99,5 % zuiver;

Kolom B: legeringen van aluminium en magnesium;

Kolom C: legeringen van aluminium, silicium en magnesium, b.v. ISO/R 209-Al-Si-Mg (Aluminium Association 6351);

Kolom D: legeringen van aluminium, koper en magnesium.

2. De rek bij breuk (l = 5d) wordt gemeten aan proefstukken met een cirkelronde doorsnede, waarbij de lengte tussen de merkstrepen l gelijk is aan vijfmaal de diameter d; indien proefstaven met een rechthoekige doorsnede worden gebruikt, moet de afstand tussen de merkstrepen worden berekend met de formule l = 5,65 F0, waarin F0 de oorspronkelijke doorsnede van de proefstaaf is.

3. a) De buigproef (zie figuur) moet worden uitgevoerd met een ringvormig monster uit de drukhouder gesneden en in twee gelijke delen verdeeld met een breedte van 3 e, maar niet minder dan 25 mm. Het monster mag slechts aan de randen bewerkt worden.

b) De buigproef moet worden uitgevoerd tussen een buigstempel met een diameter (d) en twee oplegrollen, welke door een afstand van (d + 3e) gescheiden zijn.

Tijdens de proef zijn de binnenzijden niet verder van elkaar verwijderd dan de diameter van het buigstempel.

c) Het monster mag geen scheuren vertonen als het aan de binnenkant tegen het buigstempel is gebogen, zodat de afstand tussen de binnenvlakken niet groter is dan de diameter van het buigstempel.

d) De verhouding (n) tussen de diameter van het buigstempel en de dikte van het monster moet overeenkomen met de in de tabel opgegeven waarden.

Afbeelding van de buigproef

(2) Een geringere minimum waarde van de rek is toelaatbaar onder de voorwaarde dat door een aanvullende beproeving, goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van het land van fabricage van de houders het bewijs geleverd is, dat de veiligheid voor het vervoer verzekerd is onder dezelfde voorwaarden als voor de houders, die volgens de eisen van de tabel onder (1) vervaardigd zijn.

(3) De minimum wanddikte van houders moet op de dunste plaats de volgende zijn: wanneer de diameter van de houder kleiner is dan 50 mm, minimaal 1,5 mm; wanneer de diameter van de houder tussen 50 mm en 150 mm is, minimaal 2 mm; wanneer de diameter van de houder groter is dan 150 mm, minimaal 3 mm.

(4) De bodems van de houders moeten een half cirkelvormig-, half ellipsvormig- of een korfboogprofiel bezitten; ze moeten dezelfde veiligheid bieden als het lichaam van de houder.

II. Aanvullend officieel onderzoek van de aluminiumlegeringen

1201 (1) Behalve het onderzoek, voorgeschreven in rn. 215, 216 en 217, moet de binnenwand van de houder op mogelijke interkristallijne corrosie worden onderzocht, indien een koperhoudende aluminiumlegering toegepast wordt of een magnesium- en mangaanhoudende aluminiumlegering, waarvan het magnesiumgehalte hoger is dan 3,5 % of waarvan het mangaangehalte lager is dan 0,5 %.

(2) Indien het een aluminium/koperlegering betreft, wordt het onderzoek uitgevoerd door de fabrikant bij de goedkeuring van een nieuwe legering door de bevoegde autoriteit; het onderzoek wordt vervolgens herhaald tijdens de productie bij iedere gieting van de legering.

(3) Indien het een aluminium/magnesiumlegering betreft, wordt het onderzoek uitgevoerd door de fabrikant bij de goedkeuring van een nieuwe legering en van het productieproces door de bevoegde autoriteit. De beproeving moet herhaald worden, indien de samenstelling van de legering of het productieproces wordt gewijzigd.

(4) a) Voorbereiding van de aluminium/koperlegeringen

Vóór de corrosieproef van de aluminium/koperlegering moeten de monsters in een geschikt oplosmiddel gereinigd worden van vet en vervolgens gedroogd.

b) Voorbereiding van de aluminium/magnesiumlegeringen

Vóór de corrosieproef van de aluminium/magnesiumlegering moeten de monsters gedurende zeven dagen verhit worden bij een temperatuur van 100 °C; daarna moeten zij in een geschikt oplosmiddel gereinigd worden van vet en vervolgens gedroogd.

c) Uitvoering

De binnenwand van een monster van 1 000 mm2 (33,3 mm × 30 mm) van koperhoudend materiaal moet bij kamertemperatuur gedurende 24 uur blootgesteld worden aan de inwerking van 1 000 ml van een waterige oplossing van 3 % NaCl en 0,5 % HCl.

d) Onderzoek

Nadat het monster gewassen en gedroogd is, moet het microscopisch onderzocht worden bij een vergroting van 100 tot 500 maal op een 20 mm lang gedeelte, bij voorkeur na elektrolytisch polijsten.

De diepte van de etsing mag niet verder gaan dan de tweede laag kristallieten vanaf het oppervlak dat aan de corrosieproef is onderworpen; indien de eerste laag kristallieten volledig geëtst is, mag in principe de tweede laag kristallieten maar ten dele geëtst zijn.

Bij doorsneden moet het onderzoek uitgevoerd worden onder een hoek loodrecht op het oppervlak.

Indien het noodzakelijk is, na het elektrolytisch polijsten, de kristallietgrenzen speciaal zichtbaar te maken met het oog op een later onderzoek, moet deze bewerking uitgevoerd worden volgens een methode, die toegelaten is door de bevoegde autoriteit.

III. Bescherming van het inwendig oppervlak

1202 Het inwendig oppervlak van houders, vervaardigd van aluminiumlegeringen, moet worden bedekt met een geschikte corrosiewerende laag, indien de bevoegde controlerende instanties zulks noodzakelijk achten.

1203-

1249

B. VOORSCHRIFTEN VOOR DE MATERIALEN EN DE CONSTRUCTIE VAN HOUDERS VOLGENS RN. 206, BESTEMD VOOR HET VERVOER VAN STERK GEKOELDE, VLOEIBAAR GEMAAKTE GASSEN VAN KLASSE 2

1250 (1) De houders moeten zijn vervaardigd van staal, aluminium, aluminiumlegeringen, koper of koperlegeringen (b.v. messing). Houders van koper of koperlegeringen zijn echter slechts toegestaan voor gassen, die geen acetyleen bevatten.

(2) Er mogen slechts materialen worden gebruikt, die geschikt zijn voor de laagste bedrijfstemperatuur van de houders en van hun uitrustingsdelen.

1251 Voor de fabricage van de houders zijn de volgende materialen toegelaten:

a) staalsoorten, die bij de laagste bedrijfstemperatuur niet bros kunnen breken (zie rn. 1255).

Er kunnen worden gebruikt:

1. ongelegeerde fijnkorrelige staalsoorten, tot een temperatuur van P 60 °C;

2. met nikkel gelegeerde staalsoorten (met een nikkelgehalte van 0,5 % t/m 9 %), tot een temperatuur van P 196 °C, afhankelijk van het nikkelgehalte;

3. austenitische chroom-nikkel staalsoorten, tot een temperatuur van P 270 °C;

b) aluminium met een gehalte van ten minste 99,5 % Al of aluminiumlegeringen (zie rn. 1256);

c) zuurstofvrij koper met een gehalte van tenminste 99,9 % Cu of koperlegeringen met een gehalte van meer dan 56 % Cu (zie rn. 1257).

1252 (1) De houders mogen slechts naadloos of gelast zijn.

(2) Houders van austenitisch staal, koper of koperlegeringen mogen hardgesoldeerd zijn.

1253 De uitrustingsdelen mogen aan de houders zijn bevestigd door middel van geschroefde verbindingen, of als volgt:

a) bij houders van staal, aluminium of aluminiumlegeringen, door lassen;

b) bij houders van austenitisch staal, koper of koperlegeringen, door lassen of hardsolderen.

1254 De constructie van de houders moet zodanig zijn, dat afkoeling van de dragende delen, die bros zouden kunnen worden, met zekerheid wordt vermeden. De onderdelen voor de bevestiging van de houders moeten zelf zodanig zijn ontworpen, dat deze, zelfs indien de houder een temperatuur heeft, overeenkomende met de laagst toegestane bedrijfstemperatuur, nog de noodzakelijke mechanische eigenschappen bezitten.

1. Materialen en houders

a) Houders van staal

1255 De voor de vervaardiging van de houders gebruikte materialen en de lasverbindingen moeten bij hun laagste bedrijfstemperatuur wat betreft de kerfslagwaarde ten minste voldoen aan de volgende voorwaarden.

De proeven kunnen worden uitgevoerd ofwel met proefstaven met U-kerf dan wel met proefstaven met V-kerf.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bij austenitische staalsoorten moet alleen van de lasverbinding de kerfslagwaarde worden bepaald.

Bij bedrijfstemperaturen lager dan P 196 °C wordt de beproeving van de kerfslagwaarde niet uitgevoerd bij de laagste bedrijfstemperatuur, maar bij P 196 °C.

b) Houders van aluminium of van aluminiumlegeringen

1256 De lasverbindingen van de houders moeten bij kamertemperatuur voldoen aan de volgende voorwaarden voor het buiggetal:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

c) Houders van koper of koperlegeringen

1257 Het is niet nodig proeven uit te voeren om vast te stellen of de kerfslagwaarde voldoende is.

2. Beproevingen

a) Kerfslagproeven

1258 De kerfslagwaarden, aangegeven in rn. 1255, hebben betrekking op proefstaven van 10 mm × 10 mm met U-kerf, òf op proefstaven van 10 mm x 10 mm met V-kerf.

Opmerkingen: 1. Wat betreft de vorm van de proefstaaf, zie noot 3) en 4) bij rn. 1255 (tabel).

2. Bij platen met een dikte minder dan 10 mm, doch ten minste 5 mm, worden proefstaven met een doorsnede van 10 mm x e mm gebruikt, waarbij "e" de dikte van de plaat voorstelt. Deze kerfslagproeven leiden in het algemeen tot hogere waarden dan met normale proefstaven.

3. Bij platen met een dikte minder dan 5 mm en hun lasverbindingen wordt geen kerfslagproef uitgevoerd.

1259 (1) Bij de beproeving van de platen wordt de kerfslagwaarde bepaald van drie proefstaven. De monstername wordt dwars op de walsrichting uitgevoerd in het geval van proefstaven met U-kerf, of in de walsrichting in het geval van proefstaven met V-kerf.

(2) Voor de beproeving van de lasverbindingen moeten de proefstaven als volgt worden genomen:

e ≤ 10 mm

3 proefstaven in het midden van de las;

3 proefstaven in de warmte-beïnvloede zone van de las (de kerf is geheel buiten de smeltzone en zo dicht mogelijk daarbij),

midden van de las warmte-beïnvloede zone d.w.z. 6 proefstaven in totaal.

De proefstaven moeten op zodanige wijze worden bewerkt, dat zij de grootst mogelijke dikte bezitten.

10 mm 20 mm

2 stel van 3 proefstaven (1 stel aan het bovenoppervlak, 1 stel aan het onderoppervlak) op elk van de hieronder aangegeven plaatsen:

midden van de las

warmte-beïnvloede zone

d.w.z. 12 proefstaven in totaal.

1260 (1) Bij de platen moet het gemiddelde van drie proeven voldoen aan de minimum waarden, aangegeven in rn. 1255; géén der waarden mag meer dan 30 % lager zijn dan het aangegeven minimum.

(2) Bij de lassen moeten de gemiddelde waarden, die zijn verkregen met proefstaven, die op de verschillende plaatsen zijn genomen, midden van de las en warmte-beïnvloede zone, overeenkomen met de aangegeven minimum waarden. Géén der waarden mag meer dan 30 % lager zijn dan het aangegeven minimum.

b) Bepaling van het buiggetal

1261 (1) Het buiggetal k, genoemd in rn. 1256, is als volgt gedefinieerd:

k = 50 >NUM>e

>DEN>r

waarin e = de plaatdikte in mm,

r = de gemiddelde kromtestraal in mm van het proefstuk, op het moment dat de eerste scheur in de trekzone verschijnt.

(2) Het buiggetal k wordt bepaald voor de lasverbinding. De breedte van het proefstuk is gelijk aan 3e.

(3) Op de lasverbinding worden vier proeven uitgevoerd, waarvan twee met de wortel in de drukzone (fig. 1) en twee met de wortel in de trekzone (fig. 2); alle verkregen waarden moeten voldoen aan de minimum waarden, aangegeven in rn. 1256.

Fig. 1 Fig. 2 1262-

1269

C. VOORSCHRIFTEN VOOR DE MATERIALEN EN DE CONSTRUCTIE VAN RESERVOIRS VAN RESERVOIRWAGENS EN TANKCONTAINERS, WAARVOOR EEN BEPROEVINGSDRUK VAN TEN MINSTE 1 MPa (10 BAR) IS VOORGESCHREVEN, ALSMEDE VAN RESERVOIRS VAN RESERVOIRWAGENS EN TANKCONTAINERS, BESTEMD VOOR HET VERVOER VAN STERK GEKOELDE, VLOEIBAAR GEMAAKTE GASSEN VAN KLASSE 2

1. Materialen en reservoirs

1270 (1) Reservoirs, bestemd voor het vervoer van stoffen van klasse 2, cijfer 1, 2 en 4, van klasse 4.2, cijfer 6a), 17a), 19a) en 31a) t/m 33a) alsmede van klasse 8, cijfer 6, moeten zijn vervaardigd van staal.

(2) Reservoirs, bestemd voor het vervoer van sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen van klasse 2, moeten zijn vervaardigd van staal, aluminium, aluminiumlegeringen, koper of koperlegeringen (b.v. messing).

Reservoirs van koper of koperlegeringen zijn echter slechts toegestaan voor gassen, die geen acetyleen bevatten; voor etheen is echter een acetyleengehalte van ten hoogste 0,005 % toelaatbaar.

(3) Er mogen slechts materialen worden gebruikt, die geschikt zijn voor de laagste en hoogste bedrijfstemperatuur van de reservoirs en van hun uitrustingsdelen.

1271 Voor de fabricage van de reservoirs zijn de volgende materialen toegelaten:

a) staalsoorten, die bij de laagste bedrijfstemperatuur niet bros kunnen breken (zie rn. 1275).

Er kunnen worden gebruikt:

1. zachte staalsoorten (behalve voor de gassen van rn. 201, cijfer 3);

2. fijnkorrelige staalsoorten, tot een temperatuur van P 60 °C;

3. met nikkel gelegeerde staalsoorten (met een nikkelgehalte van 0,5 % t/m 9 %), tot een temperatuur van P 196 °C, afhankelijk van het nikkelgehalte;

4. austenitische chroom-nikkel staalsoorten, tot een temperatuur van P 270 °C;

b) aluminium met een gehalte van ten minste 99,5 % Al of aluminiumlegeringen (zie rn. 1276);

c) zuurstofvrij koper met een gehalte van ten minste 99,9 % Cu of koperlegeringen met een gehalte van meer dan 56 % Cu (zie rn. 1277).

1272 (1) Reservoirs van staal, aluminium of aluminiumlegeringen mogen slechts naadloos of gelast zijn.

(2) Reservoirs van koper of koperlegeringen mogen hardgesoldeerd zijn.

1273 De uitrustingsdelen mogen aan de reservoirs zijn bevestigd door middel van geschroefde verbindingen, of als volgt:

a) bij reservoirs van staal, aluminium of aluminiumlegeringen, door lassen;

b) bij reservoirs van austenitisch staal, koper of koperlegeringen, door lassen of hardsolderen.

1274 De constructie van de reservoirs en hun bevestiging op het onderstel van de wagen of in het raamwerk van de tankcontainer moeten zodanig zijn, dat afkoeling van de dragende delen, die bros zouden kunnen worden, met zekerheid wordt vermeden. De onderdelen voor de bevestiging van de reservoirs moeten zelf zodanig zijn ontworpen, dat deze, zelfs indien het reservoir een temperatuur heeft, overeenkomende met de laagst toegestane bedrijfstemperatuur, nog de noodzakelijke mechanische eigenschappen bezitten.

2. Beproevingsvoorschriften

a) Beproevingsvoorschriften

1275 De materialen gebruikt voor de fabricage van de reservoirs en de lasverbindingen moeten, bij hun minimale bedrijfstemperatuur, echter ten minste bij P 20 °C; voldoen aan de volgende eisen voor de kerfslagwaarden.

De proeven moeten worden uitgevoerd met proefstaven voorzien van een V-kerf.

De minimum-kerfslagwaarde (zie de rn. 1278 t/m 1280) voor proefstaven, waarvan de lengte-as loodrecht op de walsrichting staat en die voorzien zijn van een V-kerf (volgens ISO R148) loodrecht op het plaatoppervlak, moet 34 J/cm2 bedragen voor zacht staal (dat vanwege bestaande ISO-normen mag worden beproefd met proefstaven, waarvan de lengte-as in de walsrichting ligt), fijnkorrelig staal, gelegeerd ferrietisch staal Ni 20 mm:

twee stel van drie proefstaven (1 stel aan het bovenoppervlak, 1 stel aan het onderoppervlak) op elk van de hieronder aangegeven plaatsen (de V-kerf moet de grens van de smeltzone in het midden van het monster kruisen, voor die welke worden genomen in de warmte-beïnvloede zone van de las)

Midden van de las

Warmte-beïnvloede zone van de las

1280 (1) Voor de platen moet het gemiddelde van de drie proeven voldoen aan de minimum waarde van 34 J/cm2, aangegeven in rn. 1275; ten hoogste één van de individuele waarden mag lager zijn dan de minimum waarde, doch niet lager dan 24 J/cm2.

(2) Voor de lassen mag de gemiddelde waarde, verkregen met de drie proefstaven die in het midden van de las zijn genomen, niet lager zijn dan de minimum waarde van 34 J/cm2, ten hoogste één van de individuele waarden mag lager zijn dan de minimum waarde, doch niet lager dan 24 J/cm2.

(3) Voor de warmte-beïnvloede zone van de las (de V-kerf moet de grens van de smeltzone in het midden van het monster kruisen) mag de waarde, verkregen uit ten hoogste één van de drie proefstaven, lager zijn dan de minimum waarde van 34 J/cm2, doch niet lager dan 24 J/cm2.

1281 Indien niet wordt voldaan aan de in rn. 1280 beschreven voorwaarden, mag slechts één herbeproeving plaatsvinden indien:

a) de gemiddelde waarde, verkregen uit de eerste drie proeven, lager is dan de minimum waarde van 34 J/cm2, ofwel

b) meer dan één van de individuele waarden lager zijn dan de minimum waarde van 34 J/cm2, doch niet lager dan 24 J/cm2.

1282 Bij de herhaling van de kerfslagproef op platen en lasverbindingen mag geen van de individuele waarden lager zijn dan 34 J/cm2. De gemiddelde waarde van alle resultaten van de oorspronkelijke beproeving en van de herbeproeving moet gelijk zijn aan of hoger zijn dan het minimum van 34 J/cm2.

Bij de herhaling van de kerfslagproef op de warmte-beïnvloede zone mag géén der individuele waarden lager zijn dan 34 J/cm2.

1283-

1290

D. VOORSCHRIFTEN VOOR DE BEPROEVING VAN SPUITBUSSEN (AËROSOLEN) EN VAN HOUDERS, KLEIN, MET GAS (GASPATRONEN) VAN CIJFER 5 VAN KLASSE 2

1. Druk- en berstproeven op het model van de houder

1291 Op minstens 5 ledige houders van elk model moeten hydraulische drukproeven worden uitgevoerd.

a) tot de voorgeschreven beproevingsdruk, waarbij noch lekkage, noch zichtbare blijvende vervorming mag optreden;

b) tot het optreden van lekkage of tot het barsten, waarbij eerst de eventueel holle bodem bol moet worden en de houder pas bij een druk van 1,2 maal de beproevingsdruk lek mag worden of mag barsten.

Aan de bepalingen van dit randnummer wordt geacht te zijn voldaan indien de volgende norm wordt toegepast:

EN 417:1992 voor 2037 houders, klein, met gas (gaspatronen) van cijfer 5, die 1965 mengsel van koolwaterstofgassen, vloeibaar gemaakt, n.e.g., bevatten.

2. Beproeving van de dichtheid van de houders

1292 (1) Bij de beproeving van spuitbussen (aërosolen) en van houders, klein, met gas (gaspatronen) van cijfer 5 in een warmwaterbad, moeten de temperatuur van het bad en de duur van de proef zo worden gekozen, dat de inwendige druk van iedere houder ten minste 90 % van de druk bereikt, die in de houders bij 55 °C zou optreden.

Indien echter de inhoud gevoelig is voor warmte of de houders zijn vervaardigd van een kunststof, die bij deze temperatuur week zou worden, moet de proef worden uitgevoerd bij een temperatuur van het bad van 20 °C tot 30 °C; één op de 2 000 spuitbussen moet bovendien worden beproefd bij de temperatuur, die in de eerste alinea is voorgeschreven.

(2) Bij deze beproeving mag noch lekkage, noch blijvende vervorming optreden. Het voorschrift betreffende de blijvende vervorming is niet van toepassing op houders van kunststof die week worden.

(3) Aan de bepalingen van dit randnummer wordt geacht te zijn voldaan indien de volgende norm wordt toegepast:

EN 417:1992 voor 2037 houders, klein, met gas (gaspatronen) van cijfer 5, die 1965 mengsel van koolwaterstofgassen, vloeibaar gemaakt, n.e.g., bevatten.

1293-

1299

AANHANGSEL III

A. BEPROEVINGEN BETREFFENDE BRANDBARE VLOEISTOFFEN VAN DE KLASSEN 3, 6.1 EN 8

Beproeving voor de bepaling van het vlampunt

1300 (1) Het vlampunt moet worden bepaald met behulp van één van de volgende apparaten:

a) Abel

b) Abel-Pensky

c) Tag

d) Pensky-Martens

e) Apparaten volgens ISO 3679:1983 of ISO 3680:1983

(2) Voor het bepalen van het vlampunt van verfstoffen, lijmen en soortgelijke viskeuze producten die oplosmiddelen bevatten, mogen slechts apparaten en beproevingsmethoden worden gebruikt, die geschikt zijn voor het bepalen van het vlampunt van viskeuze vloeistoffen, overeenkomstig de volgende normen:

a) Internationale norm ISO 3679:1983

b) Internationale norm ISO 3680:1983

c) Internationale norm ISO 1523:1983

d) Duitse norm DIN 53213:1978, deel 1

1301 (1) De beproevingsprocedure moet overeenkomen met een evenwichtsmethode of een niet-evenwichtsmethode.

(2) Procedures overeenkomstig een evenwichtsmethode zijn:

a) Internationale norm ISO 1516:1981

b) Internationale norm ISO 3680:1983

c) Internationale norm ISO 1523:1983

d) Internationale norm ISO 3679:1983

(3) Procedures overeenkomstig een niet-evenwichtsmethode zijn:

a) voor het Abel-apparaat zie:

(i) Britse norm BS 2000:1995 deel 170

(ii) Franse norm NF MO7-011:1988

(iii) Franse norm NF T66-009:1969;

b) voor het Abel-Pensky-apparaat zie:

(i) Duitse norm DIN 51755:1974 deel 1 (voor temperaturen van 5 °C t/m 65 °C)

(ii) Duitse norm DIN 51755:1978 deel 2 (voor temperaturen lager dan 5 °C)

(iii) Franse norm NF MO7-036:1984;

c) voor het Tag-apparaat zie:

Amerikaanse norm ASTM D 56:1993;

d) voor het Pensky-Martens-apparaat zie:

(i) Internationale norm ISO 2917:1988

(ii) Europese norm EN 22719:1994 in haar betreffende nationale versie (b.v. BS 2000, deel 404/EN 22719)

(iii) Amerikaanse norm ASTM D 93:1994

(iv) Norm van het Institute of Petroleum IP 34:1988

(4) De in de leden (2) en (3) genoemde beproevingsmethoden mogen alleen worden gebruikt binnen de in de afzonderlijke methoden aangegeven vlampuntsgrenzen. Bij de keuze van de te gebruiken methode moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van een chemische reactie tussen de stof en de monsterhouder. Het apparaat moet voor zover de veiligheid dit toelaat, op een tochtvrije plaats staan opgesteld. Uit veiligheidsoverwegingen mogen voor organische peroxiden en voor zelfontledende stoffen (ook bekend als "energetische" stoffen) of voor giftige stoffen alleen beproevingsmethoden worden gebruikt, waarbij kleine monsterhoeveelheden van ca. 2 ml worden gebruikt.

(5) Wanneer volgens een niet-evenwichtsmethode volgens lid (3) een vlampunt van 23 °C ± 2 °C of van 61 °C ± 2 °C wordt vastgesteld, moet dit resultaat worden bevestigd voor elk temperatuurbereik volgens een evenwichtsmethode overeenkomstig lid (2).

1302 Indien verschil van mening bestaat over de indeling van een brandbare vloeistof, geldt de door de afzender voorgestelde indeling, indien bij controle het vlampunt van de desbetreffende vloeistof niet meer afwijkt dan 2 °C van de onder rn. 301 aangegeven grenswaarden (resp. 23 °C en 61 °C). Indien het verschil meer bedraagt dan 2 °C, moet een tweede controleproef worden uitgevoerd, en moet de laagste waarde van de vlampunten, vastgesteld bij de controleproeven, worden aangehouden.

Beproeving voor de bepaling van het peroxide-gehalte

1303 Gebruik de volgende werkwijze bij de bepaling van het gehalte aan peroxide in een vloeistof:

Giet een hoeveelheid p (ongeveer 5 g, tot op 0,01 g nauwkeurig gewogen) van de te onderzoeken vloeistof in een Erlenmeijer kolf, voeg 20 cm3 azijnzuuranhydride en ongeveer 1 g vast kaliumjodide in poedervorm toe en roer. Laat de vloeistof 10 minuten staan en verwarm daarna gedurende 3 minuten tot ten hoogste 60 °C; laat de vloeistof 5 minuten afkoelen en voeg vervolgens 25 cm3 water toe. Titreer na een half uur het vrijgekomen jodium met een 0,1 N natriumthiosulfaatoplossing, zonder toevoeging van een indicator. De totale ontkleuring duidt het einde van de reactie aan. Bereken het gehalte aan peroxide (berekend als H2O2) volgens de formule

>NUM>17n

>DEN>100p

waarin n het aantal verbruikte cm3 thiosulfaat aangeeft.

Beproevingsmethode voor de brandbaarheid

1304 (1) Deze methode is bedoeld om vast te stellen of een stof, indien deze onder bepaalde voorwaarden wordt verwarmd en onder genormaliseerde omstandigheden aan een vlam als externe ontstekingsbron wordt blootgesteld, de verbranding onderhoudt.

(2) Principe: Een metalen blok met een concave uitholling (bestemd om het monster op te nemen) wordt verwarmd tot een voorgeschreven temperatuur. Een bepaalde hoeveelheid van de te onderzoeken stof wordt in deze uitholling gebracht. Nadat een genormaliseerde vlam onder voorgeschreven voorwaarden boven het monster wordt gebracht en vervolgens teruggetrokken, wordt vastgesteld of de stof in staat is de verbranding te onderhouden.

(3) Meetapparaat: Er wordt gebruik gemaakt van een blok van een aluminiumlegering of van een ander corrosiebestendig metaal met een hoog warmtegeleidingsvermogen. Het blok is voorzien van een concave uitholling en van een boring waarin een thermometer is geplaatst. Een kleine gasbrander is draaibaar op het blok gemonteerd. De handgreep en de voeding voor de gasbrander kunnen in een willekeurige hoek tot de gasbrander worden aangebracht. Een voorbeeld van het apparaat is weergegeven in afbeelding 1; de belangrijkste dimensies zijn aangegeven in de afbeeldingen 1 en 2.

De volgende uitrusting is nodig:

a) Kaliber: voor het controleren of de hoogte van de as van de monding van de gasbrander boven de bovenzijde van de monsterhouder 2,2 mm bedraagt (zie afbeelding 1);

b) Glazen kwikthermometer voor gebruik in horizontale positie met een gevoeligheid van ten minste 1 mm/°C of een andere inrichting voor temperatuurmeting met een gelijkwaardige gevoeligheid, die het mogelijk maakt in stappen van 0,5 °C af te lezen. Wanneer de thermometer in het blok is geplaatst, moet de houder daarvan zijn omgeven door een thermoplastisch warmtegeleidend materiaal;

c) Verwarmingsplaat, voorzien van een inrichting voor de temperatuurregeling (andere systemen met een geschikte temperatuurregeling mogen worden gebruikt voor het verwarmen van het metalen blok);

d) Chronometer of een andere geschikte inrichting om de tijd te meten.

e) Injectiespuit die het mogelijk maakt om een volume van 2 ml vloeistof met een nauwkeurigheid van ± 0,1 ml te doseren; en

f) Butaangas-voorziening.

(4) Monstername: Het monster moet representatief zijn voor de te beproeven stof; het moet worden aangeleverd en bewaard in een hermetisch gesloten houder. Teneinde het verlies van vluchtige bestanddelen te vermijden, moet de behandeling waaraan het monster wordt blootgesteld, worden beperkt tot het minimum, noodzakelijk om zeker te zijn van de homogeniteit. Nadat elke hoeveelheid stof, nodig voor de beproeving, is genomen, moet de houder die het monster bevat onmiddellijk worden gesloten. Indien de houder niet volledig is gesloten, moet een nieuw monster worden gebruikt.

(5) Beproevingsprocedure: De bepaling moet in triplo worden uitgevoerd.

WAARSCHUWING - Wegens explosiegevaar mag deze beproeving niet worden uitgevoerd in een kleine afgesloten ruimte (b.v. een werkkast met handschoenen).

a) Het is van groot belang dat de apparatuur wordt geïnstalleerd in een ruimte die volledig tochtvrij is (zie waarschuwing) en die slechts zwak verlicht is, zodat ontvlamming, opvlammen, enz., gemakkelijker kunnen worden waargenomen.

b) Het metalen blok moet zo op de verwarmingsplaat worden geplaatst (of het blok moet op een andere geschikte wijze zo worden verwarmd) dat de temperatuur daarvan, zoals aangegeven wordt door de thermometer die in het metalen blok is geplaatst, met een nauwkeurigheid van ± 1 °C op de voorgeschreven waarde wordt gehouden. De beproevingstemperatuur bedraagt 60,5 °C of 75 °C [zie h)]. Deze temperatuur moet, teneinde rekening te houden met het verschil tussen de barometrische druk en de normale luchtdruk (101,3 kPa), zo worden gecorrigeerd, dat de beproevingstemperatuur 1 °C wordt verhoogd of verlaagd per 4 kPa drukverschil, al naar gelang de barometrische druk hoger of lager is dan de normale luchtdruk. Er moet worden vastgesteld dat het bovenvlak van het blok exact horizontaal is. Met het kaliber moet worden gecontroleerd of de afstand van de opening van de gasbrander in de stand voor de beproeving tot de bovenrand van de uitholling 2,2 mm bedraagt.

c) De gasbrander wordt buiten de beproevingsstand gedraaid (stand 0) en het gas wordt aangestoken. De grootte van de vlam wordt zo ingesteld dat de hoogte daarvan 8 tot 9 mm bedraagt en de diameter ongeveer 5 mm.

d) Met de injectiespuit wordt uit de monsterhouder ten minste 2 ml van het monster genomen en een hoeveelheid monster van 2 ml ± 0,1 ml wordt snel in de uitholling van het beproevingsblok gedoseerd. Onmiddellijk daarna wordt de chronometer gestart.

e) Na een opwarmtijd van 60 s wordt aangenomen dat het monster de evenwichtstemperatuur bereikt heeft. Indien de vloeistof niet spontaan is ontvlamd, wordt de vlam van de gasbrander in de beproevingsstand boven de vloeistof gedraaid. De vlam moet gedurende 15 s in deze stand worden gehouden en vervolgens worden teruggebracht naar de stand 0 waarbij het gedrag van het monster moet worden waargenomen. De vlam van de gasbrander moet gedurende de gehele duur van de beproeving ontstoken blijven.

f) Bij elke beproeving moet worden waargenomen en genoteerd:

i) of een ontsteking en een zelfonderhoudende verbranding of een ontvlamming van het monster al dan niet plaatsvindt, voordat de gasvlam in de beproevingsstand wordt gebracht;

ii) of het monster al dan niet wordt ontstoken, indien de gasvlam zich in de beproevingsstand bevindt, en indien ontsteking plaatsvindt, de duur van de verbranding nadat de vlam teruggedraaid is in de stand 0.

g) Indien de methode van interpretatie beschreven in lid (6) tot de conclusie leidt dat de verbranding niet wordt onderhouden, moet de gehele procedure worden herhaald met nieuwe monsterhoeveelheden, maar met een opwarmtijd van 30 s.

h) Indien de methode van interpretatie, beschreven in lid (6), tot de conclusie leidt dat de verbranding niet wordt onderhouden bij een beproevingstemperatuur van 60,5 °C, moet de gehele procedure worden herhaald met nieuwe monsterhoeveelheden, maar bij een temperatuur van 75 °C.

(6) Interpretatie van de waarnemingen

Na afloop van de beproevingen moet worden beoordeeld of de stof al dan niet de verbranding onderhoudt. Er is sprake van zichzelf onderhoudende verbranding, indien bij één van de opwarmtijden bij ten minste één van de monsters één van de volgende verschijnselen wordt waargenomen:

a) ontvlamming en zichzelf onderhoudende verbranding van het monster, indien de vlam van de gasbrander zich bevindt in de stand 0;

b) ontvlamming van het monster, indien de vlam van de gasbrander zich gedurende 15 seconden in de beproevingsstand bevindt, en voortzetting van de verbranding gedurende meer dan 15 seconden nadat de vlam terug staat in de stand 0.

Intermitterende ontvlammingen kunnen niet worden geïnterpreteerd als zichzelf onderhoudende verbranding. Na afloop van 15 seconden is het in het algemeen mogelijk om met zekerheid vast te stellen of de verbranding is opgehouden of voortgaat. In geval van twijfel moet de stof worden beschouwd als een stof die de verbranding onderhoudt.

c) Stoffen worden beschouwd als stoffen die de verbranding niet onderhouden, indien hun brandpunt volgens de norm ISO 2592:1973 hoger is dan 100 °C of wanneer het met water mengbare oplossingen betreft met een watergehalte hoger dan 90 massa-%.

Afbeelding en afmetingen van het meetapparaat voor de bepaling van de brandbaarheid van brandbare vloeistoffen

Afbeelding 1 - Meetapparaat voor de brandbaarheid

Afbeelding 2 - Monding van de gasbrander en vlam

1305-

1309

B. BEPROEVINGSMETHODE VOOR DE BEPALING VAN HET VLOEIGEDRAG

1310 Voor de bepaling van het vloeigedrag van de vloeibare en dikvloeibare stoffen en mengsels van klasse 3 alsmede van pasteuze stoffen van klasse 4.1 moet van de volgende beproevingsmethode gebruik gemaakt worden:

a) Meetapparaat

Een commercieel verkrijgbare penetrometer volgens ISO-norm 2173-1985 met een geleidestang van 47,5 g ± 0,05 g, een plaat van duraluminium met gaten voorzien van een conische boring waarvan de massa bedraagt 102,5 g ± 0,05 g (zie afbeelding 3); penetratiebeker met een inwendige diameter van 72 t/m 80 mm voor het bevatten van het monster.

b) Uitvoering van de beproeving

Het monster moet ten minste een half uur vóór de meting in de penetratiebeker gebracht worden. Deze beker moet tot de uitvoering van de meting hermetisch gesloten en bewegingloos worden bewaard. In de hermetisch gesloten penetratiebeker wordt het monster tot 35 °C ± 0,5 °C verwarmd en zo kort mogelijk (hoogstens 2 minuten) vóór de meting op de tafel van de penetrometer gebracht. Vervolgens wordt de punt S van de gatenplaat op het vloeistofoppervlak gebracht, en wordt de penetratiediepte als functie van de tijd gemeten.

c) Beoordeling van de beproevingsresultaten

Een stof is niet onderworpen aan de voorwaarden van klasse 3 maar wel van klasse 4.1 van deze Richtlijn indien, nadat de punt S op het oppervlak van het monster is gebracht, de penetratiewaarde, aangegeven op de meetklok

i) na een belasting gedurende 5 s ± 0,1 s lager is dan 15,0 mm ± 0,3 mm, of

ii) na een belasting gedurende 5 s ± 0,1 s hoger is dan 15,0 mm ± 0,3 mm, doch de additionele penetratiewaarde na een verdere periode van 55 s ± 0,5 s lager is dan 5 mm ± 0,5 mm.

Opmerking: Bij monsters met een vloeigrens (zwichtspanning) is het vaak onmogelijk in de penetratiebeker een gelijkmatig oppervlak te verkrijgen en als gevolg daarvan de beginvoorwaarden voor de meting bij het in contact brengen van de punt S eenduidig vast te leggen. Bovendien kan bij bepaalde monsters de schok veroorzaakt door de gatenplaat aanleiding geven tot een elastische vervorming van het oppervlak, waardoor in de eerste seconden de indruk gewekt wordt van een grotere penetratiewaarde. Bij deze stoffen kan het zinvol zijn de resultaten te beoordelen volgens de methode, genoemd onder b) hierboven.

Afbeelding 3 - Penetrometer

Indien de tolerantie niet is aangegeven, bedraagt deze ± 0,1 mm

1311-

1319

C. BEPROEVINGEN VOOR DE BEPALING VAN DE ECOTOXICITEIT, DE PERSISTENTIE EN DE BIOACCUMULATIE VAN STOFFEN IN HET AQUATISCH MILIEU VOOR DE INDELING IN KLASSE 9

Opmerking: De gebruikte beproevingsmethoden moeten overeenkomen met de methoden die zijn aangenomen door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Indien gebruik gemaakt wordt van andere beproevingsmethoden, dan moeten deze methoden internationaal erkend zijn, gelijkwaardig aan de beproevingsmethoden van de OECD en de Commissie van de Europese Gemeenschappen en in de beproevingsrapporten moet naar deze methoden zijn verwezen.

1320 Acute toxiciteit voor vissen

Het doel van deze beproeving is het vaststellen van de concentratie die een mortaliteit veroorzaakt van 50 % van de proefdieren. Dit is de LC50-waarde, d.w.z. de concentratie van de stof in water waardoor 50 % van een groep vissen in de proef wordt gedood binnen een continue blootstellingsperiode van ten minste 96 uur. De volgende vissoorten zijn geschikt: zebravis (Brachydanio rerio), modderkruiper (Pimephales promelas) en regenboogforel (Oncorhynchus mykiss).

De vissen worden aan de te beproeven stof blootgesteld, die in verschillende concentraties aan het water wordt toegevoegd (plus een controlegroep zonder teststof). Ten minste elke 24 uur wordt aantekening gemaakt van de waarnemingen. Na afloop van de blootstellingsperiode van 96 uur en, zo mogelijk, bij iedere waarneming wordt de concentratie berekend die 50 % van de vissen doodt. Bovendien wordt de concentratie bepaald waarbij na 96 uur geen effect wordt waargenomen (no observed effect concentration - NOEC).

1321 Acute toxiciteit voor daphniae

Het doel van deze beproeving is het vaststellen van de effectieve concentratie van de stof in water, waarbij 50 % van de daphniae niet meer in staat is tot zwemmen (EC50). Geschikte organismen voor de beproeving zijn Daphnia magna en Daphnia pulex. De daphniae worden gedurende 48 uur aan de te beproeven stof blootgesteld, die in verschillende concentraties aan het water wordt toegevoegd. Bovendien wordt de concentratie bepaald waarbij na 48 uur geen effect wordt waargenomen (no observed effect concentration - NOEC).

1322 Groeiremming van algen

Het doel van deze beproeving is het bepalen van de effecten van een chemisch product op de algengroei onder genormaliseerde omstandigheden. De verandering van de biomassa en de groeisnelheid van de algen onder dezelfde voorwaarden, maar in afwezigheid van het chemisch product dat aan de beproeving wordt onderworpen, worden vergeleken gedurende een periode van 72 uur. De resultaten worden uitgedrukt als de effectieve concentratie, die de groeisnelheid van de algen met 50 % (IC50r), maar ook de vorming van de biomassa (IC50b) reduceert.

1323 Beproevingsmethode voor de gemakkelijke biologische afbreekbaarheid

Het doel van deze beproeving is het bepalen van de graad van biologische afbreekbaarheid onder genormaliseerde aërobe omstandigheden. De te beproeven stof wordt in geringe concentraties toegevoegd aan een stamoplossing met aërobe bacteriën. De voortgang van de afbraak wordt gedurende 28 dagen waargenomen door de bepaling van de parameter, die bij de gebruikte beproevingsmethode is aangegeven. Er bestaan verschillende gelijkwaardige beproevingsmethoden. De parameters zijn onder meer:

de afname van opgeloste organische koolstof (DOC),

de vorming van kooldioxide (CO2) en

het verbruik van zuurstof (O2).

Een stof geldt als gemakkelijk biologisch afbreekbaar, indien binnen ten hoogste 28 dagen aan de volgende criteria wordt voldaan, waarbij deze waarden binnen 10 dagen vanaf het tijdstip dat de biologische afbraak voor het eerst boven de 10 % ligt, moeten zijn bereikt:

DOC-afname: 70 %

CO2-vorming: 60 % van de theoretische productie van CO2

O2-verbruik: 60 % van de theoretische behoefte aan O2

Indien niet aan de hierboven aangegeven criteria wordt voldaan, kan de beproeving langer dan 28 dagen worden voortgezet, waarbij het resultaat dan echter de biologische afbreekbaarheid aangeeft van de te beproeven stof zelf. Voor de indeling is in normale gevallen het resultaat van de "gemakkelijke" afbreekbaarheid vereist.

Indien alleen de COD- en BOD5-waarden beschikbaar zijn, dan geldt een stof als biologisch gemakkelijk afbreekbaar, indien de verhouding BOD5: COD groter dan of gelijk aan 0,5 is.

Het biochemisch zuurstofverbruik (BOD - Biochemical Oxygen Demand) is gedefinieerd als de massa opgeloste zuurstof, die nodig is voor de biochemische oxidatie van een bepaald volume van een opgeloste stof onder de voorgeschreven voorwaarden. Het resultaat wordt uitgedrukt in gram BOD per gram te beproeven stof. De normale beproevingsduur bedraagt bij gebruik van een genormaliseerde nationale beproevingsmethode 5 dagen.

Het chemisch zuurstofverbruik (COD - Chemical Oxygen Demand) is een maat voor de oxideerbaarheid van een stof en wordt uitgedrukt als de equivalente hoeveelheid zuurstof uit een oxiderend reagens die de stof onder vastgelegde laboratoriumomstandigheden verbruikt. Het resultaat wordt uitgedrukt in gram COD per gram te beproeven stof. Er kan gebruik gemaakt worden van genormaliseerde nationale beproevingsmethoden.

1324 Beproevingsmethode voor het bioaccumulatievermogen

(1) Deze beproevingen zijn bedoeld om het bioaccumulatievermogen vast te stellen, ofwel door de verhouding van de concentraties (c) in evenwichtstoestand van de stof in een oplosmiddel en in water, dan wel door de bioconcentratiefactor (BCF).

(2) De verhouding van de concentraties (c) in evenwichtstoestand van een stof in een oplosmiddel en in water wordt gewoonlijk uitgedrukt in de logaritme met grondtal tien (log10). De mengbaarheid van het oplosmiddel met water moet te verwaarlozen zijn en de stof mag in water niet ioniseren. Het oplosmiddel dat gewoonlijk gebruikt wordt is n-octanol. In het geval van n-octanol en water is het resultaat als volgt:

log Pow = log10 [c°/cw]

waarin Pow de verdelingscoëfficiënt is, die wordt verkregen door de concentratie van de stof in n-octanol (c°) te delen door de concentratie van de stof in water (cw).

Indien de waarde van log Pow groter is dan of gelijk is aan 3,0 bezit de stof een bioaccumulatievermogen.

(3) De bioconcentratiefactor (BCF) wordt gedefinieerd als de verhouding tussen de concentratie van de beproefde stof in de voor de beproeving gebruikte vis (cf) en de concentratie in het water van de beproeving (cw) in stabiele toestand:

BCF = (cf)/(cw)

Het principe van de beproeving bestaat uit de blootstelling van vissen aan de te beproeven stof in een waterige oplossing of dispersie met bekende concentratie. De beproevingen kunnen volgens een beproevingsmethode die afhangt van de eigenschappen van de te beproeven stof, worden uitgevoerd in een doorstroomopstelling of volgens de statische of semi-statische methode. De vissen worden gedurende een gegeven tijdsduur aan de te beproeven stof blootgesteld; hierop volgt een periode zonder verdere blootstelling. Gedurende de tweede periode wordt de toename van de te beproeven stof in het water gemeten, d.w.z. de snelheid van uitscheiding of van klaring.

[De verschillende beproevingsmethoden en de berekeningsmethoden van de bioconcentratiefactor zijn uitvoerig beschreven in de OESO-richtlijnen voor de beproeving van chemische producten (OECD Guidelines for Testing of Chemicals), methoden 305A t/m 305E, 12 mei 1981].

(4) Een stof kan een log Pow bezitten gelijk aan of groter dan 3,0 en een bioconcentratiefactor lager dan 100. Dit zou kunnen wijzen op een laag of geen bioaccumulatievermogen. In geval van twijfel heeft de bioconcentratiefactor voorrang vóór de log Pow, zoals aangegeven in het beslissingsschema in rn. 1326,

1325 Criteria

Een stof kan worden beschouwd als verontreinigend voor het aquatisch milieu, indien aan één van de volgende criteria is voldaan:

De laagste waarde van de LC50 voor vissen gedurende 96 uur, of de EC50 voor daphniae gedurende 48 uur, of de IC50 voor algen gedurende 72 uur

is lager dan of gelijk aan 1 mg/l,

is hoger dan 1 mg/l maar lager dan of gelijk aan 10 mg/l, en de stof is niet gemakkelijk biologisch afbreekbaar,

is hoger dan 1 mg/l maar lager dan of gelijk aan 10 mg/l, en de log Pow is hoger dan of gelijk aan 3,0 (behalve indien de experimenteel vastgestelde bioconcentratiefactor lager dan of gelijk aan 100 is).

1326 Beslissingsschema van de te volgen procedure

1327-1399

AANHANGSEL IV

1400-

1499 (Gereserveerd)

AANHANGSEL V ALGEMENE VERPAKKINGSVOORSCHRIFTEN, TYPEN VERPAKKINGEN, EISEN AAN DE VERPAKKINGEN EN VOORSCHRIFTEN VOOR DE BEPROEVING VAN DE VERPAKKINGEN

Opmerking: Deze voorschriften zijn van toepassing op verpakkingen die stoffen en voorwerpen van de klassen 1, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2, 8 of 9 bevatten.

Hoofdstuk I Algemene verpakkingsvoorschriften

1500 (1) De verpakkingen moeten op zodanige wijze zijn vervaardigd en gesloten, dat onder normale vervoersomstandigheden - in het bijzonder ten gevolge van trillingen of van verandering van temperatuur, vochtigheid of druk - elk verlies van de inhoud uit het collo, gereed voor verzending, is uitgesloten. Aan de buitenzijde van de colli mogen zich geen gevaarlijke stoffen bevinden. Deze voorschriften zijn zowel op nieuwe als op hergebruikte verpakkingen van toepassing.

(2) De gedeelten van de verpakkingen, die in direct contact staan met de gevaarlijke stoffen, mogen niet door chemische of andere inwerking van deze stoffen worden aangetast; zij moeten zo nodig van een geschikte binnenbekleding zijn voorzien of een gelijkwaardige behandeling hebben ondergaan. Deze gedeelten van de verpakkingen mogen geen bestanddelen bevatten, die met de inhoud gevaarlijk kunnen reageren, gevaarlijke stoffen kunnen vormen of deze op aanmerkelijke wijze kunnen verzwakken.

(3) Iedere verpakking, met uitzondering van de binnenverpakkingen van de samengestelde verpakkingen, moet overeenkomen met een constructietype, dat volgens de voorschriften van Hoofdstuk IV is beproefd en toegelaten. De in serie vervaardigde verpakkingen moeten overeenkomen met het toegelaten constructietype.

(4) Indien verpakkingen met vloeistoffen worden gevuld, moet voldoende ledige ruimte worden vrijgelaten om zeker te zijn, dat door uitzetting van de vloeistof, ten gevolge van de temperaturen die tijdens het vervoer kunnen worden bereikt, noch verlies van de inhoud, noch blijvende vervorming van de verpakking plaatsvindt. Voor zover in de afzonderlijke klassen niet anders is voorzien, mag de vullingsgraad, betrokken op een vultemperatuur van 15 °C, de volgende waarden niet overschrijden:

ofwel a):

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

dan wel b):

Vullingsgraad = >NUM>98

>DEN>1 + á (50 P tF)

% van de inhoud van de verpakking.

In deze formule is á de gemiddelde kubieke uitzettingscoëfficiënt van de vloeistof tussen 15 °C en 50 °C, dat wil zeggen bij een maximale temperatuursverandering van 35 °C.

á wordt berekend volgens de formule: á =

>NUM>d15 P d50

>DEN>35 × d50

waarin d15 en d50 de relatieve dichtheden () van de vloeistof bij 15 °C en 50 °C zijn; en tF is de gemiddelde temperatuur van de vloeistof tijdens het vullen.

(5) Binnenverpakkingen moeten in de buitenverpakking op zodanige wijze zijn verpakt, dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet kunnen breken of worden doorboord en dat het uittreden van de inhoud in de buitenverpakking wordt vermeden. Binnenverpakkingen, die breekbaar zijn of gemakkelijk doorboord kunnen worden, zoals verpakkingen van glas, porselein of aardewerk of van bepaalde kunststof materialen, etc., moeten door toevoeging van geschikte, voor opvulling dienende stoffen in een buitenverpakking worden vastgezet. Bij lekkage van de inhoud mogen de beschermende eigenschappen van de voor opvulling dienende stoffen en van de buitenverpakking niet aanmerkelijk ongunstig worden beïnvloed.

(6) In één en dezelfde buitenverpakking mogen geen binnenverpakkingen aanwezig zijn, die verschillende stoffen bevatten, die op gevaarlijke wijze met elkaar kunnen reageren en daarbij aanleiding kunnen geven tot:

a) een verbranding en/of een aanmerkelijke warmteontwikkeling;

b) de ontwikkeling van brandbare, giftige of verstikkend werkende gassen;

c) de vorming van bijtende vloeistoffen; of

d) de vorming van instabiele stoffen

(zie ook de voorschriften voor gezamenlijke verpakking in de afzonderlijke klassen).

(7) De sluiting van verpakkingen, die bevochtigde of verdunde stoffen bevatten, moet van zodanige aard zijn, dat het percentage vloeistof (water, oplosmiddel of flegmatiseermiddel) tijdens het vervoer niet onder de voorgeschreven grenswaarden daalt.

(8) In het geval dat zich in een verpakking een overdruk kan ontwikkelen ten gevolge van gasontwikkeling door de inhoud (door temperatuurverhoging of andere oorzaken), mag de verpakking van een ontluchtingsinrichting zijn voorzien, voor zover het vrijgekomen gas, gelet op giftigheid, brandbaarheid, afgeblazen hoeveelheid, etc., geen enkel gevaar veroorzaakt. De ontluchtingsinrichting moet op zodanige wijze zijn ontworpen, dat onder normale vervoersomstandigheden, waarbij de verpakking is geplaatst in de stand, bedoeld voor het vervoer, lekkage van vloeistof en binnendringen van vreemde stoffen worden vermeden. Een stof mag echter in een dergelijke verpakking slechts worden vervoerd, indien voor de betreffende stof in de vervoersvoorwaarden van de overeenkomstige klasse een ontluchtingsinrichting is voorgeschreven.

(9) Nieuwe, omgebouwde, hergebruikte of gereconditioneerde verpakkingen moeten de beproevingen, voorgeschreven in Hoofdstuk IV, kunnen doorstaan. Vóór het vullen en het ten vervoer aanbieden moet elke verpakking worden gecontroleerd en worden vastgesteld, dat geen corrosie, andere schade of verontreiniging aanwezig is.

Elke verpakking, die tekenen vertoont van verminderde bestendigheid in vergelijking met het goedgekeurde constructietype, mag niet meer gebruikt worden of moet op zodanige wijze worden gereconditioneerd, dat deze de beproevingen van het constructietype kan doorstaan.

(10) Verpakkingen die gebruikt worden voor vloeistoffen, moeten in de gevallen, bedoeld in rn. 1561, worden onderworpen aan een dichtheidsproef onder de in dat randnummer genoemde voorwaarden.

(11) Vloeistoffen worden slechts toegelaten in verpakkingen die een voldoende weerstand hebben tegen de inwendige druk die zich onder normale vervoersomstandigheden kan ontwikkelen. Verpakkingen, waarop de hydraulische beproevingsdruk in het kenmerk is aangegeven zoals voorgeschreven in rn. 1512 (1)d), mogen slechts worden gevuld met een vloeistof:

a) met een zodanige dampdruk, dat de totale overdruk in de verpakking (d.w.z. dampdruk van de stof in de houder plus partiële druk van lucht of andere inerte gassen, minus 100 kPa) bij 55 °C, gemeten op basis van een hoogste vullingsgraad, toegestaan volgens het bepaalde in lid (4), en een vultemperatuur van 15 °C, 2/3 van de in het kenmerk aangegeven beproevingsdruk niet overschrijdt, of

b) met een dampdruk bij 50 °C lager dan 4/7 maal de som van de in het kenmerk aangegeven beproevingsdruk en 100 kPa, of

c) met een dampdruk bij 55 °C lager dan 2/3 maal de som van de in het kenmerk aangegeven beproevingsdruk en 100 kPa.

Voorbeelden van de op de verpakkingen aan te geven proefdrukken, berekend volgens rn. 1500 (11)c)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Opmerkingen: 1. Voor zuivere vloeistoffen kan de dampdruk bij 55 °C (Vp55) vaak worden gevonden in tabellen, gepubliceerd in de wetenschappelijke literatuur.

2. De minimale dampdrukken in de alinea's b) en c) hebben betrekking op de uitgangswaarde voor de berekening.

3. De in de tabel aangegeven minimale proefdrukken hebben alleen betrekking op de toepassing van de aanduidingen onder c), hetgeen betekent dat de aangegeven proefdruk hoger moet zijn dan anderhalf maal de dampdruk bij 55 °C, minus 100 kPa. Indien bijvoorbeeld de proefdruk voor n-decaan wordt bepaald volgens de aanwijzingen van rn. 1554 (4) a), kan de aan te geven minimale proefdruk lager zijn.

4. Voor 1155 diethylether (verpakkingsgroep I) bedraagt de minimaal vereiste proefdruk volgens rn. 1554 (4) 250 kPa.

(12) Verpakkingen, gebruikt voor vaste stoffen die vloeibaar kunnen worden bij temperaturen die mogelijk kunnen optreden tijdens het vervoer, moeten deze stof ook in vloeibare toestand kunnen bevatten.

(13) Teneinde te garanderen dat elke gefabriceerde verpakking voldoet aan de voorschriften van dit Aanhangsel, moeten de verpakkingen zijn vervaardigd en beproefd volgens een kwaliteitsgarantieprogramma, dat de instemming heeft van de bevoegde autoriteit.

(14) Geschikte maatregelen moeten worden genomen om buitensporige bewegingen van de beschadigde of lekkende colli binnen een bergingsverpakking te verhinderen; voorzover de bergingsverpakking vloeistoffen bevat, moet een voldoende hoeveelheid absorberend materiaal worden toegevoegd, om de aanwezigheid van vrije vloeistof uit te sluiten.

(15) De voorschriften in hoofdstuk III zijn gebaseerd op de tegenwoordig gebruikte verpakkingen. Teneinde rekening te houden met de wetenschappelijke en technische vooruitgang is het gebruik van verpakkingen waarvan de specificaties van de in hoofdstuk III genoemde afwijken, toegestaan, onder voorwaarde dat zij even deugdelijk zijn, aanvaardbaar voor de bevoegde autoriteit en dat zij de beproevingen omschreven in lid (10) en hoofdstuk IV met goed gevolg kunnen ondergaan.

1501-

1509

Hoofdstuk II Typen verpakkingen

Definities

1510 (1) Onder voorbehoud van de bijzondere bepalingen in de onderscheiden klassen kunnen de hierna genoemde verpakkingen gebruikt worden:

Vaten: cilindrische verpakkingen van metaal, karton, kunststof, gelamineerd hout of van een ander geschikt materiaal, met platte of gewelfde bodem. Onder deze definitie vallen ook verpakkingen met een andere vorm, b.v. ronde verpakkingen met een kegelvormig bovenstuk of verpakkingen in de vorm van een emmer. Houten tonnen en jerrycans vallen niet onder deze definitie.

Houten tonnen: verpakkingen van natuurlijk hout met cirkelvormige doorsnede met gewelfde wanden, samengesteld uit duigen en bodems en voorzien van hoepels.

Jerrycans: verpakkingen van metaal of kunststof met een rechthoekige of veelhoekige doorsnede, voorzien van één of meer openingen.

Kisten of dozen: verpakkingen met rechthoekige of veelhoekige dichte wanden, van metaal, hout, gelamineerd hout, houtvezelmateriaal, karton, kunststof of van een ander geschikt materiaal. Teneinde de behandeling of het openen te vergemakkelijken, of om te voldoen aan de classificatiecriteria mogen kleine openingen zijn aangebracht, voor zover de ongeschonden staat van de verpakking gedurende het vervoer hierdoor niet wordt aangetast.

Zakken: flexibele verpakkingen van papier, kunststof folie, textiel, geweven materiaal of van een ander geschikt materiaal.

Combinatie-

verpakkingen

(kunststof): verpakkingen bestaande uit een binnenhouder van kunststof en een buitenverpakking (van metaal, karton, gelamineerd hout, etc.). Indien de verpakking eenmaal is samengebouwd, blijft deze daarna een onverbrekelijke eenheid, die als zodanig wordt gevuld, opgeslagen, verzonden en geledigd.

Combinatie-

verpakkingen

(glas, porselein

of aardewerk): verpakkingen bestaande uit een binnenhouder van glas, porselein of aardewerk en een buitenverpakking (van metaal, hout, karton, kunststof, geëxpandeerde kunststof, etc.). Indien de verpakking eenmaal is samengebouwd, blijft deze daarna een onverbrekelijke eenheid die als zodanig wordt gevuld, opgeslagen, verzonden en geledigd. Deze verpakking moet de beproevingen ondergaan, voorgeschreven in de rn. 1552 (1)a) of b), 1553 en 1554.

Samengestelde

verpakkingen: een samenstel van verpakkingen, ten behoeve van vervoersdoeleinden, bestaande uit één of meer binnenverpakkingen, die volgens rn. 1500 (5) in een buitenverpakking zijn vastgezet.

Omgebouwde

verpakkingen: verpakkingen, in het bijzonder metalen vaten:

i) die, uitgaand van een type dat niet voldoet aan de voorschriften van dit Aanhangsel, als gevolg van het productieproces overgaan in een UN-verpakkingstype, dat aan deze voorschriften voldoet;

ii) die door de transformatie van een UN-verpakkingstype, dat aan de voorschriften van dit Aanhangsel voldoet, overgaan in een ander type dat aan deze voorschriften voldoet; of

iii) waarbij vast bevestigde onderdelen van de constructie (zoals niet-afneembare deksels) worden verwisseld.

Omgebouwde vaten zijn onderworpen aan de voorschriften van dit Aanhangsel, die van toepassing zijn op nieuwe vaten van hetzelfde type.

Bergings-

verpakkingen: speciale verpakkingen, die aan de van toepassing zijnde voorschriften van dit Aanhangsel voldoen en waarin beschadigde, defecte of lekkende colli met gevaarlijke goederen of gevaarlijke goederen die gemorst of vrijgekomen zijn, worden geplaatst met het doel deze te vervoeren voor terugwinning of vernietiging.

Hergebruikte

verpakkingen: verpakkingen, die na onderzoek vrij zijn bevonden van gebreken die het vermogen verminderen om de prestatiebeproevingen te doorstaan; onder deze definitie vallen in het bijzonder verpakkingen, die opnieuw worden gevuld met dezelfde of gelijksoortige, verenigbare goederen, en die worden vervoerd binnen distributieketens onder controle van de afzender van het product.

Gereconditioneerde

verpakkingen: verpakkingen, in het bijzonder metalen vaten:

i) die zodanig gereinigd zijn dat de constructiematerialen hun oorspronkelijk uiterlijk terug hebben gekregen en alle resten van de vroegere inhoud, alsmede inwendige en uitwendige corrosie en uitwendige deklagen en etiketten zijn verwijderd;

ii) die teruggebracht zijn in hun oorspronkelijke vorm en oorspronkelijke gedaante, waarbij felsnaden (voor zover aanwezig) gericht en afgedicht zijn, en alle pakkingen, die geen integrerend deel zijn van de verpakking, zijn vervangen; en

iii) die na reiniging, maar vóór het opnieuw schilderen, zijn geïnspecteerd; verpakkingen met zichtbare gaatjes, een belangrijke vermindering van de dikte van het materiaal, vermoeiing van het metaal, beschadigde schroefdraad of sluitingen, of andere belangrijke gebreken, moeten worden afgewezen.

(2) Onder voorbehoud van de bijzondere bepalingen van elke klasse kunnen ook de hierna genoemde verpakkingen gebruikt worden:

Combinatie-

verpakkingen

(glas, porselein

of aardewerk): op voorwaarde dat de in rn. 1552 (1)e) voorgeschreven beproevingen zijn ondergaan.

Lichte metalen

verpakkingen: verpakkingen met cirkelvormige, elliptische, rechthoekige of veelhoekige doorsnede (ook kegelvormig), alsmede verpakkingen met een kegelvormig bovenstuk of in de vorm van een emmer, vervaardigd van metaal met een wanddikte van minder dan 0,5 mm, met platte of gewelfde bodem, en voorzien van één of meer openingen en niet vallend onder de definities gegeven voor vaten en jerrycans in lid (1).

(3) De navolgende definities zijn van toepassing op de hiervoren onder (1) en (2) genoemde verpakkingen:

Binnenhouder: houder die moet zijn voorzien van een buitenverpakking om zijn functie van omsluiten/vasthouden te vervullen.

Binnenverpakking: verpakking die voor het vervoer moet zijn voorzien van een buitenverpakking.

Buitenverpakking: buitenbescherming van een combinatieverpakking of van een samengestelde verpakking met absorberende materialen, materialen voor het opvullen en alle andere elementen die noodzakelijk zijn om de binnenhouders of binnenverpakkingen te bevatten en te beschermen.

Collo: eindproduct van de verpakkingshandeling(en), dat gereed is voor verzending, bestaande uit de verpakking zelf met de inhoud ervan.

Grootste inhoud: (zoals genoemd in Hoofdstuk III): grootste binnenvolume van houders of verpakkingen, uitgedrukt in liters.

Hoogste netto massa: hoogste netto massa van de inhoud van een enkele verpakking of de gezamenlijke hoogste massa van de binnenverpakkingen en hun inhoud, uitgedrukt in kg.

Houder: omhulsel, bestemd om stoffen of voorwerpen op te nemen of te bevatten met inbegrip van alle sluitingsmiddelen.

Sluiting: een voorziening die ertoe dient de opening van een houder te sluiten.

Stofdichte

verpakkingen: verpakkingen die geen droge inhoud doorlaten, met inbegrip van poedervormige vaste stof dat tijdens het vervoer is ontstaan.

Tussenverpakkingen: verpakkingen die zich bevinden tussen binnenverpakkingen of voorwerpen en een buitenverpakking.

Verpakking: houder en alle andere elementen of materialen die noodzakelijk zijn om het mogelijk te maken dat de houder zijn functie van omsluiten/vasthouden vervult.

Opmerking: Het binnenelement van de samengestelde verpakkingen heet altijd "binnenverpakking" en niet "binnenhouder". Een glazen fles is een voorbeeld van een dergelijke binnenverpakking. Het binnenelement van een combinatieverpakking heet normalerwijs "binnenhouder". Zo is bijvoorbeeld het binnenelement van een combinatieverpakking van type 6HA1 (kunststof) een dergelijke binnenhouder, gezien het feit dat het normalerwijs niet is ontworpen om een functie van vasthouden te vervullen zonder zijn buitenverpakking, zodat het derhalve niet gaat om een binnenverpakking.

Codering van de constructietypen van verpakkingen volgens rn. 1510 (1) en (2)

1511 (1) De code bestaat uit:

een Arabisch cijfer, dat het soort verpakking aangeeft, b.v. vat, jerrycan, etc.;

één of meer Latijnse hoofdletters, die het materiaal aangeven: staal, hout, etc.;

zo nodig een Arabisch cijfer, dat een bepaalde categorie aangeeft binnen het soort verpakking waartoe die verpakking behoort.

Bij combinatieverpakkingen moeten twee Latijnse hoofdletters worden gebruikt. De eerste geeft het materiaal van de binnenhouder aan, en de tweede het materiaal van de buitenverpakking.

Bij samengestelde verpakkingen en verpakkingen voor stoffen van klasse 6.2, cijfer 1 en 2, moet alleen de code die de buitenverpakking aangeeft, worden gebruikt.

De volgende cijfers geven het soort verpakking aan:

0 lichte metalen verpakking

1 vat

2 houten ton

3 jerrycan

4 kist of doos

5 zak

6 combinatieverpakking

De volgende hoofdletters geven het materiaal aan:

A staal (omvat alle soorten en alle oppervlaktebehandelingen)

B aluminium

C natuurlijk hout

D gelamineerd hout

F houtvezelmateriaal

G karton

H kunststof, met inbegrip van geëxpandeerde kunststof

L textiel

M papier, met meer dan één laag

N metaal (anders dan staal of aluminium)

P glas, porselein of aardewerk

(2) In de bijzondere voorschriften voor de verschillende klassen is, afhankelijk van de gevaarlijkheid van de te vervoeren stoffen, voorzien in drie verpakkingsgroepen:

verpakkingsgroep I: voor stoffen van groep a),

verpakkingsgroep II: voor stoffen van groep b),

verpakkingsgroep III: voor stoffen van groep c),

in de cijfers van de stofopsomming.

Op de code voor de verpakking volgt in het kenmerk een letter, die de groepen stoffen aangeeft, waarvoor het constructietype is toegelaten:

X voor verpakkingen voor stoffen van verpakkingsgroepen I t/m III;

Y voor verpakkingen voor stoffen van verpakkingsgroepen II en III;

Z voor verpakkingen voor stoffen van verpakkingsgroep III.

Kenmerk

Opmerkingen: 1. Het kenmerk op de verpakking geeft aan, dat deze overeenkomt met een constructietype dat met succes de beproevingen heeft doorstaan en dat de verpakking overeenkomt met de voorschriften van dit Aanhangsel, voor zover deze betrekking hebben op de fabricage, maar niet op het gebruik van de verpakking. Het kenmerk op zich betekent derhalve niet dat de verpakking voor een bepaalde stof mag worden gebruikt: in het algemeen wordt het soort verpakking (b.v. stalen vat), de grootste inhoud en/of de hoogste netto massa ervan en de eventuele bijzondere voorschriften voor elke stof in de overeenkomstige randnummers, die betrekking hebben op de verpakkingen, van de verschillende klassen vastgesteld.

2. Het kenmerk is bedoeld om de taak van de fabrikanten, degene die reconditioneren, de gebruikers van de verpakking, de vervoerders en van de regelgevende autoriteiten te vergemakkelijken. Wat betreft het gebruik van een nieuwe verpakking, is het originele kenmerk een hulpmiddel voor de fabrikant(en), om het type vast te stellen en om aan te geven aan welke beproevingsvoorschriften deze voldoet.

3. Het kenmerk verschaft niet altijd volledige gedetailleerde informatie over beproevingsniveaus etc.; het kan nodig zijn ook hiermee rekening te houden, bijvoorbeeld door verwijzing naar een beproevingscertificaat, beproevingsrapporten of een register van verpakkingen die met succes beproefd zijn. Bijvoorbeeld een verpakking die gekenmerkt is met een X of Y mag worden gebruikt voor stoffen, ingedeeld in een verpakkingsgroep met een lagere gevaarlijkheidsgraad, waarbij de bijbehorende hoogste toegestane waarde van de relatieve dichtheid wordt vastgesteld door de betreffende factor 1,5 of 2,25 in aanmerking te nemen, aangegeven in de voorschriften voor de beproeving van verpakkingen in hoofdstuk IV; dat wil zeggen dat verpakkingen van verpakkingsgroep I, die voor stoffen met een relatieve dichtheid van 1,2 zijn beproefd, mogen worden gebruikt als verpakking van verpakkingsgroep II voor stoffen met een relatieve dichtheid van 1,8 of als verpakking van verpakkingsgroep III voor stoffen met een relatieve dichtheid van 2,7, vanzelfsprekend aangenomen dat de verpakking met de stof met de hogere dichtheid nog kan voldoen aan de criteria van de prestatie-eisen.

1512 (1) Elke verpakking moet zijn voorzien van merktekens, die duurzaam en leesbaar zijn en die op een zodanige plaats en in een zodanige grootte in verhouding tot de verpakking zijn aangebracht, dat zij gemakkelijk zichtbaar zijn. Bij colli met een bruto massa van meer dan 30 kg moeten de kenmerken of een kopie daarvan op de bovenzijde of op een zijkant van de verpakking zichtbaar zijn. De letters, cijfers en tekens moeten een hoogte bezitten van ten minste 12 mm, behalve voor verpakkingen met een inhoud van ten hoogste 30 liter resp. 30 kg, waarbij de hoogte ten minste 6 mm moet bedragen en behalve voor verpakkingen met een inhoud van ten hoogste 5 liter resp. 5 kg, waarbij zij een geschikte grootte moeten bezitten. Het kenmerk bestaat voor nieuwe verpakkingen, vervaardigd conform het toegelaten constructietype, uit:

a) i) het symbool voor verpakkingen volgens rn. 1510 (1). Bij metalen verpakkingen, waarop het kenmerk door inpersen wordt aangebracht, mogen in plaats van het symbool de letters UN worden aangebracht;

ii) het symbool "RID" () voor verpakkingen volgens rn. 1510 (2) alsmede voor vaten en jerrycans met afneembaar deksel voor vloeistoffen waarvan de viscositeit bij 23 °C meer bedraagt dan 200 mm2/s, en die voldoen aan vereenvoudigde voorwaarden [zie opmerking bij rn. 306 (1), 307 (1), 507 (1), 508 (1), 607 (1), 608 (1), 806 (1), 807 (1), 903 (1) en 904 (1)];

b) de code van de verpakking volgens rn. 1511 (1);

c) een code, samengesteld uit twee delen:

i) een letter X, Y of Z, die de verpakkingsgroep of -groepen aangeeft, waarvoor het constructietype is toegelaten;

ii) voor verpakkingen zonder binnenverpakkingen, bestemd voor vloeistoffen en die met goed gevolg de hydraulische proefpersing hebben ondergaan, de aanduiding van de relatieve dichtheid (afgerond op de eerste decimaal) van de stof waarmee het constructietype is beproefd; deze aanduiding kan worden weggelaten indien de relatieve dichtheid niet hoger is dan 1,2; of

voor verpakkingen, bestemd voor vaste stoffen of voor binnenverpakkingen, en voor verpakkingen met afneembaar deksel, bestemd voor stoffen waarvan de viscositeit bij 23 °C meer dan 200 mm2/s bedraagt, alsmede voor lichte metalen verpakkingen met afneembaar deksel, bestemd voor stoffen van klasse 3, cijfer 5c), de aanduiding van de hoogste bruto massa in kg;

iii) voor verpakkingen, bestemd voor stoffen van klasse 6.2, cijfer 1 en 2, moet in plaats van de aanduidingen volgens letter i) of ii) de aanduiding "klasse 6.2" worden gebruikt,

d) ofwel een letter "S" wanneer de verpakking bestemd is voor vloeistoffen, waarvan de viscositeit bij 23 °C meer dan 200 mm2/s bedraagt, voor vaste stoffen of voor binnenverpakkingen, alsmede bij lichte metalen verpakkingen met afneembaar deksel, bestemd voor stoffen van klasse 3, cijfer 5c), dan wel indien de verpakking een hydraulische proefpersing heeft doorstaan, de aanduiding van de beproevingsdruk in kPa, naar beneden afgerond op 10 kPa;

e) het jaar van fabricage (laatste twee cijfers). Bij verpakkingen van de typen 1H en 3H bovendien uit de maand van fabricage; dit gedeelte van het kenmerk kan ook op een andere plaats dan de overige aanduidingen van het kenmerk worden aangebracht. Hiervoor kan men het volgende systeem gebruiken:

f) de afgekorte benaming () van de Staat, waar de toelating is verleend;

g) ofwel een registratienummer en de naam of het merkteken van de fabrikant, dan wel een ander identificatiemerk van de verpakking, vastgesteld door de bevoegde autoriteit.

(2) Elke voor hergebruik geschikte verpakking, die mogelijk aan een reconditioneringsbehandeling wordt onderworpen, waardoor het kenmerk kan worden uitgewist, moet op permanente wijze van de merktekens, aangegeven in lid (1)a) t/m e), zijn voorzien. Onder permanente kenmerking wordt verstaan een kenmerking die bestand is tegen de reconditioneringsbehandeling (b.v. door inpersen). Deze permanente kenmerking mag bij verpakkingen, met uitzondering van metalen vaten met een inhoud van meer dan 100 liter, in plaats van de in lid (1) voorgeschreven kenmerking worden gebruikt.

In aanvulling op de in lid (1) voorgeschreven duurzame kenmerking, moeten nieuwe metalen vaten met een inhoud van meer dan 100 liter op de bodem op permanente wijze (b.v. door inpersen) zijn voorzien van de in lid (1)a) t/m e) aangegeven merktekens, tezamen met ten minste de aanduiding van de nominale dikte van het metaal van de romp (in mm, ± 0,1 mm).

Indien de nominale wanddikte van ten minste één van de twee bodems van een metalen vat geringer is dan die van de romp, dan moet de nominale wanddikte van de bovenzijde, de romp en de onderzijde op duurzame wijze (b.v. door inpersen) op de bodem zijn aangegeven. Voorbeeld "1,0-1,2-1,0" of "0,9-1,0-1,0". De nominale wanddikte van het metaal moeten worden bepaald volgens de overeenkomstige ISO-norm, b.v. ISO 3574:1986 in geval van staal. De merktekens, aangegeven in lid (1)f) en g), mogen niet op permanente wijze (b.v. door inpersen) worden aangebracht, behalve in de hierna aangegeven gevallen.

Bij omgebouwde vaten hoeft de voorgeschreven kenmerking niet op permanente wijze (b.v. door inpersen) te zijn aangebracht, indien het type verpakking niet wijzigt en indien geen vast bevestigde onderdelen van de constructie worden verwisseld of verwijderd. Alle andere omgebouwde metalen vaten moeten op de bovenzijde of op de romp op permanente wijze (b.v. door inpersen) zijn voorzien van de merktekens, bedoeld in lid (1)a) t/m e).

Metalen vaten van materialen (zoals roestvast staal) die ontworpen zijn voor meermalig hergebruik, mogen op permanente wijze (b.v. door inpersen) van de merktekens, aangegeven in lid (1)f) en g), zijn voorzien.

(3) Het registratienummer geldt slechts voor één constructietype of voor een serie van constructietypen. Verschillende oppervlaktebehandelingen vallen onder hetzelfde constructietype.

Onder een serie van constructietypen dient te worden verstaan verpakkingen van dezelfde constructie, gelijke wanddikte, hetzelfde materiaal en dezelfde doorsnede, die slechts door hun geringere hoogte verschillen van het toegelaten constructietype.

Het moet mogelijk zijn vast te stellen dat de sluitingen van de houders dezelfde zijn als genoemd in het beproevingsrapport.

(4) Degene die verpakkingen reconditioneert, moet na de reconditionering op de verpakkingen, in de nabijheid van de duurzame aanduidingen, voorgeschreven in a) t/m e), een kenmerk aanbrengen met achtereenvolgens deze aanduidingen:

h) de afgekorte benaming van de Staat, waar de reconditionering is uitgevoerd;

i) de naam of het toegelaten merkteken van degene die reconditioneert;

j) het jaar van de reconditionering, de letter "R" en, bij elke verpakking die een dichtheidsproef volgens rn. 1500 (10) heeft doorstaan, bovendien de letter "L".

Indien na reconditionering de merktekens, voorgeschreven in lid (1)a) t/m d), niet meer zichtbaar zijn op de bovenzijde of de romp van een metalen vat, dan moet degene die reconditioneert deze op duurzame wijze aanbrengen, gevolgd door de merktekens, voorgeschreven in lid (1)h), i) en j). Deze merktekens mogen geen hoger prestatieniveau aangeven dan dat, waarvoor het originele constructietype is beproefd en gekenmerkt.

(5) De code van de verpakking kan worden gevolgd door de letter "T", "V" of "W". De letter "T" geeft een bergingsverpakking aan volgens rn. 1559. De letter "V" geeft een speciale verpakking aan volgens rn. 1558 (5). De letter "W" geeft aan dat de verpakking, hoewel behorend tot hetzelfde soort als aangegeven door de code, gefabriceerd is volgens een specificatie, die afwijkt van het gestelde in hoofdstuk III, maar die als gelijkwaardig wordt beschouwd in de zin van de voorschriften van rn. 1500 (15).

(6) Verpakkingen, waarvan het kenmerk overeenkomt met dit randnummer, doch die zijn toegelaten in een Staat, die niet is toegetreden tot de COTIF, mogen ook worden gebruikt voor het vervoer volgens de bepalingen van deze Richtlijn.

(7) Voorbeelden van kenmerken:

Voor een nieuw stalen vat:

1A1/Y1.4/150/83

NL/VL123 a)i), b), c), d) en e)

f) en g)

Voor een gereconditioneerd stalen vat:

1A1/Y1.4/150/83

NL/RB/84/RL a)i), b), c), d) en e)

h), i) en j)

Voor een stalen kist van een gelijkwaardig type:

4AW/Y136/S/90

GB/MC123 a), b), c), d) en e)

f) en g)

Voor verpakkingen met afneembaar deksel, bestemd voor vloeistoffen waarvan de viscositeit bij 23 °C meer bedraagt dan 200 mm2/s, en die voldoen aan vereenvoudigde voorwaarden [zie Opmerking bij rn. 306 (1), 307 (1), 507 (1), 508 (1), 607 (1), 608 (1), 806 (1), 807 (1), 903 (1), en 904 (1)]:

RID/ADR/3H2/Z25/S/97.05

CH/3458 PLASPAC AG a)ii), b), c), d) en e)

f) en g)

Voor nieuwe lichte metalen verpakkingen:

RID/ADR/0A1/Y/100/83

NL/VL123 a)ii), b), c), d) en e)

f) en g) met niet-afneembaar deksel

RID/ADR/0A2/Y20/S/83

NL/VL124 a)ii), b), c), d) en e)

f) en g) met afneembaar deksel, bestemd voor vloeistoffen waarvan de viscositeit bij 23 °C meer dan 200 mm2/s bedraagt, alsmede voor stoffen van klasse 3, cijfer 5c).

Voor een omgebouwd stalen vat, bestemd voor het vervoer van vloeistoffen:

1A2/Y/100/91

USA/MM5 a), b), c), d) en e)

f) en g)

Voor een nieuwe kartonnen doos, bestemd voor binnenverpakkingen of voor vaste stoffen:

4G/Y145/S/83

NL/VL823 a), b), c), d) en e)

f) en g)

Voor een nieuwe kartonnen doos, bestemd voor stoffen van klasse 6.2, cijfers 1 en 2:

4G/Klasse 6.2/S/92

SP/9989/ERIKSSON a)i), b), c)iii), d) en e)

f) en g)

Voor een bergingsverpakking:

1A2T/Y300/S/94

USA/abc a), b), c), d) en e)

f) en g)

Opmerking: De kenmerken, waarvan voorbeelden zijn gegeven, mogen in één regel of in meer dan één regel worden aan aangebracht, onder voorwaarde dat de juiste volgorde wordt aangehouden.

Verklaring

1513 Met het aanbrengen van het kenmerk volgens rn. 1512 (1) wordt bevestigd dat de in serie vervaardigde verpakkingen overeenkomen met het toegelaten constructietype en dat aan de voorwaarden, genoemd in de toelating is voldaan.

Index van de verpakkingen

1514 In de volgende tabel zijn de codes aangegeven, te gebruiken voor de aanduiding van de typen verpakkingen in relatie tot het soort verpakking, het voor de fabricage gebruikte materiaal en de categorie. Er wordt ook naar randnummers verwezen, te raadplegen voor de betreffende voorschriften:

A. Verpakkingen volgens rn. 1510 (1) en met de aanduiding "UN"

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B. Verpakkingen volgens rn. 1510 (1) of (2)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

C. Verpakkingen uitsluitend volgens rn. 1510 (2) en met de aanduiding "RID" (¹)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

1515-

1519

Hoofdstuk III Eisen aan de verpakkingen

A. Verpakkingen volgens rn. 1510 (1)

1520 Stalen vaten

1A1 met niet-afneembaar deksel;

1A2 met afneembaar deksel.

a) De romp en de bodems moeten zijn vervaardigd van een geschikte soort plaatstaal; de dikte van de plaat moet verband houden met de inhoud van het vat en met het gebruik waarvoor het bestemd is.

b) De rompnaden moeten zijn gelast bij vaten, bestemd voor meer dan 40 liter vloeistof. De rompnaden moeten machinaal zijn gefelst of gelast bij vaten, bestemd voor vaste stoffen of voor niet meer dan 40 liter vloeistof.

c) De naden tussen bodems en randen moeten machinaal gefelst of gelast zijn.

d) Indien rolbanden zijn aangebracht, dan moeten deze nauw aansluiten aan de romp en op zodanige wijze zijn bevestigd, dat zij zich niet kunnen verplaatsen. De rolbanden mogen niet door puntlassen zijn bevestigd.

e) Binnenbekledingen van lood, zink, tin, lak, etc., moeten bestendig en soepel zijn en op alle plaatsen, met inbegrip van de sluitingen, goed aan het staal hechten.

f) De diameter van de vulopeningen, losopeningen en ventilatieopeningen in de romp of in de bodems van vaten met een niet-afneembaar deksel (1A1) mag niet groter zijn dan 7 cm. Vaten met grotere openingen worden geacht te behoren tot de categorie met afneembaar deksel (1A2).

g) De sluitingen moeten voorzien zijn van een dichtingsring, behalve in het geval van een conische schroefdraad, die een vergelijkbare dichtheid waarborgt.

h) De sluitingen van vaten met niet-afneembaar deksel (1A1) moeten ofwel van het type met schroefdraad zijn, dan wel door een inrichting die geschroefd kan worden, of door een ander type inrichting, ten minste even doelmatig, kunnen worden vastgezet.

i) De sluitingsinrichtingen van vaten met een afneembaar deksel (1A2) moeten op zodanige manier zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij goed gesloten blijven en dat de vaten dicht blijven onder normale vervoersomstandigheden. De afneembare deksels moeten zijn voorzien van dichtingsringen of van andere afdichtingsmiddelen.

j) Grootste inhoud van de vaten: 450 liter.

k) Hoogste netto massa: 400 kg.

1521 Aluminium vaten

1B1 met niet-afneembaar deksel;

1B2 met afneembaar deksel.

a) De romp en de bodems moeten zijn vervaardigd van aluminium met een zuiverheid van ten minste 99 % of van een corrosiebestendige aluminiumlegering, en mechanische eigenschappen bezitten, aangepast aan de inhoud van het vat en het gebruik, waarvoor het bestemd is.

b) De diameter van de vulopeningen, losopeningen en ventilatieopeningen in de romp of in de bodems van de vaten met een niet-afneembaar deksel (1B1), mag niet groter zijn dan 7 cm. Vaten met grotere openingen worden geacht te behoren tot de categorie met afneembaar deksel (1B2).

c) Aluminium vaten 1B1:

De naden van de bodems moeten, voor zover aanwezig, in voldoende mate versterkt zijn om hun bescherming te waarborgen. De naden van romp en bodems moeten, voor zover aanwezig, gelast zijn. De sluiting moet ofwel van het type met schroefdraad zijn, dan wel door een inrichting die geschroefd kan worden, of door een ander type inrichting, ten minste even doelmatig, kunnen worden vastgezet. De sluitingen moeten voorzien zijn van een dichtingsring, behalve in het geval van een conische schroefdraad, die een vergelijkbare dichtheid waarborgt.

d) Aluminium vaten 1B2:

De romp van het vat moet ofwel naadloos zijn, dan wel een gelaste naad bezitten. De sluitingsinrichtingen van vaten met afneembaar deksel (1B2) moeten op zodanige wijze zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij goed gesloten blijven en dat de vaten dicht blijven onder normale vervoersomstandigheden. De afneembare deksels moeten zijn voorzien van dichtingsringen of andere afdichtingsmiddelen.

e) Grootste inhoud van de vaten: 450 liter.

f) Hoogste netto massa: 400 kg.

1522 Jerrycans van staal of aluminium

3A1 van staal, met niet-afneembaar deksel;

3A2 van staal, met afneembaar deksel;

3B1 van aluminium, met niet-afneembaar deksel;

3B2 van aluminium, met afneembaar deksel.

a) De romp en de bodems moeten zijn vervaardigd van staal, van aluminium met een zuiverheid van ten minste 99 % of van een legering op aluminiumbasis. Het materiaal moet van een geschikt type zijn en de dikte moet verband houden met de inhoud van de jerrycan en met het gebruik waarvoor deze bestemd is.

b) De randen van alle jerrycans van staal moeten machinaal zijn gefelst of gelast. De rompnaden van jerrycans van staal bestemd voor meer dan 40 liter vloeistof moeten zijn gelast. De rompnaden van jerrycans van staal bestemd om 40 liter vloeistof of minder te bevatten, moeten machinaal zijn gefelst of gelast. Alle naden van jerrycans van aluminium moeten zijn gelast. De naden van de randen moeten, voor zover aanwezig, zijn verstevigd door toepassing van een afzonderlijke versterkingsring.

c) De diameter van de openingen van jerrycans (3A1 en 3B1) mag niet groter zijn dan 7 cm. De jerrycans die grotere openingen hebben, worden geacht te behoren tot de categorie met afneembaar deksel (3A2 en 3B2).

d) De sluitingen moeten op zodanige manier zijn geconstrueerd dat zij goed gesloten en dicht blijven onder normale vervoersomstandigheden. De afsluitinrichtingen moeten zijn voorzien van dichtingsringen of van andere afdichtingsmiddelen, voor zover de afsluitinrichtingen niet reeds door hun ontwerp dicht zijn.

e) Grootste inhoud van de jerrycans: 60 liter.

f) Hoogste netto massa: 120 kg.

1523 Vaten van gelamineerd hout

1D

a) Het gebruikte hout moet goed gedroogd zijn, vochtvrij volgens handelskwaliteit en vrij van gebreken, die de bruikbaarheid van het vat voor het gestelde doel kunnen verminderen. Indien een ander materiaal dan gelamineerd hout voor de vervaardiging van de bodems wordt gebruikt, dan moet de kwaliteit van dit materiaal gelijkwaardig zijn aan die van gelamineerd hout.

b) Het gelamineerde hout, gebruikt voor de romp, moet uit ten minste twee lagen, en voor de bodems uit ten minste drie lagen bestaan; de lagen moeten in de richting van de houtvezel gekruist, stevig op elkaar zijn gelijmd met een waterbestendige lijm.

c) De romp en de bodems moeten in overeenstemming met de inhoud van het vat en het gebruik, waarvoor het bestemd is, worden ontworpen.

d) Om verlies van de inhoud door kieren te verhinderen, moeten de deksels worden bekleed met kraftpapier of een ander gelijkwaardig materiaal, dat stevig aan het deksel moet zijn bevestigd en zich aan de buitenzijde over de hele omtrek moet uitstrekken.

e) Grootste inhoud van de vaten: 250 liter.

f) Hoogste netto massa: 400 kg.

1524 Houten tonnen (natuurlijk hout)

2C1 met spongat;

2C2 met afneembaar deksel.

a) Het gebruikte hout moet van goede kwaliteit zijn, met vezels in de lengterichting, goed gedroogd, zonder knoesten en schors, verrot hout, spint of andere gebreken, die de geschiktheid van de ton voor het bedoelde gebruik kunnen verminderen.

b) De romp en de bodems moeten in overeenstemming met de inhoud van de ton en het gebruik, waarvoor deze bestemd is, worden ontworpen.

c) De duigen en de bodems moeten in de richting van de draad worden gezaagd of gekloofd, en wel op zodanige wijze, dat geen enkele jaarring doorloopt over meer dan de helft van de duig of van de bodem.

d) De hoepels van de ton moeten van staal of ijzer zijn vervaardigd en van een goede kwaliteit zijn. Bij tonnen met afneembaar deksel (2C2) zijn ook hoepels van een geschikte soort hard hout toegestaan.

e) Houten tonnen 2C1:

De doorsnede van het spongat mag niet groter zijn dan de halve breedte van de duig, waarin het spongat is aangebracht.

f) Houten tonnen 2C2:

De bodems moeten goed passend in de duigkepen zijn aangebracht.

g) Grootste inhoud van de tonnen: 250 liter.

h) Hoogste netto massa: 400 kg.

1525 Kartonnen vaten

1G

a) De romp van het vat moet zijn vervaardigd van meerdere lagen kraftpapier of niet-gegolfd karton, die stevig zijn vastgelijmd of samengeperst en in de romp van het vat mogen één of meer beschermende lagen bitumen, geparaffineerd kraftpapier, metaalfolie, kunststof, etc., aanwezig zijn.

b) De bodems moeten zijn vervaardigd van natuurlijk hout, karton, metaal, gelamineerd hout, kunststof of een ander geschikt materiaal en mogen zijn bekleed met één of meer beschermende lagen bitumen, geparaffineerd kraftpapier, metaalfolie, kunststoffen, etc.

c) De romp van het vat, de bodems en hun naden moeten in overeenstemming met de inhoud van het vat en het gebruik, waarvoor het bestemd is, zijn ontworpen.

d) De samengebouwde verpakking moet zodanig waterbestendig zijn dat de lijm tussen de lagen niet loslaat onder normale vervoersomstandigheden.

e) Grootste inhoud van het vat: 450 liter.

f) Hoogste netto massa: 400 kg.

1526 Vaten en jerrycans van kunststof

1H1 vaten met niet-afneembaar deksel;

1H2 vaten met afneembaar deksel;

3H1 jerrycans met niet-afneembaar deksel;

3H2 jerrycans met afneembaar deksel.

a) De verpakkingen moeten bestand zijn tegen de fysische (in het bijzonder mechanische en thermische) en chemische belastingen die met het vervoer samenhangen, en zij moeten dicht blijven. Zij moeten tegen de gevaarlijke stoffen en de dampen daarvan resistent zijn. Zij moeten bovendien in de mate, waarin dat vereist is, resistent zijn tegen veroudering en ultraviolette straling. De verpakkingen moeten op veilige wijze gehanteerd kunnen worden.

b) Voor zover door de bevoegde autoriteit niet anders is vastgesteld, bedraagt de toegestane gebruiksduur voor het vervoer van gevaarlijke stoffen ten hoogste vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van fabricage van de verpakking, tenzij een kortere gebruiksduur is voorgeschreven in verband met de aard van de te vervoeren stof.

c) Indien bescherming tegen ultraviolette straling noodzakelijk is, dan dient dit te geschieden door toevoeging van roet of andere geschikte kleurstoffen of inhibitoren. Deze toevoegingen moeten met de inhoud verenigbaar zijn en zij moeten gedurende de gehele toegestane gebruiksduur van de verpakking werkzaam blijven.

Bij gebruik van roet, pigmenten of inhibitoren, die verschillen van die, welke gebruikt zijn voor de fabricage van het beproefde constructietype, kan er van worden afgezien om opnieuw te beproeven, indien het roetgehalte niet hoger is dan 2 % in massa of indien het gehalte kleurstoffen niet hoger is dan 3 % in massa; het gehalte aan inhibitoren tegen ultraviolette straling is niet beperkt.

d) Toevoegingen voor andere doeleinden dan bescherming tegen ultraviolette straling aan de samenstelling van het kunststof materiaal zijn toegestaan, onder voorwaarde dat deze de chemische en fysische eigenschappen van het materiaal van de verpakking niet op ongunstige wijze beïnvloeden. In zo'n geval kan er van worden afgezien om opnieuw te beproeven.

e) Er dienen maatregelen te worden genomen, die geschikt zijn om vast te stellen, dat het voor de vervaardiging van de verpakking te gebruiken kunststof materiaal chemisch bestendig is tegen de in de verpakkingen te vervoeren stoffen [zie rn. 1551 (5)].

f) De verpakkingen moeten zijn vervaardigd van een geschikt kunststof materiaal waarvan herkomst en specificaties bekend zijn; de wijze van vervaardiging moet geheel zijn aangepast aan het materiaal kunststof en beantwoorden aan de ontwikkeling van de techniek. Voor nieuwe verpakkingen mogen geen andere gebruikte materialen worden gebezigd dan productieresten of -afval, afkomstig van hetzelfde fabricageproces.

g) De wanddikte moet op elke plaats van de verpakking verband houden met de inhoud en met het gebruik, waarvoor deze bestemd is, waarbij evenwel rekening is gehouden met de belastingen, waaraan elke plaats van de verpakking kan worden blootgesteld.

h) De diameter van de vulopeningen, losopeningen en ventilatieopeningen in de romp of in de bodems van vaten met niet-afneembaar deksel (1H1) en jerrycans met niet-afneembaar deksel (3H1) mag niet groter zijn dan 7 cm. Vaten en jerrycans met grotere openingen worden geacht te behoren tot de categorie met afneembaar deksel (1H2, 3H2).

i) Vaten (1H2) en jerrycans (3H2) met afneembaar deksel, die worden gebruikt voor vaste stoffen, moeten ten opzichte van de inhoud op alle plaatsen dicht blijven.

De sluitingen van vaten en jerrycans met niet-afneembaar deksel (1H1, 3H1) moeten ofwel van het type met schroefdraad zijn, dan wel door een inrichting die geschroefd kan worden, of door een ander type inrichting, ten minste even doelmatig, kunnen worden vastgezet. De sluitingsinrichtingen van vaten en jerrycans met afneembaar deksel (1H2, 3H2) moeten op zodanige manier zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij goed gesloten blijven en dat de vaten of jerrycans dicht blijven onder normale vervoersomstandigheden. De afneembare deksels moeten zijn voorzien van dichtingsringen of van andere afdichtingsmiddelen, tenzij het vat of de jerrycan zo is ontworpen dat het vat of de jerrycan dicht is indien het afneembare deksel deugdelijk is vastgezet.

j) De permeabiliteit voor brandbare vloeistoffen mag bij 23 °C hoogstens 0,008

>NUM>g

>DEN>l 7 h

bedragen (zie n. 1556).

k) Grootste inhoud van de vaten en jerrycans:

1H1 en 1H2: 450 liter;

3H1 en 3H2: 60 liter.

l) Hoogste netto massa:

1H1 en 1H2: 400 kg;

3H1 en 3H2: 120 kg.

1527 Kisten van natuurlijk hout

4C1 gewone kisten;

4C2 met stofdichte wanden.

Opmerking: Voor kisten van gelamineerd hout, zie rn. 1528; voor kisten van houtvezelmateriaal, zie rn. 1529.

a) Het gebruikte hout moet goed gedroogd zijn, vochtvrij volgens handelskwaliteit, en vrij van gebreken, die de sterkte van de diverse onderdelen van de kist merkbaar verminderen. Het weerstandsvermogen van het gebruikte materiaal en de wijze van constructie moeten zijn aangepast aan de inhoud van de kist en aan het gebruik waarvoor deze is bestemd. Het deksel en de bodem mogen van waterbestendig houtvezelmateriaal zijn zoals hardboard, spaanplaat of een ander geschikt type.

De bevestigingsmiddelen moeten weerstand bieden tegen trillingen, die volgens ervaring onder normale vervoersomstandigheden voorkomen. Het aanbrengen van spijkers in de richting van de vezels van het hout aan het uiteinde van planken moet zo mogelijk worden vermeden. Verbindingen die mogelijk aan sterke belastingen kunnen blootstaan, moeten worden uitgevoerd met behulp van omgeslagen of ringvormige spijkers of gelijkwaardige bevestigingsmiddelen.

b) Kisten van natuurlijk hout met stofdichte wanden, 4C2:

Elk onderdeel van de kist moet bestaan uit één stuk of gelijkwaardig daaraan zijn. Onderdelen worden beschouwd gelijkwaardig te zijn aan onderdelen uit één stuk, indien zij volgens een van de volgende methoden zijn samengelijmd: Lindermann-(zwaluwstaart)verbinding, messing en groef-verbinding, overlappende verbinding, of stompe verbinding met ten minste twee gegolfde metalen krammen voor elke verbinding.

c) Hoogste netto massa: 400 kg.

1528 Kisten van gelamineerd hout

4D

a) Het gebruikte soort gelamineerd hout moet uit ten minste 3 lagen bestaan, en zijn vervaardigd van goed gedroogde bladen fineer, verkregen door afschillen, snijden of zagen, vochtvrij volgens handelskwaliteit, en vrij van gebreken, die de sterkte van de kist zouden kunnen verminderen. De afzonderlijke lagen moeten met een waterbestendige lijm op elkaar worden gelijmd. Voor de fabricage van de kisten mogen tezamen met gelamineerd hout ook andere geschikte materialen worden gebruikt. De kisten moeten aan de hoekstijlen of uiteinden stevig zijn gespijkerd of vastgemaakt of in elkaar gezet met andere gelijkwaardige en eveneens geschikte middelen.

b) Hoogste netto massa: 400 kg.

1529 Kisten van houtvezelmateriaal

4F

a) De wanden van de kisten moeten van waterbestendig houtvezelmateriaal zijn zoals hardboard, spaanplaat of een ander geschikt type. Het weerstandsvermogen van het gebruikte materiaal en de wijze van constructie moeten zijn aangepast aan de inhoud van de kist en aan het gebruik, waarvoor deze is bestemd.

b) De andere gedeelten van de kisten mogen van andere geschikte materialen zijn vervaardigd.

c) De kisten moeten met behulp van geschikte middelen op stevige wijze in elkaar worden gezet.

d) Hoogste netto massa: 400 kg.

1530 Kartonnen dozen

4G

a) Er moet gebruik gemaakt worden van massief karton of van golfkarton met één of meer golflagen, van goede kwaliteit, dat geschikt is voor de inhoud en het gebruik, waarvoor de dozen zijn bestemd. De waterbestendigheid van het buitenoppervlak moet zodanig zijn, dat de massatoename, gemeten bij een beproeving ter vaststelling van de absorptie van water gedurende 30 minuten volgens de methode van Cobb, niet meer bedraagt dan 155 g/m2 (volgens ISO-norm 535-1976). Het karton moet geschikt zijn om zonder breuk gevouwen te kunnen worden. Het karton moet op zodanige wijze zijn gesneden, zonder kerf gerild en voorzien van een sleuf, dat bij het in elkaar zetten geen breuk optreedt, en dat het oppervlak niet scheurt of te veel opbolt. De golflagen van het golfkarton moeten stevig aan de vlakke lagen zijn gelijmd.

b) De voor- en achterzijden van de dozen mogen van een houten raamwerk zijn voorzien of geheel van hout of een ander geschikt materiaal zijn vervaardigd. Als versterking mogen houten lijsten of andere geschikte materialen worden gebruikt.

c) De naden van de dozen moeten met kleefband worden geplakt, of uitgevoerd zijn met een gelijmde of met metalen nieten gehechte overlapping. De overlapping van de naden moet voldoende zijn. Indien de sluiting door lijmen of met kleefband wordt uitgevoerd, moet de lijm waterbestendig zijn.

d) De afmetingen van de doos moeten zijn aangepast aan de inhoud.

e) Hoogste netto massa: 400 kg.

1531 Dozen van kunststof

4H1 dozen van geëxpandeerde kunststof;

4H2 dozen van stijve kunststof.

a) De doos moet zijn vervaardigd van een geschikte kunststof en de stevigheid van de doos moet verband houden met de inhoud van de doos en met het gebruik waarvoor deze bestemd is. De doos moet voldoende resistent zijn tegen veroudering en kwaliteitsvermindering ofwel door de vervoerde stof dan wel door ultraviolette straling.

b) Een doos van geëxpandeerde kunststof (4H1) moet bestaan uit twee delen van geëxpandeerde, gevormde kunststof, een onderstuk, voorzien van uitsparingen voor de binnenverpakkingen, en een bovenstuk, dat het onderstuk afdekt en er precies in past. De constructie van het bovenstuk en het onderstuk moet zodanig zijn, dat de binnenverpakkingen er zonder speling in passen. De afsluitdoppen van de binnenverpakkingen mogen niet in aanraking komen met het binnenoppervlak van het bovenstuk van de doos.

c) Voor de verzending moeten dozen van geëxpandeerde kunststof (4H1) worden gesloten met een zelfklevende band, waarvan de treksterkte voldoende moet zijn om te verhinderen, dat de doos opengaat. De zelfklevende band moet bestendig zijn tegen weersinvloeden en de kleefstof moet verenigbaar zijn met het geëxpandeerde kunststof materiaal van de doos. Andere sluitingsinrichtingen mogen ook gebruikt worden op voorwaarde dat zij ten minste even doelmatig zijn.

d) Bij dozen van stijve kunststof (4H2) moet de bescherming tegen ultraviolette straling, indien dit is vereist, worden verkregen door toevoeging van roet of andere geschikte kleurstoffen of inhibitoren. Deze toevoegingen moeten ten opzichte van de inhoud indifferent zijn en zij moeten gedurende de gehele toegestane gebruiksduur van de verpakking werkzaam blijven. Bij gebruik van roet, kleurstoffen of inhibitoren, die verschillen van die, welke gebruikt zijn voor de fabricage van het beproefde constructietype, kan er van worden afgezien om opnieuw te beproeven, indien het roetgehalte niet hoger is dan 2 % in massa, of indien het gehalte kleurstoffen niet hoger is dan 3 % in massa; het gehalte aan inhibitoren tegen ultraviolette straling is niet beperkt.

e) Dozen van stijve kunststof (4H2) moeten sluitingsinrichtingen hebben die zijn vervaardigd van een geschikt materiaal dat voldoende stevig is en zo geconstrueerd dat elke onbedoelde opening wordt uitgesloten.

f) Toevoegingen voor andere doeleinden dan bescherming tegen ultraviolette straling aan de samenstelling van het kunststof materiaal van de dozen (4H1 en 4H2) zijn toegestaan, onder voorwaarde dat deze de chemische en fysische eigenschappen van het materiaal van de verpakking niet op ongunstige wijze beïnvloeden. In een dergelijk geval kan er van worden afgezien om opnieuw te beproeven.

g) Hoogste netto massa:

4H1: 60 kg;

4H2: 400 kg.

1532 Kisten van staal of aluminium

4A stalen kisten;

4B aluminium kisten.

a) De sterkte van het metaal en de constructie van de kist moeten verband houden met de inhoud van de kist en met het gebruik, waarvoor deze bestemd is.

b) De kisten moeten van binnen zijn bekleed met karton of met vilt, al naar gelang, of zijn voorzien van een binnenbekleding of coating van een geschikt materiaal. Indien de binnenbekleding van metaal is en met dubbele felsnaden in elkaar is gezet, moeten maatregelen worden genomen om te verhinderen dat stoffen in de naden doordringen.

c) Elk geschikt type sluiting is toegestaan; zij mag onder normale vervoersomstandigheden niet losgaan.

d) Hoogste netto massa: 400 kg.

1533 Zakken van textiel

5L1 zonder binnenzak of zonder binnenbekleding;

5L2 stofdicht;

5L3 waterbestendig.

a) De gebruikte textielweefsels moeten van goede kwaliteit zijn. De sterkte van het weefsel en de vervaardiging van de zak moeten verband houden met de inhoud van de zak en met het gebruik, waarvoor deze bestemd is.

b) Stofdichte zakken, 5L2:

De zak moet stofdicht zijn gemaakt door gebruik van b.v.:

papier, dat met een waterbestendig kleefmiddel zoals bitumen aan het binnenoppervlak van de zak geplakt is;

een kunststof folie, die op het binnenoppervlak van de zak geplakt is;

één of meer binnenzakken van papier of kunststof.

c) Waterbestendige zakken, 5L3:

De zak moet op zodanige wijze waterdicht zijn gemaakt, dat binnendringen van vocht volkomen is uitgesloten door gebruik van b.v.:

gescheiden binnenzakken van waterbestendig papier (b.v. geparaffineerd kraftpapier, gebitumineerd papier of met kunststof bekleed kraftpapier);

een kunststof folie, die op het binnenoppervlak van de zak geplakt is;

één of meer binnenzakken van kunststof.

d) Hoogste netto massa: 50 kg.

1534 Zakken van kunststof weefsel

5H1 zonder binnenzak of zonder binnenbekleding;

5H2 stofdicht;

5H3 waterbestendig.

a) De zakken moeten zijn vervaardigd van versterkte banden of enkelvoudige filamenten van een geschikte kunststof. De sterkte van het gebruikte materiaal en de vervaardiging van de zak moeten verband houden met de inhoud van de zak en met het gebruik, waarvoor deze bedoeld is.

b) De zakken mogen zijn voorzien van een binnenzak van kunststof folie of een dunne binnenbekleding van kunststof.

c) Indien het gebruikte doek vlak is geweven, moeten de zakken worden vervaardigd door bodem en één zijkant dicht te naaien of door een andere werkwijze, die de sluiting daarvan waarborgt. Indien het doek rond is geweven, moet de bodem van de zak worden gesloten door deze dicht te naaien of te weven, of een andere wijze van sluiting, die een gelijkwaardige sterkte biedt.

d) Stofdichte zakken, 5H2:

De zak moet stofdicht zijn gemaakt door gebruik van b.v.:

papier of een kunststof folie, die op het binnenoppervlak van de zak geplakt is;

één of meer gescheiden binnenzakken van papier of kunststof.

e) Waterbestendige zakken, 5H3:

De zak moet op zodanige wijze waterdicht zijn gemaakt, dat binnendringen van vocht volkomen is uitgesloten door gebruik van b.v.:

gescheiden binnenzakken van waterbestendig papier (b.v. geparaffineerd kraftpapier, aan beide zijden gebitumineerd of met kunststof bekleed kraftpapier);

een kunststof folie, die op het binnen- of buitenoppervlak van de zak geplakt is;

één of meer binnenzakken van kunststof.

f) Hoogste netto massa: 50 kg.

1535 Zakken van kunststof folie

5H4

a) De zakken moeten zijn vervaardigd van een geschikte kunststof. De sterkte van het gebruikte materiaal en de vervaardiging van de zak moeten verband houden met de inhoud van de zak en met het gebruik, waarvoor deze bestemd is. De naden moeten bestand zijn tegen de druk en de schokken, die de zak onder normale vervoersomstandigheden kan ondergaan.

b) Hoogste netto massa: 50 kg.

1536 Papieren zakken

5M1 met meer dan één laag;

5M2 met meer dan één laag, waterbestendig.

a) De zakken moeten zijn vervaardigd van een geschikte soort kraftpapier of een gelijkwaardige papiersoort met ten minste drie lagen. De sterkte van het papier en de vervaardiging van de zakken moeten verband houden met de inhoud van de zak en met het gebruik waarvoor deze bestemd is. De naden en sluitingen moeten stofdicht zijn.

b) Papieren zakken 5M2:

Teneinde het binnendringen van vocht te verhinderen, moet een zak met vier of meer lagen waterdicht gemaakt zijn, hetzij door het gebruik van een waterbestendige laag als van één van de twee buitenste lagen, hetzij door het gebruik van een waterbestendige tussenlaag van een geschikt beschermend materiaal tussen de twee buitenste lagen; een zak met drie lagen moet waterdicht gemaakt zijn door het gebruik van een waterbestendige laag als buitenste laag. Indien gevaar bestaat dat de inhoud met vocht reageert of indien de inhoud in vochtige toestand wordt verpakt, moet bovendien een waterbestendige laag of bekleding - b.v. dubbel geteerd kraftpapier, met kunststof bekleed kraftpapier, een kunststof folie waarmee het binnenoppervlak van de zak is bedekt, of één of meer binnenbekledingen van kunststof - in direct contact met de inhoud zijn aangebracht. De naden en sluitingen moeten waterdicht zijn.

c) Hoogste netto massa: 50 kg.

1537 Combinatieverpakkingen (kunststof)

6HA1 kunststof houder met als buitenverpakking een stalen vat;

6HA2 kunststof houder met als buitenverpakking een stalen korf () of kist;

6HB1 kunststof houder met als buitenverpakking een aluminium vat;

6HB2 kunststof houder met als buitenverpakking een aluminium korf () of kist;

6HC kunststof houder met als buitenverpakking een kist van natuurlijk hout;

6HD1 kunststof houder met als buitenverpakking een vat van gelamineerd hout;

6HD2 kunststof houder met als buitenverpakking een kist van gelamineerd hout;

6HG1 kunststof houder met als buitenverpakking een kartonnen vat;

6HG2 kunststof houder met als buitenverpakking een kartonnen doos;

6HH1 kunststof houder met als buitenverpakking een kunststof vat;

6HH2 kunststof houder met als buitenverpakking een doos van stijve kunststof.

a) Binnenhouder

(1) De binnenhouder van kunststof moet voldoen aan de bepalingen van rn. 1526 a) en c) t/m h).

(2) De binnenhouder van kunststof moet zonder speelruimte passen in de buitenverpakking; deze laatste mag geen uitstekende delen bezitten, die aanleiding zouden kunnen geven tot afschuren van de kunststof.

(3) Grootste inhoud van de binnenhouder:

6HA1, 6HB1, 6HD1, 6HG1, 6HH1: 250 liter.

6HA2, 6HB2, 6HC, 6HD2, 6HG2, 6HH2: 60 liter.

(4) Hoogste netto massa:

6HA1, 6HB1, 6HD1, 6HG1, 6HH1: 400 kg.

6HA2, 6HB2, 6HC, 6HD2, 6HG2, 6HH2: 75 kg.

b) Buitenverpakking

(1) Kunststof houder met als buitenverpakking een stalen vat, 6HA1, of een aluminium vat, 6HB1:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1520 a) t/m i) resp. 1521 a) t/m d).

(2) Kunststof houder met als buitenverpakking een stalen korf of kist, 6HA2, of een aluminium korf of kist, 6HB2:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1532.

(3) Kunststof houder met als buitenverpakking een kist van natuurlijk hout, 6HC:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1527.

(4) Kunststof houder met als buitenverpakking een vat van gelamineerd hout, 6HD1:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1523.

(5) Kunststof houder met als buitenverpakking een kist van gelamineerd hout, 6HD2:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1528.

(6) Kunststof houder met als buitenverpakking een kartonnen vat, 6HG1:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1525 a) t/m d).

(7) Kunststof houder met als buitenverpakking een kartonnen doos, 6HG2:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1530 a) t/m c).

(8) Kunststof houder met als buitenverpakking een kunststof vat, 6HH1:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1526 a) en c) t/m h).

(9) Kunststof houder met als buitenverpakking een doos van stijve kunststof, 6HH2:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1531 a), d), e) en f).

1538 Samengestelde verpakkingen

a) Binnenverpakkingen

Er mag gebruik gemaakt worden van:

verpakkingen van glas, porselein of aardewerk, die ten hoogste 5 liter vloeistof of 5 kg vaste stof mogen bevatten;

verpakkingen van kunststof, die ten hoogste 30 liter vloeistof of 30 kg vaste stof mogen bevatten;

verpakkingen van metaal, die ten hoogste 40 liter vloeistof of 40 kg vaste stof mogen bevatten;

kleine en grote zakken van papier, textiel- of kunststof weefsels of kunststof folie, die ten hoogste 5 kg vaste stof in het geval van kleine zakken en 50 kg in het geval van grote zakken mogen bevatten;

blikken bussen, vouwdozen en dozen van karton of kunststof, die ten hoogste 10 kg vaste stof mogen bevatten;

kleine verpakkingen van een ander type, zoals tubes, die ten hoogste 1 liter vloeistof of 1 kg vaste stof mogen bevatten.

b) Buitenverpakkingen

Er mag gebruik gemaakt worden van:

stalen vaten met afneembaar deksel (rn. 1520);

aluminium vaten met afneembaar deksel (rn. 1521);

stalen jerrycans met afneembaar deksel (rn. 1522);

aluminium jerrycans met afneembaar deksel (rn. 1522);

vaten van gelamineerd hout (rn. 1523);

kartonnen vaten (rn. 1525);

kunststof vaten met afneembaar deksel (rn. 1526);

kunststof jerrycans met afneembaar deksel (rn. 1526);

kisten van natuurlijk hout (rn. 1527);

kisten van gelamineerd hout (rn. 1528);

kisten van houtvezelmateriaal (rn. 1529);

kartonnen dozen (rn. 1530);

dozen van kunststof (rn. 1531);

kisten van staal of aluminium (rn. 1532).

B. Verpakkingen volgens rn. 1510 (1) of (2)

1539 Combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk)

6PA1 houder met als buitenverpakking een stalen vat;

6PA2 houder met als buitenverpakking een stalen korf () of kist;

6PB1 houder met als buitenverpakking een aluminium vat;

6PB2 houder met als buitenverpakking een aluminium korf () of kist;

6PC houder met als buitenverpakking een kist van natuurlijk hout;

6PD1 houder met als buitenverpakking een vat van gelamineerd hout;

6PD2 houder met als buitenverpakking een tenen mand;

6PG1 houder met als buitenverpakking een kartonnen vat;

6PG2 houder met als buitenverpakking een kartonnen doos;

6PH1 houder met een buitenverpakking van geëxpandeerde kunststof;

6PH2 houder met een buitenverpakking van stijve kunststof.

a) Binnenhouder

(1) De houders moeten een geschikte vorm hebben (cilindrisch of peervormig) en zij moeten zijn vervaardigd van een goede kwaliteit materiaal, vrij van gebreken, die de sterkte zouden kunnen verminderen. De wanden moeten op alle plaatsen voldoende dik zijn, en vrij van inwendige spanningen.

(2) Als sluiting van de houders moet gebruik gemaakt worden van kunststof schroefsluitingen, ingeslepen stoppen of ten minste even doelmatige sluitingen. Alle delen van de sluitingen, die in aanraking kunnen komen met de inhoud van de houder, moeten tegen de werking van de inhoud bestendig zijn.

Er dient bij de sluitingen gelet te worden op een hermetische passing en dat zij op zodanige wijze zijn vastgezet, dat zij tijdens het vervoer niet los kunnen gaan.

Indien sluitingen met een ontluchtingsinrichting vereist zijn, moeten deze vloeistofdicht zijn.

(3) De houder moet in de buitenverpakking goed zijn vastgezet met behulp van stoffen met schokbrekende en/of vloeistofabsorberende eigenschappen.

(4) Grootste inhoud van de houder: 60 liter.

(5) Hoogste netto massa: 75 kg.

b) Buitenverpakking

(1) Houder met als buitenverpakking een stalen vat, 6PA1:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1520 a) t/m i).

Het voor dit type verpakking noodzakelijke afneembare deksel mag echter de vorm hebben van een kap.

(2) Houder met als buitenverpakking een stalen korf of kist, 6PA2:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1532 a) t/m c).

In het geval van cilindrische houders moet in verticale stand de buitenverpakking hoger zijn dan de houder en de sluiting daarvan. Indien rondom een peervormige houder een buitenverpakking in de vorm van een korf aanwezig is en aan de vorm daarvan is aangepast, moet de buitenverpakking voorzien zijn van een beschermende afdekking (kap).

(3) Houder met als buitenverpakking een aluminium vat, 6PB1:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1521 a) t/m d).

(4) Houder met als buitenverpakking een aluminium korf of kist, 6PB2:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1532.

(5) Houder met als buitenverpakking een kist van natuurlijk hout, 6PC:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1527.

(6) Houder met als buitenverpakking een vat van gelamineerd hout, 6PD1:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1523.

(7) Houder met als buitenverpakking een tenen mand, 6PD2:

De tenen manden moeten op een daartoe geschikte wijze zijn vervaardigd van een materiaal van goede kwaliteit. Zij moeten voorzien zijn van een beschermende afdekking (kap), zodat beschadiging van de houders wordt vermeden.

(8) Houder met als buitenverpakking een kartonnen vat, 6PG1:

De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1525 a) t/m d).

(9) Houder met als buitenverpakking een kartonnen doos, 6PG2: De buitenverpakking moet voldoen aan de desbetreffende constructie-eisen van rn. 1530 a) t/m c).

(10) Houders met een buitenverpakking van geëxpandeerde kunststof, 6PH1, of van stijve kunststof, 6PH2:

De materialen van deze twee buitenverpakkingen moeten voldoen aan de desbetreffende bepalingen van rn. 1531 a) t/m f).

De buitenverpakking van stijve kunststof moet van polyetheen met hoge dichtheid zijn of van een andere vergelijkbare kunststof.

Het afneembare deksel voor dit type verpakking mag echter de vorm hebben van een kap.

C. Verpakkingen, uitsluitend volgens rn. 1510 (2)

1540 Lichte metalen verpakkingen

0A1 met niet-afneembaar deksel;

0A2 met afneembaar deksel.

a) De romp en de bodems moeten zijn vervaardigd van een geschikte soort plaatstaal; de dikte van de plaat moet verband houden met de inhoud van de verpakkingen en het gebruik waarvoor deze bestemd zijn.

b) De naden moeten gelast, ten minste dubbel gefelst, of volgens een andere methode zijn uitgevoerd, die een vergelijkbare sterkte en dichtheid waarborgt.

c) Binnenbekledingen van zink, tin, lak, etc., moeten bestendig zijn en op alle plaatsen, met inbegrip van de sluitingen, goed aan het staal hechten.

d) De diameter van de vulopeningen, losopeningen en ventilatieopeningen in de romp of de bodems van de verpakkingen met niet-afneembaar deksel (0A1) mag niet groter zijn dan 7 cm. Verpakkingen met grotere openingen worden geacht te behoren tot de categorie met afneembaar deksel (0A2).

e) De sluitingen van verpakkingen met niet-afneembaar deksel (0A1) moeten ofwel van het type met schroefdraad zijn, dan wel door een inrichting die geschroefd kan worden, of door een ander type inrichting, ten minste even doelmatig, kunnen worden vastgezet.

De sluitingsinrichtingen van verpakkingen met afneembaar deksel (0A2) moeten op zodanige manier zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij goed gesloten blijven en dat de verpakkingen dicht blijven onder normale vervoersomstandigheden.

f) Grootste inhoud van de verpakkingen: 40 liter.

g) Hoogste netto massa: 50 kg.

1541-

1549

Hoofdstuk IV

Voorschriften voor de beproeving van de verpakkingen

A. Beproeving van het constructietype

Uitvoering en herhaling van de beproevingen

1550 (1) Van elke verpakking moet het constructietype door de bevoegde autoriteit of een door haar erkende instantie worden beproefd en toegelaten.

(2) De beproevingen volgens lid (1) moeten na elke wijziging van het constructietype opnieuw worden uitgevoerd, tenzij de instantie, belast met de uitvoering van de beproevingen, akkoord is gegaan met de wijziging van het constructietype. In het laatste geval is een nieuwe toelating van het constructietype niet noodzakelijk.

Het constructietype van de verpakking wordt bepaald door het ontwerp, de grootte, het gebruikte materiaal en de dikte, de wijze van fabricage en assemblage, maar het kan ook diverse oppervlaktebehandelingen omvatten. Het omvat ook verpakkingen, die van het constructietype slechts afwijken door een lagere hoogte van het ontwerp.

(3) De bevoegde autoriteit kan op elk ogenblik eisen, dat door beproevingen volgens dit hoofdstuk wordt bewezen, dat de in serie gefabriceerde verpakkingen voldoen aan de beproevingseisen van het constructietype.

Indien dergelijke beproevingen worden uitgevoerd met verpakkingen van papier of van karton, wordt een voorbereiding onder de heersende omstandigheden beschouwd als gelijkwaardig aan de voorschriften, aangegeven in rn. 1551 (3).

(4) De instantie, belast met de uitvoering van de beproevingen, moet voor controledoeleinden een registratie maken van de gebruikte materialen, door het verrichten van materiaalonderzoek of het bewaren van monsters of stukken materiaal.

(5) Indien om veiligheidsredenen een binnenbekleding noodzakelijk is, dan moet deze binnenbekleding ook na de beproevingen haar beschermende eigenschappen behouden.

(6) De bevoegde autoriteit kan akkoord gaan met de selectieve beproeving van verpakkingen die slechts op minder belangrijke aspecten verschillen van een reeds beproefd constructietype, b.v. verpakkingen met binnenverpakkingen van kleinere afmetingen of binnenverpakkingen met een kleinere netto massa, voorts verpakkingen, zoals vaten, zakken, kisten en dozen waarvan één of meer van de buitenmaten iets verkleind is.

(7) Onder voorwaarde dat de betrouwbaarheid van de beproevingsresultaten niet wordt verminderd en met toestemming van de bevoegde autoriteit, mogen meerdere beproevingen worden uitgevoerd met één monster.

Voorbereiding van de verpakkingen en de colli voor de beproevingen

1551 (1) De beproevingen moeten worden uitgevoerd met verpakkingen, die als voor verzending gereed zijn gemaakt, met inbegrip van de binnenverpakkingen van samengestelde verpakkingen. Binnenhouders of binnenverpakkingen en enkelvoudige houders of enkelvoudige verpakkingen moeten tot ten minste 95 % van de inhoud zijn gevuld in het geval van vaste stoffen en tot ten minste 98 % in het geval van vloeistoffen. Bij samengestelde verpakkingen, waarbij de binnenverpakking bestemd is voor het vervoer van vloeistoffen of vaste stoffen, zijn afzonderlijke beproevingen vereist voor de vaste en voor de vloeibare inhoud.

De in de verpakkingen te vervoeren stoffen of voorwerpen mogen worden vervangen door andere stoffen of voorwerpen, tenzij de betrouwbaarheid van de beproevingsresultaten hierdoor worden verminderd.

Indien voor de beproevingen de te vervoeren vaste stoffen worden vervangen door een andere stof, dan moet deze dezelfde fysische eigenschappen (massa, korrelgrootte, etc.) bezitten als de te vervoeren stof.

Het is toegestaan om ter verkrijging van de vereiste totale massa van het collo andere materialen erbij te gebruiken, zoals zakken met loodkorrels, mits zij zodanig worden geplaatst dat de betrouwbaarheid van de beproevingsresultaten niet wordt verminderd. Als vervangende vulling voor stoffen met een viscositeit van meer dan 2 680 mm2/s bij 23 °C mogen geschikte mengsels van poedervormige vaste stoffen worden gebruikt, bijvoorbeeld poeder van polyetheen of polyvinylchloride met houtmeel, fijn zand, etc.

(2) Indien voor valproeven met vloeistoffen een andere stof wordt gebruikt, dan moet deze een relatieve dichtheid en viscositeit hebben, die overeenkomen met die van de te vervoeren stof. Water mag ook worden gebruikt voor deze valproeven onder de in rn. 1552 (4) vastgestelde voorwaarden.

(3) Verpakkingen van papier of karton moeten ten minste 24 uur worden geconditioneerd in een klimaat waarbij relatieve vochtigheid en temperatuur beheerst worden. Er kan gekozen worden uit drie mogelijkheden. De voorkeur bij deze conditionering gaat uit naar: 23 °C ± 2 °C voor de temperatuur en 50 % ± 2 % voor de relatieve vochtigheid, terwijl de andere twee mogelijkheden zijn: 20 °C ± 2 °C voor de temperatuur en 65 % ± 2 % voor de relatieve vochtigheid of 27 °C ± 2 °C voor de temperatuur en 65 % ± 2 % voor de relatieve vochtigheid.

Opmerking: De gemiddelde waarden moeten liggen tussen deze grenswaarden. Fluctuaties van korte duur en beperkingen inherent aan de metingen kunnen aanleiding geven tot verschillen in de afzonderlijke meetwaarden tot ± 5 % voor de relatieve vochtigheid, zonder dat dit een belangrijk effect heeft op de reproduceerbaarheid van de beproevingsresultaten.

(4) Tonnen van natuurlijk hout met spongat moeten ten minste 24 uur voorafgaand aan de beproevingen met water gevuld blijven.

(5) Vaten en jerrycans van kunststof volgens rn. 1526, en, voor zover noodzakelijk, combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537 moeten, ten bewijze dat de chemische bestendigheid tegenover vloeistoffen voldoende is, worden onderworpen aan een 6 maanden durende opslag bij omgevingstemperatuur; gedurende deze periode moeten de monsters voor de beproeving gevuld blijven met de stoffen voor het vervoer waarvan zij bestemd zijn.

Tijdens de eerste en laatste 24 uren van de opslag moeten de monsters voor de beproeving met de sluiting naar beneden opgesteld worden. Verpakkingen met een ontluchtingsinrichting echter moeten in beide gevallen slechts gedurende 5 minuten aldus worden opgesteld. Na deze opslag moeten de monsters worden onderworpen aan de beproevingen zoals bedoeld in rn. 1552 t/m 1556.

Bij binnenhouders van combinatieverpakkingen (kunststof) is het niet noodzakelijk het bewijs van chemische bestendigheid te leveren, indien bekend is, dat de mechanische eigenschappen van de kunststof niet merkbaar veranderen onder invloed van de stof in de houder.

Onder een merkbare verandering van de mechanische eigenschappen wordt verstaan:

a) een duidelijk bros worden van het materiaal;

b) een aanzienlijke verlaging van de vloeigrens, tenzij deze gepaard gaat met een ten minste evenredige verhoging van de rek bij de vloeigrens.

Indien het gedrag van het kunststof materiaal volgens een andere methode is vastgesteld, behoeft de hierboven aangegeven beproeving van de chemische bestendigheid niet te worden uitgevoerd. Dergelijke methoden moeten tenminste gelijkwaardig zijn aan bovengenoemde beproeving van chemische bestendigheid en zij moeten door de bevoegde autoriteit zijn erkend.

Opmerking: Zie voor vaten en jerrycans van kunststof en combinatieverpakkingen (kunststof), vervaardigd van hoogmoleculair polyetheen, ook lid (6).

(6) Bij vaten en jerrycans volgens rn. 1526 en, voor zover noodzakelijk, bij combinatieverpakkingen volgens rn. 1537, van hoogmoleculair polyetheen, dat aan de volgende specificaties voldoet:

relatieve dichtheid bij 23 °C, na een uur thermische conditionering bij 100 °C, ≥ 0,940, gemeten volgens ISO-norm 1183;

smeltindex bij 190 °C en 21,6 kg belasting ≤ 12 g/10 min, gemeten volgens ISO-norm 1133,

kan de chemische bestendigheid tegen de vloeistoffen, genoemd in de lijst van stoffen van deel II van de Bijlage bij dit Aanhangsel, op de volgende wijze worden aangetoond met behulp van standaardvloeistoffen (zie deel I van de Bijlage bij dit Aanhangsel): Het bewijs van voldoende chemische bestendigheid van deze verpakkingen kan worden geleverd door een opslagproef met de betreffende standaardvloeistof gedurende 3 weken bij 40 °C; indien water als standaardvloeistof is aangegeven, is het niet nodig het bewijs van voldoende chemische bestendigheid te leveren.

Tijdens de eerste en laatste 24 uren van de opslag moeten de monsters voor de beproeving met de sluiting naar beneden opgesteld worden. Verpakkingen met een ontluchtingsinrichting echter moeten in beide gevallen slechts gedurende 5 minuten aldus worden opgesteld. Na deze opslag moeten de monsters de beproevingen als bedoeld in rn. 1552 t/m 1556 ondergaan.

Indien een constructietype van een verpakking heeft voldaan aan de beproevingen voor de toelating met een standaardvloeistof, dan kunnen de daaraan geassimileerde stoffen, genoemd in deel II van de Bijlage van dit Aanhangsel, zonder verdere beproeving ten vervoer worden toegelaten onder de volgende voorwaarden:

de relatieve dichtheden van de stoffen mogen niet hoger zijn dan de dichtheid gebruikt voor het vaststellen van de valhoogte bij de valproef en van de massa bij de stapelproef;

de dampdrukken van de stoffen bij 50 °C of 55 °C mogen niet hoger zijn dan de dampdruk gebruikt voor het vaststellen van de druk bij de hydraulische proefpersing.

Voor tert-butylhydroperoxide van de cijfers 3b), 5b) en 9b) met een peroxidegehalte van meer dan 40 % alsmede voor peroxyazijnzuur van de cijfers 5b), 7b) en 9b) van rn. 551 van klasse 5.2 mag de beproeving van de chemische bestendigheid niet met standaardvloeistoffen worden uitgevoerd. Voor deze stoffen moet het bewijs van de voldoende chemische bestendigheid van de proefmonsters worden geleverd door een zes maanden durende opslag bij omgevingstemperatuur met de stoffen voor het vervoer waarvan zij bestemd zijn.

(7) Indien de vaten en jerrycans volgens rn. 1526 en, voor zover noodzakelijk, de combinatieverpakkingen volgens rn. 1537, van hoogmoleculair polyetheen, de beproeving volgens lid (6) van dit randnummer hebben doorstaan, mogen ook andere stoffen worden toegelaten dan die van deel II van de Bijlage bij dit Aanhangsel. Deze toelating vindt plaats op basis van laboratoriumproeven () die moeten uitwijzen dat het effect van deze stoffen op de monsters geringer is dan dat van de standaardvloeistoffen. Men moet rekening houden met de volgende afbraakmechanismen: verweking door opzwellen, spanningscorrosie en moleculaire afbraakreacties. Dezelfde voorwaarden als die welke worden aangegeven in lid (6) van dit randnummer zijn van toepassing voor wat betreft de relatieve dichtheden en dampdrukken.

Valproef ()

1552 (1) Aantal monsters (per constructietype en per fabrikant) en opstelling van het monster voor de valproef. Voor de valproeven, waarbij de monsters niet plat neerkomen, moet het zwaartepunt zich loodrecht boven het trefpunt bevinden.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Indien meer dan één oriëntatierichting mogelijk is voor een gegeven valproef, dan moet de oriëntatierichting worden gekozen, waarvoor de kans van bezwijken van de verpakking het grootst is.

(2) Bijzondere voorbereiding van de monsters voor de valproef:

Bij de hierna opgesomde verpakkingen moet het monster en de inhoud daarvan worden geconditioneerd bij een temperatuur van P 18 °C of lager:

a) kunststof vaten (zie rn. 1526) b kunststof jerrycans (zie rn. 1526)

c) dozen van kunststof, met uitzondering van dozen van geëxpandeerde kunststof (zie rn. 1531)

d) combinatieverpakkingen (kunststof) (zie rn. 1537) en

e) samengestelde verpakkingen met binnenverpakkingen van kunststof, met uitzondering van zakken en zakjes van kunststof bestemd voor vaste stoffen of voorwerpen (zie rn. 1538)

Indien de proefmonsters op deze wijze worden geconditioneerd, is het niet nodig de in rn. 1551 (3) voorgeschreven conditionering uit te voeren. De vloeistoffen, die voor de beproeving dienen, moeten, zonodig, door toevoeging van antivries, in vloeibare toestand worden gehouden.

(3) Trefplaat

De trefplaat moet zijn een star, niet veerkrachtig, vlak en horizontaal oppervlak.

(4) Valhoogte

Bij vaste stoffen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bij vloeistoffen:

indien de beproeving wordt uitgevoerd met water:

a) voor te vervoeren stoffen, waarvan de relatieve dichtheid 1,2 niet overschrijdt:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

b) voor te vervoeren stoffen, waarvan de relatieve dichtheid 1,2 overschrijdt, moet de valhoogte op de volgende wijze worden berekend op grond van de relatieve dichtheid van de te vervoeren stof, naar boven afgerond op de eerste decimaal:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

c) bij lichte metalen verpakkingen, bestemd voor het vervoer van stoffen, waarvan de viscositeit bij 23 °C hoger is dan 200 mm2/s (dit komt overeen met een uitlooptijd van 30 sec. uit een genormaliseerde ISO-cup met een uitloopdiameter van 6 mm volgens ISO-norm 2431-1984), alsmede voor stoffen van klasse 3, cijfer 5c),

i) en waarvan de relatieve dichtheid niet hoger is dan 1,2:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

ii) voor te vervoeren stoffen, waarvan de relatieve dichtheid 1,2 overschrijdt, moet de valhoogte op de volgende wijze worden berekend op grond van de relatieve dichtheid van de te vervoeren stof, naar boven afgerond op de eerste decimaal:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

- indien de beproeving wordt uitgevoerd met de te vervoeren stof of met een vloeistof met ten minste gelijke relatieve dichtheid:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(5) Criteria voor een voldoende beproevingsresultaat:

a) Elke verpakking met vloeibare inhoud moet dicht zijn, nadat er een evenwicht is bewerkstelligd tussen de druk binnen en buiten de verpakking; het is evenwel niet noodzakelijk dat het verschil tussen de druk binnen en buiten de verpakking wordt opgeheven als het gaat om binnenverpakkingen van samengestelde verpakkingen of binnenhouders van combinatie-verpakkingen (glas, porselein of aardewerk).

b) Indien vaten met afneembaar deksel voor vaste stoffen zijn onderworpen aan een valproef en indien zij de trefplaat met de bovenzijde geraakt hebben, dan heeft het monster de beproeving doorstaan, indien de inhoud volledig in de binnenverpakking (bijvoorbeeld een kunststof zak) is gebleven, ook al is de sluiting aan de bovenzijde van het vat niet meer stofdicht.

c) De buitenste laag van zakken mag geen beschadigingen vertonen, die de veiligheid van het vervoer in gevaar kunnen brengen.

d) De buitenverpakking van een combinatieverpakking of van een samengestelde verpakking mag geen beschadigingen vertonen, die de veiligheid van het vervoer in gevaar kunnen brengen. Er mag geen enkele lekkage van de inhoud van de binnenhouder of binnenverpakking optreden.

e) Een zeer gering verlies van de inhoud via de sluiting(en) tijdens het treffen mag niet worden beschouwd als een niet voldoen van de verpakking, op voorwaarde dat er geen verdere lekkage optreedt.

f) Verpakkingen voor goederen van klasse 1 mogen geen breuk vertonen, die het uit de buitenverpakking treden van vrijgekomen ontplofbare stoffen of voorwerpen mogelijk maakt.

Dichtheidsproef (met lucht)

1553 (1) De dichtheidsproef moet worden uitgevoerd bij alle typen verpakkingen, die zijn bestemd voor vloeistoffen; deze beproeving is echter niet nodig bij:

binnenverpakkingen van samengestelde verpakkingen;

binnenhouders van combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1510 (2);

verpakkingen met afneembaar deksel bestemd voor stoffen waarvan de viscositeit bij 23 °C meer dan 200 mm2/s bedraagt;

lichte metalen verpakkingen met afneembaar deksel, bestemd voor stoffen van klasse 3, cijfer 5c).

(2) Aantal monsters voor de beproeving:

Drie monsters per constructietype en per fabrikant.

(3) Bijzondere voorbereiding van de monsters voor de beproeving:

Voor het inbrengen van de perslucht moet op een neutrale plaats van het monster een gat worden geboord, zodat ook de dichtheid van de sluiting kan worden beproefd. Sluitingen van verpakkingen, voorzien van een ontluchtingsinrichting, moeten worden vervangen door sluitingen zonder ontluchtingsinrichting.

(4) Beproevingsmethode:

De proefmonsters moeten met inbegrip van hun sluitingen gedurende 5 minuten onder water worden gehouden, terwijl zij worden blootgesteld aan inwendige luchtdruk; de wijze waarop zij onder water worden gehouden, mag de betrouwbaarheid van de beproevingsresultaten niet verminderen.

(5) Toe te passen luchtdruk:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Andere, tenminste even doelmatige methoden mogen ook worden gebruikt.

(6) Criterium voor een voldoende beproevingsresultaat:

Er mag geen lekkage optreden.

Beproeving met inwendige druk (hydraulische proefpersing)

1554 (1) De hydraulische proefpersing moet worden uitgevoerd bij alle typen verpakkingen van staal, aluminium, kunststof en alle combinatieverpakkingen, bestemd voor vloeistoffen; deze beproeving is echter niet nodig bij:

binnenverpakkingen van samengestelde verpakkingen;

binnenhouders van combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1510 (2);

verpakkingen met afneembaar deksel bestemd voor stoffen waarvan de viscositeit bij 23 °C meer dan 200 mm2/s bedraagt;

lichte metalen verpakkingen met afneembaar deksel, bestemd voor stoffen van klasse 3, cijfer 5c).

(2) Aantal monsters voor de beproeving:

Drie monsters per constructietype en per fabrikant.

(3) Bijzondere voorbereiding van de verpakkingen voor de beproeving:

Voor het inbrengen van de druk moet op een neutrale plaats van het monster een gat worden geboord, zodat ook de dichtheid van de sluiting kan worden beproefd. Sluitingen van verpakkingen, voorzien van een ontluchtingsinrichting, moeten worden vervangen door sluitingen zonder ontluchtingsinrichting.

(4) Beproevingsmethode en -druk:

De verpakkingen moeten gedurende 5 minuten (bij kunststof verpakkingen 30 minuten) worden onderworpen aan een hydraulische druk die niet lager mag zijn dan:

a) de totale overdruk, gemeten in de verpakking (d.w.z. dampdruk van de stof in de verpakking plus partiële druk van lucht of andere inerte gassen, minus 100 kPa) bij 55 °C, vermenigvuldigd met een veiligheidsfactor van 1,5; bij de bepaling van deze totale overdruk moet uitgegaan worden van een hoogste vullingsgraad zoals aangegeven in rn. 1500 (4), en een vultemperatuur van 15 °C, of

b) 1,75 maal de dampdruk bij 50 °C van de stof in de verpakking, minus 100 kPa; zij moet evenwel ten minste 100 kPa (overdruk) bedragen, of

c) 1,5 maal de dampdruk bij 55 °C van de stof in de verpakking, minus 100 kPa; zij moet evenwel ten minste 100 kPa (overdruk) bedragen.

De wijze van ondersteuning van de verpakkingen mag de betrouwbaarheid van de beproevingsresultaten niet verminderen. De druk moet continu en zonder stoten worden opgevoerd. Tijdens de gehele duur van de beproeving moet de beproevingsdruk constant worden gehouden.

Bij verpakkingen van verpakkingsgroep I bedraagt de beproevingsdruk ten minste 250 kPa.

(5) Criterium voor een voldoende beproevingsresultaat:

Geen enkele verpakking mag lekken.

Stapelproef

1555 (1) De stapelproef moet worden uitgevoerd bij alle typen verpakkingen met uitzondering van zakken en niet stapelbare combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1510 (2).

(2) Aantal monsters voor de beproeving:

Drie monsters per constructietype en per fabrikant.

(3) Beproevingsmethode:

Het monster moet aan een kracht worden blootgesteld, die wordt uitgeoefend op het bovenoppervlak van het monster en die overeenkomt met de totale massa van identieke colli, die tijdens het vervoer daarop gestapeld zouden kunnen worden.

De beproeving moet 24 uur duren, behalve bij vaten en jerrycans van kunststof volgens rn. 1526 of bij combinatieverpakkingen 6HH1 en 6HH2 volgens rn. 1537, bestemd voor het vervoer van vloeistoffen; deze verpakkingen moeten gedurende 28 dagen bij een temperatuur van ten minste 40 °C aan de stapelproef worden onderworpen.

De stapelhoogte, moet ten minste 3 meter, het proefmonster inbegrepen, bedragen. Bij de beproeving volgens rn. 1551 (5) wordt aanbevolen de originele in de verpakking toe te laten stof te gebruiken. Bij de beproeving volgens rn. 1551 (6) moet de stapelproef worden uitgevoerd met een standaardvloeistof.

Indien de inhoud van het proefmonster een niet gevaarlijke vloeistof is met een relatieve dichtheid, die verschilt van die van de te vervoeren vloeistof, moet de kracht worden berekend als functie van laatst genoemde vloeistof.

(4) Criteria voor een voldoende beproevingsresultaat:

Geen enkel monster mag lekken. Bij combinatieverpakkingen en samengestelde verpakkingen mag geen enkele lekkage naar buiten van de inhoud van de binnenhouder of binnenverpakking optreden. Geen enkel monster mag beschadigingen vertonen, die de veiligheid van het vervoer in gevaar kunnen brengen, of vervormingen, die mogelijk de sterkte verminderen of kunnen leiden tot een gebrekkige stabiliteit, in geval van stapeling van de verpakkingen.

In de gevallen dat de stabiliteit wordt onderzocht na de stapelproef (b.v. bij een stapelproef met een geleide massa bij vaten en jerrycans), is er sprake van een voldoende stabiliteit in de stapeling, indien na de stapelproef - bij kunststof verpakkingen na afkoeling tot kamertemperatuur - twee gevulde verpakkingen van hetzelfde type, geplaatst op het monster van de beproeving een uur lang op hun plaats blijven.

Aanvullende beproeving van permeatie bij vaten en jerrycans van kunststof volgens rn. 1526 en combinatieverpakkingen (kunststof) volgens rn. 1537, bestemd voor het vervoer van vloeistoffen met een vlampunt ≤ 61 °C, met uitzondering van de verpakkingen 6HA1

1556 (1) Bij verpakkingen van polyetheen moet deze beproeving alleen worden uitgevoerd, wanneer deze moeten worden toegelaten voor het vervoer van benzeen, tolueen, xyleen of mengsels en preparaten, die deze stoffen bevatten.

(2) Aantal monsters voor de beproeving:

Drie monsters per constructietype en per fabrikant.

(3) Bijzondere voorbereiding van de monsters voor de beproeving:

Vóór de beproeving moeten de monsters worden opgeslagen met de originele in de verpakking toe te laten stof volgens rn. 1551 (5), of, in het geval van verpakkingen van hoogmoleculair polyetheen, met de standaardvloeistof koolwaterstofmengsel (white spirit) volgens rn. 1551 (6).

(4) Beproevingsmethode:

De monsters voor de beproeving, gevuld met de stof waarvoor de verpakking eventueel zal worden toegelaten, moeten vóór en na een andere opslag van 28 dagen bij 23 °C en een relatieve luchtvochtigheid van 50 % worden gewogen. In geval van verpakkingen van hoogmoleculair polyetheen mag de beproeving in plaats van met benzeen, tolueen of xyleen worden uitgevoerd met de standaardvloeistof koolwaterstofmengsel (white spirit).

(5) Criterium voor een voldoende beproevingsresultaat:

De permeatie mag niet meer bedragen dan 0,008 >NUM>g

>DEN>l 7 h

Aanvullende beproeving voor tonnen van natuurlijk hout met spongat

1557 (1) Aantal monsters voor de beproeving:

Eén monster per constructietype en per fabrikant.

(2) Beproevingsmethode:

Alle hoepels boven de buik van de lege ton, die ten minste twee dagen tevoren in elkaar is gezet, moeten worden verwijderd.

(3) Criterium voor een voldoende beproevingsresultaat:

De vergroting van de diameter van het bovenste deel van de ton mag niet meer zijn dan 10 %.

Toelating van samengestelde verpakkingen

Opmerking: Samengestelde verpakkingen moeten beproefd worden volgens de bepalingen, van toepassing op de buitenverpakkingen.

1558 (1) Bij de beproevingen van de constructietypen van samengestelde verpakkingen kunnen tegelijkertijd verpakkingen worden toegelaten:

a) met binnenverpakkingen met kleinere inhoud,

b) met een lagere massa dan die van het beproefde constructietype.

(2) Indien verschillende typen samengestelde verpakkingen met verschillende typen binnenverpakkingen zijn toegelaten, dan mogen de verschillende binnenverpakkingen ook in een enkele buitenverpakking worden verenigd, op voorwaarde dat de afzender garandeert, dat dit collo voldoet aan de beproevingseisen.

(3) Voor zover de mechanische eigenschappen van kunststof binnenverpakkingen niet merkbaar veranderen onder invloed van de stof in de verpakking, is het niet noodzakelijk het bewijs te leveren van voldoende chemische bestendigheid. Onder een merkbare verandering van de mechanische eigenschappen wordt verstaan:

a) een duidelijk bros worden van het materiaal;

b) een aanzienlijke verlaging van de vloeigrens, tenzij deze gepaard gaat met een ten minste evenredige verhoging van de rek bij de vloeigrens.

(4) Indien een buitenverpakking van een samengestelde verpakking met succes beproefd is met verschillende typen binnenverpakkingen, dan kunnen verschillende van deze binnenverpakkingen in deze buitenverpakking worden samengevoegd. Bovendien zijn, voor zover een gelijkwaardig prestatieniveau gehandhaafd blijft, de volgende variaties van de binnenverpakkingen toegestaan zonder dat het collo aan andere beproevingen moet worden onderworpen:

a) Binnenverpakkingen met gelijke of kleinere afmetingen mogen worden gebruikt onder voorwaarde dat:

i) de binnenverpakkingen een gelijksoortige vormgeving hebben als de beproefde binnenverpakkingen (b.v. vorm - rond, rechthoekig, enz.);

ii) het materiaal, gebruikt voor de vervaardiging van de binnenverpakkingen (glas, kunststof, metaal, enz.) een gelijke of hogere weerstand biedt tegen stoot- of stapelkrachten als de oorspronkelijk beproefde binnenverpakking;

iii) de binnenverpakkingen dezelfde of kleinere openingen bezitten en de sluiting vergelijkbaar is uitgevoerd (b.v. schroefkap, druksluiting, enz.);

iv) gebruik gemaakt wordt van extra opvullend materiaal in voldoende hoeveelheid om de lege tussenruimten op te vullen en elke noemenswaardige beweging van de binnenverpakkingen te verhinderen; en

v) de binnenverpakkingen op dezelfde wijze georiënteerd zijn in de buitenverpakking als in het beproefde collo;

b) Een geringer aantal beproefde of andere, onder a) beschreven, soorten binnenverpakkingen kan worden gebruikt, onder voorwaarde dat voldoende opvulstoffen worden toegevoegd om de lege tussenruimte(n) op te vullen en elke noemenswaardige beweging van de binnenverpakkingen te verhinderen;

(5) Voorwerpen of binnenverpakkingen van een willekeurig type voor vaste stoffen of vloeistoffen mogen worden samengevoegd en vervoerd, zonder dat deze aan beproevingen in een buitenverpakking zijn onderworpen, onder de volgende voorwaarden:

a) De buitenverpakking moet met succes volgens rn. 1552 zijn beproefd met breekbare binnenverpakkingen (b.v. van glas), die vloeistoffen bevatten, bij een valhoogte overeenkomstig verpakkingsgroep I.

b) De totale bruto massa van alle binnenverpakkingen mag niet hoger zijn dan de helft van de bruto massa van de binnenverpakkingen die voor de hierboven onder a) bedoelde valproef zijn gebruikt.

c) De dikte van het opvulmateriaal tussen de binnenverpakkingen onderling en tussen de binnenverpakkingen en de buitenzijde van de verpakking mag niet teruggebracht worden tot een waarde, lager dan de overeenkomstige dikte van de oorspronkelijk beproefde verpakking; indien bij de oorspronkelijke beproeving gebruik is gemaakt van één binnenverpakking, mag de dikte van het opvulmateriaal tussen de binnenverpakkingen niet lager zijn dan de dikte van het opvulmateriaal tussen de buitenzijde van de verpakking en de binnenverpakking bij de oorspronkelijke beproeving. Indien gebruik gemaakt wordt van minder of kleinere binnenverpakkingen (in vergelijking tot de binnenverpakkingen, gebruikt bij de valproef), moet voldoende opvulmateriaal worden toegevoegd om de tussenruimten op te vullen.

d) De buitenverpakking moet in ledige toestand de in rn. 1555 beschreven stapelproef hebben doorstaan. De totale massa van identieke colli moet gebaseerd zijn op de totale massa van de binnenverpakkingen die voor de hierboven onder a) bedoelde valproef zijn gebruikt.

e) Binnenverpakkingen die vloeistoffen bevatten, moeten volledig zijn omringd door een hoeveelheid absorberend materiaal, die voldoende is om de volledige hoeveelheid vloeistof die aanwezig is in de binnenverpakkingen te absorberen.

f) Indien de buitenverpakking die bestemd is voor binnenverpakkingen met vloeistoffen, niet vloeistofdicht is, of indien de buitenverpakking die bestemd is voor binnenverpakkingen met vaste stoffen, niet stofdicht is, moet een geschikt middel worden gebruikt om de vloeibare of vaste inhoud in geval van lekkage binnen te houden, zoals een dichte bekleding, een kunststof zak of een ander even werkzaam middel. Bij verpakkingen die vloeistoffen bevatten, moet het hierboven onder e) voorgeschreven absorberend materiaal binnen het middel, bedoeld om de vloeibare inhoud binnen te houden, aangebracht zijn.

g) De verpakkingen moeten van kenmerken overeenkomstig het bepaalde in rn. 1512 zijn voorzien, waaruit blijkt dat de verpakkingen zijn onderworpen aan de prestatiebeproevingen van verpakkingsgroep I voor samengestelde verpakkingen. De aangegeven hoogste bruto massa in kg moet overeenkomen met de som van de massa van de buitenverpakking en de helft van de massa van de binnenverpakking(en) die voor de hierboven onder a) bedoelde valproef zijn gebruikt. In het kenmerk moet de letter "V" zijn opgenomen overeenkomstig rn. 1512 (5), ter aanduiding van een speciale verpakking.

Toelating van bergingsverpakkingen

1559 Bergingsverpakkingen [zie rn. 1510 (1)] moeten worden beproefd en gekenmerkt overeenkomstig de bepalingen van toepassing op verpakkingen van verpakkingsgroep II, bestemd voor vervoer van vaste stoffen of binnenverpakkingen, met uitzondering van het volgende:

(1) De voor de beproeving te gebruiken stof moet water zijn; de verpakkingen moeten ten minste 98 % van hun grootste inhoud zijn gevuld. Het is toegestaan om ter verkrijging van de vereiste totale massa van het collo andere materialen erbij te gebruiken, zoals zakken met loodkorrels, mits zij zodanig worden geplaatst dat de betrouwbaarheid van de beproevingsresultaten niet wordt verminderd. Als alternatief mag bij de uitvoering van de valproef de valhoogte overeenkomstig rn. 1552 (4)b) worden gevarieerd.

(2) De verpakkingen moeten bovendien met goed gevolg aan de dichtheidsproef bij 30 kPa zijn onderworpen; de resultaten van deze beproeving moeten in het beproevingsrapport volgens rn. 1560 zijn weergegeven.

(3) De verpakkingen moeten, zoals aangegeven in rn. 1512 (5), met de hoofdletter "T" zijn gekenmerkt.

Beproevingsrapport

1560 Van de beproeving moet een rapport gemaakt worden, dat ten minste de volgende gegevens moet bevatten en dat aan de gebruikers van de verpakking ter beschikking moet staan:

1. Instantie die de beproeving heeft uitgevoerd;

2. Opdrachtgever;

3. Fabrikant van de verpakking;

4. Beschrijving van de verpakking (b.v. bijzondere kenmerken zoals materiaal, binnenbekleding, afmetingen, wanddikten, massa, sluitingen, inkleuring van kunststoffen);

5. Constructietekening van de verpakking en van de sluitingen (eventueel foto's);

6. Wijze van fabricage;

7. Grootste inhoud;

8. Eigenschappen van de voor de beproeving gebruikte inhoud, b.v. viscositeit en relatieve dichtheid bij vloeistoffen en deeltjesgrootte bij vaste stoffen;

9. Valhoogte;

10. Beproevingsdruk bij de dichtheidsproef volgens rn. 1553;

11. Beproevingsdruk bij de beproeving met inwendige druk volgens rn. 1554;

12. Stapelhoogte;

13. Resultaten van de beproeving;

14. Uniek identificatienummer van het beproevingsrapport;

15. Datum van het beproevingsrapport;

16. Het beproevingsrapport moet zijn ondertekend, met de naam en de functionele benaming van de ondertekenaar.

Het beproevingsrapport moet een verklaring bevatten dat de verpakking, als voor verzending gereedgemaakt, is beproefd in overeenstemming met de overeenkomstige voorschriften van Aanhangsel V en dat dit beproevingsrapport door gebruik van andere verpakkingsmethoden ongeldig kan worden. Een exemplaar van het beproevingsrapport moet aan de bevoegde autoriteit ter beschikking worden gesteld.

B. Dichtheidsproef voor alle nieuwe, omgebouwde en gereconditioneerde verpakkingen, bestemd voor vloeistoffen

1561 (1) Uitvoering van de beproeving:

Elke afzonderlijke verpakking, bestemd voor vloeistoffen, moet voldoen aan een geschikte dichtheidsproef:

alvorens deze de eerste maal voor het vervoer wordt gebruikt,

na ombouw of reconditionering, voordat deze opnieuw voor het vervoer wordt gebruikt.

Voor deze beproeving is het niet nodig dat de verpakkingen met hun eigen sluitingen zijn uitgerust.

De binnenhouder van een combinatieverpakking mag zonder buitenverpakking worden beproefd, tenzij de betrouwbaarheid van de beproevingsresultaten hierdoor worden verminderd.

Deze beproeving is echter niet vereist voor:

binnenverpakkingen van samengestelde verpakkingen;

binnenhouders van combinatieverpakkingen (glas, porselein of aardewerk) volgens rn. 1510 (2);

verpakkingen met afneembaar deksel bestemd voor stoffen waarvan de viscositeit bij 23 °C meer dan 200 mm2/s bedraagt;

lichte metalen verpakkingen volgens rn. 1510 (2).

(2) Beproevingsmethode:

De perslucht moet bij elke verpakking door de vulopening worden ingebracht. De verpakkingen moeten in water worden ondergedompeld; de wijze waarop de verpakkingen onder water worden gehouden, mag de betrouwbaarheid van het beproevingsresultaat niet verminderen. Het is ook toegestaan om naden of andere delen van de verpakkingen, waar lekkage zou kunnen optreden, te bedekken me