31989L0655

Richtlijn 89/655/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats (tweede bijzondere Richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Publicatieblad Nr. L 393 van 30/12/1989 blz. 0013 - 0017
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 5 Deel 4 blz. 0182
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 5 Deel 4 blz. 0182


RICHTLIJN VAN DE RAAD van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats ( tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG ) ( 89/655/EEG )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 118 A,

Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ), ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats,

In samenwerking met het Europese Parlement ( 2 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 3 ),

Overwegende dat in artikel 118 A van het Verdrag wordt bepaald dat de Raad door middel van richtlijnen minimumvoorschriften vaststelt om de verbetering van met name het arbeidsmilieu te bevorderen, ten einde een betere bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te waarborgen;

Overwegende dat volgens dit artikel in deze richtlijnen wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat zij oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen zouden kunnen hinderen;

Overwegende dat de mededeling van de Commissie over haar programma inzake de veiligheid, de hygiëne en de gezondheid op het werk ( 4 ) voorziet in de vaststelling van een richtlijn betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats;

Overwegende dat de Raad in zijn resolutie van 21 december 1987 betreffende de veiligheid, de hygiëne en de gezondheid op de arbeidsplaats ( 5 ) nota heeft genomen van het voornemen van de Commissie om hem op korte termijn minimumvoorschriften voor te leggen betreffende de organisatie van de veiligheid en de gezondheid op de arbeidsplaats;

Overwegende dat de naleving van de minimumvoorschriften die een hogere graad van bescherming en gezondheid kunnen garanderen bij het gebruik van arbeidsmiddelen, een vereiste is voor het waarborgen van veiligheid en gezondheid van de werknemers;

PB nr . C 106 van 26 . 4 . 1989, blz . 13, en

PB nr . C 287 van 15 . 11 . 1989, blz . 12 .

PB nr . C 256 van 9 . 10 . 1989, blz . 65 .

Overwegende dat deze richtlijn een bijzondere richtlijn is in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk ( 6 ); dat de bepalingen van die richtlijn derhalve ten volle gelden voor het gebruik door de werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats, onverminderd dwingender en/of specifieke bepalingen die in deze richtlijn zijn opgenomen;

Overwegende dat deze richtlijn een concreet element vormt in het kader van de verwezenlijking van de sociale dimensie van de interne markt;

Overwegende dat de Lid-Staten krachtens Richtlijn 83/189/EEG ( 7 ) de Commissie ieder ontwerp voor een technisch voorschrift dat van toepassing is op machines, apparaten en installaties, moeten mededelen;

Overwegende dat het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats krachtens Besluit 74/325/EEG ( 8), laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1985, door de Commissie wordt geraadpleegd voor het uitwerken van voorstellen op dit gebied,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :

AFDELING I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doel

1 . In deze richtlijn, die de tweede bijzondere richtlijn is in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG, worden minimumvoorschriften vastgesteld inzake veiligheid en gezondheid voor het gebruik op het werk van de arbeidsmiddelen omschreven in artikel 2 door de werknemers .

2 . De bepalingen van Richtlijn 89/391/EEG gelden ten volle voor het gehele in lid 1 bedoelde terrein, onverminderd dwingender en/of specifieke bepalingen die in deze richtlijn zijn opgenomen .

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder :

a ) arbeidsmiddelen : alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, apparaten, gereedschappen en installaties;

b ) gebruik van arbeidsmiddelen : elke activiteit met betrekking tot een arbeidsmiddel, zoals ingebruikneming of buitengebruikstelling, aanwending, vervoer, reparatie, ombouwing, onderhoud, verzorging, waaronder met name ook reiniging;

c ) gevaarlijke zone : elke zone in en/of rondom een arbeidsmiddel waar de aanwezigheid van een blootgestelde werknemer een gevaar voor diens veiligheid of gezondheid oplevert;

d ) blootgestelde werknemer : elke werknemer die zich geheel of gedeeltelijk in een gevaarlijke zone bevindt;

e )

bediener : de werknemer(s ) die tot taak heeft ( hebben ) een arbeidsmiddel te gebruiken .

AFDELING II

VERPLICHTINGEN VAN DE WERKGEVERS

Artikel 3

Algemene verplichtingen

1 . De werkgever neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat arbeidsmiddelen die in de onderneming en/of de inrichting ter beschikking van de werknemers worden gesteld, geschikt zijn voor het uit te voeren werk of daartoe behoorlijk zijn aangepast, zodat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers tijdens het gebruik van deze arbeidsmiddelen kunnen worden gewaarborgd .

Bij de keuze van de arbeidsmiddelen die hij overweegt te gebruiken, houdt de werkgever rekening met de arbeidsomstandigheden en de specifieke kenmerken van de arbeid en met de in de onderneming en/of inrichting, met name op de werkplek, bestaande risico's voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers en/of de risico's die daaraan zouden kunnen worden toegevoegd door het gebruik van de desbetreffende arbeidsmiddelen .

2 . Wanneer het niet mogelijk is de veiligheid en de gezondheid van de werknemers aldus volledig te waarborgen bij het gebruik van arbeidsmiddelen, treft de werkgever passende maatregelen om de risico's tot een minimum te beperken .

Artikel 4

Voorschriften betreffende de arbeidsmiddelen

1 . Onverminderd artikel 3 moet de werkgever aanschaffen en/of gebruiken :

a ) arbeidsmiddelen die, indien zij na 31 december 1992 voor de eerste maal ter beschikking van de werknemers worden gesteld in de onderneming en/of inrichting, voldoen :

ii ) aan de bepalingen van alle communautaire richtlijnen die ter zake van toepassing zijn;

ii ) aan de minimumvoorschriften van de bijlage voor zover andere communautaire richtlijnen niet of slechts ten dele van toepassing zijn;

b ) arbeidsmiddelen die, indien zij op 31 december 1992 reeds ter beschikking van de werknemers staan in de onderneming en/of inrichting, uiterlijk vier jaar na deze datum voldoen aan de in de bijlage opgenomen minimumvoorschriften .

2 . De werkgever neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de arbeidsmiddelen tijdens de gehele gebruiksduur door een adequaat onderhoud in zodanige staat worden gehouden dat zij, naar gelang van het geval, aan de bepalingen van lid 1, onder a ) of onder b ), voldoen .

Artikel 5

Arbeidsmiddelen met een specifiek gevaar

Wanneer het gebruik van een arbeidsmiddel een specifiek gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers kan opleveren, neemt de werkgever de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat :

- het gebruik van het arbeidsmiddel voorbehouden blijft aan werknemers die met dat gebruik belast zijn;

- de betrokken werknemers in geval van reparatie, ombouwing, onderhoud of verzorging daartoe een specifieke bekwaamheid bezitten .

Artikel 6

Voorlichting van de werknemers

1 . Onverminderd artikel 10 van Richtlijn 89/391/EEG neemt de werkgever de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de werknemers over voldoende informatie en, in voorkomend geval, over gebruiksaanwijzingen betreffende de op het werk gebruikte arbeidsmiddelen beschikken .

2 . De informatie en de gebruiksaanwijzingen moeten tenminste de uit het oogpunt van veiligheid en gezondheid benodigde gegevens bevatten betreffende :

- de omstandigheden waaronder de arbeidsmiddelen dienen te worden gebruikt;

- voorzienbare abnormale situaties;

- de conclusies die in voorkomend geval kunnen worden getrokken uit de bij het gebruik van arbeidsmiddelen opgedane ervaringen .

3 . De informatie en de gebruiksaanwijzingen moeten voor de betrokken werknemers begrijpelijk zijn .

Artikel 7

Opleiding van de werknemers

Onverminderd artikel 12 van Richtlijn 89/391/EEG neemt de werkgever de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat :

- de werknemers die tot taak hebben de arbeidsmiddelen te gebruiken een adequate opleiding ontvangen, onder meer wat betreft de risico's die dit gebruik eventueel met zich brengt;

- de in artikel 5, tweede streepje, bedoelde werknemers een adequate specifieke opleiding krijgen .

Artikel 8

Raadpleging en medezeggenschap van de werknemers

Overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 89/391/EEG worden de werknemers en/of hun vertegenwoordigers geraadpleegd en hebben zij medezeggenschap omtrent de materies die onder deze richtlijn, met inbegrip van de bijlage, vallen .

AFDELING III

DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 9

Wijziging van de bijlage

1 . Toevoeging in de bijlage van extra minimumvoorschriften die van toepassing zijn op specifieke arbeidsmiddelen als bedoeld in punt 3 van de bijlage, geschiedt door de Raad volgens de procedure van artikel 118 A van het Verdrag .

2 . De aanpassingen van strikt technische aard van de bijlage in verband met :

- de vaststelling van richtlijnen op het gebied van de technische harmonisatie en normalisatie met betrekking tot arbeidsmiddelen, en/of

- de technische vooruitgang, de ontwikkeling van internationale regelingen of specificaties of van de kennis op het gebied van arbeidsmiddelen,

worden vastgesteld volgens de procedure bedoeld in artikel 17 van Richtlijn 89/391/EEG .

Artikel 10

Slotbepalingen

1 . De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 1992 aan deze richtlijn te voldoen . Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis .

2 . De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied reeds hebben vastgesteld of vaststellen .

3 . De Lid-Staten brengen de Commissie om de vijf jaar verslag uit over de praktische tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze richtlijn, onder vermelding van de standpunten van de sociale partners .

De Commissie geeft kennis van het verslag aan het Europese Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats .

4 . De Commissie legt op gezette tijden aan het Europese Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité een verslag voor over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, met inachtneming van de leden 1, 2 en 3 .

Artikel 11

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten .

Gedaan te Brussel, 30 november 1989 .

Voor de Raad

De Voorzitter

J . P . SOISSON

( 1 ) PB nr . C 114 van 30 . 4 . 1988, blz . 3;(2 ) PB nr . C 326 van 19 . 12 . 1988, blz . 132, en(3 ) PB nr . C 318 van 12 . 12 . 1988, blz . 26 .

( 4 ) PB nr . C 28 van 3 . 2 . 1988, blz . 3 .

( 5 ) PB nr . C 28 van 3 . 2 . 1988, blz . 1.(6 ) PB nr . L 183 van 29 . 6 . 1989, blz . 1 .

( 7 ) PB nr . L 109 van 26 . 4 . 1983, blz . 8 .

( 8 ) PB nr . L 185 van 9 . 7 . 1974, blz . 15 .

BIJLAGE MINIMUMVOORSCHRIFTEN BEDOELD IN ARTIKEL 4, LID 1, ONDER a ), ii ), EN ONDER b ), VAN DE RICHTLIJN 1 .

Voorafgaande opmerking

De in deze bijlage genoemde verplichtingen zijn van toepassing met inachtneming van het bepaalde in de richtlijn en wanneer het overeenkomstige gevaar voor het betrokken arbeidsmiddel bestaat .

2 .

Algemene minimumvoorschriften voor de arbeidsmiddelen

2.1 .

De bedieningssystemen van een arbeidsmiddel die van invloed zijn op de veiligheid, moeten duidelijk zichtbaar en herkenbaar zijn en waar nodig op passende wijze zijn gemerkt .

De bedieningssystemen dienen zich buiten de gevaarlijke zones te bevinden, behalve zo nodig in bepaalde gevallen, en zodanig te zijn geplaatst dat de bediening geen extra gevaren met zich brengt . Zij mogen bij onopzettelijke handelingen geen gevaar opleveren .

Zo nodig moet de bediener vanaf de hoofdbedieningspost kunnen vaststellen of zich personen in de gevaarlijke zones bevinden . Indien dit onmogelijk is, moet elke inschakeling automatisch worden voorafgegaan door een veilig systeem zoals een waarschuwend geluid - en/of lichtsignaal . De blootgestelde werknemer moet de tijd en/of de middelen hebben om het gevaar dat ontstaat door het starten en/of stoppen van het arbeidsmiddel snel te ontlopen .

De bedieningssystemen moeten veilig zijn . Een storing of beschadiging van de bedieningssystemen mag niet tot een gevaarlijke situatie leiden .

2.2 .

Het in werking stellen van een arbeidsmiddel mag alleen kunnen geschieden door een opzettelijk verrichte handeling met een hiervoor bestemd bedieningssysteem .

Dit geldt ook :

- voor het opnieuw in werking stellen na stilstand, ongeacht de oorzaak daarvan;

- voor het bewerkstelligen van een belangrijke wijziging in de werking ( bij voorbeeld snelheid, druk, enz .),

behalve indien dit opnieuw in werking stellen of deze wijziging geen risico voor de blootgestelde werknemers inhoudt .

Het opnieuw in werking stellen of wijzigen van de werking in het kader van het normale programma van een automatische cyclus valt niet onder dit voorschrift .

2.3 .

Elk arbeidsmiddel moet zijn voorzien van een bedieningssysteem waarmee het op veilige wijze volledig kan worden stopgezet .

Elke werkplek moet zijn voorzien van een bedieningssysteem waarmee, naar gelang van het risico, hetzij het gehele arbeidsmiddel, hetzij een deel daarvan kan worden stilgelegd, zodat het arbeidsmiddel in veilige toestand is . De stopopdracht aan het arbeidsmiddel moet voorrang hebben op startopdrachten . Wanneer het arbeidsmiddel of de gevaarlijke onderdelen ervan tot stilstand zijn gekomen, moet de energievoorziening van de betrokken aandrijfmechanismen onderbroken zijn .

2 .4 .

Indien dit nodig is met het oog op de gevaren van het arbeidsmiddel en de normale uitschakeltijd, moet een arbeidsmiddel voorzien zijn van een noodstopinrichting .

2.5 .

Een arbeidsmiddel dat gevaar van vallende of wegschietende voorwerpen oplevert, moet zijn voorzien van geschikte veiligheidsinrichtingen die op dat gevaar zijn afgestemd .

Een arbeidsmiddel dat gevaar van gas -, damp - of stofontwikkeling dan wel het vrijkomen van vloeistoffen oplevert, moet zijn voorzien van geschikte opvang - en/of afvoerinrichtingen nabij de bron van die gevaren .

2.6 .

Arbeidsmiddelen en hun onderdelen moeten door bevestiging of met andere middelen gestabiliseerd zijn, indien zulks noodzakelijk is voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers .

2.7 .

Indien het risico bestaat dat delen van het arbeidsmiddel uiteenspringen of breken, waardoor reële gevaren voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers zouden kunnen ontstaan, moeten passende beveiligingsmaatregelen worden genomen .

2.8 .

Wanneer bij bewegende delen van een arbeidsmiddel het risico bestaat van mechanisch contact waardoor zich ongelukken zouden kunnen voordoen, moeten zij zijn uitgerust met schermen of inrichtingen waarmee de toegang tot de gevaarlijke zones wordt verhinderd of de bewegingen van gevaarlijke delen worden stilgezet voordat de gevaarlijke zones worden bereikt .

De schermen en beveiligingsinrichtingen :

- moeten stevig zijn uitgevoerd,

- mogen geen bijkomende gevaren met zich brengen,

- mogen niet op een eenvoudige wijze omzeild of buiten werking kunnen worden gesteld,

- moeten voldoende ver van de gevaarlijke zone verwijderd zijn,

- moeten het zicht op het verloop van het werk zo min mogelijk belemmeren,

- moeten de noodzakelijke handelingen voor het aanbrengen en/of de vervanging van de delen alsmede voor de verzorgingswerkzaamheden mogelijk maken, waarbij de toegang wordt beperkt tot de sector waar het werk moet worden verricht en, zo mogelijk, demontage van het scherm of de beveiligingsinrichting niet nodig is .

2.9 .

De werk - en onderhoudspunten van een arbeidsmiddel moeten voor de te verrichten werkzaamheden voldoende zijn verlicht .

2.10 .

Delen van een arbeidsmiddel met een hoge of zeer lage temperatuur moeten zo nodig tegen gevaar van aanraking of nabijheid van werknemers zijn beveiligd .

2.11 .

De alarmsignalen van het arbeidsmiddel moeten gemakkelijk en zonder onduidelijkheid waarneembaar en te begrijpen zijn .

2.12 .

Een arbeidsmiddel mag niet worden gebruikt voor bewerkingen en onder omstandigheden waarvoor het niet geschikt is .

2.13 .

Onderhoudswerkzaamheden moeten kunnen plaatsvinden wanneer het arbeidsmiddel uitgeschakeld is . Indien dat niet mogelijk is, moeten er passende beveiligingsmaatregelen voor het verrichten van deze werkzaamheden kunnen worden genomen of moeten de werkzaamheden buiten de gevaarlijke zones kunnen plaatsvinden .

Bij arbeidsmiddelen horende onderhoudsboekjes dienen consequent te worden bijgehouden .

2.14 .

Elk arbeidsmiddel moet zijn voorzien van duidelijk identificeerbare inrichtingen waarmee het van elk van zijn krachtbronnen kan worden losgekoppeld .

De herverbinding mag geen gevaar voor de betrokken werknemers opleveren .

2.15 .

Arbeidsmiddelen moeten zijn voorzien van de waarschuwingen en signaleringen die noodzakelijk zijn voor de veiligheid van de werknemers .

2.16 .

Voor het verrichten van produktie -, afstel - en onderhoudswerkzaamheden met of aan de arbeidsmiddelen moeten de werknemers onder voortdurend veilige omstandigheden alle nodige punten kunnen bereiken .

2.17 .

Elk arbeidsmiddel moet de werknemers op passende wijze beschermen tegen de gevaren van brand of verhitting van de arbeidsmiddelen, gas -, stof - of dampontwikkeling dan wel het vrijkomen van vloeistoffen of andere stoffen die in het arbeidsmiddel worden gebruikt of opgeslagen .

2.18 .

Elk arbeidsmiddel moet op passende wijze voorkomen dat er risico van ontploffing van het arbeidsmiddel of van in het arbeidsmiddel vrijkomende, gebruikte of opgeslagen stoffen bestaat .

2.19 .

Elk arbeidsmiddel moet de blootgestelde werknemers op passende wijze beschermen tegen het gevaar van rechtstreeks of indirect contact met elektriciteit .

3 .

Extra minimumvoorschriften voor specifieke arbeidsmiddelen

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de richtlijn .