31991R3924

Verordening (EEG) nr. 3924/91 van de Raad van 19 december 1991 betreffende de totstandbrenging van een communautaire enquête naar de industriële produktie

Publicatieblad Nr. L 374 van 31/12/1991 blz. 0001 - 0003
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 21 blz. 0250
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 21 blz. 0250


VERORDENING (EEG) Nr. 3924/91 VAN DE RAAD

van 19 december 1991

betreffende de totstandbrenging van een communautaire enquête naar de industriële

produktie

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 213,

Gezien de door de Commissie ingediende ontwerp-verordening,

Overwegende dat de Commissie over recente, volledige en betrouwbare gegevens over de industriële produktie in de Gemeenschap dient te beschikken, ten einde de haar door de Verdragen opgelegde verplichtingen na te komen, met name met het oog op de totstandbrenging van de interne markt, als bepaald in artikel 8 A van het EEG-Verdrag;

Overwegende dat het bedrijfsleven aan dergelijke informatie behoefte heeft om meer inzicht in de markt te verkrijgen; dat ten gevolge van de internationale dimensie van de markt de vergelijking van de gegevens over de produktie met die over de buitenlandse handel dient te worden bevorderd;

Overwegende dat een dergelijke vergelijking nuttig en mogelijk is, indien de produktiestatistiek nagenoeg dezelfde mate van detaillering heeft als de eerste zes cijfers van de gecombineerde nomenclatuur, die bovendien met de codering van het geharmoniseerde systeem overeenkomt;

Overwegende dat de gecombineerde nomenclatuur een goederennomenclatuur is waarmee het bedrijfsleven reeds vertrouwd is; dat het in zijn belang is dat deze nomenclatuur wordt gebruikt in plaats van een nieuwe die specifiek de produktie betreft;

Overwegende dat een geïntegreerde informatie slechts dan met de voor het beheer van de interne markt noodzakelijke betrouwbaarheid, snelheid, soepelheid en gedetailleerdheid kan worden verstrekt, wanneer de Lid-Staten voor hun enquêtes nomenclaturen toepassen die van een zelfde produktenlijst zijn afgeleid;

Overwegende dat de Lid-Staten, met het oog op hun nationale behoeften, het recht hebben om in hun nationale nomenclaturen details te handhaven of in te voegen die niet op de communautaire lijst van produkten voorkomen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Algemeen

De Lid-Staten houden een communautaire statistische enquête naar de industriële produktie.

Artikel 2

Waarnemingsgebied en kenmerken van de enquête

1. De enquête omvat de activiteiten die zijn omschreven in de afdelingen C, D en E van de statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap (NACE Rev. 1), als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 3037/90 (1).

2. De produkten waarop de enquête betrekking heeft, zijn vastgesteld in de lijst van produkten, hierna "Prodcom-lijst" genoemd, waarvan de rubrieken in beginsel uit artikelen of groepen artikelen van de gecombineerde nomenclatuur bestaan en in verband staan met de andere produktennomenclaturen van de Gemeenschap.

3. Bij de enquête wordt voor elke rubriek informatie ingewonnen over:

a) de gedurende de enquêteperiode verhandelde produktie in fysieke hoeveelheden,

b)

de gedurende de enquêteperiode verhandelde produktie in waarde.

4. In sommige gevallen wordt de informatie vervangen door een van de volgende twee mogelijkheden:

a) de gedurende de enquêteperiode voortgebrachte produktie, met inbegrip van de in andere produkten van dezelfde onderneming verwerkte produktie, in fysieke hoeveelheden,

b)

de gedurende de enquêteperiode voor verhandeling voortgebrachte produktie in waarde en/of fysieke hoeveelheden.

5. In iedere Lid-Staat bestrijken de produktie-enquêtes de produktie die daadwerkelijk op het grondgebied van de betreffende Staat tot stand is gekomen, doch niet de produktie die daarbuiten voor rekening van bepaalde ondernemingen van die Staat is verwezenlijkt.

6. De Prodcom-lijst, de voor elke rubriek in te winnen informatie, alsmede andere uitvoeringsbepalingen van deze verordening worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 10. De bijwerking van de Prodcom-lijst geschiedt volgens dezelfde procedure.

Artikel 3

Representativiteit

1. De produktie van het totaal van de ondernemingen in de Gemeenschap dient met voldoende nauwkeurigheid per klasse van NACE Rev. 1 te worden opgetekend.

2. De Lid-Staten nemen enquêtemethoden aan waarmee gegevens kunnen worden ingewonnen bij ondernemingen die ten minste 90 % van de landelijke produktie per klasse van NACE Rev. 1 omvatten. In uitzonderlijke gevallen kan echter volgens de procedure van artikel 10 een afwijkende drempel worden vastgesteld.

3. Voor de evaluatie van de produktie worden alle ondernemingen met ten minste 20 werknemers in aanmerking genomen. Deze drempel wordt bijgesteld op grond van het in het voorgaande lid genoemde representativiteitscriterium.

4. Wanneer de produktie van de ondernemingen van een NACE Rev. 1-klasse in een Lid-Staat minder dan 1 procent van de totale produktie van de Gemeenschap omvat, behoeft de informatie over de rubrieken van deze klasse niet te worden ingewonnen.

5. De eventueel noodzakelijke toepassingsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 10.

Artikel 4

Frequentie

De enquête bestrijkt een tijdvak van een kalenderjaar.

Voor bepaalde rubrieken van de Prodcom-lijst kunnen evenwel, volgens de procedure van artikel 10, maandelijkse of driemaandelijkse gegevens worden opgetekend.

Artikel 5

Verzameling van gegevens

1. De benodigde informatie wordt door de Lid-Staten ingewonnen via vragenlijsten waarvan de inhoud in overeenstemming is met bepalingen die volgens de procedure van artikel 10 worden vastgesteld.

2. De door de Lid-Staten aangesproken ondernemingen zijn verplicht de benodigde informatie waarheidsgetrouw, volledig en binnen de gestelde termijn te verstrekken.

3. Er behoeft geen enquête te worden verricht, indien de Lid-Staten uit andere bronnen reeds over minstens even gedetailleerde informatie van minstens even goede kwaliteit beschikken.

4. De Lid-Staten verstrekken het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, op verzoek van het Bureau, alle informatie, met name inzake de methodiek, die nodig is voor de toepassing van de onderhavige verordening.

Artikel 6

Verwerking van de resultaten

De Lid-Staten behandelen de gegevens van de in artikel 5, lid 1, bedoelde vragenlijsten en de informatie uit andere bronnen bedoeld in artikel 5, lid 3, op de volgens de procedure van artikel 10 vastgestelde wijze.

Artikel 7

Overdracht van de resultaten

1. De Lid-Staten doen binnen zes maanden na het einde van het enquêtejaar de resultaten van de jaarlijkse enquête toekomen aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, met inbegrip van de gegevens die volgens nationaal recht vertrouwelijk zijn; deze gegevens dienen als zodanig uitdrukkelijk te worden vermeld.

2. De uitkomsten met betrekking tot rubrieken waarvoor is voorzien in een referentieperiode korter dan één jaar, worden doorgegeven op de volgens de procedure van artikel 10 vastgestelde wijze.

3. De aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen doorgegeven gegevens worden vertrouwelijk behandeld, overeenkomstig de bepalingen van Verordening (Euratom, EEG) nr. 1588/90 (1).

4. De eerste enquête bestrijkt het jaar 1993. Te zamen met de uitkomsten over 1993 verstrekken de Lid-Staten gegevens over 1992 op basis van de beschikbare nationale statistieken die het nauwst met de Prodcom-lijst overeenstemmen.

Artikel 8

Overgangsperiode

Ten aanzien van de artikelen 1 tot en met 7 worden voor de eerste enquêtes betreffende de jaren 1993 en 1994 maatregelen voor een geleidelijke toepassing van die bepalingen genomen.

Artikel 9

Comité

De uitvoeringsbepalingen van de verordening en de maatregelen die noodzakelijk zijn ter aanpassing aan de technische ontwikkelingen op het gebied van de gegevensinwinning en de verwerking van de resultaten, worden overeenkomstig de procedure van artikel 10, na raadpleging van het bij Besluit 89/382/EEG, Euratom (1) opgerichte Comité statistisch programma, door de Commissie vastgesteld.

Artikel 10

Procedure

1. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

2. a) De Commissie stelt maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn.

b)

Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het advies dat het Comité heeft uitgebracht, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval stelt de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten, voor drie maanden na deze kennisgeving uit.

De Raad kan binnen de in de eerste alinea genoemde termijn met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

Artikel 11

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 19 december 1991.

Voor de Raad

De Voorzitter

P. DANKERT

(1) PB nr. L 293 van 24. 10. 1990, blz. 1.

(1) PB nr. L 151 van 15. 6. 1990, blz. 1.

(1) PB nr. L 181 van 28. 6. 1989, blz. 47.