31993R0990

Verordening (EEG) nr. 990/93 van de Raad van 26 april 1993 betreffende de handel tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro)

Publicatieblad Nr. L 102 van 28/04/1993 blz. 0014 - 0016
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 11 Deel 22 blz. 0003
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 11 Deel 22 blz. 0003


VERORDENING (EEG) Nr. 990/93 VAN DE RAAD van 26 april 1993 betreffende de handel tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Overwegende dat de Gemeenschap en haar Lid-Staten hebben besloten om met ingang van 7 april 1992 de onafhankelijkheid van de Republiek Bosnië-Herzegovina te erkennen;

Overwegende dat deze Republiek op 23 mei 1992 lid is geworden van de Verenigde Naties;

Overwegende dat de aanhoudende directe en indirecte activiteiten van de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) in en ten opzichte van de Republiek Bosnië-Herzegovina de voornaamste oorzaak zijn van de dramatische ontwikkelingen in de Republiek Bosnië-Herzegovina;

Overwegende dat voortduring van deze activiteiten tot verder onaanvaardbaar verlies van mensenlevens en materiële schade zal leiden en tot verdere verstoring van de internationale vrede en veiligheid in de regio;

Overwegende dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij herhaling zijn ernstige bezorgdheid heeft uitgesproken over de snelle en gewelddadige verslechtering van de situatie in de Republiek Bosnië-Herzegovina;

Overwegende dat de President van de Republiek Bosnië-Herzegovina de hulp van de internationale gemeenschap voor zijn land heeft ingeroepen tegen de inmenging van de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) in de binnenlandse aangelegenheden van de Republiek Bosnië-Herzegovina;

Overwegende dat de Bosnische Servische partij tot dusver het vredesplan van de Internationale Conferentie over het voormalige Joegoslavië niet volledig heeft aanvaard ondanks desbetreffende oproepen van de Veiligheidsraad;

Overwegende dat de Gemeenschap en haar Lid-Staten, in het kader van de politieke samenwerking bijeen, hebben besloten dat er maatregelen moeten worden genomen om de Republieken Servië en Montenegro ervan te weerhouden de integriteit en de veiligheid van de Republiek Bosnië-Herzegovina verder te schenden en de Bosnische Servische partij tot medewerking te bewegen bij het herstel van de vrede in bedoelde Republiek;

Overwegende dat verdere schendingen van het bestaande embargo tegen de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro), met name door doorvoer door deze Republiek en door activiteiten tussen deze Republiek en de door Servië gecontroleerde gebieden in de Republiek Bosnië-Herzegovina en de door de Verenigde Naties beschermde gebieden in de Republiek Kroatië, moeten worden voorkomen;

Overwegende dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op grond van hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties, Resolutie 820 (1993) heeft aangenomen met het oog op versterking van het embargo tegen de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) waartoe in de Resoluties 713 (1991), 752 (1992) en 787 (1992) was besloten;

Overwegende dat de Gemeenschap onder deze omstandigheden het embargo tegen de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro), zoals dat is vastgesteld bij de Verordeningen (EEG) nr. 1432/92 (1) en (EEG) nr. 2656/92 (2), moet versterken;

Overwegende dat de Gemeenschap en haar Lid-Staten zijn overeengekomen gebruik te maken van een Gemeenschapsbesluit, onder andere met het oog op de verzekering van een uniforme tenuitvoerlegging in de gehele Gemeenschap van bepaalde van deze maatregelen;

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 113,

Gezien het voorstel van de Commissie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Met ingang van 26 april 1993 zijn verboden:

a) het binnenbrengen op het grondgebied van de Gemeenschap van alle grondstoffen en produkten die van oorsprong of herkomst zijn uit, of zijn doorgevoerd door de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro);

b) de uitvoer naar en de doorvoer door de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) van alle grondstoffen en produkten die van oorsprong of herkomst zijn uit, of worden doorgevoerd door de Gemeenschap;

c) het binnenvaren van de territoriale zee van de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) voor alle commercieel verkeer;

d) alle activiteiten die ten doel of tot gevolg hebben dat de onder a), b) of c) bedoelde verrichtingen rechtstreeks of onrechtstreeks worden bevorderd;

e) het verstrekken van niet-financiële diensten aan personen of instanties ten behoeve van enige bedrijfsactiviteit die in de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) wordt uitgevoerd.

2. Voor het luchtvervoer en het vervoer over zee en over de binnenwateren wordt het verbod als volgt toegepast:

a) toestemming tot het opstijgen van, landen op of overvliegen van het grondgebied van de Gemeenschap wordt geweigerd aan alle vliegtuigen waarmee zal worden geland op het grondgebied van de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) of die aldaar zijn opgestegen;

b) vaartuigen waarvoor een meerderheidsbelang berust bij, of waarover controlemacht wordt uitgeoefend door een persoon of onderneming in, of opererend vanuit de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro), worden voor de toepassing van deze verordening en de daarmee samenhangende wetgeving beschouwd als vaartuigen van deze Republiek, ongeacht de vlag waaronder zij varen.

Artikel 2

De verbodsbepalingen van artikel 1 zijn niet van toepassing op:

a) de uitvoer uit of de doorvoer door de Gemeenschap naar de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) van medische produkten en levensmiddelen die zijn aangemeld bij het Comité dat is opgericht krachtens Resolutie 724 (1991) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;

b) de uitvoer uit of de doorvoer door de Gemeenschap naar de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) van goederen voor eerste levensbehoeften waarvoor bovenbedoeld Comité, per geval, toestemming heeft verleend in het kader van zijn procedure van geen bezwaar;

c) het binnenbrengen op het grondgebied van de Gemeenschap van grondstoffen en produkten die van oorsprong of herkomst zijn uit de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) en die vóór 31 mei 1992 uit deze Republiek zijn uitgevoerd of die aldaar vóór 26 april 1993 wettig zijn binnengebracht om door deze Republiek te worden doorgevoerd;

d) de doorvoer over het grondgebied van de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) waarvoor bovenbedoeld Comité toestemming heeft verleend, op voorwaarde dat bij doorvoer over de Donau een doeltreffend toezicht op elk betrokken vaartuig wordt uitgeoefend terwijl het op de Donau vaart tussen Vidin/Calafat en Mohacs;

e) telecommunicatie- en postdiensten en juridische diensten die zich met deze verordening verdragen, alsmede diensten die nodig kunnen zijn voor humanitaire en andere uitzonderlijke doeleinden en waarvoor bovenbedoeld Comité, per geval, toestemming heeft verleend;

f) het binnenvaren van de territoriale zee van de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) door vaartuigen voor commercieel verkeer waarvoor bovenbedoeld Comité, per geval, toestemming heeft verleend, of in geval van overmacht;

g) alle activiteiten die ten doel of tot gevolg hebben dat de in dit artikel genoemde activiteiten worden bevorderd.

Artikel 3

Vanaf 26 april 1993 zijn verboden:

a) het binnenbrengen op het grondgebied van de Gemeenschap van alle grondstoffen en produkten die van oorsprong of herkomst zijn uit of die zijn doorgevoerd door de door de Verenigde Naties beschermde gebieden in de Republiek Kroatië en de gebieden van de Republiek Bosnië-Herzegovina die gecontroleerd worden door de strijdkrachten van de Bosnische Serviërs;

b) de uitvoer naar of doorvoer door bovengenoemde gebieden van alle grondstoffen en produkten die van oorsprong of herkomst zijn uit of die zijn doorgevoerd door de Gemeenschap,

tenzij naar behoren toestemming is verleend door respectievelijk de Regering van de Republiek Bosnië-Herzegovina of de Regering van de Republiek Kroatië.

Artikel 4

Het verbod van artikel 3 is niet van toepassing op de uitvoer naar, de invoer uit of de doorvoer door de betrokken gebieden van goederen voor eerste levensbehoeften, met inbegrip van door de internationale humanitaire organisaties verstrekte medische produkten en levensmiddelen.

Artikel 5

Voor de volgende activiteiten is een voorafgaande vergunning vereist die is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten:

a) de uitvoer naar de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) van grondstoffen en produkten voor medische doeleinden, levensmiddelen en goederen voor eerste levensbehoeften overeenkomstig artikel 2, onder a) en b);

b) de doorvoer overeenkomstig de artikelen 2, onder d), en 3;

c) uitvoer naar en invoer uit de door de Verenigde Naties beschermde gebieden in de Republiek Kroatië en de gebieden van de Republiek Bosnië-Herzegovina die gecontroleerd worden door de strijdkrachten van de Bosnische Serviërs, overeenkomstig artikel 3.

Artikel 6

Artikel 1 is van toepassing ongeacht de rechten of verplichtingen verleend of opgelegd door internationale overeenkomsten of contracten die zijn gesloten of vergunningen die zijn verleend vóór 31 mei 1992.

Artikel 7

De bepalingen van de artikelen 1, 3, 5 en 6 zijn niet van toepassing op de activiteiten met betrekking tot UNPROFOR, de Conferentie over het voormalige Joegoslavië of de Waarnemingsmissie van de Europese Gemeenschap.

Artikel 8

Alle vaartuigen, vrachtvoertuigen, rollend materieel en luchtvaartuigen waarvoor een meerderheidsbelang berust bij of waarover een controlemacht wordt uitgeoefend door een persoon of onderneming in of die opereert vanuit de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) worden in beslag genomen door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten.

De kosten van beslaglegging op vaartuigen, vrachtvoertuigen, rollend materieel en luchtvaartuigen kunnen op de eigenaars worden verhaald.

Artikel 9

Alle vaartuigen, vrachtvoertuigen, rollend materieel, luchtvaartuigen en vracht waarvan vermoed wordt dat zij Verordening (EEG) nr. 1432/92 of de onderhavige verordening hebben geschonden of schenden, worden vastgehouden door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten in afwachting van onderzoek.

Artikel 10

Elke Lid-Staat stelt de sancties op de inbreuken op de bepalingen van deze verordening vast.

Wanneer is vastgesteld dat vaartuigen, vrachtvoertuigen, rollend materieel, luchtvaartuigen en vrachten deze verordening hebben miskend, kunnen deze door de Lid-Staat waarvan de bevoegde autoriteiten deze in beslag hebben genomen of vasthouden, verbeurd worden verklaard.

Artikel 11

Deze verordening is van toepassing op het grondgebied van de Gemeenschap, met inbegrip van haar luchtruim, en op elk luchtvaartuig of vaartuig onder jurisdictie van een Lid-Staat, alsmede op iedere persoon elders die een onderdaan is van een Lid-Staat of die rechtspersoonlijkheid heeft verkregen dan wel is opgericht volgens het recht van een Lid-Staat.

Artikel 12

De Verordeningen (EEG) nr. 1432/92, (EEG) nr. 2656/92 en (EEG) nr. 2655/92 worden hierbij ingetrokken.

Artikel 13

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Luxemburg, 26 april 1993.

Voor de Raad De Voorzitter B. WESTH